Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5173

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
21-12-2017
Zaaknummer
16/03903
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:964
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 7:15 Awb. Art. 7:2 Awb. Art. 7:3 Awb.

Hoorplicht voor een verzoek om een tegemoetkoming in de vergoeding van de kosten van bezwaar. Op een dergelijk verzoek moet in verband met gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht bij uitspraak op bezwaar worden beslist. Bij een verzoek om een tegemoetkoming in de vergoeding van de kosten van bezwaar dient belanghebbende, indien partijen van mening verschillen over de voor het verzoek relevante feiten, over het verzoek te worden gehoord, ook al wordt volledig tegemoet gekomen aan het materiele geschil.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-12-2017
FutD 2018-0043
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03903

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 24 oktober 2016, nummer SHE 16/1708 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar van de gemeente ‘s-Hertogenbosch,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna te melden naheffingsaanslag parkeerbelasting.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd ten bedrage € 2 parkeerbelasting en € 60 kosten. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag vernietigd en het verzoek om vergoeding van kosten van bezwaar afgewezen.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 9 oktober 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

De Heffingsambtenaar is, met telefonisch bericht daarvan, niet verschenen.

Belanghebbende noch zijn gemachtigde is verschenen.

De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij op 31 augustus 2017, met nummer [nummer] , aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting.

Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie.

Hieruit volgt dat de uitnodiging op 1 september 2017 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.8.

Het Hof heeft in deze zaak op 23 oktober 2017 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 23 oktober 2017 aan partijen verzonden.

1.9.

Belanghebbende heeft tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De griffier van de Hoge Raad heeft bij schrijven van 1 november 2017 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Op 27 februari 2016 omstreeks 15.38 uur stond de auto van belanghebbende, met het kenteken [kenteken] , (hierna: de auto) geparkeerd op een parkeerplaats aan de Van de Does de Willeboissingel te ‘s-Hertogenbosch. Een parkeercontroleur heeft op voormeld moment geconstateerd dat achter de voorruit een parkeerkaartje lag. Van deze constatering behoort een foto tot de gedingstukken. Dit parkeerkaartje lag met de achterzijde omhoog, zodat de op de voorzijde van het parkeerkaartje vermelde tijdsaanduiding niet zichtbaar was. Zichtbaar was het op het de achterzijde opgenomen ticketnummer 6200. Daarop heeft de parkeercontroleur de naheffingsaanslag met dagtekening 27 februari 2016 vastgesteld en bekend gemaakt.

2.2.

In het bezwaarschrift van 11 april 2016 heeft belanghebbende verzocht om te worden gehoord en om overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Voorts heeft belanghebbende verzocht om een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar. Bij het bezwaarschrift heeft belanghebbende vorenvermeld parkeerkaartje overgelegd. Uit de voorzijde daarvan bleek, dat parkeerbelasting was voldaan voor de periode 13.24 uur tot en met 16.30 uur op 27 februari 2016.

2.3.

Bij uitspraak op bezwaar van 22 april 2016 is, zonder belanghebbende te horen, de naheffingsaanslag vernietigd en is beslist geen tegemoetkoming in de kosten van bezwaar te verlenen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de uitspraak op bezwaar onbevoegdelijk gedaan?

II. Is belanghebbende in de bezwaarfase ten onrechte niet gehoord?

III. Zijn in bezwaar ten onrechte de op de zaak betrekking hebbende stukken niet verstrekt?

IV. Heeft belanghebbende recht op een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar?

V. Heeft de Rechtbank acht mogen slaan op het verweerschrift in eerste aanleg?

Belanghebbende is van mening dat de vragen I tot en met IV bevestigend en vraag V ontkennend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en door het Hof zelf in de zaak te voorzien. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

Blijkens de onder 1.5 vermelde stukken is de aldaar genoemde uitnodiging op 1 september 2017 uitgereikt. Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.2.

Inzake vraag I constateert het Hof dat de uitspraak op bezwaar is ondertekend door het hoofd van de afdeling Stadstoezicht namens de burgemeester en wethouder van

’s-Hertogenbosch. Dit laat geen andere conclusie toe dan dat de uitspraak op bezwaar is gedaan namens en voor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente en niet door de Heffingsambtenaar. Het hoofd van de afdeling Stadstoezicht is bovendien niet aangewezen als Heffingsambtenaar.1 Als Heffingsambtenaar is aangewezen het Hoofd afdeling Belastingen.2 De Rechtbank heeft dit miskend. Het door de Rechtbank aan zijn beslissing ten grondslag gelegde Aanwijzingsbesluit Heffing en Invordering parkeerbelastingen 2005 is gebaseerd op het Mandaatbesluit 2003, dat in 2016 al lang niet meer gold. De uitspraak op bezwaar is mitsdien onbevoegdelijk gedaan.

4.3.

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende hierdoor niet is benadeeld. Er is geen reden om de uitspraak op bezwaar te vernietigen.3

Vraag II

4.4.

Het Hof is van oordeel, dat de Heffingsambtenaar belanghebbende voor de naheffingsaanslag niet hoefde te horen over het al dan niet zichtbaar zijn van het parkeerkaartje op het dashboard. Nu de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar heeft vernietigd, omdat bij het bezwaarschrift vorenvermeld parkeerkaartje is overgelegd, mocht de Heffingsambtenaar op grond van artikel 7:3, aanhef, onderdeel e van de Awb ervan afzien belanghebbende te horen met betrekking tot de naheffingsaanslag.

4.5.

Met betrekking tot het horen ten aanzien van het verzoek om een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar overweegt het Hof als volgt.

4.6.

In artikel 7:15, derde lid, tweede volzin is bepaald, dat op het verzoek om een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar wordt beslist bij de beslissing op bezwaar. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht4 dient deze beslissing deel uit te maken van de uitspraak op bezwaar, omdat anders belanghebbende daartegen niet in beroep kan opkomen.5

4.7.

In artikel 7:15, lid 2 van de Awb is bepaald dat een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar uitsluitend wordt verleend indien de naheffingsaanslag is vernietigd wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dit kader is (wel) van belang dat belanghebbende in het bezwaarschrift heeft gesteld, dat – naar het Hof begrijpt: de voorzijde van - het parkeerkaartje wel zichtbaar was achter de voorruit. Indien dit juist zou zijn zou de naheffingsaanslag ten onrechte zijn opgelegd en was mogelijk de vernietiging van de naheffingsaanslag te wijten aan een aan het bestuursorgaan toe te rekenen onrechtmatigheid. Omdat partijen daarmee van mening verschilden over de voor de beoordeling van het verzoek relevante feiten is het Hof, anders dan de Rechtbank en mede gelet op artikel 3:2 van de Awb, van oordeel dat de Heffingsambtenaar belanghebbende in bezwaar in beginsel had moeten horen ten aanzien van het verzoek om een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar.6 Immers, wanneer een belanghebbende tijdens de bezwaarfase niet wordt gehoord over de voor de beoordeling van dit verzoek relevante feiten wordt deze gedwongen in beroep te gaan bij de belastingrechter om alsnog het debat te kunnen voeren over dit verzoek. Deze omslachtige weg is belastend voor de Heffingsambtenaar, belanghebbende en de rechterlijke macht.

4.8.

Nu uit de bij het verweerschrift in eerste aanleg overgelegde door de parkeercontroleur gemaakte foto onomstotelijk blijkt, dat het parkeerkaartje wel op het dashboard lag en dat het achter de voorruit ook zichtbaar was, maar dat alleen de achterzijde, en niet de voorzijde, van het parkeerkaartje zichtbaar was mocht de Heffingsambtenaar evenwel met overeenkomstige toepassing van artikel 7:3, aanhef, onderdeel b van de Awb het verzoek om een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar bij uitspraak op bezwaar afwijzen zonder belanghebbende over dit verzoek te horen.

Vraag III

4.9.

Nu uit het vorenstaande volgt, dat de Heffingsambtenaar heeft mogen afzien van het horen van belanghebbende in bezwaar volgt daaruit dat de Heffingsambtenaar de op de zaak betrekking hebbende stukken niet ter inzage hoefde te leggen (of hoefde te verstrekken). De inzage is immers gekoppeld aan het horen.7

Vraag IV

4.10.

Gelet op hetgeen reeds onder 4.8 is overwogen met betrekking tot het feit dat de voorzijde van het parkeerkaartje achter de voorruit niet zichtbaar was is de vernietiging van de naheffingsaanslag niet te wijten aan een aan het bestuursorgaan toe te rekenen onrechtmatigheid.

Vraag V

4.11.

Het verweerschrift in eerste aanleg is ondertekend door de senior juridisch beleidsmedewerker van de afdeling Belastingen. De stelling van belanghebbende dat het verweerschrift niet is ingediend namens (of door) de Heffingsambtenaar mist feitelijke grondslag.8

Slotsom.

4.12.

Het gelijk is aan de zijde van de Heffingsambtenaar. Gelet op al het voorgaande moet de uitspraak van de Rechtbank, onder verbetering van de gronden, worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 24 november 2017 door P. Fortuin, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. Afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Deze schriftelijke uitspraak is slechts een vervanging van de zogenoemde mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet opnieuw beroep in cassatie worden ingesteld.

De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen zes weken na de verzending van deze schriftelijke uitspraak de gronden van het eerder ingestelde beroep aanvoeren of aanvullen. De brief met de gronden van het beroep moet binnen de termijn van zes weken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij de verzending is voor risico van de partij die de gronden aanvoert of aanvult. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage

1 Artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet.

2 Mandaatbesluit Belastingen 2016.

3 Artikel 6:22 van de Awb. Vgl. HR 14 augustus 2015, 14/02492, ECLI:NL:HR:2015:2162.

4 Artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

5 Hof ’s-Hertogenbosch 20 maart 2015, nr. 12/00810, ECLI:NL:GHSHE:2015:979; 6 juli 2012, nr. 11/00582, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX0728; 24 juni 2011, nr. 10/00803, ECLI:NL:GHSHE:2011:BS1093; 16 september 2010, nr. 08/00045, ECLI:NL:GHSHE:2010:BP4013; 31 augustus 2006, nr. 05/00342, ECLI:NL:GHSHE:2006:BH4780; 8 juli 2005, nr. 03/02930, ECLI:NL:GHSHE:2005:AU0605.

6 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juni 2017, 16/00175, ECLI:NL:GHARL:2017:5155, r.o. 4.19 en 4.20.

7 Artikel 7:4 van de Awb.

8 Zie Mandaatbesluit Belastingen 2016.