Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5290

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
12-01-2018
Zaaknummer
16/03585
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslag leges. De aanvraag is getoetst aan de voorschriften van het bestemmingsplan Buitengebied 2013. Naar het oordeel van het Hof heeft de gemeenteraad tijdig het bestemmingsplan 2013 vastgesteld, zodat in het onderhavige geval de legessanctie van artikel 3.1, lid 4, van de Wet ruimtelijke ordening niet aan de orde is. De tienjaarstermijn vangt aan bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Wat er na de vaststelling gebeurt, een aanwijzing van Gedeputeerde Staten en/of vernietiging door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State laat onverlet dat een bestemmingsplan door de gemeenteraad is vastgesteld. Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar is gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2018/78
V-N Vandaag 2018/158
V-N 2018/9.16.7
Viditax (FutD), 12-01-2018
FutD 2018-0200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03585

Uitspraak op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Sint Anthonis,

hierna: de Heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 4 juli 2016, nummer SHE 15/2695, in het geding tussen

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna te vermelden legesaanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is op 8 april 2015 onder aanslagnummer [aanslagnummer] een legesaanslag opgelegd inzake de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een luchtwasser, het wijzigen van stal 7, 8 en 9 en het veranderen van de varkenshouderij (revisie) op het perceel [adres] 12 en 12A te [vestigingsplaats] , naar een bedrag van € 3.926,82 (hierna: de aanslag). Bij uitspraak op bezwaar van 29 juli 2015 heeft de Heffingsambtenaar de aanslag gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de aanslag vernietigd, teruggave van het door belanghebbende betaalde griffierecht gelast en een proceskostenvergoeding toegekend van € 1.238.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De Heffingsambtenaar heeft schriftelijk gerepliceerd en belanghebbende heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 oktober 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, als gemachtigde van belanghebbende, de heer [A] , werkzaam bij [B] , alsmede de Heffingsambtenaar, de heer [C] , tot bijstand vergezeld van mevrouw [D] en als gemachtigde de heer [E] , advocaat bij [F] N.V. te [G] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft op 7 oktober 2014 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het veranderen van een inrichting (revisie) en het bouwen van een luchtwasser, het wijzigen van de compartimentering van stal 7, het legaliseren van de nokhoogte van de stallen 7, 8 en 9, het legaliseren van de maatvoering van loods 7 en het oprichten van een overkapping. De aanvraag is geregistreerd onder nummer [nummer] .

2.2.

Bij brief van 20 november 2014 heeft het college van Burgemeester en Wethouders (hierna: het college van B&W) belanghebbende meegedeeld dat de aanvraag is getoetst op ontvankelijkheid en globaal is getoetst aan de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint Anthonis 2013’. In voormelde brief is onder meer het volgende vermeld:

Ontvankelijkheid

Wij hebben uw aanvraag getoetst aan de daarvoor geldende indieningsvereisten, zoals deze zijn opgenomen in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). De aanvraag is voor wat betreft de activiteit milieu door de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) getoetst op ontvankelijkheid en volledigheid. Een inhoudelijke toets van de aanvraag is nog niet uitgevoerd door de ODBN.

De conclusie is dat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking. De volgende gegevens ontbreken en/of voldoen niet en dienen door u te worden aangeleverd en/of aangepast: (….).”.

2.3.

Bij brief van 14 januari 2015 heeft het college van B&W belanghebbende meegedeeld dat de ingediende aanvullingen globaal zijn beoordeeld.

In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:

“Na een eerste globale beoordeling van de ingediende aanvullingen komen wij tot de conclusie dat de aanvraag niet volledig is en derhalve (nog) niet verder inhoudelijk kan worden getoetst.

(….)

Wij hebben de gevraagde aanvullende gegevens, die nodig zijn ter beoordeling van uw aanvraag, niet volledig ontvangen en wij kunnen, op basis van de eerder ingediende stukken, uw aanvraag niet beoordelen. Wij zijn voornemens om uw aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling te laten. Wij zijn echter bereid om u nog een termijn van 4 werkdagen te gunnen, dat wil zeggen tot en met 20 januari 2015, om de aanvraag aan te vullen met de in deze brief genoemde gegevens om tot een ontvankelijke aanvraag te komen (….).”.

2.4.

In de brief van 11 maart 2015 van het college van B&W is onder meer het volgende vermeld:

“Wij hebben deze aanvraag omgevingsvergunning getoetst aan de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan. In 2013 is het bestemmingsplan “Buitengebied Sint Anthonis 2013” vastgesteld. Uw perceel is hierin toen bestemd tot ‘Agrarisch-Intensieve veehouderij’. Op 4 februari 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de plandelen met de bestemming ‘Agrarisch-Intensieve veehouderij’ vernietigd. Deze uitspraak heeft tot gevolg dat vanaf nu het bestemmingsplan “Buitengebied 2000” weer van toepassing is op het perceelsgedeelte van uw bedrijf, dat bestemd was tot ‘Agrarisch-Intensieve veehouderij’. (….).

Ontvankelijkheid

Wij hebben uw aanvraag getoetst aan de daarvoor geldende indieningsvereisten, zoals deze zijn opgenomen in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). De conclusie is dat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking. De volgende gegevens ontbreken en/of voldoen niet en dienen door u te worden aangeleverd en/of aangepast: (….).”.

2.5.

Bij brief van 25 maart 2015 heeft het college van B&W belanghebbende onder meer het volgende meegedeeld:

“Op 18 maart 2015 hebben wij 2 documenten ontvangen als aanvulling op de aanvraag. Deze aanvullende gegevens zijn onderling niet eenduidig en wijken af van het aanvraagformulier. Daarnaast zijn de in onze brief van 11 maart 2015 genoemde gegevens niet, of niet volledig aangeleverd.(…).”.

2.6.

Bij brief van 3 april 2015 heeft het college van B&W belanghebbende onder meer het volgende bericht:

“Op 18 maart 2015 hebben wij twee documenten ontvangen als aanvulling op de aanvraag. Uit de toelichting en de tekening blijkt dat u droge bijproducten gaat verstrekken aan de zeugen. De opslag voor deze bij- en nevenproducten uit de voedingsindustrie bedraagt meer dan 1.000m³ waardoor het college van Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag voor deze aanvraag wordt. Om die reden hebben wij uw aanvraag om een omgevingsvergunning doorgestuurd naar GS van de provincie Noord-Brabant. Zij zullen de behandeling van uw aanvraag vanaf dit punt van ons overnemen. Hiermee sluiten wij deze procedure af.(…)”.

In voormelde brief is tevens gespecificeerd dat belanghebbende een bedrag van € 3.926,82 aan leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag verschuldigd is. Het bedrag aan leges is als volgt gespecificeerd:

Bouwkosten € 55.000

Leges activiteit bouwen

€ 2.100,00

Vermindering leges toetsing bestemmingsplan ouder dan 10 jaar (-10%)

- € 210,00

Leges activiteit handelen in strijd met regels RO (kruimel)

€ 400,00

Verhoging leges achteraf ingediende aanvraag + 15%

€ 343,50

Leges toetsing Vr2014/BZV

€ 1.500,00

Vermindering leges i.v.m. digitale indiening aanvraag (-5%)

- € 206,68

Totaal

€ 3.926,82

2.7.

De Legesverordening 2014 (hierna: de Verordening) van de gemeente Sint Anthonis, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 2

Belastbaar feit

Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor:

a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;

(...)

een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3

Belastingplicht

Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst (...).

(...)

Artikel 5

Maatstaven van heffing en tarieven

1. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

(...)”.

2.8.

In de bij de Verordening behorende Tarieventabel is voor zover van belang het volgende vermeld:

Titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning

(….)

Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning

2.3.

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 van deze titel. In afwijking van de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd.

2.3.1

Bouwactiviteiten

2.3.1.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief:

(...)

2.3.1.1.6 indien de bouwkosten € 50.000,00 of meer bedragen, doch minder dan

€ 100.000,00 € 1.900,00

vermeerderd met: (over het bedrag dat de 50.000,00 te boven wordt gegaan) 4,00%

2.3.18.

Toetsing zorgvuldige veehouderij (Verordening ruimte 2014)/Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV)

2.3.18.

Onverminderd het bepaalde in de voorgaande onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt het extra tarief, indien een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van de Verordening ruimte 2014 getoetst moet worden aan de Toetsing Zorgvuldige veehouderij en/of de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV): € 1.500,-- ”.

2.9.

Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint Anthonis 2013’ is door de gemeenteraad van Sint Anthonis vastgesteld op 17 juni 2013. Gedeputeerde Staten van de provincie Noord- Brabant (hierna: GS) hebben daarna op grond van artikel 3.8, lid 6 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) een aanwijzing gegeven die onder meer betrekking heeft op het perceel van belanghebbende. De aanwijzing is ingetrokken op 20 oktober 2014. Op 4 februari 2015 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) onderdelen van voormeld bestemmingsplan vernietigd als gevolg waarvan voor die vernietigde onderdelen het voorheen geldende bestemmingsplan uit 2000 opnieuw in werking trad. Belanghebbendes perceel ligt in een van de vernietigde onderdelen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Artikel 3.1, lid 4, van de Wro luidt:

”Indien niet voor het verstrijken van de termijn van tien jaar, genoemd in het tweede of het derde lid, de raad onderscheidenlijk opnieuw een bestemmingsplan heeft vastgesteld dan wel een verlengingsbesluit heeft genomen, vervalt de bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan.”

4.2.

In de memorie van toelichting bij de invoering van de Wro is bij artikel 3.1 het volgende opgemerkt (Kamerstukken II, 2002/2003, 28 916, nr. 3, p. 93):

“In het tweede in samenhang met het vierde lid wordt een einde gemaakt aan de vrijblijvendheid van de looptijd van een bestemmingsplan. Niet langer is het maatschappelijk verantwoord te achten dat bestemmingsplannen jaren achtereen onveranderd blijven bestaan zonder dat deze aan de gewenste, en vaak ook al lang daadwerkelijk verwezenlijkte situatie worden aangepast.

Per gemeente gelden in het algemeen meer bestemmingsplannen die op verschillende tijdstippen zijn vastgesteld. Bovendien hebben die plannen nogal eens partiele wijzigingen ondergaan die ook weer hun eigen tijdstip van vaststelling hebben. Er zal dus geen verplichting zijn om voor het hele grondgebied van de gemeente om de tien jaar één nieuw plan vast te stellen.

Ruimtelijk beleid, met name in gebieden waar veel nieuwe ontwikkelingen aan de orde zijn, is een continu proces. Dit proces behoort plaats te vinden in het kader van actuele bestemmingsplannen. Maar ook in gebieden waar de nadruk ligt op behoud is het goed eens per tien jaar na te gaan of alles bij het oude kan blijven. In voorkomend geval kan dit leiden tot een verzoek aan gedeputeerde staten om ontheffing van de verplichting om het bestemmingsplan opnieuw (ongewijzigd) vast te stellen.

De termijn van tien jaar wordt berekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen dit startmoment is in reacties op het voorontwerp ingebracht dat het beter zou zijn om de datum van inwerkingtreding te kiezen. Probleem hierbij is evenwel dat, anders dan bij de vaststelling, de datum van inwerkingtreding niet altijd voor een ieder even duidelijk is. Als bijvoorbeeld tegen onderdelen van het plan beroep wordt ingesteld, en een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan en dit verzoek wordt toegewezen, dan wordt bij die toewijzing aangegeven op welk onderdeel van het plan die toewijzing betrekking heeft. Voor het overige treedt het plan in werking. Als de inwerkingtreding als startmoment voor de tienjarentermijn wordt aangehouden, betekent dit dus een onduidelijke situatie voor de actualiseringstermijn van dat plan, en voor het ingaan van de sanctie ingevolge het vierde lid als de termijn is verstreken zonder dat een nieuw plan is vastgesteld. Dit is onwenselijk. Hoewel erkend moet worden dat tien jaar na de vaststelling in de praktijk een kortere periode kan inhouden, is dit nadeel van het tijdstip van vaststelling verkieslijker dan de onzekerheid die aan het tijdstip van inwerkingtreding kleeft.”.

In de tweede nota van wijziging is onder meer het volgende opgenomen (Kamerstukken II, 2003-2004, 28916, nr. 9, p. 14-15):

“De wet moet daarom die actualiteit waarborgen en voorzien in een actieve houding van bestuursorganen. Ik ben tot de conclusie gekomen dat de borging van de actualiteit van bestemmingsplannen kan geschieden door enerzijds de mogelijkheid van verlenging van de 10-jaarsperiode met een vereenvoudigde procedure te introduceren en anderzijds financiële prikkels in te bouwen die een actieve naleving van de actualiseringsverplichting bevorderen.

(...)

De tweede wijziging regelt in het nieuwe vierde lid de consequenties van de overschrijding van de 10-jaarstermijn: als de raad niet binnen dat tijdvak een nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld dan wel besloten heeft de termijn met tien jaar te verlengen kunnen leges terzake van vergunningen voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten binnen het betrokken bestemmingsplangebied vanaf het moment van het verstrijken van de 10-jaarstermijn niet worden ingevorderd. Indien nadien alsnog een bestemmingsplan wordt vastgesteld «herleeft» de bevoegdheid, doch dan uiteraard voor de legesplichtige verzoeken die betrekking hebben op het nieuwe bestemmingsplan en na de vaststelling hiervan ontstaan zijn.”

4.3.

De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

“6. Niet in geschil is dat op de aanvraag het bestemmingsplan Buitengebied 2000 van toepassing is en, omdat dat inmiddels langer dan tien jaar in werking is, verweerder, gelet op artikel 3.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), geen leges meer mag heffen voor door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan van na dat tijdstip.”.

4.4.

De Heffingsambtenaar heeft bij aanvulling van de beroepsgronden in hoger beroep zich nader op het standpunt gesteld dat de legessanctie in het geheel geen toepassing kan vinden omdat het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint Anthonis 2013’ door de gemeenteraad tijdig, namelijk op 17 juni 2013, is vastgesteld. De Heffingsambtenaar verwijst in dit verband naar de overgangsbepaling van artikel 9.1.4, lid 4 van de Invoeringswet Wro. Op grond van die overgangsbepaling moest voor 1 juli 2013 voor het betrokken plangebied een nieuw bestemmingsplan zijn vastgesteld, hetgeen de gemeenteraad heeft gedaan in zijn vergadering van 17 juni 2013, aldus de Heffingsambtenaar. De latere aanwijzing door GS noch de vernietiging op 4 februari 2015 door de ABRvS van onderdelen van voormeld bestemmingsplan doen niet af aan de tijdige vaststelling door de gemeenteraad.

4.5.

Belanghebbende heeft hiertegen aangevoerd dat de aanvulling op het hoger beroepschrift als een nieuw hoger beroepschrift moet worden aangemerkt dat buiten de termijn is ingediend. Het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen; de Heffingsambtenaar heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank en kan hangende die hoger beroepsprocedure een nieuwe, verstrekkender, grief aanvoeren. Dit betekent niet dat daarmee een nieuw hoger beroepschrift is ingediend. Het aanvoeren van een nieuwe grief is slechts dan niet toelaatbaar indien die aanvulling van de beroepsgronden in strijd komt met de regels van een goede procesorde, hetgeen zich in dit geval niet voordoet. Belanghebbende heeft immers ruimschoots de tijd en gelegenheid gehad op de nieuwe grief te reageren en heeft dit ook gedaan (brief van 1 maart 2017 en dupliek van 8 mei 2017).

4.6.

Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat door de nieuwe beroepsgrond het geschil in hoger beroep wordt uitgebreid en dat is in strijd met de rechtszekerheid en het belang van een efficiënte geschilbeslechting. Immers, zo stelt belanghebbende, in bezwaar en bij de Rechtbank is er onweersproken van uit gegaan dat de legessanctie van artikel 3.1, lid 4 van de Wro van toepassing was omdat de 10-jaarstermijn was overschreden.

Het Hof overweegt als volgt. In zijn arrest van 10 december 2010, nr. 09/05017, ECLI:NL:HR:2010:BO6786, BNB 2011/72, heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:

“3.1. Het staat de inspecteur in beginsel vrij in de procedure voor de rechtbank ter ondersteuning van de door hem opgelegde aanslag zoals die na de uitspraak op bezwaar luidt, een ander standpunt in te nemen dan hij in de bezwaarfase heeft ingenomen. Verder staat het een partij, en dus ook de inspecteur, vrij om zich in hoger beroep te verweren met alle gronden die hij dienstig acht. Dit is slechts anders voor zover het desbetreffende standpunt onderscheidenlijk verweer ondubbelzinnig zou zijn prijsgegeven, dan wel wordt aangevoerd onder zodanige omstandigheden, dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde (vgl. HR 24 mei 2002, nr. 37 220, LJN AE3172, BNB 2002/320, en HR 4 december 2009, nr. 08/02258, LJN BG7213, BNB 2010/65). Deze opvatting sluit aan bij de parlementaire geschiedenis op de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties, waarin is opgemerkt dat in het belastingrecht in hoger beroep de herkansingsfunctie voorop staat, en dat daarom als regel nieuwe beroepsgronden, argumenten en bewijsmiddelen in hoger beroep kunnen worden aangevoerd, tenzij een goede procesorde zich daartegen verzet (Kamerstukken II 2003/04, 29 251, nr. 3, blz. 9).”

Gelet op de hiervoor aangehaalde rechtsoverweging staat het de Heffingsambtenaar in beginsel vrij om in de (hoger) beroepsfase een ander standpunt in te nemen dan in de bezwaar- respectievelijk beroepsfase. Dat is slechts anders voor zover een partij zijn standpunt of verweer ondubbelzinnig heeft prijsgegeven of heeft aangevoerd onder zodanige omstandigheden dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde.

Van het ondubbelzinnig prijsgeven is het Hof niet gebleken. Het college van B&W heeft in de brief van 11 maart 2015 (zie 2.4) belanghebbende meegedeeld dat ten aanzien van zijn perceel het oude bestemmingsplan ‘herleeft’, maar dat is een standpunt van het college van B&W en niet van de Heffingsambtenaar en bovendien is het een standpunt over het planologische gevolg en niet ter zake van de belastingheffing. Uit het verhandelde ter zitting van de Rechtbank zoals blijkt uit het proces-verbaal van die zitting is evenmin een ‘ondubbelzinnig prijsgeven’ af te leiden. Zoals in 4.5 is overwogen is er ook geen sprake van een inbreuk op de goede procesorde.

4.7.

Gelet op 4.5 en 4.6 zal het Hof de grief van de Heffingsambtenaar dat de legessanctie in het geheel niet van toepassing is, beoordelen. De duidelijke bewoordingen van artikel 3.1, lid 4 van de Wro in samenhang met de hiervoor aangehaalde memorie van toelichting (zie 4.2) kunnen volgens het Hof niet anders worden uitgelegd dan dat het moet gaan om ‘vaststelling door de gemeenteraad’. Weliswaar bevatte het aanvankelijke wetsvoorstel nog geen financiële sanctie als thans in lid 4 is neergelegd, maar duidelijk is dat de tienjaarstermijn aanvangt bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Wat er na de vaststelling gebeurt, een aanwijzing van GS en/of vernietiging door de ABRvS laat onverlet dat een bestemminsplan door de gemeenteraad is vastgesteld. De wetgever heeft uitdrukkelijk de mogelijkheid onder ogen gezien dat een eenmaal vastgesteld bestemmingsplan door latere vernietiging (op onderdelen) niet in werking treedt, doch heeft ervoor gekozen het moment van vaststelling bepalend te doen zijn voor al of niet intreden van de legessanctie. Aangezien in het onderhavige geval de gemeenteraad tijdig het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint Anthonis 2013’ heeft vastgesteld is de legessanctie van artikel 3.1, lid 4 van de Wro niet aan de orde. Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar is dan ook gegrond.

4.8.

Omdat de legessanctie van artikel 3.1, lid 4 van de Wro niet intreedt is belanghebbende leges verschuldigd voor het in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een omgevingsvergunning. Ter zitting heeft belanghebbende zijn grief over de 10% korting laten varen. Gesteld noch gebleken is dat de aanslag tot een onjuist bedrag is opgelegd.

Slotsom

4.9.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Heffingsambtenaar inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 30 november 2017 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, P. Fortuin en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.