Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5176

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
200.214.666_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 20 juli 2017

Zaaknummer: 200.214.666/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/223177 / FA RK 16-2458

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende op een geheim adres, woonplaats kiezende ten kantore van haar advocaat
te [kantoorplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.C.J. Tuip,

tegen

De Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

  • -

    de gecertificeerde instelling stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, regio Noord-Limburg, locatie [locatie] , hierna te noemen: de GI;

  • -

    familie [de pleegouders] , hierna te noemen de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 23 januari 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 april 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - naar het hof begrijpt, het verzoek van de raad af te wijzen, dan wel, subsidiair, alsnog een onderzoek te gelasten naar de vraag of het gezag van de moeder terecht is beëindigd.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 mei 2017, heeft de GI verzocht - naar het hof begrijpt - het verzoek van de moeder af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Tuip;

- mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad;

- mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] namens de GI.

2.3.1.

Mr. C.A.M.J.M. Joosten is namens de heer [de vader] (hierna: de vader) verschenen. Nadat het hof aan haar heeft medegedeeld dat de vader in de onderhavige procedure van de moeder geen belanghebbende is, heeft mr. Joosten de zittingszaal verlaten.

2.3.2.

De pleegouders zijn, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 6 december 2016;

- de brief van de advocaat van de moeder d.d. 6 juni 2017;

- de (ongedateerde) brief van de pleegouders, ter griffie van het hof ontvangen op 8 juni 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de relatie tussen de moeder en de vader is geboren:

[minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

De vader heeft [minderjarige] erkend.

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

[minderjarige] verblijft vanaf haar geboorte in het huidige, perspectief biedend pleeggezin.

3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van beide ouders beëindigd en de GI benoemd tot voogdes over
[minderjarige] .

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder heeft in haar beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting in hoger beroep - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Er is geen sprake van een situatie waarin [minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de moeder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een aanvaardbaar te achten termijn kan dragen.

De moeder heeft wel degelijk concreet inzicht gegeven in haar persoonlijke omstandigheden. Zij heeft de afgelopen jaren (samen met de vader) alles in het werk gesteld, met name op het gebied van haar psychische gesteldheid, huisvesting en financiën om een veilige, stabiele en voorspelbare leefomgeving voor [minderjarige] te bieden.

Op eigen initiatief hebben de ouders in 2014 opvoedingsondersteuning ingezet en mevrouw [medewerker] van Buro Prinor heeft meermalen te kennen gegeven dat [minderjarige] , onder haar begeleiding, thuis kan worden geplaatst. De moeder aanvaardt de hulp van mevrouw [medewerker] en deze ondersteuning kan bij een thuisplaatsing van [minderjarige] worden voortgezet.

De vader zou begeleid worden door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en ook de moeder heeft zich in 2015 tot PsyQ gewend. Van een psychiatrisch toestandsbeeld in engere zin is geen sprake, zodat de moeder niet in behandeling is genomen.

Vanwege eerdere ervaringen met de GI - het gezag van de moeder over haar twee andere kinderen is ook beëindigd - is er vanaf begin af aan een vertrouwensbreuk geweest met de GI en dit heeft bij de moeder tot grote onzekerheid en een gebrek aan zelfvertrouwen geleid. Sinds kort staat de moeder hiervoor onder behandeling bij een psycholoog.

Dit staat er echter niet aan in de weg dat de moeder in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen.

De moeder ontkent met klem dat zij te kampen heeft met chronische psychiatrische problematiek.

Het is van belang dat [minderjarige] opgroeit bij haar naaste familie. Indien dit tijdelijk niet mogelijk is, dient in ieder geval rekening te worden gehouden met haar etnische, godsdienstige en culturele achtergrond.

Gelet op de zeer jeugdige leeftijd en de culturele achtergrond van [minderjarige] is nog geen sprake van een situatie dat van een hereniging met de ouders geen sprake meer kan zijn.

3.5.

De raad heeft ter zitting - kort samengevat - verwezen naar de raadsrapportage.

Er is continue veel hulpverlening rondom de ouders aanwezig.

Tegelijkertijd is er vanaf het begin veel wantrouwen van de moeder naar de GI en de raad geweest alsook naar alle andere hulpverleners. De aanvaardbare termijn voor een thuisplaatsing is volgens de raad thans verstreken, juist vanwege de jonge leeftijd van [minderjarige] en aangezien [minderjarige] inmiddels is gehecht binnen het pleeggezin. Er zal dan ook alleen worden ingezet op de contactregeling. De ouders zullen echter altijd een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] behouden, aldus de raad.

3.6.

De GI heeft in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting in hoger beroep - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

[minderjarige] is direct na haar geboorte uit huis geplaatst en de vader mocht vanwege veiligheidsredenen niet bij de bevalling aanwezig zijn. Er is sprake van huisvestingsproblematiek, ouders staan onder bewind en er is sprake van psychische problematiek.

In de periode februari 2015-februari 2016 vonden er regelmatig rondetafelgesprekken plaats met alle betrokken instanties. Er is ingezet op het vinden van een woning voor de ouders en gezien de problematiek is besloten dat zij begeleid wonen nodig hebben. Aangezien de ouders dit proces frustreerden, waarbij zij betrokken instanties tegen elkaar opzetten, is het traject in januari 2016 stilgezet.

De moeder heeft laten weten dat zij een persoonlijkheidsonderzoek niet nodig acht en bij vader is dit onderzoek niet haalbaar gebleken, vanwege zijn instabiele situatie.

De omgang is het afgelopen jaar met veel ups en downs verlopen. De ouders waren vaak erg gespannen en gingen de discussie met de gezinsvoogd in aanwezigheid van hun dochter aan. De communicatie tussen de ouders onderling is zorgelijk, met name vanwege de dominante houding van de vader jegens de moeder.

In oktober 2015 was er een escalatie tijdens een omgangsmoment. Het vermoeden bestond dat de vader onder invloed van alcohol was. De GI twijfelde of omgang nog wel veilig genoeg was, maar na een gesprek is besloten dat mevrouw [medewerker] van Buro Prinor de omgang zou begeleiden. Buro Prinor is gespecialiseerd in islamitische opvoedingsondersteuning.

De omgang staat nu eenmaal in de vier weken gepland en verloopt rustig. [minderjarige] geniet van deze momenten, maar blijft wel de veiligheid van de pleegouders opzoeken.

De moeder is bij elke omgang aanwezig geweest; de vader is enkele malen niet verschenen. De ouders hebben veel wantrouwen jegens de GI en informeren de GI op geen enkele wijze. De GI kan zich op deze wijze geen beeld vormen van de situatie van de ouders.

In oktober 2016 vernam de GI van de vader dat de relatie tussen de ouders wederom is geëindigd.

De GI stelt zich op het standpunt dat plaatsing van [minderjarige] bij haar ouders een bedreiging zou zijn voor haar ontwikkeling, nu de ouders sociaal en maatschappelijk zwak functioneren en hun persoonlijke problematiek niet onderkennen.

3.7.

De pleegouders hebben in eerder genoemde brief - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard.

De pleegouders zorgen voor [minderjarige] vanaf haar geboorte. Het gaat goed met haar en zij is een pienter meisje.

De omgangsregeling verloopt nu goed en redelijk ontspannen.

De pleegouders vinden het van belang dat [minderjarige] opgroeit met het besef dat zij naast haar pleegouders ook biologische ouders heeft die veel van haar houden. De pleegouders hopen evenwel dat er door de uitspraak rust en acceptatie kan komen.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.8.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat
[minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding - zoals bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW - te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. Het hof acht zich daarbij, voor zover de moeder heeft verzocht om een onderzoek door de raad, op grond van de stukken en mondelinge behandeling voldoende voorgelicht, zodat geen noodzaak bestaat om een onderzoek te gelasten.

3.8.3.

[minderjarige] groeit vanaf haar geboorte op in het huidige, perspectief biedend pleeggezin. Zij ontwikkelt zich bovengemiddeld en zij is veilig en goed gehecht.

[minderjarige] is inmiddels al drie jaar oud en juist gezien haar jeugdige leeftijd is de aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder weer zelf de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van [minderjarige] kan dragen inmiddels ruimschoots overschreden, hetgeen de raad ter zitting uitdrukkelijk heeft beaamd.

3.8.4.

Daar komt nog bij dat het perspectief op een thuisplaatsing nog steeds ontbreekt.

Alhoewel de moeder kan worden nagegeven dat zij de nodige positieve stappen heeft gezet om haar leven op orde te krijgen, met name op het gebied van huisvesting en financiën, is dit onvoldoende om een thuisplaatsing van [minderjarige] te bewerkstelligen.

Uit het raadsrapport van 6 juli 2016, het verweerschrift van de GI en uit hetgeen ter zitting is verklaard en toegelicht, is naar het oordeel van het hof namelijk voldoende komen vast te staan dat de moeder nog steeds te kampen heeft met chronische psychische problematiek.

Deze problematiek is door de huisarts onderschreven en heeft er eerder toe geleid dat het gezag van de moeder over haar twee oudere kinderen is beëindigd en de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] jaarlijks is verlengd.

Weliswaar betwist de moeder uitdrukkelijk dat er bij haar sprake is van een psychisch ziektebeeld en beroept zij zich daartoe op de brief van PsyQ van 26 juni 2015 (productie 5 bij beroepschrift). Echter, deze brief van PsyQ is opgesteld aan de hand van slechts één intakegesprek, waarbij de psychiater enkel is uitgegaan van een werkhypothese. Van enig (gedegen) onderzoek is geen sprake geweest. Voor het overige heeft de moeder niet willen meewerken aan enig onderzoek teneinde meer inzicht in haar geestesvermogens te verkrijgen. Weliswaar verklaarde zij ter zitting dat zij onlangs contact heeft opgenomen met een psycholoog en binnenkort een afspraak met deze psycholoog heeft, maar deze informatie is niet alleen bij de GI onbekend, ook anderszins is ter zake geen enkele nadere en concrete verifieerbare informatie ter zake overgelegd.

Bovendien wordt hierbij in aanmerking genomen dat de moeder [minderjarige] vanaf haar geboorte in totaal slechts (circa) 36 uur gezien. Ook dit maakt een thuisplaatsing, mede gegeven de hiervoor geschetste omstandigheden, op korte termijn niet mogelijk, hetgeen de moeder ter zitting overigens heeft erkend.

3.8.5.

Gezien het voorgaande is een thuisplaatsing niet meer aan de orde en is een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet langer het geëigende middel, zodat een gezagsbeëindigende maatregel aangewezen is.

Het is in het belang van [minderjarige] dat zij bij haar pleegouders mag blijven en er in die zin rust en duidelijkheid komt voor alle betrokken partijen, waarbij de ouders altijd een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] zullen spelen. De pleegouders erkennen de rol van de ouders en zullen zich ervoor blijven inspannen dat er een goed contact tussen de ouders en [minderjarige] is.

3.9.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 23 januari 2017;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, C.D.M. Lamers en M.C. Bijleveld-van der Slikke en is op 20 juli 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.E.M. Geertsma-van Ooijen, griffier.