Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5167

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
20-001342-16
Formele relaties
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2016:742
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Checkpoint-zaak na tweede verwijzing Hoge Raad.

De gedoogvoorwaarde dat de handelshoeveelheid softdrugs maximaal 500 gram mocht bedragen en enkel in de in de gedoogverklaring bedoelde ruimten aanwezig mocht zijn, is door het van meet af aan ook elders voorhanden hebben van softdrugs - naar de letter - doorlopend overtreden.

Het Bossche hof acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging ter zake van de zogenoemde 'voordeur' van de coffeeshop en deelneming aan een criminele (soft)drugsorganisatie. Geen schending vertrouwensbeginsel, geen strijd met verbod van willekeur (gelijkheidsbeginsel), geen schending kenbaarheidsvereiste en geen misbruik van bevoegdheid.

Bewezenverklaring verkoophandelingen (voordeur) en deelname criminele organisatie. Er wordt geen straf opgelegd (9a Sr, rechterlijk pardon).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2018/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001342-16

Uitspraak : 28 november 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 25 maart 2010, parketnummer

12-700118-07 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

De voorafgaande procesgang

De verdachte is ter zake van negen strafbare feiten gedagvaard.

De rechtbank heeft op 25 maart 2010 vonnis gewezen en beslist dat:

  • -

    de officier van justitie ontvankelijk is in de strafvervolging;

  • -

    verdachte van de feiten 3 primair en 6 zal worden vrijgesproken;

  • -

    verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5 primair, 7, 8 en 9 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 weken waarvan 7 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft op 2 februari 2012 het vonnis van de rechtbank vernietigd en het openbaar ministerie ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging.

Tegen dit arrest heeft het openbaar ministerie cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad heeft op 2 juli 2013 het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw zou worden berecht en afgedaan.

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 16 juli 2014 arrest gewezen en heeft:

  • -

    het vonnis van de rechtbank ten aanzien van de vrijspraak van het onder 6 tenlastegelegde bevestigd;

  • -

    de officier van justitie partieel niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging ter zake van het onder 1 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan het opzettelijk verkopen, afleveren en/of verstrekken van hennep en/of hasjiesj (de zogenoemde ‘voordeur’);

  • -

    de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging ter zake van het onder 3 en 9 tenlastegelegde;

  • -

    verdachte vrijgesproken van het onder 5 primair en subsidiair tenlastegelegde;

  • -

    bewezenverklaard dat de verdachte de feiten onder 1 (voor zover dit betrekking heeft op de zogenoemde ‘achterdeur’), 2, 4, 7 en 8 heeft begaan;

  • -

    bepaald dat aan verdachte geen straf wordt opgelegd.

Het openbaar ministerie heeft ook tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad heeft op 26 april 2016 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd, maar uitsluitend voor zover daarbij het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder 1 en 9 tenlastegelegde alsmede de strafoplegging. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar het onderhavige hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Omvang van het hoger beroep

Het hof is van oordeel dat het hoger beroep gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2016 is beperkt tot:

  1. het onder 1 tenlastegelegde voor zover dit ziet op – kort gezegd – de voordeur;

  2. de onder 9 tenlastegelegde deelneming aan een criminele (soft)drugsorganisatie;

  3. het nemen van een beslissing ten aanzien van de straf aangaande:

i. de reeds door het hof Amsterdam (inmiddels onherroepelijk) bewezenverklaarde strafbare feiten 1 (achterdeur), 2, 4, 7 en 8, tezamen met de hiervoor onder a en/of b bedoelde strafbare feiten indien het hof voor die feiten tot een bewezenverklaring mocht komen;

ii. de inbeslaggenomen voorwerpen.

Verkoopoppervlak van de coffeeshop

Met de raadsman is het hof van oordeel dat – nu feit 1 naast het kantoor en de (opslag)plaatsen buiten het gebouw van de coffeeshop ook betrekking heeft op de coffeeshop zelf (de werkvloer/het verkoopoppervlak) – geldt dat het hof Amsterdam bij onherroepelijk arrest heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat op de werkvloer (het verkoopoppervlak) gedurende de tenlastegelegde periode(n) op enig moment meer dan 500 gram cannabis aanwezig was.

Dit feitelijk oordeel is door het openbaar ministerie in cassatie niet bestreden (schriftuur pagina 17 onder 3.4.1) en de partiële vernietigingsbeslissing van de Hoge Raad van 26 april 2016 houdt niet een (expliciete) vernietiging in van dat feitelijk oordeel.

Achterdeur

Anders dan de raadsman van verdachte heeft betoogd, ligt naar het oordeel van het hof ter zake van feit 1 evenmin de vraag voor of kan worden bewezen dat verdachte buiten de coffeeshop opzettelijk meer dan 30 gram hennep en/of hasjiesj aanwezig heeft gehad en/of heeft bewerkt/verwerkt, nu het hof Amsterdam ter zake van ‘de achterdeur’ van feit 1 reeds tot een bewezenverklaring is gekomen, welke door de Hoge Raad in stand is gelaten en derhalve in rechte vaststaat.

Gedoogvoorwaarde A.6

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 november 2017 tijdens de voordracht van de zaak medegedeeld dat het openbaar ministerie zich met betrekking tot de bewijsbeslissing aangaande feit 1 (voor zover nog aan de orde) niet langer op het standpunt stelt dat de gedoogvoorwaarden mede zijn geschonden door het verkopen/ afleveren van softdrugs aan personen van wie redelijkerwijs vermoed kon worden dat zij de drugs zouden exporteren (gedoogvoorwaarde A.6), aangezien het hof Amsterdam het openbaar ministerie ter zake van het afzonderlijk tenlastegelegde feit 3 (kort gezegd: uitvoer door verkoop aan buitenlanders) niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging en de Hoge Raad die beslissing in stand heeft gelaten.

De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting geschaard achter het standpunt van de advocaat-generaal. Het hof heeft ter terechtzitting beslist dat in het kader van de bewijsbeslissing van feit 1 (voor zover nog aan de orde) gedoogvoorwaarde A6 niet langer een rol speelt bij de beoordeling van de zaak.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft betrekking op het gedeelte dat na de (tweede) verwijzing thans nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft zich ten aanzien van de feiten 1 (de voordeur) en 9 op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging en dat het hof ter zake van beide feiten tot een bewezenverklaring dient te komen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 16 weken waarvan 7 weken voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar en met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof hierop zal beslissen conform de rechtbank heeft gedaan met uitzondering van de gelaste teruggaven en te dien aanzien eveneens zal beslissen tot verbeurdverklaring.

De verdediging heeft betoogd dat:

  • -

    ter zake van het onder 1 tenlastegelegde (de voordeur) primair het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in (het voortzetten van) de vervolging en subsidiair de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging;

  • -

    het hof – bij bewezenverklaring van feit 1 (de voordeur) – een overweging ten overvloede zal opnemen waaruit blijkt dat de verkoophandelingen plaatsvonden met inachtneming van de geldende gedoogcriteria;

  • -

    verdachte van het onder 9 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken;

  • -

    indien het hof tot een veroordeling komt, toepassing van artikel 9a Sr (rechterlijk pardon) is aangewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 oktober 2006 tot en met 31 mei 2007 ( [onderzoeksnaam 1] ) en/of op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 juni 2007 tot en met 19 mei 2008 [onderzoeksnaam 2] ), in de gemeente(n) Terneuzen en/of Hulst en/of Vlissingen, althans in het Arrondissement Middelburg en/of het Arrondissement Breda, althans in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf (te weten als eigenaar/exploitant van "coffeeshop Checkpoint"), (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, (een) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd), zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

9.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 juni 2007 tot en met 20 mei 2008, in de gemeente Terneuzen, althans in het Arrondissement Middelburg en/of het Arrondissement Breda en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van personen en/of rechtspersonen,

te weten uit hem, verdachte, en/of [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 10] en/of [persoon 11] en/of [medeverdachte rechtspersoon] en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde lid en/of artikel 11, vierde lid en/of artikel 11 vijfde lid van de Opiumwet, namelijk:

- het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep en/of hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd) en/of

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd) en/of

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en/of hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd) en/of

- het (mede)plegen en/of medeplichtig zijn aan één of meer van bovengenoemd(e) misdrijf/misdrijven,

en welke deelneming bestond uit (al dan niet door middel van één of meer rechtsperso(o)n(en)):

- het opzetten van een (aantal) rechtsperso(o)n(en) rond en/of ten dienste van (de exploitatie van) "coffeeshop Checkpoint" en/of

- het aanvragen van en/of op naam hebben staan van een gedoogvergunnig/beschikking voor het uitbaten/exploiteren van "coffeeshop Checkpoint" en/of

- het exploiteren van een coffeeshop en/of

- het (laten) aanschaffen en/of (laten) installeren van een (geautomatiseerd) kassasysteem (met geïntegreerde weegschaal) ten behoeve van de verkoop van bovengenoemd(e) verdovend(e) middel(en) en/of het (laten) inrichten van één of meer verkooppunt(en) in die coffeeshop ter uitvoering van bovengenoemd(e) misdrijf/misdrijven en/of

- het in dienst nemen en/of aansturen van personeel ten behoeve van de bevoorrading (met bovengenoemd(e) verdovend(e) middel(en)) van bovengenoemde verkooppunten (vanuit een kantoorruimte) ter uitvoering van bovengenoemd(e) misdrijf/misdrijven en/of

- het in (loon)dienst nemen en/of aansturen en/of opleiden van één of meer medewerker(s) ten behoeve van de inkoop van één of meer partij(en) van bovengenoemd(e) verdovend(e) middel(en) voor "Coffeeshop Checkpoint" en/of

- het onderhouden van contacten met één of meer mededader(s) met betrekking tot de uitvoering van voornoemd(e) misdrijf/misdrijven en/of

- het hebben van één of meer ontmoeting(en) met één of meer mededader(s) met betrekking tot de uitvoering van voornoemd(e) misdrijf/misdrijven en/of

- het geven van opdrachten aan één of meer mededader(s) met betrekking tot de uitvoering van voornoemd(e) misdrijf/misdrijven en/of

- het aanschaffen en/of ter beschikking stellen van één of meer dienstvoertuig(en) ten behoeve van het vervoeren van één of meer partij(en) van bovengenoemd(e) verdovend(e) middel(en) en/of

- het (laten) maken/inrichten van een (verborgen) kast in een kantoor van Coffeeshop Checkpoint ten behoeve van de opslag in en/of bevoorrading met bovengenoemd(e) verdovend(e) middel(en) van "Coffeeshop Checkpoint" en/of door zodoende controlerende instanties (zoals de politie) te misleiden omtrent de totale handelshoeveelheid van bovengenoemd(e) verdovend(e) middel(en) van/in "Coffeeshop Checkpoint" en/of

- het benaderen van één of meer medewerker(s) van "Coffeeshop Checkpoint" voor het ter beschikking stellen van opslagruimte(n) ten behoeve van de opslag van één of meer partijen van bovengenoemd(e) verdovend(e) middel(en) en/of

- het betalen van een geldelijke vergoeding aan één of meer medewerker(s) voor de opslag van één of meer partij(en) van bovengenoemd(e) verdovend(e) middel(en) en/of

- het in (loon)dienst nemen/hebben en/of aansturen van één of meer thuiswerker(s)/thuiswerkster(s) met betrekking tot de uitvoering van voornoemd(e) misdrijf/misdrijven en/of

- het in (loon)dienst nemen en/of aansturen van één of meer vervoerder(s) van bovengenoemd(e) verdovende middel(en) ter uitvoering van voornoemd(e) misdrijf/misdrijven en/of

- het onderhouden van contacten met één of meer leverancier(s) van bovengenoemd(e) verdovend(e) middel(en) van "Coffeeshop Checkpoint" ten behoeve van de uitvoering van voornoemd(e) misdrijf/misdrijven en/of

- het hebben van ontmoetingen met één of meer leverancier(s) van bovengenoemd(e) verdovend(e) middel(en) van "Coffeeshop Checkpoint" ten behoeve van de uitvoering van voornoemde misdrijven en/of

- het aansturen van één of meer perso(o)n(en) ten behoeve van de logistieke en/of organisatorische ondersteuning van de uitvoering van voornoemde misdrijven en/of

- het vaststellen van de verkoopprijs en/of inkoopprijs van bovengenoemd(e) verdovend(e) middel(en) en/of

- het controleren en/of handhaven en/of bevorderen van de kwaliteit van één of meer partij(en) van bovengenoemd(e) verdovend(e) middel(en) en/of

- één of meer geldbedrag(en) ter beschikking stellen ten behoeve van de inkoop van één of meer partij(en) van bovengenoemd(e) verdovend(e) middel(en) en/of

- het aanwezig hebben van één of meer geldbedrag(en) die betrekking hadden op de uitvoering van bovengenoemd(e) misdrijf/misdrijven en/of

- het medeplegen van en/of de medeplichtigheid aan één of meer van de hierboven omschreven gedraging(en),

terwijl hij, verdachte, van de organisatie medeoprichter en/of leidinggevende en/of bestuurder is geweest.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Uitleg van gedoogvoorwaarde A.4

Aangezien het voor de beantwoording van de vragen die nog aan het hof voorliggen van cruciaal belang is welke uitleg het hof geeft aan de gedoogvoorwaarde A.4 kiest het hof ervoor om die uitleg reeds hier op te nemen.

De burgemeester van Terneuzen heeft op 15 november 2005 een (nieuwe) gedoogverklaring afgegeven aan [verdachte] betreffende de coffeeshop Checkpoint, inhoudende dat tegen de handel in softdrugs in die inrichting niet bestuursrechtelijk zal worden opgetreden (in de vorm van sluiting van de inrichting op grond van artikel 13b Opiumwet) indien en voor zolang verdachte voldoet aan de daarin opgenomen voorwaarden. Voor zover thans nog van belang vermeldden die gedoogvoorwaarden in bepaling A.4:

‘De handelshoeveelheid softdrugs mag ten hoogste 500 gram bedragen en mag enkel in de in de inleiding omschreven ruimten aanwezig zijn’.

De gedoogverklaring wordt ingeleid met de mededeling dat een vergunning voor een horeca-inrichting is verleend voor de onderbouw van het pand [adres coffeeshop] . De begeleidende brief van 15 november 2005 onder ‘1. Inleiding’ meldt dat er een horeca-exploitatievergunning is afgegeven voor de exploitatie van een coffeeshop in de benedenverdieping van voornoemd pand (het hof begrijpt: de begane grond).

Ten aanzien van de ruimten waarop de gedoogverklaring ziet, is in de gedoogverklaring onder 16 (A.16) vermeld:

‘De oppervlakte van de horeca-ruimte (niveau [adres coffeeshop] ) bedraagt ten hoogste 99 m2, de maximum oppervlakte van de overige (opslag)ruimten (niveau ondergronds) waarin softdrugs aanwezig mogen zijn is 50 m2 (in totaal 150 m2).’

Blijkens de plattegrond waarop verdachte een en ander heeft aangetekend (en die is gevoegd bij het proces-verbaal van de terechtzittingen van het hof Amsterdam d.d. 3, 4, 5, 10 en 11 juni 2014 en 2 juli 2014) bedroeg de horecaruimte waarin de coffeeshop werd geëxploiteerd (begane grond) 99,03 m2. Het hof begrijpt hieruit dat dit de in de gedoogverklaring beoogde horeca-ruimte is van ten hoogste 99 m2 waarin softdrugs aanwezig mochten zijn.

Op diezelfde plattegrond is ondergronds een tweetal bergruimten zichtbaar, waarvan de grootste 46,98 m2 was. Het hof begrijpt dat die grootste bergruimte de overige opslagruimte (niveau ondergronds) van maximaal 50 m2 betrof waarin eveneens softdrugs aanwezig mochten zijn.

Op dezelfde etage als waar de coffeeshop werd geëxploiteerd, bevond zich een kantoorruimte van 24,25 m2. Het hof stelt vast dat die kantoorruimte geen onderdeel uitmaakte van de in de gedoogverklaring bedoelde ruimten waarin softdrugs aanwezig mochten zijn. Alleen al door het van meet af aan dagelijks voorhanden hebben (administreren en/of opslaan) van softdrugs in die kantoorruimte – over welke gangbare werkwijze verdachte andermaal heeft verklaard ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 november 2017 – is naar het oordeel van het hof naar de letter van gedoogvoorwaarde A.4 sprake geweest van doorlopende overtreding van die gedoogvoorwaarde.

Het hof schaart zich op dit punt derhalve achter het standpunt van de advocaat-generaal en het oordeel van de rechtbank Middelburg (pagina’s 21-22 van het vonnis).

Opgemerkt zij dat de politie – door voorafgaand aan de 1e inval bij Checkpoint op 1 juni 2007 kennelijk alleen de (twee) gedoogde ruimte(s) te controleren op de aanwezigheid van maximaal 500 gram softdrugs, wetende dat gezien de omvang van de dagelijkse verkoop in de coffeeshop (ook) elders (een) voorra(a)d(en) softdrugs zou moet(en) hebben gelegen – geruime tijd kennelijk welbewust de ogen heeft gesloten voor de aanvoer van softdrugs aan ‘de achterdeur’.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ter zake van de resterende onder 1 tenlastegelegde verkoophandelingen vanuit de coffeeshop (de voordeur) primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de (voortzetting van de) strafvervolging, omdat de vervolging strijd oplevert met de beginselen van een behoorlijke procesorde aangezien bij die verkoophandelingen de gedoogcriteria werden nageleefd.

Hiertoe is – kort gezegd – aangevoerd dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, het kenbaarheidsvereiste en het gelijkheidsbeginsel (verbod van willekeur) alsmede van misbruik van bevoegdheid (détournement de pouvoir). Naar het oordeel van de raadsman heeft geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie in deze zaak kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Daarbij dient te worden betrokken de niet-kenbare abrupte omslag in strafrechtelijke handhaving, aldus de raadsman.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in beperkte mate leent voor inhoudelijke toetsing en dat de opsporings- en vervolgingsbeslissing in deze zaak zorgvuldig tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de advocaat-generaal heeft een redelijk handelend lid van het openbaar ministerie kunnen oordelen dat met (voortzetting van de) onderhavige vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang is gediend en is geen sprake van enig gerechtvaardigd gewekt vertrouwen dat niet strafrechtelijk handhavend zou worden opgetreden, noch van strijd met het verbod van willekeur.

Het hof overweegt als volgt.

Opportuniteitsbeginsel

Vooropgesteld moet worden dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden.

De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Vertrouwensbeginsel

Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde (cursivering hof) vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend.

Verbod van willekeur

Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, ook wel omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

Aan het oordeel dat het openbaar ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld.

Vertrouwensbeginsel niet geschonden

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat wanneer sprake is van (een verdenking van) overtreding van één of meer van de gedoogvoorwaarden, zoals in de onderhavige zaak, het openbaar ministerie in beginsel tot vervolging kan overgaan voor elk strafbaar feit in de keten van aanvoer, verwerken en verkopen van softdrugs. In dat geval is immers geen sprake meer van de situatie zoals die, bestuursrechtelijk en strafrechtelijk, wordt gedoogd.

Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige Checkpoint-zaak niet gebleken dat het bij verdachte gewekte vertrouwen dat het openbaar ministerie niet tot vervolging zou overgaan, is gewekt door uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen van het openbaar ministerie, dan wel door uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen die aan het openbaar ministerie moeten worden toegerekend. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd – zo al juist – volstaat daartoe niet en ook anderszins is het hof niet gebleken van een gerechtvaardigd gewekt vertrouwen.

Het hof heeft hierbij in het bijzonder betrokken dat in de gedoogvoorwaarden onder C. Overige Bepalingen expliciet is opgenomen – en dus bij de verdachte bekend mag worden verondersteld – dat de gedoogverklaring de bevoegdheden van de andere partners in de lokale driehoek, te weten politie en justitie, onverlet laat.

Geen strijd met verbod van willekeur (gelijkheidsbeginsel)

Coffeeshop [naam coffeeshop 2] – gelegen tegenover coffeeshop Checkpoint – is eveneens vervolgd en berecht voor overtredingen van de Opiumwet (het hof verwijst naar de uitspraken van de rechtbank Middelburg van 10 juni 2010 [ECLI:RBMID:2010:BM7241] en het hof ’s-Gravenhage van 12 april 2011 [ECLI:GHSGR:2011:BR4515]). In het onder 1. tenlastegelegde in de strafzaak tegen [naam coffeeshop 2] was eveneens – onder meer – opgenomen het opzettelijk verkopen/verstrekken/afleveren van softdrugs. Dat in die zaak in beide feitelijke instanties geen veroordeling is gevolgd voor verkoophandelingen (aan de voordeur), rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet de conclusie dat in onderhavige Checkpoint-zaak sprake is geweest van een aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur.

De omstandigheid dat coffeeshop [naam coffeeshop 2] – anders dan Checkpoint – niet is gesloten, maakt het voorgaande niet anders. Het al dan niet sluiten van een coffeeshop is niet een bevoegdheid van het openbaar ministerie maar een bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 13b Opiumwet.

Geen schending kenbaarheidsvereiste en geen misbruik van bevoegdheid

Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat het gelet op de inhoud van de aan verdachte verstrekte bestuurlijke gedoogverklaring en de bijbehorende gedoogvoorwaarden – in lijn met het landelijke strafrechtelijke gedoogbeleid – voor verdachte van meet af aan kenbaar is geweest wat de geldende gedoogcriteria waren en dat derhalve geen sprake is van een situatie waarin door het openbaar ministerie achteraf en geheel onvoorzien niet-kenbare invullingen aan het gedoogbeleid zijn gegeven, noch dat sprake is van détournement de pouvoir, zodat ook dit onderdeel van het niet-ontvankelijkheidsverweer niet slaagt. Hetgeen in dit verband in het bijzonder is aangevoerd met betrekking tot gedoogvoorwaarde A.6 (kort gezegd: het exportverbod) maakt dit niet anders.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 9 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 24 oktober 2006 tot en met 31 mei 2007 en op tijdstippen in de periode van 2 juni 2007 tot en met 19 mei 2008 in de gemeente Terneuzen, telkens tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf (te weten als eigenaar/exploitant van "coffeeshop Checkpoint"), telkens opzettelijk heeft verkocht (een) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd), zijnde hennep en hasjiesj middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

9.
hij in de periode van 2 juni 2007 tot en met 20 mei 2008, in de gemeente Terneuzen en het Arrondissement Breda en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van personen en een rechtspersoon, te weten uit hem, verdachte, en [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 8] , [persoon 9] , [persoon 10] , [persoon 11] en [medeverdachte rechtspersoon] ,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde lid en artikel 11 vijfde lid van de Opiumwet, namelijk:

- het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep en hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd) en

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk verkopen en vervoeren van hennep en hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd) en

- het medeplegen van bovengenoemde misdrijven,

en welke deelneming bestond uit (al dan niet door middel van één of meer rechtsperso(o)n(en)):

- het opzetten van een rechtspersoon rond en ten dienste van de exploitatie van "coffeeshop Checkpoint" en

- het op naam hebben staan van een gedoogvergunnig/beschikking voor het uitbaten/exploiteren van "coffeeshop Checkpoint" en

- het exploiteren van een coffeeshop en

- het (laten) aanschaffen en (laten) installeren van een geautomatiseerd kassasysteem met geïntegreerde weegschaal ten behoeve van de verkoop van bovengenoemde verdovende middelen en het (laten) inrichten van één of meer verkooppunten in die coffeeshop ter uitvoering van bovengenoemde misdrijven en

- het in dienst nemen en aansturen van personeel ten behoeve van de bevoorrading met bovengenoemde verdovende middelen van bovengenoemde verkooppunten vanuit een kantoorruimte ter uitvoering van bovengenoemde misdrijven en

- het in loondienst nemen, aansturen en opleiden van medewerkers ten behoeve van de inkoop van één of meer partijen van bovengenoemde verdovende middelen voor "Coffeeshop Checkpoint" en

- het onderhouden van contacten met mededaders met betrekking tot de uitvoering van voornoemde misdrijven en

- het hebben van ontmoetingen met mededaders met betrekking tot de uitvoering van voornoemde misdrijven en

- het geven van opdrachten aan mededaders met betrekking tot de uitvoering van voornoemde misdrijven en

- het aanschaffen en ter beschikking stellen van dienstvoertuigen ten behoeve van het vervoeren van partijen van bovengenoemde verdovende middelen en

- het (laten) maken/inrichten van een (verborgen) kast in een kantoor van Coffeeshop Checkpoint ten behoeve van de opslag in en bevoorrading met bovengenoemde verdovende middelen van "Coffeeshop Checkpoint" en

- het benaderen van medewerkers van "Coffeeshop Checkpoint" voor het ter beschikking stellen van opslagruimten ten behoeve van de opslag van één of meer partijen van bovengenoemde verdovende middelen en

- het betalen van een geldelijke vergoeding aan medewerkers voor de opslag van één of meer partijen van bovengenoemde verdovende middelen en

- het in loondienst nemen/hebben en aansturen van thuiswerkers/thuiswerksters met betrekking tot de uitvoering van voornoemde misdrijven en

- het in loondienst nemen en aansturen van vervoerders van bovengenoemde verdovende middelen ter uitvoering van voornoemde misdrijven en

- het onderhouden van contacten met leveranciers van bovengenoemde verdovende middelen van "Coffeeshop Checkpoint" ten behoeve van de uitvoering van voornoemde misdrijven en

- het hebben van ontmoetingen met leveranciers van bovengenoemde verdovende middelen van "Coffeeshop Checkpoint" ten behoeve van de uitvoering van voornoemde misdrijven en

- het aansturen van personen ten behoeve van de logistieke en organisatorische ondersteuning van de uitvoering van voornoemde misdrijven en

- het vaststellen van de verkoopprijs van bovengenoemde verdovende middelen en

- het ter beschikking stellen van geldbedragen ten behoeve van de inkoop van partijen van bovengenoemde verdovende middelen en

- het aanwezig hebben van geldbedragen die betrekking hadden op de uitvoering van bovengenoemde misdrijven en

- het medeplegen van de hierboven omschreven gedragingen,

terwijl hij, verdachte, van de organisatie medeoprichter, leidinggevende en bestuurder is geweest.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit of die bewezenverklaarde feiten waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 (voordeur)

Zoals eerder is overwogen, is het hof van oordeel dat alleen al door het van meet af aan dagelijks voorhanden hebben (administreren en/of opslaan) van softdrugs in de kantoorruimte van de coffeeshop sprake is geweest van doorlopende overtreding van gedoogvoorwaarde A.4. Hierdoor is de gedoogstatus van de verkoophandelingen in de coffeeshop komen te vervallen. Het hof acht het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Geen overweging ten overvloede ter zake van feit 1

Het hof zal niet de door de raadsman verzochte overweging ten overvloede opnemen, nu het hof – anders dan de verdediging – tot het oordeel komt dat de verkoophandelingen niet plaatsvonden met inachtneming van het geldende gedoogcriterium A.4.

Bewijsverweer ter zake van feit 9

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van deelneming aan een criminele organisatie, omdat de tenlastegelegde handelingen zijn verricht in het kader van een gedoogde exploitatie van een coffeeshop. Hiertoe is aangevoerd dat die handelingen zich wel laten kwalificeren als misdrijf, maar dat zij niet in strijd zijn met de openbare orde, zodat een veroordeling zou indruisen tegen het doel en de strekking van artikel 140 Sr (het hof begrijpt: daarmee ook 11a (oud) Opiumwet).

Het hof overweegt als volgt.

Een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr en 11a (oud) van de Opiumwet is een gestructureerd samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Van deelneming aan een dergelijk samenwerkingsverband kan alleen sprake zijn als de verdachte tot het samenwerkingsverband behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Een coffeeshop is bijna per definitie een organisatie die tot doel heeft het plegen van strafbare feiten, namelijk de handel in softdrugs. Het oogmerk tot het plegen van Opiumwetdelicten kan wegvallen als een coffeeshop zich aan de gedoogcriteria houdt. Anders dan de raadsman is het hof – zoals eerder overwogen – echter van oordeel dat geen sprake was van gedoogd handelen, reeds omdat verdachte de geldende gedoogvoorwaarde A.4 – naar de letter – niet heeft nageleefd.

Met de advocaat-generaal is het hof mitsdien van oordeel dat het onder 9 tenlastegelegde oogmerk tot het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid, Opiumwet wettig en overtuigend is bewezen.

De rol van verdachte binnen de organisatie is die van medeoprichter, leidinggevende en bestuurder. Hij bepaalde onder meer wie van zijn werknemers welke werkzaamheden verrichtte, onderhandelde met de leveranciers van de softdrugs en bepaalde de verkoopprijs van de softdrugs in de coffeeshop.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Desalniettemin hecht het hof eraan op te merken dat het juridische etiket ‘criminele organisatie’ wellicht wat vreemd aandoet, nu verdachte een door het lokaal bestuur onder voorwaarden gedoogde onderneming runde die – voor zover het hof bekend – voldeed aan de geldende arbeidsrechtelijke voorwaarden en fiscale voorschriften voor Nederlandse ondernemingen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman van verdachte heeft ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verkoop van cannabis vanuit een gedoogde coffeeshop met inachtneming van de gedoogcriteria na zoveel jaren van structureel gedogen niet langer kan worden beschouwd als een strafbaar feit.

Het hof overweegt dat reeds omdat het hof – met de advocaat-generaal doch anders dan de raadsman – van oordeel is dat verdachte heeft gehandeld in strijd met gedoogvoorwaarde A.4 het verweer dient te worden verworpen.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 9 bewezen verklaarde levert op:

als oprichter, leider en bestuurder deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11 derde en vijfde lid van de Opiumwet.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Sanctiebeslissing

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 weken waarvan 7 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest ter zake van de feiten 1 (vervoeren van softdrugs), 2 (aanwezig hebben van voorraden softdrugs ten tijde van 1e inval op 1 juni 2007), 3 subsidiair (medeplichtigheid aan uitvoer van softdrugs door verkoop aan buitenlanders), 4 (aanwezig hebben van voorraden ten tijde van 2e inval op 20 mei 2008), 5 primair (poging tot invoer van hennep), 7 (zonder vergunning gebruik maken van een GSM-jammer en portofoons), 8 (voorhanden hebben van een stroomstootwapen) en 9 (deelneming aan een criminele organisatie).

Hof Amsterdam heeft ter zake van de bewezenverklaarde feiten – te weten feit 1 voor wat betreft ‘de achterdeur’ en de feiten 2, 4, 7 en 8 – bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd en aldus toepassing gegeven aan art. 9a Sr (rechterlijk pardon).

De Hoge Raad heeft de strafoplegging van het hof Amsterdam vernietigd, waaronder dient te worden verstaan de toepassing van art. 9a Sr, zodat het hof opnieuw een sanctiebeslissing dient te nemen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte – naar het hof begrijpt ter zake van de feiten 1 (zowel ‘voordeur’ als ‘achterdeur’), 2, 4, 7, 8 en 9 – zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 16 weken waarvan 7 weken voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar en met aftrek van voorarrest.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat toepassing van art. 9a Sr is aangewezen.

Het hof overweegt – deels overeenkomstig het hof Amsterdam – als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft jarenlang een coffeeshop geëxploiteerd. Deze is met instemming, facilitering en stimulering van de gemeente Terneuzen gevestigd en tot grote bloei gekomen. De coffeeshop was ingericht en georganiseerd op naleving van de gedoogvoorwaarden, zij het dat verdachte die naar de letter bezien structureel heeft overtreden. De medewerkers werkten in een regulier dienstverband. Aan de fiscale verplichtingen werd voldaan. De exploitatie van de coffeeshop (‘de voordeur’) kon slechts mogelijk zijn door een regelmatige aanvoer van aanzienlijke hoeveelheden softdrugs (‘de achterdeur’). Van die omstandigheid was eenieder die met de coffeeshop gemoeid was op de hoogte, óók het openbaar ministerie.

Hier doet zich de merkwaardige en niet anders dan als paradoxaal aan te duiden situatie voor dat de exploitatie van een coffeeshop die zich aan de gedoogvoorwaarden houdt, gedoogd wordt waar het de zogenoemde ‘voordeur’ (verkoop) betreft, maar dat de bevoorrading, het aanhouden van een voor een behoorlijke bedrijfsvoering evident noodzakelijke voorraad en de aankoop van verdovende middelen (‘de achterdeur’) onverminderd verboden zijn en strafbare feiten opleveren.

De verdediging heeft uitvoerig bepleit dat deze situatie tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging zou dienen te leiden. Het hof heeft hiervoor gemotiveerd uiteengezet waarom dit standpunt niet wordt gedeeld. Hier ligt een taak voor de wetgever. Het is niet aan de rechter om te treden in de beoordeling van de strafbaarstelling van de verweten gedragingen. Zolang de wetgever in gebreke blijft om de ‘achterdeur’ te reguleren en het openbaar ministerie ervoor kiest om zaken waarin die problematiek speelt aan de rechter voor te leggen, zal de rechter een (inhoudelijke) beslissing op de voorgelegde feiten dienen te geven.

Tijdens de eerste inval op 1 juni 2007 is een voorraad aangetroffen van in totaal ongeveer 96 kilogram softdrugs (feit 2) en tijdens de tweede inval op 20 mei 2008 een voorraad van in totaal ongeveer 130 kilogram (feit 4). Gelet op de gemiddelde dagomzet van coffeeshop Checkpoint van 10 tot 12 kilogram, betrof dit telkens een voorraad van hooguit twee weken.

Dit komt het hof niet als onredelijk of extreem voor.

Verdachte heeft openheid betracht omtrent de wijze waarop hij de coffeeshop dreef, inclusief de achterdeurproblematiek. Dat de exploitatie van de coffeeshop ‘noodzakelijkerwijs’ betekende dat verdachte strafbare feiten pleegde, disculpeert hem niet, maar kleurt de feiten wel in hoge mate.

Deze specifieke omstandigheden brengen naar het oordeel van het hof met zich dat met strafoplegging ter zake van de door verdachte begane strafbare feiten – waarvan de feiten 1, 2, 4 en 9 in de praktijk nu eenmaal aan de exploitatie van een coffeeshop zijn verbonden – geen redelijk doel is gediend. Dit geldt ook voor feit 7, nu die radiozendapparaten kennelijk ter bescherming dienden, alsmede voor feit 8 (het in zijn woning voorhanden hebben van een stroomstootwapen) nu dit weliswaar een gevaarlijk verboden wapen betreft waarvan het hof het bezit sterk afkeurt, doch dit ondergeschikt wordt geacht bezien in het licht van hetgeen in totaal aan de verdachte wordt verweten.

De strafrechtelijke procedure tegen verdachte sleept bovendien nu al ruim tien jaren voort, hetgeen – gehoord verdachtes laatste woord ter terechtzitting van 14 november jl. – een enorme impact heeft (gehad) op het leven van verdachte en zijn naasten. Het hof acht dit temeer voorstelbaar nu de strafzaak eerder in voor verdachte gunstige zin is beslecht. De coffeeshop is sinds lange tijd gesloten (de gedoogbeschikking is blijkens de bestuurlijke rapportage begin 2009 ingetrokken) en verdachte ontvangt (ook) geen inkomsten uit de door hem jaren geleden gefinancierde skihal in Terneuzen. Verdachte geniet een AOW-uitkering en helpt zijn zoon, die het café runt in het pand waarin ook de coffeeshop destijds was gevestigd.

Ten slotte betrekt het hof in de afweging dat er in de landelijke politiek momenteel plannen worden gemaakt voor experimenten met een gereguleerde ‘achterdeur’ en wordt gesproken over een verhoging van de handelsvoorraad voor coffeeshops.

Alle voornoemde omstandigheden in ogenschouw nemende, acht het hof het raadzaam te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Beslag

Verbeurdverklaring

De hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (zoals genummerd op de aangehechte beslaglijst), volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 1 en 9 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Onttrekking aan het verkeer

De hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (zoals genummerd op de aangehechte beslaglijst), met behulp waarvan het onder 1 en 9 tenlastegelegde en bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Teruggave aan verdachte

Van de overige hierna te noemen inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen (zoals genummerd op de aangehechte beslaglijst) zal – voor zover daarop geen conservatoir beslag rust – de teruggave aan verdachte worden gelast, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, niet is gebleken dat deze aan een ander dan verdachte toebehoren en onder verdachte in beslag zijn genomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3, 11 en 11a (oud) van de Opiumwet en de artikelen 9a, 33, 33a, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 9 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 9 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 1 en 9 bewezen verklaarde – alsmede ter zake van het reeds door het gerechtshof Amsterdam onder 1, 2, 4, 7 en 8 bewezenverklaarde – geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- (1) bedrijfsauto [kenteken] , Volkswagen Caddy TDI, grijs;

- (5) weegschaal

- (10) weegschaal

- (12) weegschaal

- (13) weegapparatuur

- (14) microscoop

- (15) vacuümmeter.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- (2) jointmalmachine

- (11) afdekplaatjes jointmachine

- (17) elektrische jointmachine

- (19) houder(s) met hulzen voor joints.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, voor zover daarop geen conservatoir beslag rust, te weten:

- (3) boekje met telefoonnummers

- (4) schrift met info Checkpoint

- (6) administratieve bescheiden

- (8) doos met o.a. schuimrubberen houders

- (16) agenda Touchman

- (20) € 385,-

- (21) € 2.210,-

- (22) € 4.159,-

- (23) 515 Engelse ponden

- (24) 449 US dollars

- (25) € 550,-

- (26) € 1.005,-

- (27) 3070 Zwitserse franken

- (28) € 915,-

- (29) € 1.150,-

- (30) € 44.670,-

- (32) € 300,-.

Aldus gewezen door

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. S. Riemens en mr. P.M. Frielink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van Hoek-van der Vleuten, griffier,

en op 28 november 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. P.M. Frielink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.