Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5245

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
20-003721-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:9976
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag. Beroep op noodweer(exces) verworpen. Oplegging van gevangenisstraf van 6 jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast oplegging van TBS met dwangverpleging. Vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0961
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003721-15

Uitspraak : 30 november 2017

TEGENSPRAAK

PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 30 november 2015 in de strafzaak met parketnummer

03-700685-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in [verblijfplaats] .

Hoger beroep

De verdachte is bij vonnis van de rechtbank van 30 november 2015 ter zake van het plegen van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast is de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd. De vordering van de benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen behalve voor zover het de beslissing op de vordering van de benadeelde partij betreft en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen (derhalve tot een bedrag van € 5.000,00) ten aanzien van de gevorderde shockschade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde affectieschade heeft de advocaat-generaal gevorderd de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

Door en namens verdachte is betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de impliciet primair ten laste gelegde moord nu van voorbedachte raad geen sprake is en dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag omdat hij heeft gehandeld uit noodweer tot het moment dat het slachtoffer op de grond is gevallen, terwijl daarna sprake was van noodweerexces. Ten slotte is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 06 december 2014 in de [pleegplaats] , [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk meermalen tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of te schoppen en/of te trappen en/of (vervolgens) – terwijl voornoemde [slachtoffer] in bewusteloze toestand op de grond lag – meermalen tegen het hoofd, althans het lichaam, te schoppen en/of te trappen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof is, met de advocaat-generaal, de verdediging en de rechtbank, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, zodat de verdachte van de impliciet primair ten laste gelegde moord dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 06 december 2014 in de [pleegplaats] , [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk meermalen tegen het hoofd te slaan en – terwijl voornoemde [slachtoffer] in bewusteloze toestand op de grond lag – meermalen tegen het hoofd te schoppen en te trappen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs 1

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierna genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep gaat het hof van de volgende feiten uit.

Vast staat dat op 6 december 2014 in [pleegplaats] [slachtoffer] is overleden ten gevolge van herseninklemming opgetreden ten gevolge van inwerking van substantieel botsend geweld op het hoofd, al dan niet in combinatie met verwikkelingen van inwerking van samendrukkend en/of stomp botsend geweld op de hals. 23 Het letsel in de nek en het aangezicht kunnen een bijdrage hebben geleverd aan het overlijden.4

Verdachte heeft op 6 december 2014 in het halletje van het gebouw van de dag- en nachtopvang van het Leger des Heils aan de [straat] te [pleegplaats] meermalen tegen het hoofd van [slachtoffer] geslagen en – toen [slachtoffer] bewegingloos op de grond lag – tientallen malen op het hoofd getrapt en tegen het hoofd geschopt.5

De camerabeelden die van het incident zijn gemaakt, zijn ter terechtzitting van het hof op 16 november 2017 getoond.

Het hof heeft op de beelden die op 6 november 2014 vanaf 8.33 uur zijn gemaakt van het halletje binnen (“01 binnen”6) het volgende waargenomen7:

De verdachte bevindt zich in het halletje van het gebouw van het Leger des Heils. Op het tijdstip van 1.50/51 minuten heeft de verdachte een gesprek met de baliemedewerker. Op het tijdstip van 2.26 minuten gaat rechts in beeld de deur (die kennelijk toegang geeft tot ruimtes van het Leger des Heils) open en loopt [slachtoffer] door die deur het halletje in. [slachtoffer] loopt meteen en met enige snelheid in de richting van de verdachte.

Op 2.27 minuten slaat de verdachte voor de eerste maal met zijn tot vuist gebalde rechterhand richting [slachtoffer] . [slachtoffer] pakt aansluitend de verdachte dan bij de kraag van zijn jas vast.

Daarna, op 2.28 minuten, slaat de verdachte wederom in de richting van het gezicht van [slachtoffer] , welke slag [slachtoffer] probeert af te weren. Direct daarop slaat verdachte [slachtoffer] nogmaals. Vervolgens heeft het hof op 2.44 minuten waargenomen dat de verdachte [slachtoffer] aan zijn haren vast heeft.

[slachtoffer] probeert los te komen en slaat op 2.53 minuten met zijn vuist richting verdachte, die [slachtoffer] (2.59 minuten) bij zijn haren vast heeft. Verdachte blijft [slachtoffer] bij zijn haren vasthouden en naar beneden trekken, waarna [slachtoffer] op het tijdstip van 3.18 minuten en vervolgens op het tijdstip van 3.21 minuten een slaande beweging naar de verdachte maakt.

Het hof heeft geconstateerd dat de verdachte zeker vanaf 3.31 minuten fysiek het overwicht heeft op [slachtoffer] en [slachtoffer] met zijn tot vuist gebalde rechterhand slag na slag geeft, zeven keer achter elkaar.

Op het tijdstip 3.40/41 minuten probeert de verdachte [slachtoffer] voor het eerst naar de grond te werken. Op het tijdstip 3.50 minuten maakt de verdachte een trappende beweging en op 4.12 minuten lijkt het alsof [slachtoffer] zijn verzet opgeeft. [slachtoffer] staat op dat moment nog rechtop en schopt op 4.29 minuten nog richting het kruis/bovenbenen van de verdachte. Op 4.34 minuten maakt [slachtoffer] nog een schoppende beweging in de richting van de verdachte. Op 4.48 minuten heeft de verdachte de haren van [slachtoffer] nog vast. Op 4.50 en 4.56 minuten schopt de verdachte tegen de knieën van [slachtoffer] .

Tot het eindtijdstip van de eerste serie beelden (4.56 minuten) zijn de verdachte en [slachtoffer] verstrengeld en bewegen zij door de hele ruimte.

Het hof heeft voorts de beelden die zijn gemaakt op 6 december 2014 vanaf 8.38 uur in het halletje van het gebouw van het Leger des Heils (“02 binnen”8) ter terechtzitting van 16 november 2017 bekeken en het volgende waargenomen:

De verdachte maakt op seconde 8 een schoppende beweging in de richting van [slachtoffer] . Hij heeft [slachtoffer] daarbij met één hand vast bij zijn haren. Op seconde 10 maakt de verdachte weer een schoppende beweging naar [slachtoffer] , evenals op seconden 25 en 26. Gedurende deze tijd duurt de verstrengeling voort. Daarbij heeft verdachte [slachtoffer] aan zijn haren vast en maakt [slachtoffer] enkel slaande – afwerende – bewegingen waarbij hij probeert zijn haren los te krijgen. Vervolgens komt één van de begeleiders van het Leger des Heils binnen. Op 36 seconden en van 41 tot 43 seconden maakt de verdachte een trapbeweging naar [slachtoffer] en op 48 seconden maakt hij met zijn linkerhand een slaande beweging naar [slachtoffer] . Tussen 57 seconden en 1.10 minuten slaat de verdachte [slachtoffer] in totaal zeven keer met zijn tot vuist gebalde rechterhand tegen de linkerzijde van het gezicht van [slachtoffer] . Het hof heeft waargenomen dat het lichaam van [slachtoffer] op dat moment meebeweegt met de slagen en als ‘een pop’ tegen de muur hangt.

Op 1.10 minuten ligt [slachtoffer] op de grond.

Op 1.12 minuten ligt [slachtoffer] nog steeds bewegingloos op de grond en vanaf 1.16 minuten is er contact tussen de verdachte en een medewerker van het Leger des Heils. Die medewerker lijkt op het tijdstip 1.22 minuten te gebaren dat de verdachte moet stoppen. De verdachte trapt [slachtoffer] op dat moment tegen het hoofd. De verdachte kijkt de medewerker aan en trapt op het tijdstip 1.29 minuten nogmaals richting het hoofd van [slachtoffer] . Op 1.31 minuten gebeurt dit nogmaals op dezelfde manier.

Op 1.55 minuten stopt de verdachte, kijkt hij naar zijn linkerhand en draait hij zich om. Op 1.59 minuten schopt de verdachte weer richting het hoofd van [slachtoffer] .

Op het tijdstip 2.13 minuten zegt de verdachte iets tegen iemand die achter de deur staat. Hij draait zich weer om, neemt een soort aanloop en blijft dan doorschoppen tegen het hoofd van [slachtoffer] . Ook op 2:21 minuten heeft de verdachte geschopt tegen het hoofd van [slachtoffer] .

Op het tijdstip 2.34 minuten stopt de verdachte weer en draait hij zich om. Op het tijdstip 2.44 minuten kijkt de verdachte op zijn telefoon.

Op het tijdstip 3.03 minuten schopt de verdachte [slachtoffer] opnieuw tegen zijn hoofd en daarna schopt hij nog tien keer in de richting van het hoofd van [slachtoffer] en nog twee keer tegen de knieën van [slachtoffer] en dan nogmaals richting zijn hoofd.

Op het tijdstip 4.12 minuten probeert de verdachte de deur te openen en vanaf het tijdstip 4.20 minuten sleept hij [slachtoffer] weg. Op 4.36 minuten wordt [slachtoffer] door verdachte naar buiten gesleept.

Daarnaast heeft het hof ter terechtzitting van 16 november 2017 het beeldmateriaal bekeken dat op 6 december 2014 vanaf 8.40 uur is gemaakt aan de buitenzijde van het gebouw van het Leger des Heils (“03 buiten”9).

Op het tijdstip 1.39 legt de verdachte [slachtoffer] op de rand van de stoep met zijn hoofd op de stoeprand, om bij 1.45 minuten met kracht met de rechtervoet tegen het achterhoofd van [slachtoffer] te trappen, in de buurt van diens nek.

Het hof stelt bovendien vast dat de bevindingen van het hof op essentiële onderdelen worden bevestigd door de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] .

Zo heeft [getuige 1] verklaard dat hij op 6 december 2014 tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat de verdachte over een uur, omstreeks 9.30 uur, terug zou komen en het pand van het Leger des Heils in zou mogen. [slachtoffer] zou dan voor die tijd zijn spullen kunnen pakken en vertrekken. [slachtoffer] sprong na die mededeling direct op, deed zijn jas aan en liep via de eetzaal de gang in, hij liep snel naar buiten. Vervolgens zag [getuige 1] dat een vechtpartij was ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer] in het halletje en dat de verdachte [slachtoffer] bij zijn haren vastpakte, dat hij [slachtoffer] sloeg en dat hij tegen de knie van [slachtoffer] schopte. Op enig moment viel [slachtoffer] om; er zat toen al niet veel beweging meer in hem. De verdachte bleef op het hoofd van [slachtoffer] schoppen. [getuige 1] heeft geschreeuwd dat de verdachte moest ophouden waarna de verdachte zich naar [getuige 1] omdraaide om vervolgens weer verder te gaan met schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer] . Na enige tijd heeft de verdachte [slachtoffer] naar buiten gesleept. De deur viel dicht en toen [getuige 1] buiten kwam lag [slachtoffer] met zijn hoofd op de stoeprand.10

[getuige 2] heeft verklaard zij de verdachte op 6 december 2014 in het halletje richting de uitgang zag gaan, toen [slachtoffer] dat halletje in kwam. Daar ontstond een vechtpartij tussen de verdachte en [slachtoffer] . Op enig moment viel [slachtoffer] op de grond, tegen de voordeur aan. De verdachte keek haar een fractie van een seconde aan en ging door met stampen tegen of op het hoofd van [slachtoffer] . De verdachte sleepte [slachtoffer] daarna naar buiten, legde hem met zijn hoofd op de stoeprand en ging door met stampen op het hoofd van [slachtoffer] .11

[getuige 3] tenslotte heeft verklaard dat zij op 6 december 2014 in de richting van de [straat] fietste. Bij het pand van het Leger des Heils zag zij een man die aan een andere man aan het trekken was. De schreeuwende man (het hof begrijpt: de verdachte) schopte met een van zijn voeten hard op het hoofd van de op de grond liggende man, die werd geraakt op zijn achterhoofd of in zijn nek.12

Opzet

Het hof ziet zich voor de vraag geplaatst of uit het voorgaande volgt dat de verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] .

Verdachte heeft eerst verschillende keren met kracht met zijn vuist tegen het hoofd van [slachtoffer] geslagen. [slachtoffer] is vervolgens in elkaar gezakt en bewegingloos op de grond blijven liggen. Verdachte heeft hierna veelvuldig, met kracht en met geschoeide voet – en een paar keer zelfs na een aanloop te hebben genomen – tegen en op het hoofd van [slachtoffer] geschopt en/of getrapt, ook nog nadat hij [slachtoffer] , die ogenschijnlijk nog steeds geen teken van leven vertoonde, naar buiten had versleept en met het hoofd op of over de stoeprand had gelegd.

Vast staat dat [slachtoffer] is overleden ten gevolge van herseninklemming opgetreden ten gevolge van inwerking van substantieel botsend geweld op het hoofd, al dan niet in combinatie met verwikkelingen van inwerking van samendrukkend en/of stomp botsend geweld op de hals.

Uit algemene ervaringsregels kan worden afgeleid dat een mens door veelvuldig krachtig slaan, schoppen en trappen tegen en op het hoofd op de wijze als hier is gebeurd, ook nadat deze bewusteloos op de grond ligt, in de regel zal komen te overlijden. In het hoofd bevinden zich immers de hersenen, die bij het daarop uitoefenen van dergelijk grof geweld met een grote mate van waarschijnlijkheid zwaar beschadigd zullen raken met de dood als gevolg. Het hof is dan ook van oordeel dat in de aard van de gedragingen van de verdachte het opzet op de dood van [slachtoffer] ligt besloten. Het hof betrekt bij dit oordeel dat verdachte nadat de politie ter plaatse kwam heeft verklaard: “Ik heb hem kapotgeslagen en als hij opstaat maak ik hem helemaal af”13 en voorts dat de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de verdachte op [slachtoffer] bleef intrappen toen er al geen leven meer inzat, waarbij de verdachte riep: “Ik heb jullie toch gewaarschuwd dat ik iemand binnen vijf minuten dood kan maken!”14 Net als de rechtbank, acht ook het hof derhalve bewezen dat de verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] .

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Standpunt verdediging

Door de verdediging is primair betoogd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Daartoe is gesteld dat [slachtoffer] verdachte in de dagen voorafgaand aan het incident meerdere malen heeft bedreigd met het breken van zijn botten. Medewerkster [getuige 2] hoorde in de ochtend van 5 december 2014 al dat sprake was van strubbelingen tussen verdachte en [slachtoffer] en medewerker [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] enkele dagen vóór het incident tegen verdachte heeft gezegd: “Kom maar naar buiten”. Daarnaast bemerkte getuige [getuige 4] dat de verdachte irritatie opwekte bij [slachtoffer] . Tenslotte vond op 5 december 2014 (de avond vóór het incident) een confrontatie plaats tussen de verdachte en [slachtoffer] , die werd geïnitieerd door [slachtoffer] . [slachtoffer] was toen immers van zijn stoel opgesprongen en heeft de verdachte geduwd. Naar aanleiding van dit voorval is de verdachte die dag, tot 22.00 uur, de verdere toegang tot het Leger des Heils ontzegd, terwijl [slachtoffer] niet is gestraft voor zijn aandeel. Vervolgens is de verdachte ook de nacht van 5 op 6 december 2014 de toegang ontzegd, omdat hij niet vóór 22.00 uur terug was bij de opvang. Volgens [getuige 5] moest [slachtoffer] worden tegengehouden door hem en anderen, omdat hij naar de verdachte buiten wilde gaan. Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat [slachtoffer] een gespannen indruk maakte en medewerker [getuige 7] heeft verklaard dat [slachtoffer] op dat moment heeft gezegd dat hij de confrontatie met de verdachte wel buiten zou aangaan.

Vervolgens is [slachtoffer] , nadat hij op de vroege ochtend van 6 december 2014 hoorde dat de verdachte was teruggekeerd bij de balie van de opvang, direct opgesprongen en met hoge snelheid en grote passen naar de verdachte gelopen. De verdachte mocht ervan uitgaan dat [slachtoffer] hem iets wilde aandoen. Daarbij heeft de raadsman opgemerkt dat de verdachte [slachtoffer] bij zijn haren vasthad, maar dat [slachtoffer] heeft geprobeerd met zijn vingers in de ogen van de verdachte te prikken en de pink van de verdachte heeft gebroken. De verdachte kon in de kleine ruimte waarin hij en [slachtoffer] zich bevonden, niet vluchten en hoefde onder de gegeven omstandigheden niet de fysieke aanval van [slachtoffer] af te wachten. Hij mocht handelen en het door hem toegepaste geweld is, tot het moment waarop [slachtoffer] in elkaar zakt en op de grond valt, proportioneel en subsidiair, zodat volgens de verdediging tot dat moment sprake is van noodweer.

De raadsman heeft voorts betoogd dat de verdachte, vanaf het moment dat [slachtoffer] in elkaar is gezakt en op de grond is gevallen, in een waas of roes raakte. Verdachte heeft [slachtoffer] meermalen geschopt, waaronder ook tegen het hoofd. Daarmee heeft de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden, welke overschrijding is te wijten aan de eerdere wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [slachtoffer] . Die aanval, de angst die verdachte daarbij voelde, de pijn, het knakken van zijn pink en de vrees om zwaar gewond te raken of het leven te laten, bracht de verdachte tot deze daden die de dood van [slachtoffer] hebben veroorzaakt.

Nu de verdachte een beroep toekomt op noodweer, dan wel noodweerexces dient hij van alle rechtsvervolging te worden ontslagen, aldus de raadsman.

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte, op het moment dat [slachtoffer] het halletje betrad, [slachtoffer] onmiddellijk in het gezicht sloeg. Dat handelen van de verdachte had daarmee een aanvallend karakter, waardoor geen sprake was van noodzakelijke verdediging. Daarmee ontbreekt de noodweersituatie en kan de verdachte geen beroep doen op noodweer(exces).

Subsidiair stelt de advocaat-generaal, dat als van een noodweersituatie sprake zou zijn geweest bij de aanvang van de confrontatie, deze noodweersituatie eindigde op het moment dat [slachtoffer] op de grond was gevallen. Volgens de advocaat-generaal komt de verdachte derhalve in ieder geval vanaf dat moment geen geslaagd beroep toe op noodweer en evenmin op noodweerexces. Niet blijkt immers dat het door verdachte uitgeoefende geweld het onmiddellijke gevolg was van een hevige door een eerdere aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging. De gewelddadige gedragingen van verdachte worden namelijk onderbroken door andere gedragingen dan het plegen van geweld, zoals het herhaaldelijk tussendoor spreken met de medewerker van het Leger der Heils [getuige 1] , het pakken en bekijken van de mobiele telefoon en het verslepen van het lichaam van [slachtoffer] .

Het oordeel van het hof

Ten aanzien van het beroep op noodweer

Artikel 41 Sr luidt:

  1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

  2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

Van een ogenblikkelijke aanranding als bedoeld in lid 1 is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 Sr.15

Het hof stelt vast dat uit het dossier genoegzaam blijkt dat in de dagen voorafgaand aan het incident strubbelingen zijn ontstaan tussen de verdachte en [slachtoffer] . Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat enkele dagen vóór 6 december 2014 een incident tussen de verdachte en [slachtoffer] had plaatsgevonden en dat [slachtoffer] toen tegen de verdachte heeft gezegd “Kom maar naar buiten”. De verdachte reageerde daar echter niet op.16

Daarnaast heeft de getuige [getuige 6] verklaard dat op 5 december 2014 een incident plaatsvond tussen de verdachte en [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] van zijn stoel opstond omdat de verdachte hem geprovoceerd zou hebben.1718

De beelden van deze confrontatie zijn ter terechtzitting van het hof op 16 november 2017 getoond en het hof heeft waargenomen dat [slachtoffer] de verdachte op 5 december 2014 rond de avond, omstreeks het tijdstip 18:30 uur, een duw geeft, nadat de verdachte kennelijk contact had gezocht met [slachtoffer] op het moment dat hij koffie ging halen bij de dag- en nachtopvang van het Leger des Heils.19

Ook getuige [getuige 4] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat tussen de verdachte en [slachtoffer] spanningen bestonden en dat hij diverse malen rond etenstijd had gezien dat [slachtoffer] zich stoorde aan de verdachte.20

Uit de verklaring van [getuige 1] volgt dat hij op 6 december 2014 rond 08.30 uur tegen [slachtoffer] had gezegd dat verdachte was teruggekeerd naar het Leger des Heils en dat hem te kennen was gegeven dat hij een uur later, om 9.30 uur, binnen zou mogen. Na deze mededeling stond [slachtoffer] op, deed zijn jas aan en liep meteen richting de buitendeur.21 Op de tijdens de terechtzitting van het hof getoonde beelden is te zien dat [slachtoffer] vervolgens met enige snelheid op de verdachte is afgelopen en de verdachte tot zeer nabij is genaderd. De verdachte bevond zich op dat moment in het kleine halletje vóór het loket van het Leger des Heils.22

Gelet op voormelde feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat op dat moment voor de verdachte sprake was van een zodanig onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding door [slachtoffer] dat kan worden gesproken van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding in de zin van artikel 41 Sr. Hierbij heeft het hof rekening gehouden met het feit dat voor de verdachte geen reële en redelijke mogelijkheid bestond om zich aan de dreigende aanranding door [slachtoffer] te onttrekken. Onder deze omstandigheden mocht de verdachte zich daartegen dan ook verdedigen, met dien verstande dat het hof van oordeel is dat, gelet op de beperkte intensiteit ervan, niet aannemelijk is geworden dat de in deze fase door verdachte verrichte geweldshandelingen hebben bijgedragen aan de dood van [slachtoffer] .

Uit de waarnemingen van het hof op basis van de beelden die ter terechtzitting van het hof van 16 november 2017 zijn getoond blijkt verder dat de verdachte de met uitgestoken arm op hem afkomende [slachtoffer] als eerste sloeg, waarna een vechtpartij tussen beiden ontstond. Zoals hiervoor overwogen heeft het hof op de camerabeelden die op 6 november 2014 vanaf 8.33 uur zijn gemaakt van het halletje binnen (“01 binnen”23) waargenomen dat de verdachte vanaf 3.31 minuten het overwicht krijgt op [slachtoffer] .

[slachtoffer] staat op dat moment nog rechtop en schopt op 4.29 minuten nog richting het kruis/bovenbenen van de verdachte. Tot het eindtijdstip van de eerste serie beelden (4.56 minuten) zitten de verdachte en [slachtoffer] verstrengeld en bewegen zij door de hele ruimte.

Op de daarop volgende beelden die zijn gemaakt op 6 december 2014 vanaf 8.38 uur in het halletje van het gebouw van het Leger des Heils (“02 binnen”24) is te zien dat de verstrengeling voortduurt en dat de verdachte [slachtoffer] een aantal maal schopt. Verdachte heeft dan nog steeds [slachtoffer] aan zijn haren vast en [slachtoffer] maakt enkel slaande

– afwerende – bewegingen waarbij hij probeert zijn haren los te krijgen.

De verdachte schopt [slachtoffer] vervolgens nog een aantal keer en van 57 seconden tot 1.10 minuten slaat de verdachte zeven keer met zijn tot vuist gebalde hand met kracht tegen de linkerzijde van het gelaat van [slachtoffer] . Het hof heeft waargenomen dat het lichaam van [slachtoffer] op dat moment als ‘een pop’ tegen de muur hangt en dat [slachtoffer] derhalve geen weerstand meer biedt. Dit vindt bevestiging in de verklaring van de getuige [getuige 1] .25 Het hof is van oordeel dat vanaf dat moment het handelen van de verdachte reeds niet meer voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Vanaf dat moment ging er van [slachtoffer] immers geen enkel onmiddellijk dreigend gevaar voor geweld meer uit, waardoor het vorengenoemde door de verdachte jegens [slachtoffer] toegepaste geweld gepast noch geboden was door de noodzakelijke verdediging.

Dit geldt evenzeer voor de periode vanaf het moment dat [slachtoffer] vervolgens langs de muur bewegingloos tegen de grond zakt en daar blijft liggen. Het hof heeft waargenomen dat de verdachte ook dan nog veelvuldig in de richting van het hoofd van de op de grond liggende [slachtoffer] blijft trappen en daarbij soms een aanloop neemt. Uiteindelijk sleept de verdachte de kennelijk al bewusteloze [slachtoffer] naar buiten en legt hem met zijn hoofd op de stoeprand om daarna nogmaals te trappen op het hoofd dan wel de nek van [slachtoffer] .

Het beroep op noodweer faalt mitsdien. Het bewezenverklaarde is derhalve, nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid daarvan uitsluit, strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

Ten aanzien van het beroep op noodweerexces

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt, nu hij als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding van [slachtoffer] veroorzaakt, de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is vereist dat een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest. Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

  1. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien

  2. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Daarbij zij opgemerkt dat niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde ‘onmiddellijk gevolg’, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.26

Het hof heeft hiervóór vastgesteld dat geen sprake meer was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding van de verdachte vanaf het moment dat de verdachte zeven keer tegen het gelaat van [slachtoffer] slaat, omdat het lichaam van [slachtoffer] op dat moment immers meebeweegt met de slagen en [slachtoffer] feitelijk als ‘een pop’ tegen de muur van het halletje aan hangt en vervolgens bewegingloos op de grond zakt en in kennelijk bewusteloze toestand blijft liggen.

De verdachte heeft over zijn gemoedstoestand ten tijde van het in dit verband relevante toebrengen van geweld jegens [slachtoffer] , te weten vanaf het moment dat verdachte [slachtoffer] meerdere keren met zijn tot vuist gebalde hand met kracht tegen de linkerzijde van het gelaat slaat waarbij [slachtoffer] geen weerstand meer biedt en vervolgens in elkaar zakt en bewegingloos blijft liggen, ter terechtzitting in hoger beroep niet veel verklaard omdat hij zich daarvan naar eigen zeggen weinig meer kon herinneren.

Op grond hiervan stelt het hof vast dat bij de verdachte als gevolg van de daaraan voorafgaande aanranding door [slachtoffer] , voor zover die door het hof hiervoor is vastgesteld, weliswaar een gemoedsbeweging zal zijn teweeggebracht, maar dat geenszins aannemelijk is geworden dat deze als hevig valt aan te merken. Het hof betrekt bij zijn oordeel dat op de door het hof bekeken camerabeelden zichtbaar is dat de verdachte tussen de slagen en daaropvolgende trappen door enkele keren een korte pauze neemt, op zijn telefoon kijkt en diverse keren communiceert met medewerkers van het Leger des Heils.

Zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat er vanaf voormeld moment dat [slachtoffer] geen enkele weerstand meer bood sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging, komt het hof tot het oordeel dat de verdachte zich niet met vrucht op de schulduitsluitingsgrond van artikel 41, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht kan beroepen, aangezien het hof, gelet op de beperkte intensiteit van de veronderstelde hevige gemoedsbeweging en gegeven de verregaande mate waarin de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, niet aannemelijk acht dat die gemoedsbeweging voor de gedragingen van de verdachte – het veelvuldig slaan en schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer – van doorslaggevend belang is geweest en derhalve niet aannemelijk acht dat die gedragingen het onmiddellijk gevolg van de veronderstelde hevige gemoedsbeweging zijn geweest.

Nu het beroep op noodweerexces faalt en ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte strafbaar.

Op te leggen straf en maatregel

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de strafoplegging bevestiging gevorderd van het vonnis van de rechtbank.

De raadsman heeft verzocht om niet over te gaan tot de oplegging van enige gevangenisstraf, dan wel te volstaan met een lagere gevangenisstraf dan de rechtbank.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft [slachtoffer] op gruwelijke en meedogenloze wijze om het leven gebracht. Hij heeft het slachtoffer meermalen tegen zijn hoofd geslagen en, toen hij bewegingloos op de grond lag, veelvuldig in de richting van zijn hoofd geschopt en op en tegen zijn hoofd getrapt. Nadat hij [slachtoffer] naar buiten had gesleept, heeft hij hem nogmaals tegen het hoofd getrapt. De beelden laten zien dat de verdachte op een koelbloedige wijze letterlijk het leven uit [slachtoffer] slaat en trapt. Verdachte heeft met zijn handelen, dat zich deels op de openbare weg heeft afgespeeld, onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer] , onder wie zijn zoon en stiefdochter, en de medewerkers en bewoners van het opvanghuis van het Leger des Heils, van wie er enkele getuige zijn geweest van de gebeurtenissen.

Het hof heeft voorts ten nadele van de verdachte meegewogen dat hij, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 september 2017 reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het plegen van misdrijven met een geweldcomponent, waaronder ter zake van mishandeling en openlijke geweldpleging.

Het hof heeft tevens, voor zover hier relevant, acht geslagen op de met betrekking tot de persoon van verdachte opgemaakte rapporten, te weten een Pro Justitia rapport uitgebracht door het Pieter Baan Centrum en opgemaakt door psychiater C.J. Kerssens en GZ-psycholoog P.A.E.M.T Cremers van 1 juli 2015, een aanvullend psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van 19 augustus 2017 en een aanvullend psychologisch onderzoek Pro Justitia van 14 augustus 2017 van deze deskundigen, alsmede op een Reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Limburg Mondriaan van 8 december 2014.

Blijkens de Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum van 1 juli 2015 wordt geconcludeerd dat bij de verdachte sinds 2012 sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een psychose in het kader van schizofrenie van het paranoïde type. Vanaf die tijd heeft verdachte paranoïde wanen. Het was niet goed mogelijk om persoonlijkheidskenmerken te isoleren van het psychotische beeld, zodat er over een eventuele persoonlijkheidspathologie niets kon worden gesteld. Ten tijde van het ten laste gelegde handelde verdachte voornamelijk op grond van paranoïde vertekeningen van de werkelijkheid. Vanwege het feit dat daarnaast ook sprake was van een reële conflictopbouw met het slachtoffer en de informatie over de gedachten en belevingen van verdachte grotendeels zijn afgeleid uit zijn verklaringen hierover ná het ten laste gelegde, waardoor niet met zekerheid kan worden gezegd hoe floride psychotisch verdachte kort voor en gedurende het ten laste gelegde was, komen de deskundigen van het PBC tot het advies verdachte niet volledig maar sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Psychiater Kerssens heeft in de aanvullende rapportage ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid geadviseerd om het ten laste gelegde de verdachte in verminderde mate toe te rekenen omdat onderzoeker nog steeds van mening is dat ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een heftig ontregeld psychotisch beeld, en ook in het aanvullende onderzoek niet duidelijker is geworden in hoeverre het handelen volledig beïnvloed werd door verdachtes paranoïde wanen of voor een groot gedeelte (pg. 13).

Psycholoog Cremers heeft in de aanvullende rapportage eveneens geadviseerd verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten, waarbij de bijdrage van de pathologie aan het ten laste gelegde nog steeds als meer prominent wordt gezien dan de situatieve aspecten (sociale omstandigheden, mogelijke conflictopbouw, het gebruik van cannabis de avond voorafgaande aan het ten laste gelegde) (pg. 13/14).

Het hof zal de conclusies van Kerssens en Cremers in de aanvullende rapporten overnemen en de verdachte in het kader van de strafoplegging, anders dan de raadsman, beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar en daarmee tevens rekening houden bij de strafoplegging.

Het hof is, anders dan de advocaat-generaal en de rechtbank, van oordeel dat het gewijzigd inzicht ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte alsook de ernst van het bewezenverklaarde feit met zich brengt dat niet kan worden volstaan met een andere of lagere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar. Het hof heeft daarbij tevens betrokken dat de strafoplegging niet alleen gericht is op de speciale preventie, maar ook dienstbaar is aan de behoefte tot vergelding en generale preventie en voor een dermate ernstig feit als het onderhavige derhalve, ook in een geval van verminderde toerekeningsvatbaarheid, een dergelijke gevangenisstraf passend is.

Daarnaast is het hof van oordeel dat de verdachte ter beschikking dient te worden gesteld en dat hij van overheidswege dient te worden verpleegd. Het hof neemt daarbij in aanmerking de inhoud van de deskundigenrapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de bijzondere ernst van het bewezenverklaarde. Het PBC schatte het recidivegevaar hoog in en achtte een psychiatrische behandeling noodzakelijk om het recidivegevaar tot aanvaardbare proporties terug te dringen. Gezien de aard van de stoornis en de weerstand van verdachte tegen behandeling achtte het PBC daarvoor de oplegging van een maatregel ex artikel 37 Sr niet afdoende. Het PBC merkte daarbij op dat verdachte een gevaar kan vormen voor zijn directe (behandel)omgeving en daarom een hoog beveiligingsniveau behoeft. Gelet op het voorgaande en verdachtes gebrek aan behandelmotivatie was een tbs met voorwaarden, aldus het PBC, niet aan de orde en werd een behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk geoordeeld.

Uit het meergenoemd aanvullend psychiatrisch onderzoek van 19 augustus 2017 van psychiater C.J. Kerssens en het aanvullend psychologisch onderzoek van 14 augustus 2017 van psycholoog P.A.E.M.T. Cremers blijkt het volgende. Kerssens blijft bij zijn conclusie (pg. 13-14) dat ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een heftig ontregeld psychotisch beeld. Het klinische oordeel dat het risico op herhaling groot is, wordt bevestigd door de afname van een risicotaxatie-instrument als de HKT-R. Factoren die van invloed zijn, als ook in het eerdere rapport genoemd, zijn de psychose, het middelengebruik, de justitiële voorgeschiedenis, arbeidsverleden en schending van behandelafspraken. Ook impulsiviteit, het ontbreken van behandelinzicht, sociale vaardigheden en coping spelen een rol. Daarnaast zijn er de penibele psychosociale omstandigheden, waarbij het ontbreken van werk, woonplek en een positief sociaal netwerk van belang zijn.

Nu met behulp van medicatie is het klinisch beeld milder, maar er zijn nog steeds psychotische verschijnselen aantoonbaar. Ook is er nog steeds weinig ziekte-inzicht en weinig intrinsieke motivatie om medicatie te gebruiken. Zonder dwang wordt ingeschat dat betrokkene medicatie niet meer nodig zal vinden. Het advies om betrokkene TBS met dwangverpleging op te leggen, blijft wat betreft onderzoeker dan nog staan, gezien het gevaar dat betrokkene vanuit zijn psychose wederom kan komen tot agressieve impulsdoorbraken en de inschatting dat de behandeling lange tijd zal duren. Een TBS met voorwaarden lijkt gezien dit gevaar geen optie, aangezien deze maatregel onvoldoende beveiliging biedt voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid.

Cremers heeft onder meer aanvullend gerapporteerd dat een langdurige behandeling noodzakelijk is om de kans op herhaling van geweldsdelicten naar een aanvaardbaar peil terug te brengen. Na bijna een jaar antipsychotica te hebben gebruikt, is er weliswaar een verbetering van het beeld, maar onderliggend is de paranoïde nog steeds aanwezig. Omstandigheden in de omgeving kunnen deze weer doen opvlammen. Daar komt bij dat betrokkene in wezen niet gemotiveerd is voor de medicatie, en zonder enige dwang zal betrokkene naar alle waarschijnlijkheid hiermee stoppen. (pg. 14). Geconcludeerd is dat het aanvullend onderzoek de conclusies van het PBC onderzoek uit 2015 heeft bevestigd. Rapporteur is nog steeds van mening dat betrokkene lijdend is aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens (waaronder schizofrenie), en dat hij vanuit deze stoornis een reëel en ernstig gevaar vormt voor personen in zijn omgeving. Met betrekking tot het destijds gegeven advies van terbeschikkingstelling met verpleging heeft het aanvullend onderzoek geen aanleiding gegeven anders te adviseren (pg. 14).

Het hof volgt de conclusies en het advies van de deskundigen en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing. Uit deze stukken volgt dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde en ook thans nog lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen oplegging van ter beschikking stelling met verpleging van overheidswege eist.

Bewezenverklaard is voorts dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag, op welk misdrijf naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het bewezenverklaarde feit ter zake waarvan deze maatregel wordt opgelegd, betreft een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom de vier jaar te boven gaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,00 en behelst het vorderen van affectieschade en/of shockschade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Voor zover de benadeelde partij affectieschade heeft gevorderd geldt dat thans het wetsvoorstel tot ‘Wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen’27 op 9 mei 2017 door de Tweede Kamer is aangenomen en ter behandeling in de Eerste Kamer aanhangig is. Gelet op deze stand van zaken is het hof van oordeel dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat om, vooruitlopend op het wetgevingsproces, maatstaven te ontwikkelen voor het beoordelen van dergelijke schade. Een dergelijke beoordeling levert bovendien een onevenredige belasting op van het strafproces. De benadeelde partij dient daarom in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

Voor zover shockschade wordt gevorderd, is het hof eveneens van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De raadsman heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep gemotiveerd betwist en gesteld dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd dat zij lijdt aan een door de psychiatrie erkend ziektebeeld en in welke mate dat te wijten is aan het thans aan de verdachte ten laste gelegde feit. Het hof heeft dan ook meer inlichtingen nodig voor de beoordeling van de vraag of en zo ja, tot welk bedrag, de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen. Het hof is van oordeel dat het opvragen van dergelijke inlichtingen een onevenredige belasting vormt van het strafproces, afgewogen tegen het belang van een spoedige afdoening van de strafzaak. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 37, 37a, 37b, 38d, 38e, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. R.A.T.M. Dekkers, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. J.J. van der Kaaden, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 30 november 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.J. van der Kaaden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het stamproces-verbaal van politie eenheid Limburg, recherche Zuidwest, proces-verbaalnummer PL2440 2014159105, gesloten d.d. 7 februari 2015, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 201.

2 Een geschrift, inhoudende ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ d.d. 3 april 2015, opgemaakt door prof. dr. B. Kubat, dat geen deel uitmaakt van het doorgenummerde dossier, maar een los exemplaar in het dossier betreft.

3 Een geschrift, inhoudende een akte van overlijden van [slachtoffer] , dat geen deel uitmaakt van het doorgenummerde dossier, maar een los exemplaar in het dossier betreft.

4 Een geschrift, inhoudende ‘Addendum’ d.d. 29 juni 2015, dat geen deel uitmaakt van het doorgenummerde dossier, maar een los exemplaar in het dossier betreft.

5 Eigen waarneming van het hof ter terechtzitting van 16 november 2017.

6 Map 2, bestandsnaam: Event20141206082815002.avi d.d. 6/12/2014, 8:33 (duur 4.59 minuten), zie het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden, pagina 94 t/m 101, pagina 95.

7 Eigen waarneming van het hof ter terechtzitting van 16 november 2017.

8 Map 2, bestandsnaam: Event20141206083315002.avi d.d. 6/12/2014, 8:38 (duur 4.59 minuten), zie het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden, pagina 94 t/m 101, pagina 97.

9 Map 1, bestandsnaam: Event20141206083516001.avi d.d. 6/12/2014 8:40 (duur 3.56 minuten), proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden, pagina 94 t/m 101, pagina 100.

10 Het proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 6 december 2014, pg. 15 t/m 23.

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 6 december 2014, pg. 24 t/m 31.

12 Het proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 6 december 2014, pg. 35 en 36.

13 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 december 2014, p. 59-61.

14 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 1] van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg, d.d. 21 april 2015.

15 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.

16 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 1] van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg, d.d. 21 april 2015.

17 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 6] d.d. 10 december 2014, pg. 41 t/m 46, pagina 43/44.

18 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 6] van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg, d.d. 21 april 2015.

19 Eigen waarneming van het hof ter terechtzitting van 16 november 2017.

20 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 4] van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg, d.d. 20 oktober 2015.

21 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 1] van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg, d.d. 21 april 2015.

22 Eigen waarneming van het hof ter terechtzitting van 16 november 2017.

23 Map 2, bestandsnaam: Event20141206082815002.avi d.d. 6/12/2014, 8:33 (duur 4.59 minuten), zie het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden, pagina 94 t/m 101, pagina 95.

24 Map 2, bestandsnaam: Event20141206083315002.avi d.d. 6/12/2014, 8:38 (duur 4.59 minuten), zie het proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden, pagina 94 t/m 101, pagina 97.

25 Het proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 1] van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Limburg, d.d. 21 april 2015.

26 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.

27 Kamerstukken II 2014/15, 34257, 3.