Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5242

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
200.192.894_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:5241
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatie- en consultatieregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 30 november 2017

Zaaknummer: 200.192.894/01

Zaaknummers eerste aanleg: C01/247331 / FA RK 12-2519_02 (omgang)

C/01140 / FA RK 15-4701 (gezag en informatie)

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: aanvankelijk mr. S. Smeets, thans mr. C. Schouten,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.M.M. Mikkers.

Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:

- de William Schrikker Stichting (hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI)).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 maart 2016 en naar de beschikking van die rechtbank van 19 november 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 juni 2016, heeft de vader

verzocht voormelde beschikking van 11 maart 2016 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair:

te bepalen dat de vader en de moeder gezamenlijk gezag krijgen over de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] ;

- subsidiair:

te bepalen dat de vader het eenhoofdig gezag over [minderjarige] krijgt;

- primair en subsidiair:

te bepalen dat de moeder gehouden is om de vader eens per maand ingaande de eerste week van mei 2016 schriftelijk (via e-mail of brief) te informeren en te consulteren over [minderjarige] , waartoe zij in ieder geval aan de vader dient over te leggen: telkens een recente foto van [minderjarige] , waarop haar gezicht goed zichtbaar is en welke foto niet is bewerkt met teksten, en tevens informatie over de vorderingen op school en de activiteiten in haar vrije tijd, waarbij eenmaal per jaar een verslag van de school over de vorderingen wordt overgelegd;

de moeder te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer dat zij na betekening van de in deze te geven beschikking niet voldoet aan de informatie- en consultatieplicht aangaande [minderjarige] tot een maximum van € 10.000,-

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 augustus 2016, heeft de moeder verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de namens de vader geformuleerde grieven ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure.

2.3.

[de bijzondere curator] heeft bij brief van 13 juli 2016 verzocht om als bijzondere curator over [minderjarige] te worden benoemd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. Het hof heeft het verzoek afgewezen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2017. De onderhavige zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer 200.142.466/01 (hoger beroep van de moeder inzake de omgang).

Bij de mondelinge behandeling zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Schouten;

- de moeder, bijgestaan door mr. Mikkers;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

-de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 10 oktober 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

De vader heeft [minderjarige] erkend.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 7 april 2016 onder toezicht van de GI.

De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 7 april 2018.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:

- zich in de zaak met nummer C01/247331 / FA RK 12-2519_2 onbevoegd verklaard om nog kennis te nemen van het aangehouden deel van het verzoek van de vader met betrekking tot de omgang;

- in de zaak met nummer C/01/298140 / FA RK 15-4701:

de verzoeken van de vader met betrekking tot het gezag afgewezen;

bepaald dat de moeder gehouden is de vader eens per twee maanden, ingaande de eerste week van mei 2016, schriftelijk (via e-mail of brief) te informeren en te consulteren over [minderjarige] waartoe zij in ieder geval aan de vader dient te overleggen: de eerste maal een kopie van het ID-bewijs van [minderjarige] en daarna telkens een recente foto van [minderjarige] en tevens informatie over de vorderingen op school en over de activiteiten in haar vrije tijd;

de moeder veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 100,- voor iedere keer dat zij na betekening van de beschikking niet voldoet aan voornoemde informatie- en consultatieplicht tot een maximum van € 5.000,-;

de beslissing met betrekking tot de informatie- en consultatieplicht uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.4.

De vader kan zich met deze beschikking niet verenigen voor zover deze betreft de afwijzing van zijn verzoeken tot wijziging van het gezag alsmede de wijze waarop de vader geïnformeerd dient te worden door de moeder en hij is hiervan in zoverre in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De vader stelt dat er geen onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders, indien het verzoek van de vader tot het uitoefenen van gezamenlijk gezag wordt toegewezen. Juist bij het voortduren van het eenhoofdig gezag van de moeder zal [minderjarige] klem of verloren raken doordat de moeder haar angsten voor de vader op [minderjarige] projecteert en omgang tussen [minderjarige] en de vader belemmert. De vader maakt zich voorts ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] bij de moeder. Met name de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] wordt bedreigd als gevolg van het uitblijven van omgang met de vader. Ook de gezinssituatie van [minderjarige] , in het bijzonder de in het gezin heersende seksuele moraal, baart de vader ernstige zorgen.

Gezamenlijk gezag is voor de vader de laatste strohalm om de moeder in beweging te krijgen. De vader wil een plek in het leven van [minderjarige] . Hij wil informatie van school krijgen, [minderjarige] naar school brengen en haar (mede) opvoeden.

De informatievoorziening over [minderjarige] door de moeder is pover. Inhoudelijk deelt zij weinig met de vader. De opgestuurde foto’s van [minderjarige] zijn bekrast.

De vader heeft ter zitting toegezegd dat er geen informatie over [minderjarige] op facebook of andere sociale media terecht komt.

In het geval dat er voorlopig geen omgang tussen de vader en [minderjarige] zal zijn, is de vader bereid om met de gezinsvoogd af te stemmen hoe informatie over hem bij [minderjarige] komt.

Bij het digitaal versturen van de foto van de vader naar de moeder is in eerste instantie iets misgegaan.

3.6.

De moeder voert in het verweerschrift - kort samengevat - het volgende aan.

Gezamenlijk gezag is niet in het belang van [minderjarige] . De ouders willen en kunnen niet met elkaar communiceren en zijn niet in staat beslissingen over [minderjarige] in gezamenlijk overleg te nemen. De vader is bovendien niet bereid zich terughoudend op te stellen ten aanzien van het gezamenlijk nemen van belangrijke beslissingen in het leven van [minderjarige] . De moeder is ervan overtuigd dat het doel van de vader is om [minderjarige] bij haar weg te halen.

Eenhoofdig gezag bij de vader is temeer niet in het belang van [minderjarige] . De vader kent

[minderjarige] niet en kan niet in staat worden geacht belangrijke beslissingen met betrekking tot [minderjarige] alleen te nemen.

Met betrekking tot de informatieverplichting onderbouwt de vader niet waarom de door de rechtbank vastgestelde termijn van twee maanden moet worden gewijzigd in één maand.

De moeder betwist dat zij niet heeft voldaan aan haar informatieplicht.

Zij is overigens van mening dat haar informatieplicht op grond van artikel 1:377b lid 2 BW buiten toepassing moet blijven, omdat gebleken is dat de vader niet zorgvuldig met de hem verstrekte informatie omgaat. Zo heeft de vader herhaaldelijk zaken op de sociale media geplaatst.

De hoogte van de door de vader verzochte dwangsom is disproportioneel, nu de moeder een Wajong-uitkering heeft. De extra druk die als gevolg van de dreigende dwangsom op de moeder komt te liggen is niet in het belang van [minderjarige] .

De moeder is van mening dat de vader dient te worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het is evident dat zijn stellingen ongegrond zijn en zijn verzoeken prematuur.

Ter zitting heeft de moeder verklaard dat zij wil proberen meer informatie over [minderjarige] aan de vader te verstrekken en op een andere toon. De moeder zal daarvoor hulp inschakelen.

3.7.

De GI heeft ter zitting - in het kort - het volgende verklaard.

De moeder verstrekt minimale informatie over [minderjarige] aan de vader. Dit komt mede voort uit wantrouwen. De moeder is bang dat de informatie op facebook komt. Verder heeft de moeder zelf ook een spraak- en taalprobleem. De gezinsvoogd heeft de moeder op de informatieverstrekking aangesproken.

Aan de andere kant heeft de moeder ook pas in een laat stadium een foto van de vader ontvangen.

De gezinsvoogd is bereid om samen met de moeder de informatie over [minderjarige] te gaan opstellen. Elke maand informatie verschaffen is niet haalbaar.

Tevens is de gezinsvoogd bereid om met de vader te bezien op welke wijze hij informatie

over zichzelf aan [minderjarige] kan doen toekomen. Wanneer [minderjarige] ouder is, kan zij daarop terugvallen.

3.8.

De raad heeft ter zitting het volgende geadviseerd

Gezamenlijk gezag zal tot nog meer procedures tussen de ouders leiden en is niet in het belang van [minderjarige] .

De informatievoorziening door de moeder aan de vader is zeer gebrekkig. Zij moet duidelijke foto’s van [minderjarige] naar de vader sturen.

Het gezag

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Indien de moeder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen,

of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.9.2.

Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen, maar daarvoor is in ieder geval vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren kan dat betekenen dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt eenhoofdig gezag van een van de ouders niet in de rede, tenzij andere redenen een wijziging van het gezag noodzakelijk maken.

Het belang van het kind is de maatstaf aan de hand waarvan een verzoek om gezagswijziging moet worden beoordeeld.

3.9.3.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat tussen partijen geen enkele communicatie plaatsvindt. Er is bovendien nog geen enkel begin van omgang tussen de vader en [minderjarige] . De vader speelt geen actieve rol in het leven van [minderjarige] , hetgeen zijn rol in gezagskwesties, die een vorm van betrokkenheid verlangen, feitelijk onuitvoerbaar maakt: er is geen overleg met de andere ouder mogelijk en de vader is ook niet in staat de ontwikkelingen van [minderjarige] van nabij te volgen. Naar het oordeel van het hof valt niet te verwachten dat de ouders alsnog binnen een redelijke termijn gezamenlijk tot een voor [minderjarige] niet belastende gezamenlijke gezagsuitoefening zullen komen. Dit alles brengt met zich dat afwijzing van het gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Het hof wijst het primaire verzoek van de vader dan ook af.

3.9.4.

Met betrekking tot het subsidiaire verzoek van de vader overweegt het hof als volgt.

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken hem alleen met het gezag over het kind te belasten.
Het verzoek om de vader alleen met het gezag te belasten wordt ingevolge artikel 1:253c lid 3 BW slechts ingewilligd, indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.

3.9.5.

Met de rechtbank overweegt het hof dat het enkele feit dat de vader nooit omgang met

[minderjarige] heeft gehad en haar niet kent al maakt dat hij niet in staat kan worden geacht belangrijke beslissingen met betrekking tot [minderjarige] alleen te nemen. Eenhoofdig gezag bij de vader acht het hof dan ook niet in het belang van [minderjarige] . Het hof wijst het subsidiaire verzoek van de vader dan ook af.

Informatie en consultatieregeling

3.10.

Ingevolge artikel 1:377b BW lid 1 is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.

Lid 2 van voormeld artikel bepaalt dat, indien het belang van het kind zulks vereist de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve kan bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.

3.10.1.

In hetgeen de moeder heeft aangevoerd ziet het hof geen reden om artikel 1:377b lid 1 BW buiten toepassing te laten. De vader heeft toegezegd dat door de moeder over [minderjarige] verstrekte informatie niet op facebook of andere sociale media terecht zal komen. Het hof gaat er vanuit dat de vader zich aan deze toezegging zal houden.

Het hof ziet voorts geen aanleiding om de moeder te verplichten de vader in plaats van iedere twee maanden iedere maand over [minderjarige] te informeren en te consulteren. De gezinsvoogd heeft ter zitting van het hof ook verklaard dat een termijn van een maand niet haalbaar is. De moeder heeft voorts verklaard dat zij de informatieverschaffing aan de vader zal verbeteren en hiervoor hulp zal inschakelen. De gezinsvoogd heeft ter zitting haar hulp op dit punt toegezegd. Gelet hierop ziet het hof geen grond om tot verhoging van de door de rechtbank aan de moeder opgelegde dwangsom over te gaan.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de beschikking van de rechtbank ten aanzien van de vastgestelde informatie- en consultatieregeling zal bekrachtigen.

De gezinsvoogd zal voorts, zo is ter zitting besproken, in overleg met de ouders bezien of de vader informatie over hem zal inbrengen, welke informatie de moeder dan met [minderjarige] kan delen.

3.11.

Het hof ziet in hetgeen de moeder heeft aangevoerd geen aanleiding om de vader in de proceskosten in hoger beroep te veroordelen. Het hof zal zoals te doen gebruikelijk in familierechtelijke procedures de proceskosten compenseren.

3.12.

Op grond van het voorgaande beslist het hof als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van

11 maart 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.N.M. Antens en M.J. van Laarhoven en is op 30 november 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier