Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5111

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
20-000193-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 47 lid 1, 2° Sr; uitlokking. Hof veroordeelt verdachte voor uitlokking door misbruik van gezag.

De zoon van verdachte heeft met twee vrienden een auto beschadigd die door de zoon van verdachte werd aangewezen als zijnde de auto van zijn vader. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte dit opzettelijk heeft uitgelokt door misbruik te maken van gezag. Hierbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat van ‘gezag’ in de zin van artikel 47 Sr ook sprake is in het geval van het uitoefenen van ouderlijk gezag, dan wel een daarvan afgeleide feitelijke gezagsverhouding, mits de bewijsmiddelen omstandigheden bevatten waaruit een dergelijk gezagsverhouding kan volgen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de nacht waarin de auto werd beschadigd de twee minderjarige vrienden van de zoon in de woning van de verdachte overnachtten en dat er die nacht naast de verdachte geen andere volwassene(n) in de woning aanwezig was/waren, zodat die avond/nacht derhalve een feitelijke gezagsverhouding bestond tussen verdachte en deze minderjarigen. Naar het oordeel van het hof was in deze situatie sprake van gezag in de zin van artikel 47 Sr. Voorts kwalificeert het hof de gedragingen van de verdachte als ‘misbruik’ van gezag, nu dit gedrag neerkomt op het herhaaldelijk en met klem aansporen van de twee vrienden van haar zoon, waardoor deze vrienden zijn overgehaald en zich onder druk voelden gezet de auto te bekrassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000193-17

Uitspraak : [geboortedag 3] 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 januari 2017 in de strafzaak met parketnummer

02-129188-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1978,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde en het subsidiair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, en de vordering benadeelde partij integraal zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Namens de verdachte is ten aanzien van het primair en het subsidiair ten laste gelegde vrijspraak bepleit, is een strafmaatverweer gevoerd en is de vordering benadeelde partij betwist.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Gelet op het tweede gedeelte van de subsidiaire tenlastelegging, waarin verdachte wordt verweten dat zij [uitgelokte 1] en/of [uitgelokte 2] – kort gezegd – heeft uitgelokt, leest het hof het eerste gedeelte van de subsidiair tenlastelegging verbeterd zoals hierna vermeld. Aan verdachte is, met inachtneming daarvan, ten laste gelegd dat:

zij, in of omstreeks de periode van 10 februari 2016 tot en met 11 februari 2016 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (gekentekend [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[uitgelokte 1] en/of [uitgelokte 2] , in of omstreeks de periode van 10 februari 2016 tot en met

11 februari 2016 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, tezamen en in vereniging met

[dader 1] , opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (gekentekend

[kenteken 1] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan [dader 1] en/of [uitgelokte 1] en/of

[uitgelokte 2] , heeft/hebben vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt,

welk strafbaar feit verdachte in of omstreeks de periode van 10 februari tot en met

11 februari 2016 te Gilze, gemeente Gilze en Rijen, opzettelijk heeft uitgelokt door misbruik te maken van gezag door als volwassen ouder van [dader 1] , vriend van

[uitgelokte 1] en/of [uitgelokte 2] , meermalen de minderjarige(n) [uitgelokte 1] en/of [uitgelokte 2] aan te zetten, dan wel opdracht te geven, dan wel te vragen, dan wel te zeggen mee te gaan met [dader 1] om die auto te bekrassen.

Vrijspraak primair

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging kan worden bekomen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] , in de periode van 10 februari 2016 tot en met 11 februari 2016 te Rijen, gemeente Gilze en Rijen, tezamen en in vereniging met [dader 1] , opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (gekentekend [kenteken 1] ), toebehorende aan [benadeelde] , hebben beschadigd,

welk strafbaar feit verdachte in de periode van 10 februari tot en met 11 februari 2016 te Gilze, gemeente Gilze en Rijen, opzettelijk heeft uitgelokt door misbruik te maken van gezag door als volwassen ouder van [dader 1] , vriend van [uitgelokte 1] en

[uitgelokte 2] , meermalen de minderjarigen [uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] aan te zetten mee te gaan met [dader 1] om die auto te bekrassen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijs

I. Standpunten advocaat-generaal en raadsvrouw

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het subsidiair ten laste gelegde (uitlokking van medeplegen van vernieling) bewezen zal worden verklaard.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde en is in het bijzonder aangevoerd dat weliswaar duidelijk is dat de jongens [dader 1] , [uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] in de periode van

10 februari 2016 tot en met 11 februari 2016 de auto van [benadeelde] hebben bekrast, maar dat de verdachte deze beschadiging niet heeft uitgelokt. Integendeel, de verdachte heeft pas enkele maanden na de bekrassing kennis daarvan genomen en zou de genoemde jongens hebben tegengehouden als zij, verdachte, op de hoogte zou zijn geweest van hun voornemen tot beschadiging van de auto. Voorts is gesteld dat de verdachte in elk geval geen dubbel opzet heeft gehad, te weten opzet op de uitlokking als zodanig en opzet op het grondfeit medeplegen van vernieling. Daarnaast is betoogd dat de verklaringen van

[uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] , zo begrijpt het hof, onbetrouwbaar zijn en dat zij een eigen belang hebben gehad bij het afleggen van een belastende verklaring jegens verdachte, omdat aldus niet alle schuld op henzelf zou komen te liggen.

II. Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen

Het hof acht de volgende bewijsmiddelen redengevend.1

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 februari 2016 (procesdossier, pg. 6-7), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde]:

Ik doe aangifte van vernieling van mijn personenauto. Ik ben eigenaar van een personenauto van het merk Volkswagen Fox, kleur zwart en voorzien van het kenteken: [kenteken 1] .

Op woensdag 10 februari 2016 omstreeks 21.45 uur zag ik dat mijn auto nog onbeschadigd was. De auto stond geparkeerd ter hoogte van de woning aan de [adres 2] te Rijen. Ik ben zelf woonachtig in een woning aan de

[adres 3] . Op donderdag 11 februari, omstreeks 10.30, vernam ik dat mijn auto was beschadigd. Ik zag dat de linker- en rechterzijde en de motorkap van de auto waren bekrast.

Voor zover mij bekend, is mijn auto als enige beschadigd. Ik denk dat het een bewuste actie is geweest tegen mij of mijn man. Mijn partner heeft problemen met de omgang met zijn kinderen. Zijn zoon, [dader 1] is 15 jaar oud. Mijn partner ziet zijn kinderen al geruime tijd niet meer. Begin februari is er bericht gekomen van de rechtbank in verband met de ondertoezichtstelling van de kinderen. We hebben het vermoeden dat dit mogelijk een trigger kan zijn voor [dader 1] om iets richting ons en/of zijn vader te doen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 30 mei 2016 (procesdossier, pg. 34-40), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van

[uitgelokte 1] , geboren op [geboortedag 2] 1998:

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord verdachte

O: Opmerking verbalisant

V: Wat kun je vertellen waarom je hier zit?

A: Over het bekrassen van die auto. Ik ben in februari bij [dader 1] thuis geweest, ik en [uitgelokte 2] bleven daar slapen. Er was die avond een feestje van het zusje van [dader 1] , genaamd [betrokkene 1] . Er waren ook meerdere meisjes aanwezig.

[dader 1] en zijn moeder begonnen over de auto van zijn vader. Zij hadden het idee om deze te bekrassen. Ik vroeg nog zullen we dat wel doen. Maar zij bleven doordrukken waardoor ik al geen nee meer kon zeggen. Ik voelde me echt onder druk gezet. Ik voelde me vooral door die moeder onder druk worden gezet. Ze probeerde mij te overtuigen door slechte dingen over de vader van [dader 1] te vertellen en mij op die manier over te halen. Ik heb uiteindelijk de beslissing genomen om mee te gaan samen met [dader 1] en [uitgelokte 2] .

V: Wat heb je meegenomen om de auto te bekrassen?

A: Kleine zakmesjes, die [dader 1] aan ons gaf.

V: Weet je nog hoe laat je ongeveer bent vertrokken vanuit de woning van [dader 1] ?

A: Rond half één denk ik

V: Waar ben je toen heen gegaan?

A: Naar de vader van [dader 1] , ik weet niet hoe die straat heet. In Rijen.

V: Is het [straatnaam] ?

A: Ja dat klopt

V: Heeft de moeder van [dader 1] jullie nog tegen proberen te houden of heeft ze jullie aangespoord?

A: Ze zei alleen tot straks en meer zei ze niet, ze had niet de intentie om ons tegen

te houden.

V: Wat vind je ervan dat zij jullie niet tegenhield?

A: Ik vind het sowieso raar dat ze ons dat laat doen, dat ze ons ook zover krijgt om

mee te gaan om dit te doen.

V: Wie woont er op [adres 3] te Rijen?

A: De vader van [dader 1] met zijn vriendin.

V: Hoe laat waren jullie in de [straatnaam] ?

A: Ik denk rond 01.00 uur.

V: Welke vernieling heb je aangebracht op de auto?

A: Ik en [uitgelokte 2] hebben aan de rechterkant van de auto een kras aangebracht, over de

gehele lengte van de rechterzijkant. [dader 1] heeft de krassen op de motorkap aangebracht en aan de linkerzijkant.

V: Hoe heb je dit gedaan?

A: Met het kleine zakmesje welke we van [dader 1] hebben gekregen.

V: Waarom heb je dat gedaan?

A: Omdat ik mezelf heb laten overhalen om dit te doen

V: Van wie was deze auto?

A: Van die vader of die vriendin dat weet ik niet, [dader 1] zei dat we deze auto moesten hebben.

V: Heb je toen je bij [dader 1] thuis kwam nog iets gezegd over de vernieling?

A: Die moeder vroeg of er nog iets met ons was gebeurd.

V: Wat vind je van het gedrag van de moeder van [dader 1] ?

A: Niet leuk, en vooral niet voor die kleine meisjes die er waren. Omdat ze zo op hun aan het inpraten waren en dat zij niets mochten zeggen. Dit heeft ze tegen mij en [uitgelokte 2] ook gezegd, dat we niks mochten zeggen.

3. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 30 mei 2016 (procesdossier, pg. 43-50), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van

[uitgelokte 2] , geboren [geboortedag 3] 2000:

V: Vraag verbalisant

A: Antwoord verdachte

O: Opmerking verbalisant

V: Waar was jij op de avond van woensdag 10 februari op 11 februari 2016?

A: Bij [dader 1] .

V: Wie waren er allemaal aanwezig in de woning van [dader 1] ?

A: [uitgelokte 1] , 5 vriendinnen van het zusje van [dader 1] , [dader 1] zelf, zijn zus en ik. De moeder van [dader 1] .

[…]

A: Ik ben met [dader 1] en [uitgelokte 1] vertrokken.

V: Waar ben je toen heen gegaan?

A: Wij zijn naar Rijen toe gegaan. Wij zijn naar de auto van de vader van [dader 1] geweest.

V: Wat hebben jullie uitgesproken naar de rest van de aanwezigen?

A: Die moeder zei tegen ons ga naar Rijen om de auto te bekrassen van de vader van [dader 1] .

O: Dus de moeder van [dader 1] zegt ga de auto bekrassen en dan gaan jullie gewoon dat doen.

V: Wat ging er door je heen dan, wat dacht je toen ze dit zei?

A: Ik wilde dat wel doen. [dader 1] vroeg dit iedere keer.

O: Eerst wilde je niet mee en toch ben je meegegaan.

V: Wie heeft jou dan overgehaald?

A: Die moeder van [dader 1] . (…) Ik had daar net gelogeerd.

V: Heeft de moeder van [dader 1] jullie nog tegen proberen te houden of heeft ze jullie aangespoord?

A: Omdat [uitgelokte 1] en ik in de eerste instantie niet mee wilden bleef ze toch aandringen.

V: Hoe ging dit aansporen dan?

A: Ze zei iedere keer ga met [dader 1] mee om de auto te bekrassen. Ze zei dit op een blije manier en bleef het maar herhalen. [dader 1] vroeg het ook een paar keer.

V: Hebben andere aanwezigen gehoord dat dit werd gevraagd?

A: Ja.

V: Wie waren er nog bij dan?

A: Dat zusje en die vriendin.

V: Wat heb je meegenomen vanuit het huis van [dader 1] om die vernieling te plegen?

A: Een mes van [dader 1] . Dit was een zakmes.

V: Wat was je daarmee van plan?

A: Hiermee gingen we de auto van de vader van [dader 1] bekrassen.

V: Wat deed dat met je toen je dat mes in je handen had en daarmee een auto moedwillig ging vernielen?

A: Niet veel. Ik werd opgefokt door die moeder

V: Wat heb je daar gedaan in de nacht van 10 op 11 februari 2016?

A: We gingen met ons drieën kijken of hij nog wakker was. Boven zagen we nog licht. [dader 1] ging de auto van zijn vader zoeken en toen hebben we de krassen er op gezet.

V: Welke vernieling heb je aangebracht op de auto?

A: Een paar krassen.

V: Hoe heb je dit gedaan?

A: Met dat mes.

V: Waar heb je de krassen gezet op de auto?

A: Ik heb 2 of 3 krassen gezet. [uitgelokte 1] ook maar een paar en [dader 1] bleef maar doorgaan met krassen.

V: Wat voor auto was dit?

A: Een Volkswagen volgens mij. Ik denk zwart of blauw van kleur.

V: Heb je toen je bij [dader 1] thuis kwam nog iets gezegd over de vernieling?

A: Die moeder zei tegen ons dat we het goed gedaan hadden. Ze was net als [dader 1] nog blijer.

Uit de aangifte en de verklaringen van [uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] blijkt dat zij in de nacht van woensdag 10 februari 2016 op donderdag 11 februari 2016 een auto hebben beschadigd die door [dader 1] werd aangewezen als zijnde de auto van de vader van [dader 1] , maar die in werkelijkheid toebehoorde aan de vriendin van de vader van [dader 1] ,

[benadeelde] .

[dader 1] heeft bij de politie ontkend dat hij bij het beschadigen van de auto aanwezig is geweest, echter zowel uit de verklaringen van [uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] als uit de verklaring van de getuige [getuige 1] als weergegeven in het hierna op te nemen bewijsmiddel blijkt dat er drie personen bij het beschadigen van de auto betrokken waren.

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 15 februari 2016 (procesdossier, p. 13 en 14), voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1], wonende aan de

[adres 4] in Rijen:

In de nacht van woensdag 10 februari op donderdag 11 februari was ik omstreeks 00.55 uur nog wakker. Ik bevond mij in de woonkamer en ik keek uit het raam aan de voorzijde van de kamer naar buiten. Ik zag dat de auto van de bewoonster van pand 12 geparkeerd stond in een parkeervak tegenover mijn woning. Ik zag opeens drie personen bij en rondom de auto staan. Ik zag dat ze gehurkt zaten bij de auto en dat ze wegdoken.

Voorts worden de verklaringen van [uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] ondersteund door de verklaring van een van de vriendinnetjes van [betrokkene 1] , de zus van [dader 1] , als weergegeven in het volgende bewijsmiddel.

5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 15 april 2016 (procesdossier pagina's 15 en 16) voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] , geboren [geboortedag 4] 2003:

Ik weet nog dat ik, volgens mij op 10 februari 2016, op het verjaardagsfeestje was van [betrokkene 1] . Wij zouden bij [betrokkene 1] blijven slapen op het adres [adres 5] te Gilze. In de nacht was ik bij [betrokkene 1] en met [betrokkene 1] , haar broer [dader 1] , [uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] . Ik weet dat ook de moeder van [betrokkene 1] erbij was. Ik weet nog dat we het over de vader van [betrokkene 1] hadden. Ik hoorde dat [verdachte] [hof: de moeder van [betrokkene 1]], [dader 1] , [uitgelokte 2] en [uitgelokte 1] erg lelijk aan het praten waren over de vader van [betrokkene 1] . Een tijdje daarna zijn [dader 1] , [uitgelokte 2] en [uitgelokte 1] met de fiets vertrokken. Ik hoorde dat ze zeiden dat ze naar Rijen gingen. Ik weet dat zowel [dader 1] als [uitgelokte 2] als [uitgelokte 1] ieder een zakmes hadden.

Ik hoorde dat de jongens zeiden dat ze de auto van de vader van [betrokkene 1] gingen bekrassen. Ik zat nog beneden toen [dader 1] , [uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] terug kwamen. Ik hoorde dat [dader 1] , [uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] zeiden: "Zo, we hebben die auto echt dik bekrast".

Toen [dader 1] , [uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] net met de fiets waren vertrokken, zei de moeder van [betrokkene 1] tegen mij dat ik dit tegen niemand mocht vertellen, omdat we dan allemaal in de problemen zouden komen.

Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de voor bewijs gebruikte verklaringen van de getuigen [uitgelokte 1] , [uitgelokte 2] en [getuige 2] , omdat hun verklaringen over de gang van zaken tijdens het ‘slaapfeestje’ gedetailleerd zijn en elkaar onderling ondersteunen.

Met betrekking tot de uitlokking acht het hof tevens van belang de verklaring die verdachte op 2 juni 2016 bij de politie heeft afgelegd2, inhoudende dat zij destijds alleen met haar twee kinderen [dader 1] en [betrokkene 1] woonde aan de [adres 5] te Gilze, dat op 10 en 11 februari 2016 haar dochter een verjaardagsfeestje gaf voor een stuk of zes vriendinnen en dat naast hen ook [uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] die avond bij haar aan de [adres 5] in Gilze zijn blijven slapen.

III. Conclusie

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Het hof is van oordeel dat uit de verklaringen van aangeefster [benadeelde] en de getuigen [uitgelokte 1] , [uitgelokte 2] en [getuige 1] blijkt dat de auto van [benadeelde] , geparkeerd in Rijen, gemeente Gilze Rijen, in de nacht in de nacht van woensdag 10 februari 2016 op donderdag 11 februari 2016 is beschadigd door

[dader 1] , [uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] , die in bewuste en nauwe samenwerking handelden. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt eveneens dat de verdachte deze vernieling opzettelijk heeft uitgelokt door misbruik te maken van gezag zoals in de bewezenverklaring omschreven.

Hierbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat van ‘gezag’ in de zin van artikel

47 Sr ook sprake is in het geval van het uitoefenen van ouderlijk gezag, dan wel een daarvan afgeleide feitelijke gezagsverhouding, mits de bewijsmiddelen omstandigheden bevatten waaruit een dergelijk gezagsverhouding kan volgen.3 Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt dat in de nacht van woensdag 10 februari 2016 op donderdag 11 februari 2016 in de woning van de verdachte aan [adres 5] te Gilze een zogeheten ‘slaapfeestje’ plaatsvond, waarbij naast haar eigen twee kinderen circa acht minderjarigen overnachtten, waaronder [uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat die nacht naast de verdachte geen andere volwassene(n) in de woning aanwezig was/waren, zodat die avond/nacht derhalve een feitelijke gezagsverhouding bestond tussen verdachte en deze minderjarigen. Naar het oordeel van het hof was in deze situatie sprake van gezag in de zin van artikel 47 Sr.

Voorts kwalificeert het hof de gedragingen van de verdachte zoals deze blijken uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen als ‘misbruik’ van gezag, nu dit gedrag neerkomt op het herhaaldelijk en met klem aansporen van de die nacht bij haar verblijvende [uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] tot vernieling, waardoor [uitgelokte 1] en [uitgelokte 2] volgens hun zeggen zijn overgehaald en zich onder druk voelden gezet de auto te bekrassen.

IV. Reactie op standpunten raadsvrouw

Het verweer van de raadsvrouw dat de verdachte de beschadiging van de auto niet opzettelijk heeft uitgelokt en het standpunt van de verdediging dat de verdachte pas enkele maanden na de bekrassing kennis daarvan heeft genomen, worden weerlegd door de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen. Voorts blijkt uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen dat de verdachte zowel opzet had op het grondfeit medeplegen van vernieling als op de uitlokking van dat feit.

Het hof verwerpt de verweren.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd als:

door misbruik van gezag opzettelijk uitlokken van medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof neemt het de verdachte in het bijzonder kwalijk dat zij, nota bene tijdens een slaapfeestje van haar dochter, twee minderjarige logeetjes heeft aangezet tot het plegen van een ernstig strafbaar feit en vervolgens, toen deze jongens hun wandaden hadden opgebiecht, niet de verantwoordelijkheid voor haar aandeel in het geheel heeft genomen. Daarmee heeft de verdachte niet alleen haar gezag over deze minderjarigen misbruikt, maar ook het vertrouwen beschaamd dat die kinderen in haar mochten stellen. Bovendien heeft zij het vertrouwen beschaamd van de [ouders van] [uitgelokte 1 en 2] die hun kinderen voor een nacht hadden toevertrouwd aan haar zorg en waakzaamheid. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte de omstandigheid van het slaapfeestje ook heeft gebruikt om aanwezige minderjarigen op te zetten tegen haar ex-man, de vader van haar kinderen [betrokkene 1] en [dader 1] , als gevolg waarvan hinderlijke berichten via internet zijn verstuurd en vervelende anonieme telefoongesprekken zijn gevoerd met de vader van [betrokkene 1] en [dader 1] .

Alles overziend acht het hof een taakstraf voor het hieronder te vermelden aantal uren passend en geboden.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.094,76 als vergoeding voor materiële schade, bestaande uit een bedrag van € 3.025 incl. BTW (€2.500 excl. BTW) ter zake kosten voor reparatie van de auto (kenteken: [kenteken 1] ), € 60 kosten die de benadeelde partij bij reparatie dient te maken voor vervangend vervoer en € 9,76 reis- en parkeerkosten ten behoeve van het voegingsgesprek met een medewerker van Slachtofferhulp Nederland. Er is tevens wettelijke rente gevorderd.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. De verdediging heeft het bedrag ter zake reis- en parkeerkosten niet betwist.

Door de verdediging is wel aangevoerd dat de hoogte van de schade aan de auto onduidelijk is en derhalve onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof het volgende gebleken.

De benadeelde partij heeft bij haar vordering een taxatie van de reparatie van de schade gevoegd, hetgeen neerkomt op €2.500 excl. BTW voor het rondom spuiten van de auto. Gelet op de toegebrachte schade rondom de auto, zoals dit blijkt uit de bewijsmiddelen, komt dit bedrag het hof niet onredelijk voor. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de benadeelde partij tevens een Koerslijst van de ANWB overgelegd, waaruit blijkt dat de vervangingswaarde bij total loss € 3.000 bedraagt. Nu het bedrag dat wordt gevorderd voor de schade aan de auto dit bedrag overstijgt, zal het hof uitgaan van de vervangingswaarde bij total loss en de vordering voor het meerdere afwijzen.

De raadsvrouw heeft voorts gesteld dat de schade niet is geleden, aangezien de auto nog niet is gerepareerd en dat er ook nog geen vervangend vervoer heeft plaats gevonden.

Het hof verwerpt dit verweer, aangezien het feit dat de auto nog niet is gerepareerd niet afdoet aan de (abstract te begroten) schade aan die auto en de kosten voor het vervangend vervoer samenhangen met de voorgenomen reparatie van de auto, die enkel is uitgesteld omdat de benadeelde partij het gevorderde bedrag nodig heeft alvorens zij opdracht kan geven tot reparatie.

Het hof is derhalve van oordeel dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het handelen van verdachte zoals bewezen verklaard rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.069,76, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit de kosten voor reparatie van de auto (kenteken: [kenteken 1] ) à € 3.000, de kosten voor vervangend vervoer en de reis- en parkeerkosten. Ten aanzien van de wettelijke rente is het hof van oordeel dat die geldt vanaf de pleegdatum voor de toegebrachte schade aan de auto en voor de overige posten vanaf de datum waarop dit arrest wordt gewezen.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld. In hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om de gevorderde schade in verdergaande mate te matigen.

Verdachte is met de drie jonge daders hoofdelijk aansprakelijk voor de toegebrachte schade aan de auto. Indien een van de daders een deel van de schade reeds zou hebben vergoed, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, is verdachte in zoverre van haar betalingsverplichting bevrijd.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden, nu verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 24c, 36f, 47 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.069,76 (drieduizend negenenzestig euro en zesenzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente:

- over een bedrag van € 3.000,00 met ingang van 11 februari 2016;

- over een bedrag van € 69,76 met ingang van 20 november 2017,

telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.069,76 (drieduizend negenenzestig euro en zesenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente:

- over een bedrag van € 3.000,00 met ingang van 11 februari 2016;

- over een bedrag van € 69,76 met ingang van 20 november 2017,

telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G. Pesselse, griffier,

en op 20 november 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, District Hart van Brabant, proces-verbaalnummer PL2000-2016041497, sluitingsdatum 3 juni 2016, pg. 1 tot en met 71, hierna te noemen: procesdossier. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

2 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 2 juni 2016, procesdossier pagina’s 64 en 66.

3 Vgl. HR 14 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8788.