Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5304

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
200.191.699_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:2598, Overig
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3308
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongeval met brommer. Is de provincie aansprakelijk ingevolge artikel 6:174 lid 1 BW dan wel artikel 6:162 BW? Het hof gelast nader onderzoek Vervolg op hof ’s-Hertogenbosch 18 juli 2017 ECLI:NL:GHSHE:2017:3308.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0922
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.191.699/01

arrest van 28 november 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. F.C. Schirmeister te Maastricht,

tegen

Provincie Limburg,

zetelend te Maastricht,

geïntimeerde,

hierna: de Provincie,

advocaat: mr. A.T. Bolt te Arnhem,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 juli 2017 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer C/03/202705/HA ZA 15-103 gewezen vonnis van 16 maart 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 18 juli 2017;

  • -

    de akte na tussenarrest van de Provincie van 19 september 2017;

  • -

    de akte na tussenarrest van [appellant] van 3 oktober 2017.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.1.

In deze zaak gaat het om de vraag of de Provincie aansprakelijk is voor de gevolgen van een [appellant] overkomen bromfietsongeval op [datum] 2011. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de eerste, de tweede en de vijfde grief van [appellant] besproken en verworpen. In het kader van de behandeling van de derde, vierde en zesde grief (is sprake van een gebrekkige opstal dan wel van een onrechtmatige gevaarzetting) heeft het hof een deskundigenonderzoek noodzakelijk geoordeeld. Het doel daarvan is dat duidelijk wordt wat voor de weggebruiker op het fietspad ter plaatse van het ongeval onder vergelijkbare (weers)omstandigheden waarneembaar is. Meer in het bijzonder acht het hof van belang op welke afstand, gemeten vanaf het begin van de plaats waar destijds het beschadigde betonelement in het fietspad lag, op zijn vroegst zichtbaar was dat het fietspad een bocht naar rechts maakt (rov. 3.11.1).

6.1.2.

Het hof heeft een aantal voorwaarden omschreven waaronder het deskundigenonderzoek moet worden uitgevoerd (rov. 3.11.2). Het hof heeft verder een aantal aan de deskundige te stellen vragen geformuleerd en vermeld voornemens te zijn de heer ing. N.L. Bosscha van Bosscha Ongevallenanalyse B.V. tot deskundige te benoemen (rov. 3.11.3 en 3.11.4).

Partijen kregen vervolgens de gelegenheid om bij gelijktijdige akte zich uit te laten over de persoon van de deskundige en de vraagstelling.

Persoon van de deskundige

6.2.1.

Partijen hebben geen bezwaar tegen de persoon van de deskundige. De Provincie heeft daarbij wel vermeld dat de deskundige in het verleden bij de aansprakelijkheidsverzekeraar van de Provincie in dienst is geweest. Voor geen van partijen is dat echter een beletsel.

Het hof zal dan ook de heer Bosscha voornoemd tot deskundige benoemen.

Voorwaarden waaronder het onderzoek dient te worden uitgevoerd

6.2.2.

Aan partijen is de gelegenheid geboden zich omtrent de persoon van de deskundige en de vraagstelling uit te laten, niet omtrent de door het hof geformuleerde voorwaarden waaronder het onderzoek dient te worden uitgevoerd. Partijen hebben echter beiden ook op die voorwaarden gereageerd. Het hof zal hierna kort op die reacties ingaan.

Beginpunt meting

6.2.3.

De Provincie vraagt zich af waarom gemeten zou moeten worden vanaf het begin van het beschadigde betonelement, omdat dat element volgens haar pas na de inzet van de bocht naar rechts is gelegen. De Provincie gaat er van uit dat het punt is gekozen om een herkenningspunt te hebben. In het andere geval stelt de Provincie voor om te meten vanaf de inzet van de bocht naar rechts.

[appellant] heeft op dit punt geen reactie gegeven.

6.2.4.

Uit de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde situatieschets leidt het hof af dat het begin van het beschadigde betonelement exact gelokaliseerd is. Gelet daarop als ook op de stelling van [appellant] dat zijn bromfiets op enig moment begon te trillen waarna hij naar beneden keek en zag dat het wegdek anders was heeft het hof het begin van het beschadigde betonelement aangewezen als de plek van waaraf de te onderzoeken afstand gemeten moet worden.

Type brommer, helm en verlichting

6.2.5.

De Provincie stelt dat het onderzoek moet worden uitgevoerd met een brommer van het zelfde merk en type als de brommer waarop [appellant] destijds reed.

Dat is reeds door het hof overwogen in het tussenarrest, rov. 3.11.2 sub i), tweede zin (“…soortgelijke brommer (merk Yamaha, type SA 14)…”).

Ervan uitgaande dat een brommer van hetzelfde merk en type beschikbaar is, kan ook worden uitgegaan van hetzelfde vermogen. Naar het oordeel van het hof is het niet nodig dat de brommer ook is opgevoerd tot een maximum snelheid van 79 km/u, zoals de brommer was waarop [appellant] destijds reed. Wel moet de brommer de snelheden van 30, 40 en 50 km/u kunnen halen, omdat de deskundige het onderzoek met die snelheden dient uit te voeren.

6.2.6.

Er is geen enkele concrete aanwijzing dat [appellant] destijds harder heeft gereden dan 50 km/u. De Provincie veronderstelt zulks slechts op grond van het enkele feit dát de brommer was opgevoerd en dat [appellant] eerst verkeerd was gereden en mogelijk de verloren tijd wilde inhalen. Zoals uit de in het tussenarrest aangehaalde VOA-rapportage (prod. 2 cva) blijkt, is de snelheid waarmee [appellant] heeft gereden echter niet komen vast te staan. Weliswaar bewijst de verklaring van [appellant] niet met welke snelheid hij heeft gereden, maar zijn verklaringen op dat punt zijn de enige aanknopingspunten. Dat is de reden om bij het uit te voeren onderzoek uit te gaan van de snelheden die het hof (naar aanleiding van de verklaringen van [appellant] ) heeft genoemd (zie ook hierna rov 6.2.11). Daarom is het naar het oordeel van het hof ook niet nodig dat de voor het onderzoek te gebruiken brommer op dezelfde wijze is opgevoerd als de brommer waarop [appellant] destijds reed.

Mocht de deskundige dit aspect niettemin wel relevant achten voor het uit te voeren onderzoek, dan kan hij dat op voorhand aan partijen laten weten en [appellant] instrueren een brommer beschikbaar te stellen die op dezelfde wijze is opgevoerd. Partijen dienen dan de aanwijzing van de deskundige op te volgen.

6.2.7.

De Provincie stelt dat de verlichting van de onderzoeksbrommer moet beschikken over de van fabriekswege aanwezige verlichting en niet over de verlichting die de brommer voerde waarop [appellant] reed. Een eventueel verminderde lichtopbrengst moet immers voor risico van [appellant] blijven, aldus de Provincie.

Volgens [appellant] was hij niet verplicht om de fabrieksverlichting te voeren en is bovendien niet gebleken dat de door hem gevoerde verlichting niet deugdelijk was. Wat [appellant] betreft heeft de onderzoeksbrommer wel een verlichting gelijk aan de verlichting die hij destijds voerde.

6.2.8.

Naar het oordeel van het hof dient de onderzoeksbrommer voorzien te zijn van een soortgelijke verlichting (met gelijke geleverde spanning, 8,3 V) als de verlichting die [appellant] voerde. Er is niet gesteld of gebleken dat die verlichting ondeugdelijk was, noch dat die verlichting een verminderde lichtopbrengst had dan de lichtopbrengst die de van fabriekswege aangebrachte verlichting zou hebben gehad (p. 7 VOA).

6.2.9.

De Provincie wenst de gelegenheid te hebben om de onderzoeksbrommer voorafgaand aan het deskundigenonderzoek te onderzoeken op de hiervoor besproken kwalificaties.

Het hof zal de deskundige opdragen partijen op voorhand over en weer in de gelegenheid te stellen de onderzoeksbrommer en de situatie ter plaatse (zoveel mogelijk teruggebracht in de situatie ten tijde van het ongeval) te bekijken en eventuele bezwaren aan de deskundige kenbaar te maken. Het is vervolgens aan de deskundige om eventuele aanpassingen te verlangen of om het onderzoek niettemin uit te gaan voeren.

6.2.10.

De Provincie stelt dat (ook) gebruik moet worden gemaakt van een helm die voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Teneinde de situatie ten tijde van het ongeval zoveel mogelijk na te bootsen heeft het hof geoordeeld dat de deskundige moet kunnen beschikken over een soortgelijke helm als [appellant] droeg. Er is niet gesteld of gebleken dat die helm niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen.

Snelheid

6.2.11.

De Provincie wenst dat het onderzoek ook wordt uitgevoerd met snelheden van 60 km/u en 70 km/u.

Het hof acht dat niet nodig, nu bij gebreke van enige concrete aanwijzing niet uitgegaan kan worden van snelheden van 60 of 70 km/u. Dan mist een onderzoek bij die snelheden relevantie. Het hof verwijst kortheidshalve naar hetgeen het hiervoor in rov. 6.2.5 en 6.2.6 overwoog.

Normaal oplettende brommerrijder

6.2.12.

[appellant] heeft aangevoerd dat de deskundige niet alleen als een normaal oplettende brommerrijder het onderzoek moet uitvoeren, maar zich ook moet uitlaten hoe de situatie is als niet de normale oplettendheid wordt betracht.

6.2.13.

De Provincie heeft hier nog niet op kunnen reageren. Een verwijzing naar de rol voor nadere akte door de Provincie is echter niet nodig, omdat het hof de suggestie van [appellant] niet zal volgen. Bij de toepassing van, kort gezegd, de Kelderluik-criteria wordt getoetst of sprake is van een situatie die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid (die niet per se de “normale” oplettendheid hoeft te zijn) gevaarlijk is. In dit geval is (nog) niet te zeggen wat die vereiste oplettendheid is. Mede daarom wordt de deskundige verzocht zoveel mogelijk te rijden als een normaal oplettende brommerrijder. Een instructie om ook onderzoek te doen “indien niet de normale oplettendheid wordt betracht” is te weinig concreet en moeilijk uitvoerbaar. Verder kan de deskundige altijd aanvullende opmerkingen op dit vlak maken indien hij dat relevant acht, bijvoorbeeld over wat de vereiste oplettendheid is onder de voorgeschreven omstandigheden.

Wegsituatie ter plaatse

6.2.14.

Volgens [appellant] is de opdracht van het hof om de situatie ter plaatse aan te passen aan de situatie ten tijde van het ongeval onvolledig. [appellant] noemt een hekwerk rechts naast het fietspad, nieuwe borden en anders geplaatste hectometerpaaltjes.

Verder wil [appellant] dat het ten tijde van het ongeval aanwezige, aangetaste wegdek wordt gereconstrueerd en dat de reconstructie wordt uitgevoerd met een bijrijder.

6.2.15.

Ook hier heeft de Provincie nog niet op kunnen reageren, maar ook hier acht het hof een nadere aktewisseling niet nodig. Het hof heeft in rov. 3.11.2 onder ii) de instructie gegeven dat de situatie ter plaatse ten behoeve van het onderzoek “zoveel mogelijk in dezelfde toestand” wordt gebracht als die was ten tijde van het ongeval, en voorts, dat dat “onder andere” betekent dat het bebakeningsbord wordt weggehaald, de kantbelijning onzichtbaar wordt gemaakt en twee paaltjes met rode reflectoren teruggeplaatst worden. Indien meer maatregelen noodzakelijk zijn om aan genoemde instructie te voldoen, dan dient de Provincie daarvoor uiteraard ook zorg te dragen. Daarbij is het naar het oordeel van het hof niet nodig om het hekwerk rechts van het fietspad te verwijderen. Het onderzoek wordt in het donker uitgevoerd. Voldoende is dat het hekwerk (evenals de kantbelijning) onzichtbaar wordt gemaakt. Verder hoeft het wegdek niet in aangetaste staat teruggebracht te worden en is evenmin nodig dat het onderzoek met een bijrijder wordt uitgevoerd. Het gaat met name om de vraag op welke afstand op zijn vroegst zichtbaar was dat het fietspad een bocht naar rechts maakt. En ook indien een bijrijder daar op van invloed zou kunnen zijn, kan dit punt niet geconcretiseerd worden, nu er teveel variabelen zijn (zoals het gewicht van de deskundige, het gewicht van [appellant] destijds, het gewicht van [bijrijdster] destijds en in hoeverre haar aanwezigheid invloed had op de aandacht van [appellant] op de weg).

6.2.16.

Het is aan de deskundige om, voorafgaand aan zijn onderzoek, te beoordelen of de situatie ter plaatse voldoende is gebracht in de situatie en toestand als die was ten tijde van het ongeval. Het is vervolgens aan de deskundige om eventuele aanpassingen te verlangen. Partijen dienen dan de aanwijzing van de deskundige op te volgen.

Aanvullende vragen

6.2.17.

Het hof zal de in randnummer 13 van de akte van de Provincie voorgestelde aanvullende vraag niet overnemen. Welke snelheid de brommer zou kunnen hebben bereikt mist relevantie (rov. 6.2.5 en 6.2.6).

Evenmin zal het hof de door de Provincie in randnummer 14 van haar akte voorgestelde aanvullende vraag overnemen. Uit de VOA-rapportage blijkt van een rijspoor in de groenstrook en de rapporteur heeft dat op de als productie 1 bij inleidende dagvaarding overgelegde situatieschets ingetekend. Dat geeft voldoende informatie omtrent de afstand die [appellant] over het beschadigde betonelement heeft afgelegd. Indien de Provincie relevant acht hoeveel seconden dat betrof bij de verschillende snelheden kan zij dat zelf bepalen nu afstand en snelheid bekende variabelen zijn.

6.1.18.

Het hof zal de in randnummer 20 van de akte van [appellant] voorgestelde aanvullende vraag (naar de mogelijke invloed van het aangetaste wegdek op het rijgedrag van de bestuurder) niet overnemen, omdat die vraag te onbepaald is c.q. het antwoord daarop al snel te hypothetisch zal zijn.

Indien de deskundige op dat punt toch een naar zijn deskundig oordeel relevante opmerking wenst te maken is daarvoor ruimte middels de laatste vraag.

6.2.19.

Omtrent een aanvullende vraag aan de deskundige om ook aandacht te hebben voor een mogelijk verschil tussen wat camerabeelden laten zien en wat met het blote oog wordt gezien, zijn partijen het eens. Het hof zal op dat punt een aanvullende vraag formuleren, zij het niet conform het voorstel van de Provincie omdat daarin uitgangspunt is dát er een verschil is, terwijl dat nog niet vaststaat.

6.3.1.

Met inachtneming van het voorgaande bepaalt het hof dat de deskundige gemotiveerd en zo nauwkeurig mogelijk antwoord dient te geven op de volgende vragen:

1. Op welke afstand, gemeten vanaf het begin (gerekend vanuit de rijrichting van [appellant] ) van de plaats waar destijds het beschadigde betonelement in het fietspad lag, heeft u op zijn vroegst kunnen waarnemen dat het fietspad een bocht naar rechts maakt?

2. Wilt u deze vraag beantwoorden voor de situatie dat u 30, 40 resp. 50 km/u reed en, indien de snelheid voor het antwoord op de vraag zou uitmaken, vermelden op welke wijze en/of in welke mate?

3. Wilt u bij de beantwoording van voorgaande vragen tevens vermelden of en zo ja welke afwijking de camerabeelden geven ten opzichte van wat u als bestuurder van de bromfiets zelf (met het blote oog) heeft waargenomen?

4. Zijn er andere omstandigheden die van belang zijn of aanvullende opmerkingen die u van belang acht om te maken? Zo ja, wilt u die dan toelichten?

6.3.2.

Het hof verzoekt de deskundige om het onderzoek uit te voeren aan de hand van de in het tussenarrest van 18 juli 2017 in rov. 3.11.2 onder i), ii), iii) en iv) gegeven aanwijzingen, alsmede acht te slaan op hetgeen het hof hiervoor in rov. 6.2.6, 6.2.9, 6.2.13, 6.2.16 en 6.2.18 omtrent de rol van de deskundige en de verplichtingen van partijen heeft opgemerkt.

6.4.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

7 De uitspraak

Het hof:

7.1.

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de in rechtsoverweging 6.3.1 van dit arrest geformuleerde vragen;

7.2.

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vraag/vragen:

Ing. N.L. Bosscha,

Bosscha Ongevallenanalyse B.V.

Postbus [postbus]

[postcode] [plaats]

Tel. [tel.]

Mobiel: [mobiel]

7.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest en van het tussenarrest van 18 juli 2017 aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

7.4.

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de datum en tijd waarop de deskundige ter plaatse onderzoek zal verrichten, door de deskundige zal worden vastgesteld in overleg met de advocaten van partijen; partijen en hun eventuele adviseurs dienen in de gelegenheid te worden gesteld bij het onderzoek aanwezig te zijn;

bepaalt dat de deskundige de datum en tijd van het onderzoek zodra dat bekend is aan het hof zal doorgeven, waarna aan de deskundige een telefoonnummer beschikbaar zal worden gesteld waarop de raadsheer-commissaris gedurende het onderzoek bereikbaar zal zijn voor eventueel overleg met de deskundige in het geval van onverwachte vragen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

7.5.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 5.227,20 incl. btw, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat [appellant] genoemd voorschot van € 5.227,20 zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

7.6.

benoemt mr. M.A. Wabeke tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier (het Bureau Deskundigen van dit hof) dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

7.7.

verwijst de zaak naar de rol van 27 maart 2018 in afwachting van het deskundigenbericht;

verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [appellant] ;

7.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.A. Wabeke en B.E.L.J.C. Verbunt en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 november 2017.

griffier rolraadsheer