Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5110

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
200.211.607_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:392
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:4890
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kosten deskundigenonderzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 23 november 2017

Zaaknummer: 200.211.607/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/02/312677 FA RK 16-1445 en C/02/318352 FA RK 16-4218

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. P.C.M. Dirven.

In deze zaak wordt als belanghebbende aangemerkt:

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant (de GI),

gevestigd te [vestigingsplaats] , locatie [locatie] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 januari 2017, aangevuld bij beschikking van 14 maart 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 maart 2017, heeft de moeder verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep gegrond te verklaren en:

  • -

    primair te bepalen dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft;

  • -

    subsidiair te bepalen dat er een co-ouderschapsregeling zal worden vastgesteld, waarbij [minderjarige 1] week om week bij de moeder verblijft (de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder), alsmede te bepalen dat [minderjarige 1] gedurende de helft van de vakanties en de helft van de vrije dagen bij de moeder verblijft;

  • -

    de in de bestreden beschikking van 30 januari 2017 vervatte beslissing om de moeder wederom met het gezag over [minderjarige 1] te belasten, ongewijzigd in stand te laten.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 april 2017, heeft de vader verzocht voormelde beschikking van 30 januari 2017, gewezen onder nummer C/02/312677 FA RK 16-1445 te bevestigen.

2.3.

Bij verweerschrift, ingekomen op 4 mei 2017, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking van 30 januari 2017, aangevuld bij beschikking van 14 maart 2017, in stand te laten.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Gulickx;

- de vader, bijgestaan door mr. Z. Yeral (waarnemend voor mr. Dirven);

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 23 maart 2017 met bijlagen (het procesdossier van de eerste aanleg);

- het V6-formulier met bijlagen van de moeder d.d. 15 september 2017;

- het V6-formulier met bijlagen van de moeder d.d. 6 oktober 2017;

- het V6-formulier met bijlagen van de moeder d.d. 9 oktober 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 18 november 2010 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

[minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

De moeder heeft voorts drie oudere kinderen uit eerdere relaties: [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] (beiden meerderjarig) en [minderjarige 2] (minderjarig), die zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft.

3.2.

Bij beschikking van 17 maart 2014 zijn beide ouders onder curatele gesteld.

3.3.

Aangezien de ouders van rechtswege belast waren met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] ontstond er vanwege de ondercuratelestelling van beide ouders een gezagsvacuüm. Bij beschikking van 2 mei 2014 is (de rechtsvoorganger van) de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] , welke beschikking is gehandhaafd bij beschikking van 12 juni 2014. Bij beschikking van 27 augustus 2014 is (de rechtsvoorganger van) de GI belast met de definitieve voogdij over [minderjarige 1] .

3.4.

Het huwelijk van de ouders is op 9 juni 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.5.

Op 23 februari 2016 is de curatele van de vader opgeheven en zijn de goederen die de vader (zullen) toebehoren onder bewind gesteld.

Ook ten aanzien van de moeder is in februari 2016 de curatele opgeheven en zijn de goederen die haar (zullen) toebehoren onder bewind gesteld.

3.6.

Bij de bestreden beschikking van 30 januari 2017 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, uitvoerbaar bij voorraad:

- de vader wederom met het gezag over [minderjarige 1] belast;

- de moeder wederom met het gezag over [minderjarige 1] belast.

Uit het ambtshalve door het hof geraadpleegde gezagsregister blijkt dat bij (afzonderlijke) beschikking van 30 januari 2017 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda:

  • -

    de GI is ontslagen als voogd over [minderjarige 1] ;

  • -

    [minderjarige 1] onder toezicht is gesteld van de GI met ingang van 30 januari 2017 tot 30 oktober 2017, welke ondertoezichtstelling bij beschikking van 27 oktober 2017 is verlengd tot 30 juli 2018.

3.7.

Bij de bestreden beschikking van 14 maart 2017 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, de hierboven onder 3.6. als eerste genoemde beschikking aangevuld, in dier voege dat het dictum als volgt is komen te luiden:

wijst het verzoek van de [moeder] om het hoofdverblijf van de minderjarige [ [minderjarige 1] ], bij haar te bepalen, dan wel de omgangsregeling tussen haar en [ [minderjarige 1] ] uit te breiden af;

belast [de vader] wederom met het gezag over [ [minderjarige 1] ];

belast [de moeder] wederom met het gezag over [ [minderjarige 1] ];

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.”

3.8.

De moeder kan zich met afwijzing van haar verzoek om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij haar te bepalen dan wel de omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en haar uit te breiden, niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.9.

De moeder voert in haar beroepschrift en ter zitting van het hof - samengevat - het volgende aan.

De rechtbank heeft op haar inleidende verzoeken ter zitting mondeling beslist, maar een deel van deze beslissing is niet neergelegd in de beschikking van 30 januari 2017.

De omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] en het hoofdverblijf van [minderjarige 1] zijn niet meegenomen in het onderzoek van de raad, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in het rapport van 24 november 2016.

Het is in het belang van [minderjarige 1] dat hij het hoofdverblijf bij de moeder heeft en dat hij zijn halfbroer [minderjarige 2] vaker ziet. Als ook [minderjarige 1] bij de moeder woont kunnen zij een hechte familieband vormen. De moeder woont ook dichter bij de school van [minderjarige 1] dan de vader. De moeder heeft het gevoel dat ten tijde van de echtscheiding haar kinderen van haar zijn afgepakt. De moeder heeft zich op een positieve wijze ontwikkeld. Zij zet zich in om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar te kunnen laten wonen. De moeder heeft ook de ruimte in haar appartement om [minderjarige 1] bij haar te laten wonen. De moeder heeft een baan en haar schuldenproblematiek wordt aangepakt. Zij is geen ‘GGZ-patiënt’ meer en heeft geen psychische aandoening, maar de ziekte van Menorragie. De moeder volgt therapie om haar leven verder op de rit te krijgen. Het betreft thuisbegeleiding van SurPlus. De moeder heeft haar emoties onder controle en is zelfstandiger geworden. Zij heeft al anderhalf jaar een stabiele relatie.

De moeder verzoekt subsidiair een co-ouderschapsregeling vast te stellen. Momenteel geldt er een zeer beperkte contactregeling met [minderjarige 1] . De moeder mist [minderjarige 1] verschrikkelijk. Zij denkt echter niet aan haar eigen belang, maar aan het belang van de twee halfbroertjes die elkaar meer willen zien. In het Plan van Aanpak van 27 februari 2017 heeft de GI aangegeven dat [minderjarige 1] recht heeft op frequent en structureel contact met de moeder. De contactregeling werd in de loop van zes maanden geleidelijk uitgebreid naar een regeling waarbij één weekend per veertien dagen en de helft van de vakanties in ieder geval het uitgangspunt was. Nu verblijft [minderjarige 1] in de ene week van vrijdag 15.00 uur tot zondag 17.30 uur bij de moeder en in de andere week op woensdag van 12.30 uur tot 17.30 uur, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen. De stap naar co-ouderschap is klein en zou bovendien betekenen dat er minder wisselmomenten zijn. De GI heeft met betrekking tot [minderjarige 2] ook geadviseerd een co-ouderschapsregeling vast te stellen. Hieruit kan worden opgemaakt dat de moeder in staat is om voor haar kinderen te zorgen. Bij een co-ouderschapsregeling hebben de ouders een gelijkwaardige rol, hetgeen de strijd tussen de ouders zal verminderen.

3.10.

De vader voert in het verweerschrift en ter zitting – samengevat – het volgende aan.

De raad is niet gevraagd om onderzoek te doen naar de omgang en het hoofdverblijf, aangezien daartoe op dat moment geen aanleiding bestond.

[minderjarige 1] woont al zijn hele leven bij de vader. De vader biedt [minderjarige 1] wat hij van zijn opvoeder(s) vraagt. De vader heeft agressieregulatietherapie gevolgd, maar dit is in overleg met de behandelaar gestopt, omdat ‘daar niets uit kwam’.

De moeder is lange tijd onder behandeling geweest bij de GGZ. Dat is geen beletsel voor omgang, maar maakt het wel onwaarschijnlijk dat de moeder nu ineens in staat zou zijn om [minderjarige 1] te kunnen bieden wat hij nodig heeft. De moeder is bij de opvoeding van [minderjarige 1] aangewezen op de ondersteuning door anderen.

Er is geen sprake van een wijziging van omstandigheden die een aanpassing van de zorgregeling rechtvaardigt. De moeder voert bovendien geen feiten en omstandigheden aan waaruit blijkt dat [minderjarige 1] gebaat is bij een wijziging van het hoofdverblijf en de zorgregeling, dan wel dat een dergelijke wijziging noodzakelijk is. De huidige regeling verloopt goed.

De moeder komt steeds met eisen die prematuur zijn. De vader vraagt de moeder geduld op te brengen. De opbouw van de omgang wordt steeds geëvalueerd, waarbij gekeken is c.q. wordt of een uitbreiding mogelijk is. Hiermee is niet te verenigen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] thans bij de moeder wordt bepaald.

Rekening dient te worden gehouden met de problematiek van [minderjarige 1] . Hij heeft longproblemen en is vaak benauwd, met name in stress-verhogende situaties. De moeder geeft [minderjarige 1] onvoldoende gelegenheid om aan de veranderde situatie te wennen. [minderjarige 1] heeft behoefte aan stabiliteit en regelmaat. De moeder veroorzaakt door deze (zoveelste) procedure veel onrust.

Co-ouderschap behoort volgens de vader niet tot de mogelijkheden gezien de problematische relatie en samenwerking tussen de ouders. Vanuit de woning van de moeder zou [minderjarige 1] , anders dan bij de vader, niet met de taxibus naar school gaan. Dit wijkt af van wat hij gewend is, hetgeen voor hem tot onduidelijkheid leidt. Bovendien wonen de ouders ver van elkaar. [minderjarige 1] zou zich thuis moeten gaat voelen in twee verschillende omgevingen, hetgeen niet van hem verlangd kan worden.

3.11.

De GI voert in het verweerschrift en ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De omgangsregeling met de moeder is steeds stapsgewijs uitgebreid, rekening houdend met wat voor [minderjarige 1] haalbaar en passend was, waarbij zijn schoolprogramma en zijn algehele belastbaarheid als gevolg van zijn jonge leeftijd van belang waren. Inmiddels vindt ook steeds een overnachting plaats; de omgangsregeling is in de loop van de tijd fors uitgebreid.

De pedagogische aanpak van de moeder kenmerkt zich door het gegeven dat zij het moeilijk vindt om streng te zijn voor de jongens en hen te begrenzen. [minderjarige 1] is op dit moment sterk gebaat bij de gebruikelijke structuur en begrenzing, verzorging en continuïteit in de situatie bij de vader.

Ook bij de gezondheidsproblemen van [minderjarige 1] blijkt de moeder vooralsnog aangewezen op veel ondersteuning door de vader om de juiste afwegingen te maken.

Wel ziet de GI dat de moeder steeds zelfstandiger wordt en dat de communicatie tussen de ouders is verbeterd. Voor de onderlinge communicatie is echter vaak de interventie van een derde nodig. Alleen over de kleine dingen kunnen de ouders onderling afstemmen.

[minderjarige 1] heeft al veel veranderingen moeten ondergaan: de opname van de moeder, de scheiding van de ouders, minder contact met de moeder en recentelijk heeft hij een overstap gemaakt van het regulier basisonderwijs (in combinatie met deeltijdbehandeling voor zijn spraak-/taalproblematiek) naar het speciaal basisonderwijs.

[minderjarige 1] woont nu bovendien al zo lang bij de vader dat de ‘aanvaardbare termijn’ waarbinnen een terugplaatsing bij de moeder nog gerealiseerd had kunnen worden, inmiddels is verstreken.

De GI heeft, anders dan de moeder betoogt, niet het advies gegeven om een co-ouderschapsregeling vast te stellen met betrekking tot [minderjarige 2] . De GI heeft hierin formeel nog geen standpunt ingenomen noch daarover informele toezeggingen aan de moeder gedaan. Ook met betrekking tot [minderjarige 1] ziet de GI belemmeringen voor co-ouderschap, namelijk in de wijze waarop de ouders met elkaar communiceren, terwijl een dergelijke regeling hoge eisen aan de ouders stelt. [minderjarige 1] zou steeds geconfronteerd worden met de spanningen tussen de ouders. De GI adviseert de regeling waaraan thans feitelijk uitvoering wordt gegeven, vast te leggen in de door het hof te geven beschikking.

3.12.

De raad heeft ter zitting van het hof – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De raad sluit zich aan bij het betoog van de GI en de gebezigde argumenten om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vader te houden.

Co-ouderschap is niet in het belang van [minderjarige 1] . Met behulp van systeemtherapie wordt getracht tot een betere communicatie en afstemming tussen de ouders te komen. De ouders zitten niet op één lijn en zijn het veelal oneens.

Op de lange termijn is het schadelijk voor [minderjarige 1] om de huidige situatie te wijzigen, gezien de rust en de stabiliteit die er nu is. Het traject dient voortgezet te worden en de omgang dient bestendigd te worden. Er dient duidelijkheid te zijn voor iedereen en stabiliteit voor [minderjarige 1] .

3.13.

Het hof overweegt het volgende.

3.13.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

Daartoe behoort onder meer, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a en b, BW, een geschil omtrent de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken en het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere contactregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.13.2.

Tussen partijen is in geschil waar [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf dient te hebben en op welke wijze de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot hem dient te worden vastgesteld.

3.13.3.

Het hof stelt vast dat [minderjarige 1] , ondanks zijn jonge leeftijd, al veel heeft meegemaakt. Het hof verwijst onder meer naar de opname van de moeder in een psychiatrisch ziekenhuis, in welke periode hij de moeder enige tijd niet heeft gezien, en naar het uiteengaan van zijn ouders. [minderjarige 1] groeit bovendien op in een situatie waarin sprake is van een ernstige ex-partnerstrijd tussen de ouders, waardoor hij belast wordt met spanningen en onrust samenhangend met de juridische procedures die de ouders over hem voeren. Kort geleden heeft [minderjarige 1] de overstap gemaakt naar speciaal onderwijs. Hierdoor is wederom veel voor hem veranderd.

[minderjarige 1] is een kwetsbare jongen met kind-eigen problematiek, waaronder een taal-/ spraakachterstand. Gelet op deze kwetsbaarheid heeft [minderjarige 1] een meer dan gemiddelde behoefte aan duidelijkheid, rust en stabiliteit.

3.13.4.

De moeder voert aan dat de raad geen afzonderlijk onderzoek heeft verricht naar het hoofdverblijf en de contactregeling. Het hof stelt echter vast dat op basis van de stukken (waaronder het raadsrapport) een voldoende beeld kan worden gevormd van de ontwikkeling en opvoedingsomgeving van [minderjarige 1] (zowel bij de vader als de moeder), de eisen die [minderjarige 1] aan zijn opvoeder(s) stelt en de mogelijkheden en onmogelijkheden van de ouders om daaraan te beantwoorden. De raad heeft daaromtrent uitvoerig in diens rapport van 24 november 2016 gerapporteerd. Een aanvullend onderzoek door de raad, voor zover in de grief van de moeder dient te worden gelezen dat zij daar in hoger beroep om verzoekt, acht het hof derhalve niet noodzakelijk om tot een verantwoorde beoordeling van de voorliggende verzoeken te kunnen overgaan.

3.13.5.

Het hof onderkent dat de moeder op persoonlijk en pedagogisch vlak groei heeft doorgemaakt en nog steeds doormaakt. Het hof acht het echter niet in het belang van [minderjarige 1] om hem (wederom) te belasten met een wijziging in de voor hem thans bekende opvoedsituatie. De vader is in staat om de dagelijkse verzorging van [minderjarige 1] op zich te nemen en om dit te blijven doen. Hij biedt [minderjarige 1] een opvoedingsklimaat waarin sprake is van structuur, duidelijkheid en rust zodat [minderjarige 1] zich (binnen zijn mogelijkheden) optimaal kan ontwikkelen. Hoe begrijpelijk de wens van de moeder ook is om zelf voor [minderjarige 1] te kunnen zorgen en hem in gezinsverband met zijn halfbroer te kunnen laten opgroeien, het belang van [minderjarige 1] om in de voor hem vertrouwde omgeving bij de vader te kunnen wonen en opgroeien met behoud van de rust en stabiliteit die dat met zich brengt, weegt zwaarder.

3.13.6.

Ook co-ouderschap is naar het oordeel van het hof niet in het belang van [minderjarige 1] , nu het contact en de verstandhouding tussen de ouders daarvoor niet goed genoeg zijn. Met ondersteuning en interventie van derden kunnen de ouders over kleine dingen overleg voeren, maar zwaarwichtige of complexere aangelegenheden betreffende [minderjarige 1] kunnen de ouders niet op een adequate manier met elkaar bespreken. De nog altijd aanwezige strijd tussen de ouders staat aan een adequate samenwerkingsrelatie op ouderniveau in de weg. Onder die omstandigheden zou een co-ouderschapsregeling te veel onrust en spanning met zich brengen. Daarbij komt dat ook een co-ouderschapsregeling een te grote wijziging in de opvoedsituatie en te veel onduidelijkheid voor [minderjarige 1] teweeg zou brengen, hetgeen voor hem te belastend zou zijn.

3.13.7.

Uit de stukken en het besprokene ter zitting blijkt dat de GI het verloop van het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder steeds heeft geëvalueerd, en waar mogelijk dat contact telkens heeft uitgebreid. Dit heeft geresulteerd in een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waarbij [minderjarige 1] in de ene week van vrijdag 15.00 uur tot zondag 17.30 uur en in de andere week op woensdag van 12.30 uur tot 17.30 uur bij de moeder verblijft, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.

De GI heeft geadviseerd om voor nu de huidige regeling te formaliseren door opneming daarvan in de door het hof te geven beschikking.

De regeling waaraan thans uitvoering wordt gegeven acht het hof, met inachtneming van al hetgeen hiervoor is overwogen, in het belang van [minderjarige 1] . Het hof zal dan ook overeenkomstig het advies van de GI beslissen.

3.14.

Nu de beschikking van 30 januari 2017 bij beschikking van 14 maart 2017 (derhalve op dezelfde datum als de datum van binnenkomst van het beroepschrift) is aangevuld, behoeft de grief van de moeder waarin zij stelt dat de beschikking van 30 januari 2017 niet volledig is, geen nadere bespreking.

3.15.

Het hof zal de beschikking van 30 januari 2017 zoals aangevuld bij beschikking van 14 maart 2017 vernietigen, voor zover daarbij het verzoek van de moeder tot uitbreiding van de geldende contactregeling in het kader van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 1] tussen de ouders (voorheen omgangsregeling) is afgewezen, en een zorgregeling vaststellen als hierna te melden. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarbij het verzoek van de moeder tot vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij haar is afgewezen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 januari 2017, zoals aangevuld bij beschikking van 14 maart 2017, uitsluitend voor zover daarbij het verzoek van de moeder tot uitbreiding van de geldende contactregeling in het kader van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] tussen de ouders (voorheen omgangsregeling) is afgewezen;

stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [minderjarige 1] de volgende regeling vast:

bepaalt dat [minderjarige 1] in de ene week van vrijdag 15.00 uur tot zondag 17.30 uur en in de andere week op woensdag van 12.30 uur tot 17.30 uur bij de moeder verblijft, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van 30 januari 2017, zoals aangevuld bij beschikking van 14 maart 2017, voor zover daarbij het verzoek van de moeder tot vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij haar is afgewezen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J.H.M. Mertens-Steeghs, P.M.M. Mostermans en P. Vlaardingerbroek en is op 23 november 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. Brouwer-van de Put, griffier.