Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5274

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
200.225.472_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling ex artikel 350 lid 3 aanhef en sub c nu saniet een of meer van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door haar doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 30 november 2017

Zaaknummer : 200.225.472/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/16/367 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. A.M. van Steenes te Leiden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 oktober 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2017, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en verder te beslissen dat de schuldsaneringsregeling dient te worden voortgezet tot een nader door het hof te bepalen datum, dan wel een onderzoek te gelasten naar haar arbeidsvermogen, kosten rechtens.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 november 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Van Steenes,

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder,

mevrouw [beschermingsbewindvoerder] in haar hoedanigheid van informante, hierna te noemen: de

beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 21 september 2017;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 8 november 2017;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 27 oktober 2017;

- de ter zitting door de advocaat van [appellante] overgelegde stukken, te weten een arbeidsdeskundige rapportage van het UWV d.d. 3 oktober 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit haar verklaringen zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellante] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

Bij vonnis van 17 mei 2016 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 28 juni 2017 tussentijds beëindigd, nu [appellante] een of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door haar doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert. Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.2. De schuldenares is de inlichtingenplicht geldend in de schuldsaneringsregeling onvoldoende nagekomen. Tot en met het derde verslag, medio mei 2017, heeft zij geen enkele informatie verstrekt en geen contact opgenomen met de bewindvoerder. Voorts heeft de bewindvoerder haar op 24 mei, 12 juli en 10 oktober 2016 een brief gestuurd waar eveneens niet door schuldenares op werd gereageerd. Namens de rechter-commissaris werd op 1 december 2016 een waarschuwingsbrief gestuurd. Ook op deze brief volgde geen reactie van schuldenares. Pas na het derde verslag nam schuldenares telefonisch contact op met de bewindvoerder en deelde haar mede dat zij ziek was en niet in staat zou zijn om te werken. De door de bewindvoerder gevraagde arbeidsongeschiktheidsgegevens werden echter niet overgelegd.

2.3.

Voorts heeft schuldenares zich niet gehouden aan de sollicitatie- en arbeidsplicht geldend in de schuldsaneringsregeling terwijl deze wel op haar van toepassing is. Door de gemeente werd zij bij beschikking van 2 november 2016 weliswaar tijdelijk vrij gesteld van voormelde verplichting, dit houdt echter niet in dat een dergelijke vrijstelling ook in de schuldsaneringsregeling geldt. Daarbij heeft zij zich ook niet aan de door de gemeente gestelde voorwaarden gehouden. Zij heeft namelijk geen stappen ondernomen om vrijwilligerswerk te verrichten.

Hoewel schuldenares heeft verklaard ziek te zijn heeft zij dit niet met bewijsstukken van een behandelend arts dan wel met een medische keuring onderbouwd. Ter zitting is door de beschermingsbewindvoerder verklaard dat een medische keuring werd aangevraagd bij het UWV, of deze echter op korte termijn dan wel daadwerkelijk zal plaatsvinden wordt door de bewindvoerder in twijfel getrokken aangezien het UWV niet (meer) op aanvraag keurt.

2.4. (…)

Dat schuldenares nu een medische keuring heeft aangevraagd acht de rechtbank een gepasseerd station. Als er al daadwerkelijk gekeurd zal worden door het UWV, zal dit nog enige tijd in beslag nemen en is het inmiddels bijna anderhalf jaar geleden dat de schuldsaneringsregeling werd uitgesproken.”

3.5.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] merkt op dat het onjuist is dat haar schuldsaneringsregeling tussentijds is beëindigd omdat zij nooit de bedoeling heeft gehad om enige informatie bij de bewindvoerder weg te houden. Naast het gegeven dat de schuldsaneringsregeling een zware tijd is gaat zij tevens op het psychosociale vlak door een moeilijke tijd en heeft zij lichamelijke klachten die haar arbeidsvermogen (ernstig) beperken. Zij kampt met zware psychische problematiek en slikt hiervoor de nodige medicatie, waaronder paroxetine en oxazepam, diazepam of tramadol. Zij heeft veel spanningen met betrekking tot haar moeder, die is geopereerd aan darmkanker en in het ziekenhuis ligt. [appellante] heeft één dochter en drie zoons. Eén van de drie zoons kampt met hevige verslavingsproblematiek en zit regelmatig in detentie. Dit zorgt voor veel stress, piekeren, slecht slapen en negatieve gedachten, wat vervolgens weer leidt tot disfunctioneren in het dagelijks leven. De wil om de schuldsaneringsregeling netjes af te ronden is er daarentegen wel en [appellante] wil er alles aan doen om in de toekomst te kunnen voldoen aan de kernverplichtingen. In het vonnis waarvan beroep wordt [appellante] verweten geen informatie te hebben verstrekt tot en met het derde verslag, medio 2017, niet te hebben gereageerd op drie brieven van de bewindvoerder en op één brief van de rechter-commissaris. De periode hieraan voorafgaand was echter een enorm zware periode voor haar. Zij heeft een relatie gehad met de hoofdverdachte in een moordzaak en is hiervoor zelf tevens (onterecht) aangehouden. [appellante] werd zes dagen lang vast gehouden voor verhoor en werd tijdens deze vele verhoren onevenredig onder druk gezet dat zij hier psychisch helemaal aan onderdoor ging. Zij is hier tot op heden herstellende van. Na deze periode heeft zij nog wel geprobeerd telefonisch contact te krijgen met de bewindvoerder, maar deze was op de tijdstippen waarop zij in de gelegenheid was om te bellen niet bereikbaar. Vanwege de financiële problemen had [appellante] namelijk niet de beschikking over een telefoon en was zij afhankelijk van vrienden en/of familie. [appellante] heeft meerdere afspraken gehad met een psycholoog. Dit bracht echter zoveel stress en angst met zich mee dat is besloten dat zij onder behandeling staat bij de huisarts. Naast de psychische problematiek speelt er tevens lichamelijke problematiek. Zij gebruikt diclofenac om verschillende lichamelijke pijnen te bestrijden. [appellante] heeft beginnende artrose in haar handen en dystrofie in haar voeten. De dystrofie zorgt ervoor dat de benen en voeten zo zijn opgezet dat zij haar schoenen niet tot nauwelijks past en veel pijn ervaart. Vanwege bovenstaande heeft [appellante] ontheffing van de sollicitatieplicht gekregen van de gemeente. Er is echter nooit onderzoek verricht vanuit de rechter-commissaris naar haar arbeidsvermogen, terwijl dit in opgemelde zaak zeker wel noodzakelijk wordt geacht. Op 11 september 2017 is er een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen bij het UWV ingediend.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. Reeds bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling was bekend dat er sprake was van een behoorlijke psychosociale problematiek en dat [appellante] mede daardoor ook geen arbeidsvermogen had. Bij de toelating was eveneens bekend dat [appellante] ook geen opleiding of arbeidservaring had. Voorts geeft [appellante] aan dat zij naast het beschermingsbewind ook ondersteuning ontvangt van haar familie, voorheen van haar dochter, nu van haar nichtje die ook bij de zitting in hoger beroep aanwezig is. [appellante] geeft voorts aan dat zij ontvangen post wel opent maar de inhoud hiervan eigenlijk nooit begrijpt, althans dat zij niet weet wat er eventueel van haar verlangd wordt. Hiervoor is zij aangewezen op hulp van derden. Gevraagd naar de meest recente behandeling van haar psychische klachten antwoordt [appellante] tot slot dat het naar haar idee al zeker een jaar geleden is dat zij haar psychiater heeft gesproken.

3.7.

De bewindvoerder heeft in haar brief - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] heeft tot na het 3e verslag zelf geen informatie verstrekt, geen contact met de bewindvoerder opgenomen en niet gereageerd op schriftelijke verzoeken van de bewindvoerder. Ook op de door de rechter-commissaris gestuurde waarschuwingsbrief op heeft [appellante] in het geheel niet gereageerd. Pas na het 3e verslag neemt [appellante] eenmaal telefonisch contact op met de bewindvoerder waarbij zij aangeeft ziek te zijn en niet in staat te zijn om te werken. Tussen de mondelinge behandeling voordracht tussentijdse beëindiging en het vonnis heeft zij nog eenmaal telefonisch contact opgenomen waarbij zij haar (nieuw) telefoonnummer heeft doorgegeven. Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft [appellante] aangegeven niet te hebben geweten hoe ze haar verplichtingen moest nakomen. [appellante] is hierop echter gewezen tijdens de toelatingszitting waarbij zij tevens de spelregels heeft ondertekend. Ook is zij hierover mondeling en schriftelijk geïnformeerd tijdens het huisbezoek. Haar beschermingsbewindvoerder heeft haar tevens meerdere malen gewezen op haar verplichtingen. Tot slot heeft [appellante] meerdere brieven van de bewindvoerder en een waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris ontvangen. In het beroepschrift geeft [appellante] aan dat zij zware psychische klachten en daarnaast een zware periode achter de rug heeft inzake familiaire omstandigheden. [appellante] heeft tijdens de looptijd de bewindvoerder nimmer geïnformeerd over deze zaken. Bovendien hebben deze omstandigheden geen invloed op het feit dat zij haar verplichtingen onverminderd moet nakomen en, indien zij van mening is dit niet zelfstandig te kunnen, hiervoor hulp in te schakelen. In het eerste verslag is een korte uiteenzetting gegeven van de door [appellante] geschetste gezondheidssituatie. De rechter-commissaris heeft echter beslist dat aan [appellante] geen vrijstelling van de arbeidsplicht werd verleend omdat er geen actuele bewijsstukken van eventuele arbeidsongeschiktheid aanwezig waren. Deze beslissing is op 12 juli 2017 schriftelijk meegedeeld aan [appellante] . Zij reageert hier echter niet op; zij overlegt geen medische stukken en ook geen sollicitatiebewijzen. Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg wordt vermeld dat er op 11 september 2017 bij het UWV een aanvraag is gedaan voor een arbeidsdeskundig onderzoek. De datum van het onderzoek is echter nog niet bekend. In het beroepschrift wordt ook nog vermeld dat [appellante] een zware tijd heeft gehad vanwege haar relatie met de hoofdverdachte in een moordzaak. [appellante] is hiervoor ook aangehouden geweest en zes dagen vastgehouden voor verhoor. Dit punt heeft gespeeld voor de toepassing van de schuldsaneringsregeling en is ook kort gemeld bij de toelatingszitting. [appellante] heeft echter bij de toelating de spelregels van de schuldsanering ondertekend en daarmee aangegeven 'saneringsrijp' te zijn. [appellante] heeft nimmer informatie verstrekt over haar gesprekken met een psycholoog en daarop volgende beslissing om haar behandeling voort te zetten bij haar huisarts. Het journaal van de huisarts dat bij het beroepschrift is gevoegd is niet eerder verstrekt. De voorlopige schuldenlast is circa € 35.000,00. Het boedelsaldo is op 26 oktober 2017 € 753,99, er is geen boedeltekort en er zijn geen nieuwe schulden bekend.

3.8.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder geeft aan dat het eerst bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep door [appellante] overgelegde rapport van het UWV niet aangeeft dat [appellante] in het geheel geen betaalde arbeid zou kunnen verrichten. Bovendien heeft [appellante] ook anderhalf jaar de tijd gehad om een en ander op te pakken en dit rapport, gedateerd 3 oktober 2017, komt nu pas ter tafel. De bewindvoerder handhaaft dan ook haar verzoek om de schuldsaneringsregeling van [appellante] tussentijds en zonder toekenning van de schone lei te beëindigen.

3.9.

De beschermingsbewindvoerder heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd aangegeven dat het bewind, gegeven de beperkte capaciteiten van [appellante] , op zich goed verloopt. Zij heeft de indruk dat [appellante] zich naar haar volle vermogen tracht in te zetten.

3.10.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.10.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw te beoordelen of er bij [appellante] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door haar doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

3.10.2.

Vast staat, temeer nu zij zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook nadrukkelijk heeft erkend, dat [appellante] , ondanks herhaalde (schriftelijke) aansporingen van zowel haar bewindvoerder als de rechter-commissaris, de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting niet naar behoren, feitelijk in het geheel niet, is nagekomen. Schriftelijke bewijzen van sollicitaties zijn immers nimmer door [appellante] aan haar bewindvoerder overgelegd. [appellante] heeft uitsluitend aan haar bewindvoerder kenbaar gemaakt dat zij zichzelf vanwege een psychische en fysieke problematiek niet in staat acht tot het verrichten van arbeid, maar heeft nimmer enige verklaring dan wel rapportage aan haar bewindvoerder doen toekomen waaruit deze door haar gestelde (volledige) arbeidsongeschiktheid zou kunnen worden herleid. Daarbij komt dat de rechter-commissaris heeft beslist dat er op basis van de enkele mededeling van [appellante] dat zij zichzelf niet tot het verrichten van (betaalde) arbeid in staat acht van een vrijstelling van voornoemde verplichting ook geen sprake kan zijn, een beslissing welke per brief op 12 juli 2017 aan [appellante] is medegedeeld. Een en ander klemt bovendien nog des temeer nu in de door [appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde rapportage van het UWV d.d. 3 oktober 2017 wordt gesteld dat er bij [appellante] sprake is van een somatoform beeld dat een minimale tijdelijke duurbeperking aannemelijk maakt. Hieruit volgt dat weliswaar niet aannemelijk is dat [appellante] in staat moet worden geacht om het volledige wettelijk minimumloon te kunnen verdienen, maar dat er van een volledige arbeidsongeschiktheid, zoals door [appellante] is gesteld, evenwel geen sprake is.

3.10.3.

Daarbij komt dat [appellante] , hetgeen zij bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep eveneens nadrukkelijk heeft erkend, ook de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting, ondanks herhaalde (schriftelijke) aansporingen van zowel haar bewindvoerder als de rechter-commissaris, niet naar behoren is nagekomen. Zo heeft zij de rapportage van het UWV d.d. 3 oktober 2017 eerst bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep aan haar bewindvoerder doen toekomen. Een en ander klemt des temeer nu [appellante] zich onder andere ten aanzien van de informatievoorziening aan haar bewindvoerder ondersteund weet door een beschermingsbewindvoerder en een familielid, voorheen haar dochter, thans haar nichtje. Op grond van het vorengaande is het hof dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat de geconstateerde tekortkomingen [appellante] niet kunnen worden verweten (vgl. HR 12 juni 2009, NJ 2009, 270).

3.10.4.

Nu, tevens doordat zij bekend is, althans redelijkerwijs geacht wordt bekend te zijn, met de verplichtingen in het kader van de wettelijke schuldsanering mede in welk verband het hof naar de processtukken wijst, de geconstateerde tekortkomingen [appellante] kunnen worden verweten en het bovendien om meerdere verwijtbare tekortkomingen gaat acht het hof geen termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling van [appellante] , zoals door haar subsidiair is verzocht, te verlengen, daargelaten nog het feit dat [appellante] ook na het vonnis waarvan beroep, en daarbij bovendien ondersteund door een beschermingsbewindvoerder en een familielid, haar gedragingen niet heeft weten te verbeteren. [appellante] is niet immers niet alsnog (aantoonbaar) gaan solliciteren en heeft tevens verzuimd om de eerder genoemde rapportage van het UWV d.d. 3 oktober 2017 terstond, althans tijdig, aan haar bewindvoerder te doen toekomen. Van een reeds gerealiseerde dan wel aanstonds te verwachten wending ten goede is naar het oordeel van het hof dan ook geen enkele sprake.

3.10.5.

Tot slot overweegt het hof geen onderzoek naar de arbeidsvermogens van [appellante] te gelasten zoals door haar meer subsidiair eveneens is verzocht nu het primair immers op de weg van een saniet ligt zorg te dragen voor een medische dan wel arbeidskundige keuring teneinde met de resultaten daarvan een door saniet gestelde verminderde arbeidsgeschiktheid nader inzichtelijk te maken en aldus de bewindvoerder eventueel in staat te stellen op basis hiervan de rechter-commissaris te verzoeken om in het kader van de schuldsaneringsregeling een gehele dan wel gedeeltelijke vrijstelling van de sollicitatie- en arbeidsverplichting te verlenen. Op deze mogelijkheid is [appellante] niet alleen bij herhaling door haar bewindvoerder gewezen, zij heeft hiervoor ook ruim de tijd, meer concreet nagenoeg anderhalf jaar, gehad, doch deze mogelijkheid tot aan 11 september 2017, en daarmee naar het oordeel van het hof in een veel te laat stadium, onbenut gelaten.

3.10.6.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de schuldsaneringsregeling van [appellante] tussentijds dient te worden beëindigd.

3.11.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, L.Th.L.G. Pellis en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2017.