Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5236

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
01-879516-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:444, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vernietiging van het vonnis en veroordeling in hoger beroep wegens een poging tot moord, een bedreiging met zware mishandeling en een poging tot doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest + herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte een vooropgezet plan had om vermomd met een bivakmuts geweld te plegen jegens het slachtoffer en hij niet heeft gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Uit het minutenlange wachten op het slachtoffer in de brandgang, het vervolgens met een bivakmuts op, rennend de straat oversteken, en het nietsvermoedende slachtoffer aanvallen door hem onmiddellijk te slaan, te schoppen en hem naar de grond te trekken, zijn geen aanwijzingen te vinden die daar op kunnen wijzen en contra-indicaties hieromtrent zijn niet aangevoerd. De verdachte heeft aldus voldoende gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van wat hij zou gaan doen met het slachtoffer en hij heeft zich daarvan ook rekenschap gegeven. Een en ander leidt het hof ook af uit het na een korte onderbreking (van 37 sec. van 09.32.20 tot 09.32.57 uur) weer terug de brandgang ingaan om het slachtoffer op te wachten, alsmede uit het opzetten van een bivakmuts in de tijd dat verdachte in de brandgang was, waarmee verdachte dus niet terugkwam op het eerder genomen besluit. Het hof ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de verdachte anders heeft gehandeld dan hij van plan was, waaronder dus ook het uitoefenen van het geweld op of tegen het hoofd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000547-17

Uitspraak : 29 november 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 1 februari 2017 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-879516-16 en 01-860360-16, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

thans verblijvende in PI Vught, Nieuw Vosseveld 2 HvB Arres. te Vught.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen onder parketnummer 01-879516-16 onder 1 primair (de variant: poging doodslag) en onder 2 (bedreiging), alsmede hetgeen onder parketnummer 01-860360-16 (poging doodslag) ten laste is gelegd en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest.

Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof zal gelasten dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt herroepen voor een periode van 487 dagen.

Door en namens verdachte is primair vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 01-879516-16 onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en onder 2 ten laste gelegde. Geheel subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde (poging zware mishandeling) gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Ten aanzien van het onder parketnummer 01-860360-16 ten laste gelegde is door de verdediging geen inhoudelijk verweer gevoerd.

Voorts heeft de raadsman verweer gevoerd met betrekking tot de strafmaat.

Voor wat betreft de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft de verdediging bepleit deze slechts partieel te herroepen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na de toegewezen vordering tot wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

(parketnummer 01-879516-16)

1.
hij op of omstreeks 25 maart 2016 te Oss, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

- die [slachtoffer 1] een of meermalen (met kracht) tegen diens hoofd en/of lichaam heeft getrapt en/of geschopt en/of

- die [slachtoffer 1] een of meermalen (met kracht) met gebalde vuist(en) en/of met een voorwerp tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 25 maart 2016 te Oss, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, namelijk een gebroken neus en/of een gebroken sleutelbeen, heeft toegebracht, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

- die [slachtoffer 1] een of meermalen (met kracht) tegen diens hoofd en/of lichaam getrapt en/of geschopt en/of

- die [slachtoffer 1] een of meermalen (met kracht) met gebalde vuist(en) en/of met een voorwerp tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] geslagen en/of gestompt;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 25 maart 2016 te Oss, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

- die [slachtoffer 1] een of meermalen (met kracht) tegen diens hoofd en/of lichaam heeft getrapt en/of geschopt en/of

- die [slachtoffer 1] een of meermalen (met kracht) met gebalde vuist(en) en/of met een voorwerp tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 25 maart 2016 te Oss, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door

- die [slachtoffer 2] dreigend een mes, althans een scherp voorwerp te tonen en/of voor te houden en/of

- ( vervolgens) met dat mes, althans dat scherpe voorwerp, dreigend een of meer stekende bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer 2] en/of

- ( daarbij) die [slachtoffer 2] dreigend toe te voegen "bemoei je er niet mee" en/of "je weet niet waar dit over gaat", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(parketnummer 01-860360-16 (gevoegd))

hij op of omstreeks 28 november 2013 te Grave, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer 3] een of meermalen (met kracht) tegen diens hoofd en/of lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of die [slachtoffer 3] een of meermalen in/op/tegen diens hoofd en/of lichaam heeft gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 01-879516-16 onder 1 primair en 2 en in de zaak met parketnummer 01-860360-16 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

(parketnummer 01-879516-16)

1.
hij op 25 maart 2016 te Oss, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

- die [slachtoffer 1] met kracht tegen diens hoofd heeft getrapt of geschopt en

- die [slachtoffer 1] meermalen met kracht met gebalde vuist(en) tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en/of gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op 25 maart 2016 te Oss, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, door

- die [slachtoffer 2] dreigend een mes voor te houden en

- daarbij die [slachtoffer 2] dreigend toe te voegen "bemoei je er niet mee" en "je weet niet waar dit over gaat";

(parketnummer 01-860360-16)

hij op 28 november 2013 te Grave, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 3] met kracht tegen diens hoofd heeft getrapt en die [slachtoffer 3] meermalen tegen diens hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Parketnummer 01-879516-16 feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en feit 2

A.1.

Namens de verdachte is vrijspraak van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en 2 ten laste gelegde bepleit. De verdediging heeft daartoe primair aangevoerd dat er niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de man is die is te zien op de camerabeelden. In dat verband heeft de raadsman een ‘still’ van de camerabeelden overgelegd en heeft daarbij aangevoerd dat de verdachte qua postuur niet lijkt op de man die te zien is op deze foto.

A.2.

Het hof is van oordeel dat de zijdens verdachte bepleite vrijspraak van voornoemde feiten wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof hecht zwaarwegende betekenis aan de herkenning van de verdachte door drie verbalisanten. Verdachte is bij de verbalisanten ambtshalve bekend. Zo hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ongeveer drie weken voordat zij de camerabeelden hebben gezien (op de dag van het ten laste gelegde) nog met de verdachte gesproken en heeft ook verbalisant [verbalisant 3] de verdachte in de maanden voor diens herkenning meerdere keren gezien en gesproken. De herkenning van de verdachte is bovendien voldoende concreet nu de verbalisanten hem, ieder voor zich, hebben herkend aan zijn brede/gespierde postuur, de manier van bewegen, zijn haardracht, de vorm van zijn gezicht en/of zijn gelaatsuitdrukking.

Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd ook geen aanleiding om aan deze herkenningen te twijfelen. Allereerst stelt het hof vast dat de camerabeelden, die ter terechtzitting in hoger beroep zijn getoond, van goede kwaliteit zijn. Daarnaast vinden de herkenningen steun in de overige bewijsmiddelen. Zo is op de camerabeelden te zien dat de dader een zwarte kort jas, een zwarte bivakmuts en een zwarte trainingsbroek met oranje strepen draagt. In de woning van de oom van de verdachte is, naast het paspoort van de verdachte, een zwarte trainingsbroek aangetroffen van het merk Nike met oranje strepen. De oom van verdachte heeft verklaard dat die broek niet van hem is. De verdachte heeft verklaard dat hij wel eens in de woning van zijn oom kwam. De vriendin van de verdachte, [naam] , heeft bovendien verklaard dat de verdachte een dergelijke broek bezit.

In de woning van voornoemde vriendin is begin maart 2016 door verbalisant [verbalisant 2] in een korte zwarte mannenjas, die aan de kapstok hing, en een zwarte bivakmuts aangetroffen. Het was verbalisant [verbalisant 2] ambtshalve bekend dat de verdachte regelmatig in de woning van [naam] verbleef. Verdachtes auto, een [merk] , werd aldaar diverse malen gezien.

Ten slotte is nog vastgesteld dat de telefoon van de verdachte, die bij zijn fouillering is aangetroffen, op 25 maart 2016 om 9.06 uur een mast heeft aangestraald in de buurt van de [locatie 1] te Oss. Op dat moment is op die telefoon een sms-bericht binnengekomen van de vriendin van de verdachte, op welk bericht de verdachte korte tijd na het incident, om 09.46 uur, met een sms-bericht reageert.

Uit de bevindingen van de drie verbalisanten – inhoudende de herkenning van verdachte op de camerabeelden –, in samenhang met de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, leidt het hof af dat de verdachte de persoon is die te zien is op de camerabeelden.

Nu de verdachte bovendien zwijgt, terwijl de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, een en ander in onderlinge samenhang bezien, vragen om een redelijke verklaring, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de persoon is die geweld heeft gepleegd jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] . Het verweer wordt in zoverre verworpen.

B.1.

De verdediging heeft subsidiair betoogd dat geen sprake is van een poging tot moord c.q. doodslag c.q. zware mishandeling, maar hooguit van een poging tot zware mishandeling, hetgeen meer subsidiair ten laste is gelegd. In het bijzonder is aangevoerd dat geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van de verdachte op de dood van het slachtoffer. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte tegen het hoofd van het slachtoffer heeft getrapt. Ook de aard en de geringe ernst van het bij het slachtoffer geconstateerde letsel wijst niet op trappen tegen het hoofd. Indien het hof tot een ander oordeel komt, kan niet worden vastgesteld dat de handelwijze van de verdachte tot de dood van het slachtoffer had kunnen leiden, aldus de raadsman van de verdachte. De schop was niet van zodanige aard en intensiteit dat hierdoor een aanmerkelijke kans op de dood ontstond. Daarnaast is er geen sprake van een bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans daarop.

B.2.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de verklaring van de aangever [slachtoffer 1] dat hij geslagen en geschopt is en de verklaring van de getuige [slachtoffer 2] dat hij heeft gezien dat het hoofd van het op de grond liggende slachtoffer als een voetbal werd gebruikt door de man met de bivakmuts, leidt het hof af dat de verdachte het slachtoffer met kracht tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt.

Het hof vindt daarvoor bevestiging in de letselrapportage die d.d. 9 mei 2016 is opgemaakt door forensisch arts [arts] . Het slachtoffer had barstwonden aan de oogkassen, een gebroken neus, een gebroken sleutelbeen, zwellingen aan het linkeroog en roodblauwpaarse oogleden. Voorts had het slachtoffer een verwonding op het rechter voorhoofd, bestaande uit een lichtrood gebied met duidelijk rode strepen, deels bijna recht, deels (rond) buigend, vlekjes en stipjes.

Dat het slachtoffer bij het vallen tegen een bumper of kentekenplaat van een auto dergelijk letsel zou hebben opgelopen, zoals door de raadsman is aangevoerd, acht het hof niet aannemelijk. Het slachtoffer heeft aan beide (cursivering hof) oogkassen barstwonden en bovendien is op de rechterzijde van het hoofd boven het oog een afdruk te zien dat mogelijk een schoeiselafdruk is of gelijkend is op een schoeiselafdruk, zo interpreteert het hof de letselrapportage van forensisch arts [arts] . In dat verband is door de arts nog benadrukt dat de profielkneuzing op het voorhoofd opmerkelijk is en suggestief voor een krachtige impact. De conclusie van de arts over het ontstaan van het letsel luidt dat het letsel kan zijn ontstaan door c.q. past bij de verhaalde toedracht (meervoudig stompe geweldpleging m.n. gezicht en fracturen (sleutelbeen en neusbrug)).

Zwaarwegende betekenis kent het hof voorts toe aan de (tweede) verklaring van de eerdergenoemde getuige [slachtoffer 2] die bij de politie heeft verklaard dat hij de man met de bivakmuts één keer tegen het hoofd van het slachtoffer heeft zien schoppen. De stelling van de raadsman dat de getuige bij de raadsheer-commissaris op die verklaring is teruggekomen deelt het hof niet. Door de raadsheer-commissaris is de getuige voorgehouden dat hij in zijn eerste verklaring bij de politie heeft gezegd dat hij de man met de bivakmuts tweemaal met zijn voeten tegen het hoofd van het slachtoffer heeft zien trappen, terwijl hij in zijn tweede verklaring bij de politie heeft gezegd dat hij eigenlijk maar één keer heeft gezien dat de man tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geschopt. De getuige heeft hierop verklaard dat hij er geen verklaring voor heeft waarom hij het eerst over twee trappen heeft gehad, maar dat het mogelijk te maken kan hebben met het geluid dat hij hoorde voordat hij naar de twee personen keek. Vervolgens heeft de getuige (tegenover de raadsheer-commissaris) aangegeven dat hij zeker is van één schoppende beweging. Dit antwoord dient naar het oordeel van het hof te worden bezien tegen de achtergrond van de vraagstelling over hoe vaak de getuige de dader heeft zien trappen. Dat betekent echter niet dat hij is teruggekomen op zijn verklaring bij de politie dat hij heeft gezien dat het slachtoffer tegen het hoofd werd geschopt, te meer omdat de getuige heeft verklaard dat hij eerder bij de politie naar waarheid heeft verklaard.

De getuige [slachtoffer 2] heeft bij de raadsheer-commissaris voorts met een tekening aangegeven dat het slachtoffer schuin tussen twee geparkeerde auto’s op de grond lag, met beide benen aan de zijde van het trottoir en dat de man met de bivakmuts op korte afstand van het hoofd van het slachtoffer stond, hetgeen eveneens steun biedt aan zijn tweede verklaring bij de politie.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte met kracht en met geschoeide voet op zeer korte afstand tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geschopt of getrapt, en het slachtoffer meermalen tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen en/of gestompt. Het verweer wordt in zoverre verworpen.

B.3.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar deel van het lichaam is. Evenals ieder weldenkend mens moet verdachte daarvan op de hoogte zijn geweest. Het hof is van oordeel dat, door op deze wijze met geschoeide voet tegen het hoofd van het slachtoffer te schoppen verdachte zich heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor zodanig letsel zou oplopen dat hij als gevolg daarvan zou komen te overlijden. De verdachte heeft die kans, blijkens zijn handelen, ook welbewust aanvaard en op de koop toegenomen. Derhalve acht het hof opzet, in voorwaardelijke zin, op het van het leven beroven van het slachtoffer [slachtoffer 1] bij verdachte aanwezig. Dat het letsel van het slachtoffer desondanks -gelukkig- relatief beperkt is gebleven en mogelijk niet één op één te scharen is onder de door het NFI in zijn rapport van 15 april 2014 aangegeven “kicking injuries”, doet daar niet aan af. Dit rapport betreft naar het oordeel van het hof een algemene verhandeling over de gevaarzetting van het schoppen tegen het hoofd. Als meer dan een opsomming van mogelijke letsels valt het niet te beschouwen.

De stelling van de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep dat de door de verdachte gedragen schoenen niet geschikt waren om dodelijk letsel toe te brengen, wordt door het hof eveneens verworpen. Zonder nadere toelichting van de verdediging – die ontbreekt –, is namelijk niet vast te stellen dat de verdachte sportschoenen droeg met een zachtere onderkant dan van leren schoenen. Maar afgezien daarvan heeft het hof vastgesteld dat de verdachte met kracht heeft getrapt tegen het hoofd van het slachtoffer. Naar het oordeel van het hof had deze handelwijze reeds dodelijk letsel kunnen veroorzaken.

De omstandigheid dat de verdachte een kickbokser is, hetgeen volgens de verdediging een contra-indicatie oplevert voor het aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat dodelijk letsel zal intreden, omdat verdachte weet hoe hij rake klappen moet uitdelen, maakt het oordeel van het hof niet anders.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

C.1.

Anders dan de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat de voorhanden bewijsmiddelen voldoende aanknopingspunten bieden om te komen tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde voorbedachte raad, zodat het hof komt tot een bewezenverklaring van de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord.

Het hof baseert zijn oordeel op het volgende.

Voor “voorbedachte raad” moet vast komen te staan dat een verdachte enige tijd heeft gehad om zich te beraden, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Of voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt sterk af van die gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

Voor wat betreft de verhouding tussen opzet en voorbedachte raad overweegt het hof dat deze niet slechts wordt bepaald door een onderscheid naar intensiteit, maar vooral door een kwalitatief verschil. Voorbedachte raad is een bijzondere kwalificatie waardoor het misdrijf een veel ernstiger karakter aanneemt dan doodslag. Voorbedachte raad kan samengaan met alle vormen van opzet, inclusief het zogenaamde voorwaardelijk opzet. Immers wanneer iemand met tijd voor overleg een plan opmaakt om een ander doel te bereiken, en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedraging de dood van een ander zal veroorzaken, dan zijn alle kenmerken van voorbedachte raad aanwezig.

Het voorgaande in acht nemend overweegt het hof als volgt.

Verdachte heeft op 25 maart 2016 voorafgaand aan de aanval op slachtoffer [slachtoffer 1] enige tijd in de omgeving van de plaats delict, aan de [locatie 1] te Oss, rondgelopen. Uit veiliggestelde camerabeelden van een woning aan de [locatie 2] te Oss, in de onmiddellijke nabijheid van de plaats delict, en beelden van een beveiligingscamera in de [locatie 1] , leidt het hof af dat verdachte die dag vanaf omstreeks 09.08 uur voor het eerst ter plaatse verschijnt. Verdachte loopt omstreeks 09.10 uur uit de [locatie 3] (zijstraat van de [locatie 1] ) en is de [locatie 1] overgestoken. Verdachte is vervolgens in de brandgang gelegen tussen de panden [locatie 1] 58 en 60 gaan staan; hij is dan uit beeld tussen circa 09.11 en 09.19 uur. Rond 09.19 uur is de verdachte uit de brandgang gekomen en is hij weer richting de [locatie 3] gelopen.

Even later is de verdachte op de [locatie 2] zichtbaar; hij loopt dan met versnelde pas richting de [locatie 1] . Tussen 09.26:20 en 09.27:05 uur is de verdachte weer te zien op de [locatie 1] . Hij loopt dan in de richting van de eerder genoemde brandgang tussen de panden met huisnummers 58 en 60, gaat die gang naar links in en is weer uit beeld verdwenen. Tussen 09.32:20 en 09.32:57 is de verdachte kort uit de brandgang geweest en ook weer terug erin gelopen.

Kort nadat het slachtoffer in beeld komt, vanaf circa 09.33:35, lopend over het trottoir van de [locatie 1] richting de [locatie 3] , is de verdachte de brandgang uit gekomen en is te zien dat hij de [locatie 1] is overgestoken en in de richting van het slachtoffer rent.

Blijkens de camerabeelden heeft verdachte aanvankelijk gedurende ruim een kwartier in de buurt van de plaats delict rondgelopen en -gekeken en heeft hij in de brandgang gestaan, met – naar het hof aanneemt – de bedoeling om de situatie ter plaatse goed op te nemen en zijn schuilplaats te controleren. Na vervolgens weer ‘een straatje’ te hebben omgelopen, heeft verdachte vervolgens minutenlang (vanaf uiterlijk 09.27:05 uur tot circa 09.33:35 uur) in de brandgang gestaan. Op enig moment heeft de verdachte in de brandgang een bivakmuts opgezet, welk dragen van de bivakmuts ook is waargenomen door de getuige [slachtoffer 2] . Op het moment dat het slachtoffer over het trottoir van de [locatie 1] aan kwam lopen en ter hoogte van de brandgang was (waar verdachte stond te wachten, aan de overzijde) is de verdachte gemaskerd en rechtstreeks op het slachtoffer afgelopen. Hij rende daarbij tussen twee geparkeerde auto’s door en maakte – aangekomen bij het slachtoffer – onmiddellijk (zoals het hof ter terechtzitting zelf op de camerabeelden heeft kunnen waarnemen) een slaande beweging in de richting van het slachtoffer, heeft hem tegen de woning/muur geduwd en heeft hem naar de grond, tussen de auto’s getrokken. Daar is op het slachtoffer ingeslagen. Verdachte hing voorovergebogen over het slachtoffer heen. Toen het slachtoffer op de grond lag heeft de verdachte het slachtoffer tegen het hoofd getrapt.

Na de geweldplegingen is de verdachte tussen de geparkeerde voertuigen uitgekomen en weg gerend in de richting van de [locatie 2] . Er is nog waargenomen op de beelden (ook door het hof ter terechtzitting) dat verdachte zijn bivakmuts van zijn hoofd trok, terwijl hij de hoek om was gerend (volgens het procesdossier: ter hoogte van perceel [locatie 1] 48). Op de [locatie 2] is hij rennend gezien omstreeks 09.35 uur, op welke beelden de verbalisanten ook hun herkenning hebben gebaseerd.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat de verdachte een vooropgezet plan had om vermomd met een bivakmuts geweld te plegen jegens het slachtoffer en hij niet heeft gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Uit het minutenlange wachten op het slachtoffer in de brandgang, het vervolgens met een bivakmuts op, rennend de straat oversteken, en het nietsvermoedende slachtoffer aanvallen door hem onmiddellijk te slaan, te schoppen en hem naar de grond te trekken, zijn geen aanwijzingen te vinden die daar op kunnen wijzen en contra-indicaties hieromtrent zijn niet aangevoerd.

De verdachte heeft aldus voldoende gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van wat hij zou gaan doen met het slachtoffer en hij heeft zich daarvan ook rekenschap gegeven. Een en ander leidt het hof ook af uit het na een korte onderbreking (van 37 sec. van 09.32.20 tot 09.32.57 uur) weer terug de brandgang ingaan om het slachtoffer op te wachten, alsmede uit het opzetten van een bivakmuts in de tijd dat verdachte in de brandgang was, waarmee verdachte dus niet terugkwam op het eerder genomen besluit. Het hof ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de verdachte anders heeft gehandeld dan hij van plan was, waaronder dus ook het uitoefenen van het geweld op of tegen het hoofd.

D.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Parketnummer 01-879516-16 feit 2

E.1.

Zoals hiervoor reeds door het hof is vastgesteld is de verdachte de persoon die op de camerabeelden is te zien. Verdachte is dan ook degene die de getuige [slachtoffer 2] (mede gelet op diens verklaring) een mes heeft voorgehouden.

E.2.

De stelling van de raadsman is dat geen sprake is van een bedreiging omdat het slachtoffer heeft verklaard dat hij zich niet bedreigd voelde en dat hij het idee had dat de handelwijze van de verdachte bedoeld was om hem te intimideren. Gezien deze omstandigheden kan de geuite bedreiging in het algemeen niet tot de redelijke vrees van overlijden of zware mishandeling leiden. [slachtoffer 2] had niet het idee dat de man zomaar zou steken en hij had het gevoel dat hij kon weglopen, aldus de raadsman van de verdachte.

E.3

Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met één van de in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht genoemde misdrijven onder meer is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat aan de bedreiging uitvoering zou kunnen worden gegeven en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. Het is niet vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat werkelijk vrees is opgewekt maar wel moet de bedreiging van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees opwekken kan.

Het hof verwerpt het verweer aangezien het van oordeel is dat, hoewel het uiten van de bewoordingen "bemoei je er niet mee" en "je weet niet waar dit over gaat" op zichzelf nog niet direct een bedreiging oplevert, het vervolgens op korte afstand voorhouden van een uitgeklapt mes aan die persoon, wel als een bedreiging met zware mishandeling moet worden beschouwd. Onder deze omstandigheden kan in het algemeen de redelijke vrees ontstaan dat het mes zal worden gebruikt om de geuite bewoordingen kracht bij te zetten.

Parketnummer 01-860360-16

F.

Uit de bewijsmiddelen en in het bijzonder uit de verklaring van de getuige [getuige] bij de raadsheer-commissaris, waarin hij zijn bij de politie afgelegde verklaring bevestigd heeft, volgt dat de verdachte met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd van [slachtoffer 3] heeft geschopt. Het slachtoffer is ook knock-out gegaan. Het hof ziet geen aanleiding om aan de inhoud van deze verklaring te twijfelen, nu deze tevens steun vinden in andere bewijsmiddelen, zoals in het bij het slachtoffer geconstateerde letsel.

Het hof acht voorwaardelijk opzet op de dood aanwezig, nu door de gedragingen van verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans bestond dat hij met het trappen tegen het hoofd, een zeer kwetsbaar lichaamsdeel, zodanig letsel zou toebrengen aan het slachtoffer dat deze als gevolg daarvan zou komen te overlijden. De verdachte heeft die kans, blijkens zijn handelen, ook welbewust aanvaard en op de koop toegenomen. Derhalve acht het hof opzet in voorwaardelijke zin op het van het leven beroven van het slachtoffer [slachtoffer 3] bij verdachte aanwezig. Dat het letsel van het slachtoffer desondanks beperkt is gebleven doet daar niet aan af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 01-879516-16 onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord.

Het in de zaak met parketnummer 01-879516-16 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Het in de zaak met parketnummer 01-860360-16 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De advocaat-generaal heeft voor tweemaal poging doodslag en een bedreiging een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij door de rechtbank te zwaar is bestraft, gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd voor een poging zware mishandeling en/of poging doodslag en een bedreiging. Bovendien is het feit onder parketnummer 01-860360-16 gedateerd en is de verdachte in de gevangenis reeds gestraft voor dit feit.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord, een bedreiging met zware mishandeling en een poging doodslag. Dit zijn ernstige feiten. Vooral het opzettelijk een ander mens van het leven proberen te beroven behoort tot de zwaarste categorie van strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. Door dergelijke misdrijven wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt en het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg. Daarnaast leidt een dergelijk feit tot vaak hevige en langdurige gevoelens van angst en onveiligheid bij getuigen en slachtoffers.

Bij het bewezen verklaarde onder 1 (parketnummer 01-879516-16) heeft de verdachte met voorbedachte raad gehandeld, hetgeen een poging tot moord oplevert. Het hof overweegt dat met name de manier waarop hij tekeer is gegaan tegen het slachtoffer [slachtoffer 1] , waarbij geen persoonlijke of zakelijke relatie tussen slachtoffer en verdachte vastgesteld is kunnen worden, bijna valt te kwalificeren als dierlijk geweld, zoals de advocaat-generaal het ter terechtzitting in hoger beroep treffend omschreef. De verdachte heeft zijn kracht ingezet tegen een weerloos, circa 30 jaar ouder slachtoffer. Door het slachtoffer op te wachten en hem (met een bivakmuts op) onverhoeds aan te vallen heeft de verdachte zich uiterst laf gedragen. Daarnaast heeft de verdachte nog een toevallige voorbijganger die het slachtoffer te hulp wilde komen bedreigd door hem een mes voor te houden.

Bij het bewezen verklaarde onder parketnummer 01-860360-16 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag op een medegedetineerde. Zonder noemenswaardige aanleiding heeft verdachte het slachtoffer knock-out geslagen en geschopt. Ook dat is wat het hof betreft een zeer kwalijk feit.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof allereerst gelet op de inhoud van het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 september 2017. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten, waaronder een poging tot doodslag en een bedreiging in 2013. Terwijl de verdachte de hem in die zaak opgelegde gevangenisstraf uitzat, heeft hij het feit onder parketnummer 01-860360-16 begaan. En tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft de verdachte de feiten onder parketnummer 01-879516-16 begaan.

Naar het oordeel van het hof vragen dergelijke ernstige feiten om een stevige reactie en reeds omdat het hof komt tot een bewezen verklaring van een poging tot moord voor het onder 1 (01-879516-16) ten laste gelegde, kan niet kan worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd en acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar in beginsel passend.

In de zaak onder parketnummer 01-860360-16 is echter sprake van een groot tijdsverloop, de zaak is door justitie niet voortvarend behandeld en bovendien is de verdachte in het kader van de regels zoals die gelden in de penitentiaire inrichtingen reeds gestraft met een plaatsing in de isoleercel voor de duur van 14 dagen.

Alles overziend acht het hof het passend en geboden om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 5 jaren en 6 maanden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal op deze straf in mindering worden gebracht.

Beslag

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu dit bij gelegenheid van het onderzoek naar het door

verdachte begane misdrijf werd aangetroffen en dit aan verdachte toebehorende voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Van hetgeen verder in beslag genomen en nog niet teruggegeven is, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 14 november 2013 onder parketnummer 01-845145-13 veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren, met aftrek van voorarrest.

De veroordeelde is in die zaak op 23 oktober 2015 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend over een detentieperiode van 487 dagen.

De officier van justitie heeft op 31 maart 2016 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant. Deze vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten met parketnummer 01-879516-16.

Bij beslissing van de rechter-commissaris in de rechtbank Oost-Brabant d.d. 1 april 2016 is op vordering van de officier van justitie de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling reeds bevolen.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak onder parketnummer 01-879516-16 bewezen verklaarde feiten 1 en 2 begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering wordt aldus toegewezen. Voor een gedeeltelijke toewijzing zoals door de verdediging verzocht ziet het hof geen aanleiding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 15i, 36b, 36d, 45, 57, 63, 285, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-879516-16 onder 1 primair en 2 en in de zaak met parketnummer 01-860360-16 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 01-879516-16 onder 1 primair en 2 en in de zaak met parketnummer 01-860360-16 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een Parker-Hale geluiddemper (goednr. 315917).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een Samsung digital video recorder (goednr. 315846);

- een Acer personal computer (goednr. 315849);

- een Nike sportbroek (goednr. 315851);

- een zwarte jas (goednr. 315853);

- grijs/zwarte handschoenen (goednr. 315855);

- een paar zwarte schoenen (goednr. 315857);

- een paar zwarte schoenen (goednr. 315868);

- een paspoort [paspoortnummer] (goednr. 315841);

- een mobiele telefoon Kazam (goednr. 315832);

- een mobiele telefoon Samsung (goednr. 315837);

- een mobiele telefoon Samsung (goednr. 315839);

- een mobiele telefoon Nokia (goednr. 980886);

- een mobiele telefoon Nokia (goednr. 980888);

- een mobiele telefoon I-phone 4 (goednr. 980891);

- een mobiele telefoon Samsung (goednr. 980893).

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 14 november 2013 onder parketnummer 01-845145-13 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 487 dagen, alsnog geheel wordt ondergaan.

Aldus gewezen door

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. S.C. van Duijn en mr. N. van der Laan, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 29 november 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. N. van der Laan is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.