Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5306

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
200.093.176_03
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2011:BR3904
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:2992
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:196
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beoordeling deskundigenrapport

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2019/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.093.176/03

arrest van 5 december 2017

in de zaak van

1 [de vennootschap 1] A.G.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , Zwitserland,

2. [appellant 2] ,
wonende te [woonplaats] , België,

3. [appellant 3] ,

wonende te [woonplaats] , België,

4. [appellante 4] ,
wonende te [woonplaats] , België,

5. [appellante 5] ,

wonende te [woonplaats] , België,

hierna ook gezamenlijk aan te duiden als [appellanten c.s.] ,

advocaat: mr. J. Blussé van Oud Alblas,

procesadvocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann te 's-Hertogenbosch,

tegen

1 [de vennootschap 2] , voorheen [de vennootschap 3] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. O. Böhmer,

procesadvocaat mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch

2. [de vennootschap 4] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [de vennootschap 5] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , Nederland,

advocaat: mr. H. Boonk te Rotterdam,

procesadvocaat: mr. H. Boonk,

geïntimeerden,

hierna ook gezamenlijk aan te duiden als [geintimeerden c.s.] ,

en ieder afzonderlijk als [de vennootschap 2] , [de vennootschap 4] en [de vennootschap 5] ,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 4 augustus 2015 en 26 januari 2016 in het hoger beroep van de door de rechtbank Middelburg onder zaaknummer 75949/HA ZA 2010-551 gewezen vonnissen van 23 februari 2011 en 25 mei 2011, welk laatste vonnis is aangevuld bij vonnis van 7 september 2011. Het hof zal de nummering van het laatst gewezen tussenarrest voortzetten.

8 Het verloop van de procedure na het tussenarrest van 26 januari 2016

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het genoemde tussenarrest van 26 januari 2016;

  • -

    het door de deskundigen opgemaakte rapport van 8 mei 2017;

  • -

    de zijdens [appellanten c.s.] genomen memorie na deskundigenbericht met producties;

  • -

    de zijdens [de vennootschap 2] genomen antwoordmemorie na deskundigenbericht;

  • -

    de zijdens [de vennootschap 4] en [de vennootschap 5] genomen memorie na deskundigenbericht.

Nadat partijen de stukken hebben gefourneerd, is bepaald dat opnieuw arrest zal worden gewezen.

9 De verdere beoordeling

9.1

Het hof heeft in het tussenarrest van 26 januari 2016 A.A.M. van Oeffel en K. Philippo (hierna de deskundigen) benoemd ter gezamenlijke beantwoording van een aantal vragen. Die vragen heeft het hof als volgt ingeleid:

Het schip Stanleystad is op 13 en 14 maart 2009 beladen met nafta, die daarop is vervoerd van [plaats 1] naar [plaats 2] . Nadat de tanks van de Stanleystad in [plaats 2] waren gelost, is in meerdere tanks een zwarte substantie aangetroffen. Vervolgens heeft reiniging plaatsgehad van deze tanks bij ATM te [plaats 3] . Daarna zijn beschadigingen geconstateerd aan een aantal tanktops van de Stanleystad.

Het hof heeft vervolgens de volgende vragen aan de deskundigen gesteld:

(1) Beschikt u over voldoende gegevens om een gefundeerd oordeel te kunnen geven over de hierna geformuleerde onderzoeksvragen met betrekking tot het partijen verdeeld houdende geschilpunt of de in de tanktops van de Stanleystad geconstateerde schade is veroorzaakt door de belading van de Stanleystad op 13 en 14 maart 2009 met nafta en het vervoer door de Stanleystad van die nafta op 14 maart 2009 van [plaats 1] naar [plaats 2] ?

(2) Nadat de tanks van de Stanleystad in [plaats 2] waren gelost, is in meerdere tanks een zwarte substantie aangetroffen. Vervolgens heeft reiniging plaatsgehad van deze tanks bij ATM te [plaats 3] . Daarna zijn beschadigingen geconstateerd aan een aantal tanktops van de Stanleystad. De deskundigen wordt verzocht om, zonder dat zij over een monster van deze substantie beschikken, indien mogelijk een beredeneerd oordeel te geven over de volgende vragen:

( a) waaruit bestaat deze substantie?
(b) kan deze substantie bij de belading van de Stanleystad in [plaats 1] zijn meegekomen met de geladen nafta?
(c) heeft deze substantie tot gevolg gehad dat de zinken bodems van de tanks van de Stanleystad zijn aangetast op een wijze zoals beschreven en op foto's weergegeven in de door partijen in het geding gebrachte rapporten?

( d) is de geconstateerde schade te wijten aan de aantasting door een loog of door een zuur of door beide?
(e) gaat het om een aantasting die op het moment van ontdekking zeer recent was?
(f) kan de onderhavige beschadiging zijn ontstaan zonder dat water aanwezig was?

( g) indien aanwezigheid van water noodzakelijk was voor het ontstaan van de schade bevatten de stukken dan aanwijzingen voor de aanwezigheid van water in de vervoerde lading nafta?
(h) kan de schade zijn ontstaan door de bij ATM uitgevoerde schoonmaakwerkzaamheden?

(3) In de diverse op verzoek van een of meer partijen uitgebrachte rapporten worden alternatieve oorzaken aangegeven en alternatieve conclusies getrokken. Kunt u gemotiveerd aangeven waarom u het al dan niet eens bent met deze gestelde oorzaken en deze conclusies?

9.2.1

De deskundigen hebben het zinvol geacht om een aantal aspecten toe te lichten die niet specifiek zijn genoemd in de verschillende rapporten die in deze procedure zijn overgelegd, alvorens de vragen te beantwoorden. Die toelichting houdt het volgende in.

 De Stanleystad vervoert hoofdzakelijk petroleumproducten zoals nafta, benzine en gasolie. Afhankelijk van het type lading wordt tussentijds al dan niet grondig gereinigd en/of geïnspecteerd. Is er kans tot contaminatie van de volgende lading door aanwezigheid van restproducten dan worden de tankdeksels opengemaakt en worden de tanks geïnspecteerd. In de meeste gevallen volgt in deze gevallen een grondige reiniging waarna d.m.v. een ‘wallwash’ test geverifieerd wordt of alle restproducten werden verwijderd alvorens de nieuwe lading binnen te nemen. Dit is dus zeker het geval indien men wil overschakelen van petroleum gerelateerde producten naar een zuiver product zoals Aceton (…) maar niet bij opeenvolgende ladingen van gelijkaardige petroleumproducten.

Tussentijdse, minder kritische, tankinspecties worden uitgevoerd via in de tankdeksels

aangebrachte monsterpoortjes, welke een diameter hebben van ongeveer 20 cm, waarbij het onmogelijk is om een betrouwbare indruk te verkrijgen van de toestand van de tank of de gesteldheid van de coating. Tankinspecties hebben slechts tot doel om vast te stellen dat de tanks leeg zijn, en niet om te verifiëren of de tanks schoon zijn, laat staan om de toestand van de coating te verifiëren. Het is voor een binnenvaartschip zoals de Stanleystad dan ook zelden nodig om de tankdeksels te openen en de tanks te betreden voor interne inspectie. Betreden van de tanks voor de hiervoor genoemde verificatie vereist bijkomend dat de tanks gasvrij moeten gemaakt worden doch niet dat ze «rein» moeten gemaakt worden wat wel nodig is om de coating te kunnen inspecteren.

In tegenstelling tot expert [deskundige 1] (noot hof: [deskundige 1] is de persoon aan wie [appellanten c.s.] het conceptrapport van de deskundigen hebben voorgelegd. [deskundige 1] ’s reactie op dit concept is door [appellanten c.s.] overgelegd als productie bij hun memorie na deskundigenbericht) is de deskundige van Oeffel van mening dat mocht een vervuiling zoals waargenomen na lossing in [plaats 2] , voor belading in [plaats 1] reeds aanwezig zijn geweest, deze bij inspectie vanaf het dek via de monsterpoortjes niet geconstateerd had kunnen worden.

 Nadat de Stanleystad na elkaar petroleum producten had vervoerd (nafta, gasolie,

benzine en opnieuw nafta) diende Aceton geladen te worden. Aceton is een hoog zuiver chemisch product, dat voornamelijk gebruikt wordt als uitgangsstof voor de productie van acrylaat- en epoxyharsen. Hierbij worden strenge eisen gesteld aan de staat van reinheid van de tanks. In tegenstelling tot wat [Marine] Marine stelt in zijn rapport is het niet gebruikelijk om zinkgecoate tanks na petroleumproducten alleen te ventileren om de tanks te prepareren voor het laden van Aceton. Hoewel de ontvangen documenten geen expliciete aanwijzingen bevatten omtrent kwaliteitsspecificaties, zijn de deskundigen op basis van hun ervaring van mening dat tanks bij dergelijke omschakeling van product altijd gewassen worden en inwendig geïnspecteerd, aangezien sporen van een voorgaande lading een verontreiniging van de lading Aceton kunnen veroorzaken waardoor deze bij afleveren verworpen kan worden. De relevantie van het vorengaande is dat de beslissing om tanks te laten reinigen bij ATM reeds is genomen enkele uren na het vertrek uit [plaats 2] , terwijl het

ventileren van de tanks nog in volle gang was. Dit maakt aannemelijk dat niet de vermeende verontreiniging de reden was voor het laten reinigen van de tanks, maar wel de gevraagde reinheid van de tanks.

 Het type nafta dat door de Stanleystad is vervoerd, wordt door [de vennootschap 3] aangeduid als “Hydrobon feed”. Dit is een Heavy Straight Run (HSR) nafta bestaande uit koolwaterstoffen met 7 of meer koolstof atomen (…), met een typisch destillatietraject van 80-160°C. De relevantie hiervan is dat HSR nafta een lage dampspanning heeft, waardoor het langzaam verdampt bij het ventileren van de ladingtanks.

HSR nafta wordt bij [de vennootschap 3] raffinaderij [plaats 1] rechtstreeks vanaf de destillatiekolom naar de aflooptank 206 verpompt, zonder dat ontzwaveling door middel van loog of andere alkalische vloeistof plaatsvindt. Dit is consistent met het hoge mercaptaangehalte zoals vermeld in het analyserapport van Laboratorium Dr. [laboratorium] .

[de vennootschap 3] beschikt in [plaats 1] ook niet over een Alkylerings unit, dat het enige raffinaderijproces is waarbij zuur gebruikt wordt. Het is dus uit te sluiten dat er loog of zuur in landtank 206 aanwezig is geweest, en vervolgens tijdens de belading in de tanks van de Stanleystad is beland [noot hof: lay-out conform het rapport].

 Bij het Hydrobon proces bij [de vennootschap 3] in [plaats 2] wordt de in de HSR nafta aanwezige

zwavel verwijderd om het product geschikt te maken als voeding voor de ‘Reformer’,

waarbij HSR nafta wordt omgezet in zgn. ‘Reformate’, een benzinecomponent met een

hoog octaangehalte. Bij dit proces wordt gebruik gemaakt van dure katalysatoren waarvan de levensduur door verschillende verontreinigingen wordt gereduceerd, zodat de HSR nafta aan strikte kwaliteitsspecificaties moet voldoen. Zou bij monstername van de nafta voor lossen te [plaats 2] een verontreiniging zijn geconstateerd, dan zou [de vennootschap 3] de lading zeker hebben geweigerd en de vervoerder aansprakelijk hebben gesteld.

 Het verzegelen van ladingmonsters is niet gebruikelijk bij standaard laad- en losoperaties van binnenvaartschepen. Eenzijdig door inspectiefirma’s genomen monsters worden algemeen aanvaard als zijnde representatief voor de betreffende lading. Alleen in geval van een dispuut worden gezamenlijk monsters genomen en in aanwezigheid van alle betrokken partijen verzegeld. Tot op het moment van de lossing van de Stanleystad in [plaats 2] was hiervan nog geen sprake, zodat er geen reden was om te verwachten dat verzegelde monsters beschikbaar zouden zijn.

 Nafta is bijkomend een product met zeer groot oplossend vermogen. Bijkomend werd deze lading vooraf gegaan door ladingen gasolie en benzine wat eveneens zuivere producten zijn.

9.2.2

De deskundigen hebben vervolgens op vraag (1) met “ja” geantwoord, dit, zo hebben zij hierbij vermeld, ondanks het feit dat de beschikbare informatie heeft geleid tot verdeeldheid bij de verschillende betrokkenen met betrekking tot de oorzaak van de schade.

Op vraag 2a, waaruit de zwarte in meerdere de tanks van de Stanleystad aangetroffen substantie bestaat, hebben de deskundigen geantwoord:

Indien de vermeende zwarte substantie uit koolwaterstoffen of andere organische verbindingen zou hebben bestaan, welke mengbaar zijn met nafta, zou deze opgelost zijn in nafta.

Indien de substantie uit water of in water opgeloste verbindingen had bestaan, welke

niet mengbaar zijn met nafta en een hoger soortelijk gewicht hebben dan nafta, zou deze

substantie alleen op de bodem en er net boven aanwezig zijn als separate waterfase

onder de nafta.

Dat de vermeende zwarte substantie niet alleen op de bodem werd waargenomen maar ook op de wanden en ladders, betekent dat deze was opgelost in de nafta en dus uit koolwaterstoffen of andere organische verbindingen moet hebben bestaan.

Een zwarte substantie zou ongetwijfeld een verkleuring van de lading nafta veroorzaakt

hebben. Dat dit in geen enkele van de monsters genomen tijdens en na belading en voor

lossing is vastgesteld, duidt erop dat de vermeende verontreiniging een inherent bestanddeel van de HSR nafta is geweest.”

In hun slotopmerking hebben de deskundigen dit nog als volgt toegelicht:

Alle mogelijkheden om een monster van de zwarte substantie te verkrijgen zijn

onbegrijpelijker wijs niet benut, waardoor identificatie niet meer mogelijk is. De vraag blijft

wat de bemanning en de verschillende betrokkenen daadwerkelijk hebben waargenomen in de tanks. Het uiterlijk van een Galvosil 15700 zinkcoating in schone en droge toestand is mat lichtgrijs. Wanneer de coating verzadigd is met ladingrestanten verandert het uiterlijk naar zwart. Op het moment dat de tankdeksels zijn geopend na vertrek uit [plaats 2] was het ventileren van de tanks nog in voortgang. Bij de gemiddelde buitentemperatuur in maart heeft HSR nafta een relatief lage dampspanning en zullen de meest vluchtige componenten het eerst verdampen, waardoor de zwaarste componenten achterblijven.

Aangezien het voor de Stanleystad ongebruikelijk is om tanks te wassen, en de toestand van

de tanks te inspecteren, is het aannemelijk dat wat als zwarte vervuiling is aangemerkt in

werkelijkheid restanten van de HSR nafta in de coating zijn geweest. Omdat de Stanleystad overging tot de belading van een totaal ander soort product (Aceton) werd er meer nauwkeuriger geïnspecteerd en was de verkleuring van de zinksilicaat een mogelijk probleem voor de aceton. Om die reden werd er gereinigd en werd reeds eerder aangetaste zinksilicaat op de tanktops en onderzijde van de wand verwijderd bij het reinigen. Deze zones waren reeds eerder aangetast doch door de aard van de ladingen niet eerder opgemerkt.

De vermeende vervuiling is reeds waargenomen na slechts enkele uren ventileren met koude

buitenlucht. Vervolgens is nog dezelfde dag binnen enkele uren de beslissing genomen om

tanks te laten reinigen. Alle tanks zijn gereinigd behalve tanks 9 bakboord en 9 stuurboord,

naar verluidt om de vervuiling te kunnen identificeren. Dat er ondanks de aanwezigheid van

experts geen monsters genomen zijn van de vervuiling of het waswater, toont aan dat er fysiek niets te bemonsteren was, anders dan een verkleuring van de coating ten gevolge van de aanwezigheid van nog niet volledig verdampte restanten van de lading.

De duidelijk zichtbare zwarte verontreiniging, door expert [deskundige 3] omschreven als ‘fuel

like’ was echter alleen aanwezig in tank 3 bakboord, ook na het reinigen bij ATM, en staat

niet in verband met de geconstateerde coatingschade.

Op vraag 2b, of deze substantie bij de belading van de Stanleystad in [plaats 1] kan zijn meegekomen met de geladen nafta, antwoorden de deskundigen dat het antwoord op deze vraag verschillende onderdelen omvat, die echter allen in de richting van nee als antwoord wijzen, gelet op:

Landtank 206, waaruit de nafta is beladen is een zgn. “aflooptank”, wat betekent dat nieuw product vanaf de destillatiekolom kan geladen worden in tank 206, terwijl tegelijkertijd product uit de tank naar de steiger verpompt kan worden. Zou de zwarte substantie op enig moment tijdens de belading vanuit de destillatiekolom in tank[s] 206 zijn beland, bijvoorbeeld door een onvoorziene processtoornis, dan zou het zich niet homogeen over de gehele tank hebben verdeeld. De substantie zou men bijkomend dan ook ongetwijfeld in één of meerdere van de monsters hebben moeten aantreffen welke tijdens de belading van de Stanleystad werden genomen. Hiervan is echter geen bewijs aanwezig en dit zou ook, gelet op de eisen die aan het product worden gesteld, geleid hebben tot een onmiddellijk stopzetting van het laden en vervoeren van deze Nafta. De zwarte smurrie zou dan ook over alle tanks verdeeld geweest zijn doch dit is niet het geval. Omdat de zuigleiding in tank 206 op 1,8 meter hoog zich bevindt en de tank op geregelde tijdstippen wordt gedraineerd (verwijdering van eventueel hemelwater), is het eveneens uit te sluiten dat het zwart product (in niet opgeloste vorm) zich onderaan in de tank heeft bevonden en mee werd getrokken bij het beladen. [de vennootschap 3] zou dit trouwens ook hebben opgemerkt bij het draineren.

Wanneer de zwarte substantie opgelost zou zijn geweest (…) in de lading nafta, zou deze niet alleen de kleur hebben beïnvloed, maar tevens het destillatietraject. Zoals in de inleiding is toegelicht, is HSR nafta een kleurloze vloeistof met een typisch eindkookpunt van ca. 160°C. De aanwezigheid van een opgeloste zwarte substantie zou een duidelijke verhoging van het eindkookpunt tot gevolg hebben. Dit komt echter niet tot uiting in de analyserapporten van het monster van landtank 206 voor laden in [plaats 1] en de scheepsmonsters voor lossen in [plaats 2] , waar voor beide het eindkookpunt 159.4°C bedraagt. Er is overigens ook geen sprake van een gekleurde nafta bij laden noch bij aflevering welke zeker had geleid tot verwerping van de lading zoals hierboven vermeld.

De leiding door welke de nafta is geladen, wordt naar verluidt uitsluitend voor nafta gebruikt. Dit is gebruikelijk bij een raffinaderij met een beperkt aantal productstromen, in tegenstelling tot b.v. een opslagterminal welke een groot aantal verschillende producten en productkwaliteiten verwerkt. De laadarm waardoor nafta wordt geladen wordt tevens voor benzine en xyleen gebruikt. Zelfs al zou de laadarm bij wijze van vergissing nog volgestaan hebben met een verontreiniging, dan is de hoeveelheid zo gering dat deze alleen in de twee tanks zou zijn terechtgekomen welke het eerst zijn beladen, en zeker niet in alle oneven tanks.

Voor wat betreft het meekomen van een zwarte verontreiniging bij de belading luidt het

antwoord op deze vraag dan ook ‘NEE’.”

Op vraag 2c, heeft deze substantie tot gevolg gehad dat de zinken bodems van de tanks van de Stanleystad zijn aangetast op een wijze zoals beschreven en op foto’s weergegeven in de

door partijen in het geding gebrachte rapporten, hebben de deskundigen geantwoord:

De substantie werd na het lossen van de lading nafta in [plaats 2] tijdens het ventileren door de scheepsbemanning waargenomen op de bodems en de wanden van de tanks. Ook foto’s van tank 9 laten een zwarte verkleuring van de tankwanden, ladders zien. De aantasting van de zinkcoating beperkt zich echter tot de tanktops (en soms klein stukje van de onderzijde van de wanden) van de tanks.” De deskundigen “(…) zijn dan ook van mening dat de substantie die waargenomen is op de tankwanden en bodems niet de substantie is die de aantasting heeft veroorzaakt.”

Op vraag 2d, of de geconstateerde schade is te wijten aan de aantasting door een loog of door een zuur of door beide, hebben de deskundigen geantwoord:

De tankwanden en tanktops van alle tanks werden in 2005 bekleed met een zinksilicaat van het type Hempel Galvosil. Het gaat hier om een anorganische zinksilicaat met hoge resistentie tegen organische vloeistoffen in afwezigheid van water en bij een vrij neutrale pH in de range tussen 6 en 9. Dit type lining wordt ook veelvuldig aangewend als tanklining voor transport van talrijke “olie”producten omwille van zijn hoge temperatuursresistentie (noodzakelijk in combinatie met een opwarmingscoil). Anderzijds gaat het om een vrij poreuze coating die snel verkleurt en hierdoor niet altijd even makkelijk te reinigen is. Het is een amfoteer materiaal wat betekent dat het zowel bij blootstelling aan een sterk zuur als blootstelling aan een sterk loog (base) versneld faalt en degradeert.

Bij contact van deze zinklaag met sterke zuren degradeert het zink door aantasting van de beschermende carbonaat film waarbij NA faling lokaal corrosie kan ontstaan met pitting (invreting) in een latere fase tot gevolg (mogelijk mede beïnvloed door de galvanische koppeling met een SS coil). De koolstofstalen bodem gaat dan roodbruine verkleuring (= ijzeroxides) vertonen, hier het geval.

Bruine corrosieproducten tonen aan dat de zinklaag op deze plekken volledig is verdwenen en er hier dus geen bescherming meer is. Wordt de zinklaag door een loog aangetast dan zal het eronder vrijgekomen koolstofstaal NIET corroderen in een sterk alkalisch milieu maar blijft het staal lichtgrijs van kleur. Alkalische reinigingsmiddelen worden ook gebruikt als vetoplosser (verzeping) maar geven geen aantasting indien verdund en slechts kortstondig in contact gevolgd door een minutieuze reiniging en naspoeling met water.

Andere mogelijk[e] reden voor het falen van deze zinksilicaat is verwijdering door impact. Deze impact kan veroorzaakt worden door reinigingen met hoge druk waarbij getracht wordt om ook de poriën te reinigen en waarbij men vooral verouderde zinkcoatings soms vrij snel bij deze bewerkingen verwijdert (zoals eerder al gemeld is dit type lining vrij poreus en verkleurt dus snel wat moeilijk verwijderbaar is).

Voor de reiniging van de tanks heeft ATM, volgens de bekomen info, enkel heet water

gebruikt en geen alkalische reinigingsmiddelen. De gevolgde werkwijze op de wand was hierbij gelijkwaardig aan deze op de tanktop met gelijke druk en werkingsafstand. Om die reden is het vrijwel uit te sluiten dat de coating door de mechanische werking van het reinigen werd verwijderd tenzij deze al voordien was aangetast en verzwakt door bv. zuur water of een alkalische substantie.

De witte afzetting van de zink, waarvan eveneens sprake (is) in de rapporten, zijn eveneens chemische reacties die opgetreden zijn in combinaties met loog of alkalische reinigingsmiddelen (dit zijn de zogenaamde zinkzouten) waarbij het zink zich langzaam gaat opofferen maar waarbij het substraat nog niet blootstaat aan het elektrolyt en dus nog beschermd is tot zolang alle zink niet is “verbruikt”. Witte afzetting “verkleuring” is dus bij dit type coating niet noodzakelijkwijze te bestempelen als schade.

Antwoord op de vraag is dus dat: zonder excessieve mechanische belasting er enkel corrosie kan ontstaan nadat de zinklaag op de schadeplekken was verdwenen wat een chemische reactie met een zuur of loog vereist. Zuiver nafta kan deze aantasting niet veroorzaakt hebben. Bijkomend zou de schade dan overal aanwezig zijn. Een zure waterige afscheidingslaag kan dit wel veroorzaakt hebben. De plekken met invreting moeten er al veel langer geweest zijn. Dit doet zich niet voor op 2 of 3 dagen.”

Op vraag 2e, of het om een aantasting gaat die op het moment van ontdekking zeer recent was, hebben de deskundigen geantwoord:

Het patroon van de roestvorming zoals waargenomen in de oneven tanks kan niet ontstaan zijn in de korte tijd tussen de belading in [plaats 1] en het schoonmaken van de tanks in [plaats 3] . Aangezien de Stanleystad meerdere gelijkaardige producten na elkaar heeft vervoerd vonden er geen tussentijdse grondige reinigingen plaats en is het dus ook meer dan logisch dat de schade er al eerder moet geweest zijn maar niet eerder werd opgemerkt dan na de grondige reiniging door ATM. Het is ook vrij logisch dat men de aantasting niet eerder heeft kunnen vaststellen aangezien verkleuring een degelijke inspectie verhindert en men zelf gecrackte verflagen niet zo kan vaststellen.”.

Op vraag 2f, of de onderhavige beschadiging kan zijn ontstaan zonder dat water aanwezig was, hebben de deskundigen geantwoord:

Indien de schade zou zijn veroorzaakt door een component die oplosbaar is in nafta (zoals bijvoorbeeld waterstofsulfide, H2S), zou de schade zich niet hebben beperkt tot de bodem van de tanks, maar zou ook de zinkcoating op de wanden zijn aangetast. Het schadepatroon duidt op een component die onoplosbaar is in nafta en zich onder de nafta op de tankbodem heeft bevonden. Meest logischerwijze gaat het om een verdunde zure, waterige oplossing

Ondergetekenden zijn er vrijwel zeker van overtuigd dat het antwoord ‘NEE’ dient te

luiden.”.

Op vraag 2g, indien aanwezigheid van water noodzakelijk was voor het ontstaan van de schade bevatten de stukken dan aanwijzingen voor de aanwezigheid van water in de vervoerde lading nafta, hebben de deskundigen geantwoord:

De aanwezigheid van water zou af te leiden zijn uit het uiterlijk van de ladingmonsters. HSR nafta is van nature een heldere en kleurloze vloeistof, waarbij de oplosbaarheid van water, afhankelijk van de temperatuur, maximaal 200 ppm bedraagt. Bij hogere watergehaltes wordt het uiterlijk troebel en zal de overmaat aan water uitzakken naar de bodem. Het in de ontvangen stukken aanwezige analyserapport van ladingmonsters welke naar verluidt afkomstig zijn van de scheepstanks voor lossing, vermeldt het uiterlijk als zijnde helder. De stukken bevatten ook geen aanwijzing op het meetrapport van de tanks van de Stanleystad dat vrij water zou zijn aangetroffen.

Het antwoord op deze vraag luidt dan ook ‘NEE’.”

Op vraag 2h, of de schade kan zijn ontstaan door de bij ATM uitgevoerde schoonmaakwerkzaamheden, hebben de deskundigen geantwoord:

Indien de coating op de tanktops al eerder was beschadigd dan kan het zijn dat men door het reinigen slecht hechtende zinksilicaatlagen heeft doen loskomen waarbij invreting (pitting) ook zichtbaar is geworden. In ieder geval moet aantasting en invreting er al eerder geweest zijn en komt dit niet door het reinigen.

Antwoord is dus: Neen, maar door ATM uitgevoerde werken hebben reeds aanwezige

schade bloot gelegd en wat al aangetast was mee verwijderd.”.

Op vraag 3 waarin het hof, kort gezegd, de deskundigen heeft gevraagd om te reageren op de diverse eerder in het geding gebrachte rapporten waarin alternatieve oorzaken worden aangegeven en alternatieve conclusies worden getrokken, hebben de deskundigen geantwoord:

[deskundigen] concludeert “dat de schade aan de coating is ontstaan als gevolg van een verontreiniging in de lading nafta, vermoedelijk afkomstig van product uit de onderzijde van de landtank”.

Deze conclusie werd gebaseerd op de volgende veronderstellingen:

• Er is sprake van een verontreiniging in het product nafta, aangezien na lossing van de nafta een smurrie werd aangetroffen.

• Deze verontreiniging is afkomstig uit de onderzijde van de landtank.

• Er zijn geen bijzonderheden vastgesteld bij controle van de ladingtanks voorafgaand aan de belading door een onafhankelijke firma.

• De verontreiniging in tank 3 kan niet aanwezig zijn geweest voor de belading van de nafta, aangezien deze zou zijn opgelost in de voorgaande lading benzine.

• Het verontreinigde gedeelte heeft maar circa 5 cm op de tanktop gestaan.

• Landtanks worden regelmatig gereinigd met zuur- of loogproducten. Mogelijk is hierbij zuur achtergebleven of zijn er resten in de lading gekomen als gevolg van een defect filter of iets dergelijks.

De door het hof benoemde deskundigen zijn het oneens met de conclusie, aangezien de onderliggende argumenten gebaseerd zijn op onjuistheden en speculaties, en niet op feitelijke vaststellingen.

> Inspectie van de tanks voor belading heeft weinig waarde, aangezien de tanks nog restanten van de voorgaande lading bevatten en slechts via een kleine opening in de tankdeksel kan worden vastgesteld dat de tanks vloeistofvrij zijn. Enige gefundeerde uitspraak over reinheid en conditie van de coating is hierbij feitelijk onmogelijk. De aanwezigheid van de verontreiniging in tank 3 zou op deze wijze ook niet vast te stellen zijn.

 Als de verontreiniging in tank 3 oplosbaar zou zijn in de voorgaande lading benzine, zou deze ook opgelost zijn in de lading nafta, aangezien deze een vergelijkbare chemische samenstelling hebben.

> De veronderstelling dat het verontreinigde product maar tot op 5 cm van de tanktop heeft gestaan is niet verenigbaar met de gerapporteerde volgorde van belading, waarbij in aanvang alle tanks zijn beladen tot een niveau van 50 cm.

> De veronderstelling dat landtanks regelmatig met zuur- of loogproducten worden gereinigd en de referentie aan een filter geven blijk van een geringe kennis van raffinaderijprocessen.

Hempel concludeert dat de beschadiging “is veroorzaakt door een chemische reactie,

veroorzaakt door een verontreinigde lading, waarschijnlijk de vervoerde lading nafta”.

De deskundigen onderschrijven de oorzaak dat de schade is ontstaan door een chemische

reactie, maar wijzen er op dat geen bewijs is aangevoerd voor de veronderstelling dat de lading nafta hieraan schuld is.

Bodycote RPC was slechts opgedragen om laagdiktemetingen uit te voeren en een algemene

indruk te geven van de conservering. Het rapport vermeldt dat “de aantasting kan zijn veroorzaakt door zure of alkalische stof” en tevens dat “interingen kunnen ondermeer ontstaan ten gevolge van een corrosieproces of door inwerking van een zuur”, maar bevat geen conclusie over de specifieke oorzaak van de schade aan de coating van de Stanleystad en geen uitspraak of de schade recent was of niet.

[deskundige 3] concludeert dat er geen bewijs is dat de lading nafta van [de vennootschap 3] [plaats 1] de schade aan de coating heeft veroorzaakt, en dat de schade mogelijk geleidelijk is ontstaan door transport van verschillende petroleumproducten en chemicaliën tijdens de

voorgaande vier jaren.

De deskundigen zijn het eens met deze conclusie, en bevestigen dat het schadeprofiel overeenkomt met een geleidelijk ontstane corrosie.

[deskundige 2] vermeldt als oorzaak van de schade de chemische reactie van zink met water. “Door

deze reactie verarmt de zinklaag in de coating waarbij roestvorming ontstaat waaronder kale plekken op de tanktop zijn ontstaan”.

Deze redenering is enkel juist als het om zuur water gaat (bv afscheiding uit een eerder geladen product omdat dit zwaarder is dan olie of nafta). In een neutrale waterige oplossing is er geen sprake van aantasting van zink door [het hof leest: omdat]de beschermende carbonaat laag aantasting voorkomt.

[deskundige 2] concludeert dat “het schadebeeld van de coating niets te maken heeft met de laatste lading nafta”. Hoewel de deskundigen het eens zijn met deze conclusie, zijn veel van de door [deskundige 2] aangevoerde redenen niet ter zake[n] doende, en betreffende het schadeprofiel verwijst [deskundige 2] slechts naar het Bodycote RPC rapport.

[Marine] Marine concludeert “dat de schade aan het tankverfsysteem van de Stanleystad veroorzaakt werd door een zure of basische vervuiling die bij de belading met nafta te [plaats 1] -Oost, ten vervoer naar [plaats 2] , in de tanks van de Stanleystad terecht is gekomen”.

De deskundigen zijn het oneens met de conclusie, aangezien de onderliggende redenering

tegenstrijdigheden bevat en gebaseerd is op speculaties en niet op feitelijke vaststellingen.

[Marine] Marine baseert deze conclusie op de volgende veronderstellingen:

> “De aanwezigheid van de zwarte vervuiling zou ongetwijfeld zijn opgemerkt bij de inspectie van de tanks voorafgaande aan de belading”. Dit wordt door de deskundigen betwist.

“De voorafgaande lading benzine werd in goede conditie ontvangen, waaruit afgeleid

wordt dat de zwarte vervuiling op dat moment nog niet in de scheepstanks aanwezig was”. De lading nafta welke is gelost bij [de vennootschap 3] [plaats 2] is echter eveneens in goede conditie ontvangen, zodat volgens de redenering van [Marine] de zwarte vervuiling na lossing in [plaats 2] ook nog niet aanwezig zou zijn geweest.

“Bij raffinage van olie worden zure en basische stoffen gebruikt c.q. gevormd, welke door gebrekkige kwaliteitscontrole aan boord terecht kwamen zonder dat iemand dit opviel”.

Voor deze stelling is echter geen enkel bewijs geleverd.

[deskundige 3] Marine concludeert “dat de nafta uit [plaats 1] -Oost volledig moet worden uitgesloten als kandidaat voor de oorzaak voor de coatingschade”.

De deskundigen zijn het eens met [deskundige 3] Marine dat een zuur een zinksilicaat coating op

een andere manier aantast dan een loog, echter in beide gevallen zal de coating beschadigd

raken en zal op den duur roestvorming optreden. De referentie aan andere schadegevallen waarbij [deskundige 3] Marine betrokken is geweest, is voor onderhavige schade niet relevant.”.

9.3

Het hof stelt bij de beoordeling van de antwoorden van de deskundigen voorop dat een eventuele beslissing om de zienswijze van de door het hof benoemde deskundigen te volgen in het algemeen niet verder hoeft te worden gemotiveerd dan door te overwegen dat de door deze deskundige gebezigde motivering het hof overtuigend voorkomt. Wel zal het hof moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door het hof benoemde deskundige, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (vergelijk HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468). Van belang is verder dat het deskundigenbericht is gevraagd in verband met het door [appellanten c.s.] te bewijzen feit dat, kort gezegd, de onderhavige beschadiging is veroorzaakt door de zwarte substantie (en niet zijn oorzaak vindt in een te dik aangebrachte coating (rapport [deskundige 2] ), achtereenvolgende beschadigingen door loog respectievelijk zuur (rapport [deskundige 3] Marine) dan wel eerdere transporten waarbij schade is toegebracht). Zie rov. 3.13 en 3.14 van het tussenarrest van 4 augustus 2015.

9.4.1

[appellanten c.s.] zijn van mening dat het deskundigenbericht een essentiële tegenstijdigheid bevat en in hoge mate gebaseerd is op speculaties en hier en daar in strijd is met voorhanden bewijs.

De essentiële tegenstijdigheid bestaat volgens [appellanten c.s.] uit het feit dat de deskundigen enerzijds concluderen dat de zwarte substantie opgelost moet zijn geweest in de nafta, maar vervolgens stellen dat de zwarte substantie niet kan zijn meegekomen met de belading van de nafta. [appellanten c.s.] betwisten verder dat nafta een zwarte substantie als de onderhavige bevat en wijzen er daarbij op dat nafta kleurloos of licht en helder van kleur is (fuel-like). [appellanten c.s.] blijven erbij dat in [plaats 1] de zwarte in nafta onoplosbare substantie met de lading is meegekomen.

De speculaties en strijdigheden met voorhanden bewijs betreffen volgens [appellanten c.s.] vijf punten. Ten eerste suggereren de deskundigen dat de reiniging bij ATM niet zou zijn ingegeven door de vervuiling, maar omdat er aceton zou worden geladen. Verder menen de deskundigen dat de vervuiling bij de inspectie vanaf het dek in [plaats 1] niet zichtbaar zou zijn geweest. Ten derde menen zij dat de vervuiling van nafta op de terminal van [de vennootschap 3] niet mogelijk zou zijn vanwege de aard en inrichting en processen aldaar. Indien dit anders zou zijn, hadden de in [plaats 1] genomen monsters en de vóór de lossing in [plaats 2] genomen monsters dit moeten laten zien. Tenslotte speculeren de deskundigen waar zij menen dat als wel sprake zou zijn van vervuilde nafta door of met de zwarte substantie het destillatietraject van [de vennootschap 3] [plaats 2] aangetast had moeten zijn.

9.4.2

Zelfs indien [appellanten c.s.] op al deze punten gelijk hebben, laat dit volledig onverklaard waarom alleen de coating van de tanktop was aangetast en niet ook de tankwanden, terwijl ook daarop de zwarte substantie is aangetroffen. Van groot belang is verder dat de deskundigen hebben geantwoord dat zonder excessieve belasting er enkel corrosie kan ontstaan nadat de zinklaag op de schadeplekken is verdwenen, hetgeen niet kan zijn veroorzaakt door zuiver nafta, terwijl een invreting zoals is aangetroffen zich niet reeds voordoet na verloop van 2 of 3 dagen, zodat die plekken met invreting er al veel langer geweest moeten zijn (antwoord 2d). [appellanten c.s.] hebben deze vaststelling niet gemotiveerd bestreden. [appellanten c.s.] hebben eveneens niet gemotiveerd bestreden het antwoord van de deskundigen op vraag 2e, inhoudende dat het patroon van de roestvorming zoals is waargenomen in de oneven tanks niet kan zijn ontstaan in de korte tijd tussen de belading in [plaats 1] en het schoonmaken in [plaats 3] , terwijl de Stanleystad meerdere vrachten heeft vervoerd zonder tussentijdse grondige reinigingen. De deskundigen hebben verder gemotiveerd vraagtekens gezet bij hetgeen de bemanning en de verschillende betrokkenen daadwerkelijk hebben waargenomen in de tanks. Zij hebben, door Ilitrans niet bestreden, wat dit betreft geantwoord en toegelicht dat het uiterlijk van een Galvosil 15700 zinkcoating in schone en droge toestand mat lichtgrijs is. Wanneer de coating verzadigd is met ladingrestanten verandert het uiterlijk naar zwart. Tenslotte tast hetgeen [appellanten c.s.] hebben aangevoerd zoals hiervoor is vermeld, niet aan het antwoord van de deskundigen op vraag 2f, dat de beschadigingen op de reis [plaats 1] - [plaats 2] niet hebben kunnen ontstaan zonder dat water aanwezig was, terwijl, zo blijkt uit het antwoord op vraag 2g, de stukken geen aanwijzingen bevatten dat de nafta op die reis water bevatte. Op zijn minst genomen hebben de antwoorden van de deskundigen in elk geval zodanig veel twijfel gezaaid over de juistheid van het door [appellanten c.s.] gestelde en te bewijzen feit dat, kort gezegd, de onderhavige beschadiging is veroorzaakt door de zwarte substantie, dat het hof tot de conclusie komt dat het bewijs van die stelling niet is geleverd. Nu aldus niet een aan welke geïntimeerde dan ook toe te rekenen oorzaak voor de schade aan de Stanleystad voldoende is komen vast te staan, kan het door [appellanten c.s.] gevorderde alleen al om die reden niet worden toegewezen. Dit betekent dat de grieven verder niet hoeven te worden beoordeeld en het bestreden eindvonnis moet worden bekrachtigd.

9.5

[appellanten c.s.] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep, inclusief de inmiddels door [appellanten c.s.] reeds voorgeschoten deskundigenkosten, die voor hun rekening zullen blijven.

10 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen op 25 mei 2011 gewezen vonnis, zoals is aangevuld bij vonnis van 7 september 2011;

veroordeelt [appellanten c.s.] in de kosten van dit hoger beroep;

begroot die door [appellanten c.s.] te betalen kosten voor zover gerezen aan de zijde van [de vennootschap 2] op € 4.713,- aan griffierecht en € 14.683,50,- voor salaris advocaat en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken proceskostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de dag van wijzen van dit arrest;

begroot die door [appellanten c.s.] te betalen kosten voor zover gerezen aan de zijde van [de vennootschap 4] en [de vennootschap 5] in totaal op € 4.713,- aan griffierecht en € 14.683,50,- voor salaris advocaat;

verklaart de veroordeling om de proceskosten aan [de vennootschap 2] te betalen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, J.R. Sijmonsma en J.J. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 december 2017.

griffier rolraadsheer