Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:5109

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
20-001230-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:2856
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Agent schiet meermalen op burger. Bevestiging vonnis rechtbank met aanvulling van gronden. Poging zware mishandeling en zware mishandeling. Beroep op putatief noodweer gegrond. Ontslag van alle rechtsvervolging. Benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001230-17

Uitspraak : 2 november 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 maart 2017 in de strafzaak met parketnummer

03-661194-15 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

domicilie kiezende te [woonplaats] .

Hoger beroep

De rechtbank Limburg heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Het onder 1 subsidiair en het onder 2 primair ten laste gelegde is bewezenverklaard, waarna het beroep op putatief noodweer is toegewezen en de verdachte van alle rechtsvervolging is ontslagen. Gelet op deze beslissing is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde en hem ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis. Voorts is gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij, bij wijze van voorschot, dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,00.

Door en namens verdachte is, kort gezegd, betoogd dat de verdachte van het onder 1 primair en het onder 2 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

In het geval het hof tot een bewezenverklaring van één of meer feiten komt, is betoogd dat de verdachte in overeenstemming heeft gehandeld met de Politiewet en de Ambtsinstructie waardoor hem een beroep toekomt op artikel 42 Sr. De bewezenverklaarde feiten zijn daarmee niet strafbaar en verdachte dient van alle rechtsvervolging te worden ontslagen.

Mocht het hof dat betoog niet volgen dan geldt dat de verdachte een geslaagd beroep kan doen op feitelijke dwaling dan wel putatief noodweer, waardoor de verdachte niet strafbaar is en van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen. In het geval het hof de verdachte toch strafbaar acht, is verzocht artikel 9a Sr toe te passen, althans een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is primair betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in die vordering omdat de verdachte van alle rechtsvervolging ontslagen dient te worden.

Subsidiair is verzocht de vordering geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren nu de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Meer subsidiair is verzocht de vordering te matigen, met name met betrekking tot de gevorderde immateriële schade.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden bevestigd: het hof neemt de beslissingen van de rechtbank over ten aanzien van de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, de strafbaarheid van de bewezenverklaarde feiten, de kwalificatie, de strafbaarheid van de verdachte en ten aanzien van de benadeelde partij, en maakt die tot de zijne. Bovendien kan het hof zich nagenoeg geheel verenigen met de gronden waarop deze beslissingen van de rechtbank berusten, behoudens enkele aanvullingen en verbeteringen. Omwille van de leesbaarheid van de motivering van de door het hof van de rechtbank overgenomen beslissingen, worden deze aangevulde en verbeterde gronden hieronder integraal weergegeven.

1 Ten aanzien van de bewezenverklaringen van feiten 1 en 2

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer] .

Volgens de advocaat-generaal kan tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en het onder 2 primair ten laste gelegde worden gekomen.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijspraak betoogd omdat de schotverwonding aan de linkervoet/enkel van [slachtoffer] niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd. Voor wat betreft de bewezenverklaring van het 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de verdediging gesteld dat niet bewezen kan worden dat een causaal verband bestaat tussen het schieten van de verdachte en het letsel dat is ontstaan aan het rechterbovenbeen van [slachtoffer] , te weten een beenbreuk en zenuwschade. In het letselschaderapport opgemaakt door forensisch geneeskundige [naam forensisch geneeskundige] is weliswaar geconcludeerd dat voornoemd causaal verband bestaat, maar onduidelijk is op grond van welke feiten en omstandigheden tot die conclusie is gekomen. Bovendien wordt in de medische rapporten onvoldoende weersproken dat de breuk mogelijk is ontstaan bij de latere worsteling van [slachtoffer] met verdachte of met andere collega’s bij zijn aanhouding. Door de verdediging is met een verwijzing naar het Hiv-arrest gesteld dat de kans dat het letsel is veroorzaakt door de ontstane worsteling en het daarbij toegepaste geweld op het been van [slachtoffer] niet als ‘veel geringer’ kan worden aangemerkt dan de kans dat het letsel door een kogel/patroon afkomstig van het wapen van verdachte is veroorzaakt. Maar zelfs als die kans ‘veel geringer’ zou zijn, betekent het niet dat aan die kans als hoogst onwaarschijnlijk kan worden voorbijgegaan. Gelet daarop dient de verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor zover het een bewezenverklaring ter zake van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde betreft.

Het oordeel van het hof 1

Inleiding

In deze zaak dient het hof een oordeel te geven over het handelen van een

politiefunctionaris, die in de uitoefening van zijn functie gebruik heeft gemaakt van zijn

dienstwapen en daarmee meerdere malen heeft geschoten.

Het hof overweegt met de rechtbank allereerst dat politiemensen hun werk vaak moeten verrichten onder moeilijke omstandigheden. Daarbij kunnen ze in situaties terecht komen waarin burgers of zijzelf aan levensgevaar worden blootgesteld en dan wordt juist van hen verwacht dat zij deze gevaarlijke situaties tegemoet treden. Door juiste bewapening en een goede training is de politie daarop voorbereid en mag van haar verwacht worden dat geweld enkel wordt toegepast binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit en binnen de kaders van de geldende geweldsinstructie. Daarnaast heeft de politie, evenals iedere burger, het recht zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

De politieman in deze zaak ging ervan uit dat de man op wie hij schoot zojuist een

vuurwerkbom had gegooid tegen de voordeur van een woning, dat dit mogelijk verband hield met op dat moment in de regio spelend Outlaw Motor Gang-geweld (hierna OMG) en dat de man mogelijk gewapend was. Hij dacht ook dat op het betreffende adres een OMG-lid woonde, terwijl dit achteraf onjuist bleek. Het hof realiseert zich dat het achteraf

oordelen over een dergelijke situatie, met meer en andere kennis dan die beschikbaar was op

het actuele moment waarop de politieman zich in die situatie begaf en moest beslissen

binnen een fractie van het moment, niet eenvoudig is. Dat geldt in veel zaken die aan het hof worden voorgelegd, maar het geldt in deze zaak eens te meer nu achteraf is

gebleken dat de man die is neergeschoten niet met (een) vuurwerk(bom) heeft gegooid maar

met een steen, geen enkele betrokkenheid had met OMG-gerelateerd geweld, geen wapens

bij zich droeg en ten tijde van het gebeuren ernstig verward/psychotisch was.

Hieronder wordt de politieman aangeduid als verdachte. Degene op wie hij heeft geschoten

wordt aangeduid als ‘de man’ of als [slachtoffer] .

De feiten

De meldkamergesprekken

Op 31 mei 2015 omstreeks 22.35 uur komt er bij de meldkamer een melding binnen van het

gooien van vuurwerk tegen de voordeur van de woning aan de [adres] te [plaats 1] .

De echtgenoot van meldster zou achter de man aan zijn gegaan.

Even later, omstreeks 22:38 uur belt de echtgenoot van de meldster, getuige [getuige 1] , naar de meldkamer. Hij meldt dat er bij de [adres] te [plaats 1] vuurwerk tegen het huis is gegooid en dat hij de man die dat heeft gedaan aan het volgen is.2 Getuige [getuige 1] blijft

vervolgens aan de lijn met de meldkamer.

Verdachte krijgt omstreeks 22:40 uur van de meldkamer het bericht dat er zojuist vuurwerk

is gegooid tegen een woning op de [adres] te [plaats 1] en dat er iemand

achter de man aan loopt. Het zou gaan om een getinte man met een witte hoodie en een

spijkerbroek.

Omstreeks 22:42 uur meldt verdachte dat de [adres] een OMG-gerelateerd adres is

en dat hij zo daar is.3

Omstreeks 22:43 uur vraagt verdachte hem nogmaals het signalement van de man door te

geven. Tevens wordt hem doorgegeven dat de melder samen met een buurtgenoot aan de

overzijde van de weg, dus aan de andere kant dan waar de man loopt, zou lopen en de man

nog steeds volgt.4

Omstreeks 22:45 uur vraagt de meldkamer aan getuige [getuige 1] of hij al een politieauto ziet

naderen. Getuige [getuige 1] meldt enkele seconden later dat hij inderdaad een politieauto ziet

en dat de politieauto rechts bij de man stopt. Kort hierna meldt getuige [getuige 1] dat de

politieagent heeft geschoten en even later wordt er gemeld dat er meerdere keren is

geschoten.5

Omstreeks 22:48 uur meldt verdachte dat hij meerdere malen op de man heeft geschoten, dat hij hem heeft neergeschoten en dat de man gewond is aan zijn benen. Hij meldt ook dat de man niet meewerkt. Verdachte meldt dan ook dat hij collega’s ziet arriveren.6

Omstreeks 22:52 uur meldt verdachte dat de man is geboeid en omstreeks 22.56 uur meldt de chef van dienst die ter plaatse is dat de situatie onder controle is.7

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft bij zijn verhoor8 door de Rijksrecherche verklaard dat hij hoorde van de

meldkamer dat er op de [adres] te [plaats 1] een vuurwerkbom was ontploft. Op dat

moment besefte hij dat er in die straat een OMG-lid woonde en verdachte dacht dat het

OMG-geweld betrof. Er waren de laatste tijd al vaker soortgelijke aanslagen geweest,

waarbij werd gesproken over vuurwerkbommen, maar waarvan achteraf bleek dat het

handgranaten waren. De afgelopen woensdag was er een aantal huiszoekingen gedaan,

waarbij onder andere handgranaten, raketgranaten, vuurwerkbommen en wapens waren

aangetroffen. Er was ook een aantal OMG-leden aangehouden. Verdachte was hierdoor op

zijn hoede tijdens zijn dienst. Hij had van de meldkamer gehoord dat er burgers achter de

man aanliepen en in zijn optiek liepen deze burgers gevaar. Verdachte besloot daarom ter

plaatse te gaan.

Toen verdachte ter plaatse kwam parkeerde hij zijn dienstauto tussen de twee burgers

(getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] ) en de man met de witte hoodie, zodat zijn

dienstvoertuig als buffer kon dienen. De man liep op dat moment van hem weg. Even later

draaide de man zich om en kwam in de richting van verdachte lopen. Verdachte is toen uit

zijn dienstauto gestapt, omdat hij zich niet veilig voelde. Verdachte liep naar de linker

voorzijde van de auto en trok, omdat hij rekening hield met een mogelijke OMG-

gerelateerde aanslag, zijn dienstwapen en richtte dat op de man. Verdachte hield er rekening

mee dat de man wapens bij zich kon hebben.

Verdachte heeft de man meerdere malen met luide stem aangeroepen met “politie” en hem

duidelijk gemaakt dat hij stil moest blijven staan en zijn handen moest laten zien. Verdachte wilde zichzelf overtuigen dat de man niets in zijn handen had. De man liep richting de zandweg, draaide zich om en liep vervolgens weer met versnelde pas richting verdachte. Hij ging met zijn rechterhand richting de onderkant van zijn hoodie. Verdachte heeft niet gezien dat de man ook echt onder zijn hoodie ging. Hij ging richting zijn buik. Al die tijd zei de man niets. Verdachte was op dat moment echt bang dat de man een wapen zou trekken of een handgranaat bij zich zou hebben. Dit alles met in zijn achterhoofd het hele OMG-gebeuren van de laatste tijd. In zijn latere schriftelijke verklaring heeft verdachte nog verklaard dat hij ook toen [slachtoffer] versneld op hem kwam aflopen herhaaldelijke heeft geroepen “Politie, blijf staan. Laat je handen zien”, maar dat verdachte totaal niet luisterde en met versnelde pas in zijn richting bleef lopen.9 Om te voorkomen dat het een noodweersituatie zou worden, heeft verdachte besloten ter aanhouding een schot op de benen van de man te lossen. Verdachte zag aan de reactie van de man dat hij hem geraakt had. De man hinkelde verder. Omdat verdachte vreesde voor de veiligheid van de aanwezige burgers liep hij parallel aan de man mee en bleef daarbij tussen hem en de burgers op een afstand van ongeveer de breedte van een politieauto.

Verdachte riep de man weer meerdere keren aan: “politie”, “laat je handen zien”, “blijf

staan”. De man reageerde niet. Verdachte heeft toen een waarschuwingsschot gelost in de

lucht. Daar had verdachte op dat moment gelegenheid toe. Eerder had hij dat niet. De man

reageerde echter nergens op. Toen zag verdachte dat de man zijn rechterhand bij zijn heup

onder zijn hoodie stak. Verdachte kreeg een onheilspellend gevoel van “hoe kan je dat nu

doen”. Verdachte was op dat moment bang dat de man een wapen tevoorschijn zou halen.

Ook dit relateerde hij weer aan het hele OMG-gebeuren. Dit speelde de hele tijd door het

hoofd van verdachte en het gaf in de woorden van verdachte “extra gevaar-zetting waarbij hij alleen was met twee burgers in zijn nabijheid en waarbij een wapen een vuurwapen kan zijn, maar ook een granaat”.

Na het waarschuwingsschot heeft verdachte meermalen gericht geschoten op de benen van

de man. Verdachte is achter de man aangelopen de akker in, omdat hij wist dat hij de man

had geraakt en dacht dat de man misschien een slagaderlijke bloeding zou kunnen hebben en

dat hij hem dan moest helpen. De man draaide zich meerdere keren naar verdachte om, maar liep telkens wel weer door. In zijn latere schriftelijke verklaring heeft verdachte hier nog aan toegevoegd dat hij de man in de akker ook volgde om de situatie onder controle te krijgen: de afstand tussen de man en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] werd namelijk weliswaar groter, maar als de verdachte gewapend was, liepen zij nog steeds gevaar. Voorts verklaarde verdachte dat de man bij het meermalen omdraaien in de akker iedere keer zijn hand onder zijn hoodie had alsof hij daaronder een wapen of explosief hield en dat hij in de akker in totaal nog vijf keer op de benen van de man heeft geschoten. Hij zag dat de man na het laatste schot onderuit zakte.10

De verdachte had om 22:45 uur nog contact met de meldkamer. Hij bevond zich op dat moment nog in zijn auto. Vervolgens heeft de verdachte om 22:48 uur met zijn portofoon gemeld dat hij meermalen op “verdachte” had geschoten en dat “verdachte” gewond was aan zijn benen.11

De getuigen [getuige 1] en [getuige 2]

Getuige [getuige 1]12 heeft verklaard dat verdachte verschillende keren tegen de man heeft

geroepen dat hij zijn handen moest laten zien, dat hij moest gaan zitten en/of gaan liggen,

maar dat dit weinig tot geen effect had. Getuige [getuige 1] heeft tevens verklaard dat verdachte de man bleef aanroepen, ook toen hij samen met de man in de akker liep. De man reageerde er niet op. Op een gegeven moment kwam de man op verdachte af strompelen; het leek alsof de man op wilde staan en verdachte wilde aanvallen.

Getuige [getuige 2]13 heeft verklaard dat verdachte meteen heel hard begon te roepen naar

de man. Verdachte riep “stop politie”, “handen laten zien” en “staan blijven”. De man

maakte gekke bewegingen met zijn armen en hij ging met zijn hand naar zijn broeksband en hield die even vast. Voordat verdachte ter plaatse was, was [getuige 2] ook bang geweest dat de man een pistool onder zijn vest vandaan zou halen. Op het moment dat getuige [getuige 2] de telefoonverbinding met de meldkamer van getuige [getuige 1] overneemt zegt hij: “De politieagent is maar alleen en het is een zeer dreigende situatie hier.”14

De verklaring van aangever [slachtoffer] (de man)

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard – zakelijk weergegeven – dat hij op 31 mei 2015 in verwarde toestand in [plaats 1] is beland en een steen tegen de deur van een woning heeft gegooid. Vervolgens is hij verder gelopen. Toen hij bij het weiland aan kwam, zag hij een politieauto, hoorde hij “halt” roepen en hoorde hij een schot. Vervolgens voelde hij pijn in zijn linkervoet. Daarna heeft de politieman nog een tweede schot gelost in zijn

rechterbovenbeen. Aangever voelde ineens pijn en het voelde alsof zijn been was

omgedraaid.15

Het letsel

In de medische verklaring staat dat bij aangever een “weke delen letsel enkel links (geen

ossaal of neurologisch letsel), kapotte huid en onderliggende structuren, maar geen letsel bot

of zenuwen” is waargenomen. Voorts is er rechts een gebroken bovenbeen met meerdere

losse fragmenten geconstateerd.16

In de letselschaderapportage staat met betrekking tot het letsel in het rechterbovenbeen van

aangever dat er als gevolg van de schotverwonding een verbrijzelingsfractuur is ontstaan,

hetgeen heeft geleid tot een zenuwbeschadiging. De forensisch geneeskundige [naam forensisch geneeskundige] concludeert dat er een causaal verband bestaat tussen de schotverwonding in het rechterbovenbeen en het hierdoor ontstane zenuwletsel.17

Verbalisant [getuige 3]

Verbalisant [getuige 3] , één van de vier collega-verbalisanten die verdachte te hulp is

gekomen in de akker, heeft verklaard dat hij bij het onder controle krijgen van de man eerst

op zijn schoenen is gaan staan, maar omdat hij zijn benen losrukte vervolgens druk heeft

uitgeoefend op de bovenzijde van de kuit van het been dat niet gebroken was. Hij zag dat één van de benen van de man een knik maakte, die anatomisch gezien niet kon. Dat been was vermoedelijk gebroken maar desondanks maakte hij daarmee nog schoppende bewegingen. De andere collega’s pakten de man bij zijn armen met als doel die te fixeren zodat de man geboeid kon worden.18

De bewezenverklaring van de feiten 1 en 2

Feit 1: het eerste schot

Het hof is, gelet op de verklaring van verdachte dat hij op de man heeft geschoten en

dat hij hem heeft geraakt, de verklaring van aangever [slachtoffer] dat hij in eerste instantie in

zijn voet is geraakt en de hierboven aangehaalde medische informatie, van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte met het eerste schot [slachtoffer] heeft geraakt in zijn linkervoet, waardoor deze een kapotte huid en kapotte onderliggende

structuren heeft opgelopen. Met de officier van justitie, de raadsman en de rechtbank is het hof van oordeel dat het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel in de linkervoet niet aangemerkt kan worden als zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat het schieten in de voet van [slachtoffer] door verdachte dient te worden gezien als poging zware mishandeling zoals onder 1 subsidiair is bewezenverklaard door de rechtbank.

Feit 2: de volgende schoten

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte met een later schot [slachtoffer] in zijn rechterbovenbeen heeft geraakt, waardoor [slachtoffer] een gebroken en verbrijzeld bovenbeen heeft opgelopen, hetgeen heeft geleid tot zenuwschade. Hierbij heeft het hof gelet op de verklaring van verdachte dat hij op de man heeft geschoten en dat hij hem heeft geraakt, de verklaring van aangever [slachtoffer] dat hij door één van de latere schoten in zijn been is geraakt, de verklaring van verbalisant [getuige 3] dat hij bij het benaderen van [slachtoffer] al meteen heeft waargenomen dat diens been in een anatomisch onmogelijke knik lag en de hierboven aangehaalde medische informatie.

Het betoog van de verdediging dat [naam forensisch geneeskundige] , forensisch geneeskundige, in het door hem opgestelde letselschaderapport onvoldoende heeft onderbouwd waarom sprake is van een causaal verband tussen de schotverwondingen in het rechterbovenbeen en de daardoor ontstane verbrijzelingsfractuur en het zenuwletsel, faalt. Uit het rapport blijkt dat [naam forensisch geneeskundige] heeft geconcludeerd dat bij de schotverwonding aan het rechterbovenbeen een verbrijzelingsfractuur is ontstaan, waarvoor een metalen pin moest worden geplaatst om de botdelen weer aan elkaar te hechten. Als gevolg van deze verbrijzelingsfractuur is ook een zenuw beschadigd, hetgeen heeft geleid tot blijvend letsel in de vorm van een gestoorde voetafwikkeling en het ontstaan van een spitsvoet, doordat betrokkene niet meer de beheersing en controle heeft over de voet- en teenheffers. [naam forensisch geneeskundige] concludeert tot een direct causaal verband tussen het zenuwletsel en de schotverwonding van het rechterbovenbeen.

Uit het rapport blijkt dat [naam forensisch geneeskundige] zich bij het opstellen van het rapport heeft gebaseerd op medische informatie van de huisarts van [slachtoffer] , alsook op informatie van de (neuro)chirurg, de revalidatiearts en de neuroloog die [slachtoffer] hebben behandeld. De enkele omstandigheid dat [naam forensisch geneeskundige] informatie uit die bronnen niet heeft opgenomen in zijn conclusie maakt naar het oordeel van het hof niet dat het rapport daarmee onvoldoende onderbouwd is.

Ten aanzien van de stelling van de verdediging dat het letsel aan het rechterbovenbeen van [slachtoffer] ook kan zijn veroorzaakt tijdens de na de schotverwonding ontstane worsteling eerst tussen [slachtoffer] en verdachte en vervolgens tussen [slachtoffer] en de ter plaatse gekomen verbalisanten overweegt het hof nog het volgende. Niet alleen heeft verbalisant [getuige 3] verklaard dat hij, toen hij met drie andere collega’s [slachtoffer] was genaderd, direct zag dat één van de benen van [slachtoffer] een knik maakte die anatomisch niet mogelijk was,19 maar ook konden de door de vier collega’s van verdachte beschreven geweldshandelingen ter aanhouding van verdachte een dergelijk letsel onmogelijk veroorzaken.20 De stelling van de verdediging dat tijdens de worsteling bij de aanhouding diverse collega’s op de benen van [slachtoffer] hebben gezeten, vindt geen enkele steun in de bij de Rijksrecherche afgelegde verklaringen van die verbalisanten.

Ten aanzien van het standpunt van de verdediging dat de verwondingen aan het rechterbeen van [slachtoffer] net zo goed kunnen zijn ontstaan tijdens de worsteling die tussen [slachtoffer] en de verdachte is ontstaan vóórdat de andere verbalisanten ter plaatse kwamen, overweegt het hof als volgt. De verdachte heeft verklaard hoe die worsteling is verlopen.21 Uit die verklaring blijkt dat de verdachte met zijn knie op de onderrug van [slachtoffer] is gaan zitten en dat de verdachte [slachtoffer] – nadat [slachtoffer] zich had omgedraaid en probeerde het wapen van de verdachte te pakken – meerdere malen heeft geslagen, hem ook heeft geraakt met zijn linkerelleboog en hem misschien nog een knietje heeft gegeven. Daarna was de verdachte los en stond hij op. [slachtoffer] bleef liggen en verdachte hield hem onder schot totdat zijn collega’s ter plaatse kwamen.

Naar het oordeel van het hof moeten de door de verdediging aangedragen scenario’s voor het ontstaan van de verwondingen aan het rechterbovenbeen derhalve als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde worden gesteld. Gelet op bovenstaande is het hof van oordeel dat het onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen op de wijze als door de rechtbank is bewezenverklaard (zware mishandeling).

2 Ten aanzien van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten strafbaar zijn. Volgens de advocaat-generaal komt de verdachte geen beroep toe op artikel 42 Sr omdat dat artikel slechts toegepast kan worden als het wettelijk voorschrift een taak of plicht voorschrijft. Dat is hier niet het geval, nu de Ambtsinstructie slechts een bevoegdheid geeft om in bepaalde gevallen over te gaan tot vuurwapengebruik.

Daar komt bij dat geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a van de Ambtsinstructie noch van een situatie als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b onder 1 en 3 van de Ambtsinstructie. De gedachten en aannames van de verdachte zijn op geen enkele wijze ondersteund door andere controleerbare, concrete meer objectieve informatie, hetgeen wel een vereiste is. Enkel de subjectieve interpretatie van de verdachte dat wel van een dergelijke situatie sprake was, is onvoldoende om geoorloofd een vuurwapen te gebruiken.

Gelet daarop handelde verdachte niet ter uitvoering van een wettelijk voorschrift en moet de conclusie zijn dat sprake is van strafbare feiten.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte heeft gehandeld zoals bedoeld in de Aanwijzing handelswijze geweldsaanwending (politie)ambtenaar door ter uitvoering van een wettelijk voorschrift en binnen de kaders van de Ambtsinstructie geweld aan te wenden.

De verdachte kan daarom een beroep doen op artikel 42 Sr. Volgens de raadslieden heeft de verdachte gehandeld conform de Politiewet en in overeenstemming met artikel 7 van de Ambtsinstructie, nu sprake was een situatie als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a van de Ambtsinstructie. De verdachte mocht voor wat betreft de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten redelijkerwijs aannemen dat [slachtoffer] een vuurwapen of handgranaat zou gebruiken tegen hem of tegen de aanwezige burgers. Daarbij is van belang dat het begrip ‘redelijkerwijs’ niet alleen is ingevuld door de inhoud van de melding, maar ook door de contextinformatie waarover de verdachte beschikte (aangaande, kort gezegd, het OMG-gerelateerd geweld), alsook door objectief waar te nemen gedragingen van [slachtoffer] ter plaatse en de verklaringen van de getuigen daarover. Daarmee was niet slechts sprake van een subjectieve interpretatie van de verdachte.

In dit verband geldt volgens de verdediging overigens dat de verdachte, als politieagent, wel degelijk gehouden is om de feiten en omstandigheden te interpreteren.

De omstandigheid dat achteraf is gebleken dat [slachtoffer] niet was bewapend, speelt geen rol bij de beoordeling van de vraag of verdachte heeft gehandeld conform de Ambtsinstructie. Het gaat erom of dat redelijkerwijs door de politieagent mocht worden aangenomen.

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde schoten geldt dat tevens sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b onder 3. Daarbij is opgemerkt dat de verdachte bij zijn handelen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit in aanmerking heeft genomen. Gelet daarop zijn de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten niet strafbaar.

Oordeel van het hof

De vraag die voorligt, is of verdachte bevoegd was zijn vuurwapen te gebruiken. Als

verdachte bevoegd was en binnen het wettelijk kader is gebleven, is hij straffeloos op grond

van het bepaalde in artikel 42 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 42 van het Wetboek

van Strafrecht luidt immers: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een

wettelijk voorschrift”. De achterliggende gedachte is dat degene die uitvoering geeft aan een

wettelijke voorschrift niet geacht kan worden te handelen in strijd met een ander wettelijk

voorschrift. Meer toegespitst op deze casus betekent het dat een politieagent die in de

rechtmatige uitoefening van zijn bediening conform het wettelijk kader (de Politiewet en de

Ambtsinstructie) geweld toepast, geen strafbaar feit pleegt.

Het wettelijke kader

De bevoegdheid om een verdachte aan te houden volgt uit artikel 53 Wetboek van

Strafvordering. Of bij die aanhouding door een politieagent in functie geweld mag worden

gebruikt volgt uit artikel 7 van de Politiewet.

In dit artikel 7 van de Politiewet 2012 staat, voor zover relevant, dat een politieambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak bevoegd is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een

waarschuwing vooraf. Het gebruikte geweld moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit

en subsidiariteit. De uitoefening van het geweld dient in verhouding tot het beoogde doel

redelijk en gematigd te zijn.

In artikel 9 van de Politiewet 2012 staat dat in de Ambtsinstructie regels worden gesteld ter

uitvoering van onder meer artikel 7.

In artikel 7, eerste lid van de Ambtsinstructie staat, voor zover relevant, dat het gebruik van

een vuurwapen slechts is geoorloofd om een persoon aan te houden ten aanzien van wie

redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd

vuurwapen bij zich heeft en dit tegen personen zal gebruiken (sub a), dan wel om een

persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding tracht te onttrekken en die wordt

verdacht van het plegen van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en dat door zijn gevolg bedreigend voor de

samenleving kan zijn (sub b onder 1 en 3).

In de Aanwijzing handelswijze geweldsaanwending (politie)ambtenaar staat dat

‘redelijkerwijs’ ingevuld moet worden met de inhoud van de melding, de verklaring van

getuigen, de controleerbare kennis van de politie over de vuurwapengevaarlijkheid van de

aan te houden persoon etc. Het hof merkt hierbij op dat de woorden “redelijkerwijs mag worden aangenomen” uit de Ambtsinstructie derhalve worden ingevuld met deze in de Aanwijzing opgenomen objectieve factoren. Het gaat hier immers om een rechtvaardigingsgrond. Ingeval van putatief noodweer, een schulduitsluitingsgrond, gaat het om begrijpelijke, verontschuldigbare, vergissingen en spelen derhalve ook subjectieve factoren een rol (zie hierna).

In de Nota van Toelichting bij het Besluit van 16 juli 2001 tot wijziging van de

Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon

opsporingsambtenaar in verband met verduidelijking van de voorschriften inzake

vuurwapengebruik en melding van de aanwending van geweld, staat dat het bij artikel 7 lid 1 sub b onder 3 gaat om een delict dat door zijn (mogelijke) gevolg bedreigend is voor de

samenleving of dat kan zijn, bijvoorbeeld een explosieven- of drugstransport.

De beoordeling

De eerste vraag die het hof moet beantwoorden is of verdachte redelijkerwijs mocht

aannemen dat de man op wie hij heeft geschoten een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd

vuurwapen bij zich had en dit tegen personen zou gebruiken.

Uit de hierboven aangehaalde meldkamerberichten volgt dat verdachte niet meer informatie

had dan dat de man volgens getuigen vuurwerk tegen (de voordeur van) een woning had

gegooid. Op basis van de inhoud van deze melding heeft verdachte dan ook niet

redelijkerwijs mogen aannemen dat de man een voor een onmiddellijk gebruik gereed zijnd

vuurwapen bij zich had.

Het hof stelt met de rechtbank vast dat verdachte niet beschikte over controleerbare kennis van de politie over eventuele vuurwapengevaarlijkheid van de aan te houden man, dat ook de aanwezige getuigen verdachte geen nadere informatie op dit punt hebben verstrekt en dat verdachte ook geen andere informatie op het hier bedoelde punt had.

De vraag waar het om draait is dan ook of verdachte op grond van het feit dat hij (naar

achteraf is gebleken ten onrechte) dacht dat een vuurwerkbom was gegooid, dat de woning

waartegen dit was gegooid een OMG-gerelateerd adres betrof en dat hij daardoor dacht aan

het recente OMG-gerelateerde geweld in de regio en aan de mogelijkheid dat de man wel

eens gewapend zou kunnen zijn met een vuurwapen of een handgranaat, redelijkerwijs mocht menen dat de man een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich had in de zin van artikel 7 eerste lid onder a van de Ambtsinstructie en dat verdachte daarom ter aanhouding gebruik mocht maken van zijn vuurwapen.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is. De gedachten en aanname die zich in het hoofd van verdachte afspeelden zijn, gelet op zijn functie en gelet op het feit dat het betreffende gebied in de voorliggende periode meermalen was opgeschrikt door OMG-gerelateerd geweld, begrijpelijk, en ook de vergissing ten aanzien van het adres is niet

onbegrijpelijk, maar dat neemt niet weg dat deze gedachten en aannames op geen enkele

wijze werden ondersteund door andere controleerbare, concrete, meer objectieve informatie,

hetgeen wel een vereiste is. Op basis van alleen de subjectieve interpretatie van verdachte

kan de rechtbank niet oordelen dat verdachte redelijkerwijs mocht menen dat de man een

voor een onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich had in de zin van artikel 7

eerste lid sub a van de Ambtsinstructie en dat verdachte dus gebruik mocht maken van zijn

vuurwapen.

Ook het beroep op artikel 7 eerste lid, sub b onder 1 en 3 van de Ambtsinstructie gaat niet op. Hiervoor geldt eveneens dat het enkele feit dat verdachte dacht dat er sprake was van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dat door zijn gevolg bedreigend voor de samenleving kan zijn, maakt nog niet dat het dus geoorloofd is om gebruik te maken van een vuurwapen in de zin van artikel 7, eerste lid sub b onder 1 en 3 van de Ambtsinstructie.

Het bovenstaande brengt het hof tot het oordeel dat geen sprake was van de situatie als

bedoeld in artikel 7 eerste lid van de Ambtsinstructie, zodat verdachte niet handelde ter

uitvoering van een wettelijk voorschrift en hem geen beroep op artikel 42 van het Wetboek

van Strafrecht (strafuitsluitingsgrond in de zin van een rechtvaardigingsgrond) toekomt. De bewezenverklaarde feiten zijn derhalve strafbaar.

3 Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet verontschuldigbaar heeft gedwaald over het bestaan van de feitelijke situatie als bedoeld in de Ambtsinstructie. Evenmin heeft verdachte zich verontschuldigbaar het dreigende gevaar ingebeeld, zodat ook een beroep op putatief noodweer niet kan slagen.

De advocaat-generaal heeft voorts gesteld dat de rechtbank tegenstrijdig is in haar vonnis door enerzijds te oordelen dat de verdachte op grond van zijn subjectieve interpretaties niet redelijkerwijs mocht aannemen dat hij zijn vuurwapen mocht gebruiken conform de Ambtsinstructie en anderzijds te oordelen dat verdachte op grond van diezelfde subjectieve interpretaties verontschuldigbaar mocht menen dat sprake was van een noodweersituatie.

Volgens de advocaat-generaal kan de verdachte het verwijt worden gemaakt dat hij zijn aannames en gedachtes dat sprake was van een incident met een vuurwerkbom, van een OMG-gerelateerd adres, van vuurwapenbezit en van een ‘opruimer’ uit Amerika, niet heeft geverifieerd bij de meldkamer. Bovendien heeft de verdachte de situatie ter plekke niet, althans onvoldoende onderzocht. Verdachte schoot naar eigen zeggen om een noodweersituatie te voorkomen terwijl de door hem waargenomen bewegingen van [slachtoffer] onvoldoende waren om redelijkerwijze aan te nemen dat [slachtoffer] een vuurwapen zou gaan gebruiken. Daar komt bij dat [slachtoffer] op enig moment met de rug naar de verdachte gekeerd was gelet op het gegeven dat het eerste schot [slachtoffer] in de hiel raakte. Volgens de advocaat-generaal komt de verdachte, als getraind politieman, bovendien minder snel een geslaagd beroep toe op strafuitsluitingsgronden in verband met de Garantenstellung.

Standpunt verdediging

Betoogd is dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent de feitelijke situatie van het moment. Kort gezegd is daartoe aangevoerd dat verdachte in redelijkheid kon menen dat vuurwapengebruik gerechtvaardigd was in de situatie waarin hij verkeerde in aanmerking genomen het korte moment waarop verdachte moest beslissen over het afvuren van schoten, de hem ter beschikking staande informatie en de door hem ter plaatse aangetroffen situatie. Getoetst dient te worden of een andere politieambtenaar, met gelijke ervaring en opleiding als verdachte, eveneens in dezelfde veronderstelling zou hebben verkeerd. Bij dat oordeel is enige subjectivering geboden.

Volgens de verdediging is voldaan aan voornoemd vereiste nu meerdere collega’s een melding hadden gehoord in verband met een ‘vuurwerkbom’ en zij de melding op dezelfde wijze hebben geïnterpreteerd als de verdachte. Ook de chef, [getuige 4] , onderschrijft dat hij gelet op de context van destijds direct zou hebben gedacht aan een OMG-gerelateerde aanslag bij een dergelijke melding terwijl deskundige [deskundige] concludeert dat de verdachte daarvan ook uit moest gaan gelet op de ter beschikking staande gegevens.

De verdachte stonden geen andere reële mogelijkheden ter beschikking om de verdachte aan te houden met gebruikmaking van een ander middel zoals een wapenstok, pepperspray of met fysiek geweld, terwijl van hem als politieagent wel werd verwacht dat hij handelde.

Mocht het hof voornoemd betoog niet volgen, dan heeft verdachte gehandeld uit putatief noodweer, nu hij verschoonbaar heeft gedacht dat sprake was van een noodweersituatie. Er was sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar vanwege de OMG-problematiek en de gedragingen van [slachtoffer] ter plaatse, die worden bevestigd door collega’s van de verdachte en getuigen. De verdachte stonden geen andere reële mogelijkheden ter beschikking om de verdachte aan te houden met gebruikmaking van een ander middel zoals een wapenstok, pepperspray of met fysiek geweld, terwijl van hem als politieagent wel werd verwacht dat hij handelde, temeer nu [slachtoffer] gewond was geraakt.

Zowel in het geval van verontschuldigbare dwaling omtrent de feitelijke situatie als in het geval van putatief noodweer is sprake van afwezigheid van alle schuld en dient de verdachte van alle rechtsvervolging te worden ontslagen.

Oordeel van het hof

Het hof komt voor wat betreft het oordeel over de strafbaarheid van de verdachte tot hetzelfde oordeel als de rechtbank, maar heeft de overwegingen van de rechtbank op onderdelen aangevuld. Het hof vervangt de overwegingen van de rechtbank om die reden door onderstaande overwegingen, waarin de overwegingen van de rechtbank zijn verdisconteerd.

Het hof stelt voorop dat de Hoge Raad ten aanzien van het beroep op putatief noodweer heeft overwogen22:

“Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op zogenoemde putatieve noodweer, zal de rechter moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.”

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de term ‘redelijkerwijs mag worden aangenomen’ in de zin van de Ambtsinstructie niet hetzelfde inhoudt als de term ‘redelijkerwijs mocht menen’ als bedoeld in het kader van de beoordeling van een beroep op putatief noodweer. Indien dat wel het geval zou zijn, zou dat immers betekenen dat een agent die niet heeft gehandeld conform de Ambtsinstructie nimmer een beroep kan doen op putatief noodweer. Die opvatting is onjuist.

Putatief noodweer ziet op de situatie waarin verdachte verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Die situatie behelst nu juist de mogelijkheid van vergissingen, zodat bij de beoordeling van een beroep op putatief noodweer naast objectieve factoren ook subjectieve factoren van belang zijn. (Zoals gezegd, spelen bij de beoordeling van het beroep op de rechtvaardigingsgrond van het geoorloofde handelen op grond van (artikel 7 en 9 van de Politiewet in verband met) artikel 7 lid 1 onder a van de Ambtsinstructie slechts de in de daarbij horende Aanwijzing handelwijze geweldsaanwending (politie)ambtenaar omschreven objectieve factoren.)

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat aan de verdachte, als agent, hogere eisen mogen worden gesteld in het kader van de beoordeling van een dergelijk beroep op putatief noodweer dan aan een gemiddeld burger in Nederland.

Bij de beoordeling van dat beroep heeft het hof de volgende feiten en omstandigheden betrokken.

Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten was in de politieregio van de verdachte sprake van zogenaamd OMG-gerelateerd (Outlaw Motor Gang) geweld. Daarbij werden ook aanslagen gepleegd op woningen, de laatste keer nog eind april 2015. De melding betrof in dat soort gevallen dat vuurwerkbommen waren gegooid, maar nadien bleek vaak dat sprake was van handgranaten. In de week voor het incident waren tevens veel wapens, vuurwerkbommen en handgranaten gevonden bij een grootscheepse politieactie met veel huiszoekingen in de regio. Op 22 mei 2015 kreeg verdachte als wijkagent nog een tip dat vanuit Amerika zogenaamde rood-wit georiënteerde ‘opruimers’ naar Europa waren gekomen om orde op zaken te stellen en ook in Nederland waren. Rood-wit wil zeggen Hells Angels.

Op de avond van het bewezenverklaarde feit werd opnieuw melding gemaakt van vuurwerk dat tegen een woning zou zijn gegooid. Uit de meldkamergesprekken volgt dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat het adres waarvan de melding kwam, [adres] , een OMG-gerelateerd adres was.23 Het hof stelt vast dat deze veronderstelling berustte op een aanname van de verdachte, die hij tijdig heeft gedeeld met de meldkamer, maar waarop hij geen andere reactie heeft gekregen dan “Oké…ja…bedankt”, hoewel de politie na kort onderzoek van de melding tevoren (tijdstip 22:38 uur) reeds bekend was24 dat deze aanname onjuist was. Uit de meldkamergesprekken volgt dat de verdachte van de meldkamer had gehoord dat twee burgers de dader volgden.25 Ter bescherming van deze burgers ging hij direct en alleen ter plaatse zonder eerst bijstand af te wachten.

Het hof is van oordeel dat de aanname van verdachte dat mogelijk sprake was van OMG-gerelateerd geweld begrijpelijk is gelet op zijn eerdere ervaringen ter plekke als wijkagent en het feit dat zijn vermoeden niet werd weerlegd door de meldkamer. Dat kleurt ook zijn waarschijnlijk daardoor ingegeven interpretatie van de vuurwerkmelding als de melding van een vuurwerkbom. Eenmaal ter plaatse trof verdachte een man die – naar achteraf is gebleken ongewild en onbedoeld vanwege het feit dat hij in een psychose zat – zich heeft gedragen op een manier die verdachte sterkte in zijn aanname dat er onmiddellijk gevaar dreigde en dat hij zichzelf en de twee ter plaatse aanwezige burgers moest beschermen tegen een dreigende aanranding. Vaststaat dat de verdachte niet wist en ook niet kon weten dat [slachtoffer] psychotisch was, omdat de meldkamer niet aan de verdachte had medegedeeld dat [getuige 1] tegen de meldkamer had gezegd dat het leek of de man die hij achtervolgde ‘heel verward’ was. Mede gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] heeft het hof geen reden te twijfelen aan de verklaringen van verdachte dat hij zich, eenmaal ter plaatse, bedreigd voelde en redelijkerwijze kon voelen door het gedrag van [slachtoffer] , meer in het bijzonder door de handbewegingen die hij maakte bij of onder zijn hoodie waarbij [slachtoffer] niet reageerde op het herhaaldelijk aanroepen door de verdachte en op het bevel om zijn handen te laten zien, als ook door het gegeven dat [slachtoffer] voordat verdachte de eerste keer op hem schoot op verdachte bleef aflopen ondanks dat verdachte hem maande te stoppen en zijn handen te laten zien. De verdachte meende en mocht redelijkerwijs ook menen dat [slachtoffer] ieder moment een vuurwapen of handgranaat onder zijn hoodie vandaan kon halen met alle gevolgen van dien voor de verdachte en de twee aanwezige burgers, zodat hij heeft geschoten om dit gevaar af te wenden. Het hof merkt daarbij op dat, anders dan is gesteld door de advocaat-generaal, [slachtoffer] niet in zijn hiel is geschoten. De in het dossier aanwezige onderzoeksbevindingen van [naam forensisch geneeskundige] met foto’s van het letsel van [slachtoffer] tonen aan dat de kogel dwars door de voet is gegaan ter hoogte van de buiten- en binnenzijde van de linkerenkel.26

Nadien is door de verdachte een waarschuwingsschot gelost en is door verdachte op de akker nog een aantal keer op [slachtoffer] geschoten omdat hij nog steeds niet bleef staan, zich maar bleef omdraaien en hij ook zijn handen niet liet zien, maar deze steeds bij de onderkant van zijn hoodie hield.

De verklaringen en de begrijpelijkheid van de aannames van de verdachte worden, zoals gezegd, ondersteund door de verklaringen die [getuige 1] en [getuige 2] hebben afgelegd. Ook zij hebben verklaard over het bestaan van een zeer dreigende situatie, de omstandigheid dat [slachtoffer] niet reageerde op de voortdurende aanroepen door de verdachte en dat [slachtoffer] met zijn hand naar zijn broeksband ging. [getuige 1] heeft bovendien verklaard dat hij dacht dat [slachtoffer] de verdachte op de akker wilde aanvallen, terwijl [getuige 2] nog heeft verklaard dat hij ook bang was geweest dat [slachtoffer] een pistool onder zijn vest vandaan zou halen en er iets zou gebeuren.

Het hof is, met de rechtbank, dan ook van oordeel dat de verdachte zich het dreigende gevaar verontschuldigbaar heeft ingebeeld. Verdachte kon en mocht redelijkerwijs menen dat hij en de twee aanwezige burgers dreigden te worden aangevallen en dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan. Verdachte had geen andere, minder vergaande mogelijkheden om te reageren. Het gebruik van pepperspray was gezien de weersomstandigheden niet mogelijk en wegvluchten was niet aan de orde, gelet op het feit dat verdachte wist dat hij [slachtoffer] had verwond, terwijl hij meende en redelijkerwijze mocht menen dat het gevaar ook voor de aanwezige getuigen nog niet geweken was. Het handelen van de verdachte voldeed daarmee aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Hierbij neemt het hof in ogenschouw dat uit de tijdstippen waarop de meldkamergesprekken hebben plaatsgevonden, volgt dat het geheel zich heeft afgepeeld in een korte tijdspanne. De verdachte had om 22:45 uur nog contact met de meldkamer. Hij bevond zich op dat moment nog in zijn auto. Vervolgens heeft de verdachte om 22:48 uur met zijn portofoon gemeld dat hij meermalen op “verdachte” had geschoten en dat “verdachte” gewond was aan zijn benen. Het schietincident heeft derhalve in een kort tijdsbestek plaatsgevonden. Het hof merkt de door de verdachte geloste schoten derhalve aan als één putatieve noodweersituatie. Daarbij is ook van belang dat [slachtoffer] na het eerste schot niet bleef staan, maar met zijn handen bezig bleef en deze voortdurend naar c.q. onder zijn hoodie bracht.

Het hof acht, evenals de rechtbank, het beroep op putatief noodweer geslaagd en verdachte niet strafbaar, zodat hij van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het beroep op putatief noodweer het meest passend is bij de feitelijke situatie. Nu het beroep daarop is geslaagd, komt het hof niet meer toe aan de beoordeling van het beroep dat sprake is van een verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de feiten voor wat betreft de in de Ambtsinstructie bedoelde situatie.

4 Ten aanzien van de benadeelde partij

Vanwege het feit dat aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en artikel 9a Sr geen toepassing heeft gevonden, wordt ook de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij wil het hof wel het volgende opmerken.

De politie in [plaats 2] kreeg op 31 mei 2015 een verzoek van de Belgische politie om de in België in verwarde toestand aangetroffen [slachtoffer] naar een Nederlands ziekenhuis te brengen. Nadat de Nederlandse politie had geantwoord dat [slachtoffer] “weer de straat op kon” is hij door de Belgische politie bij de grens afgezet27 en gaan dwalen. Diezelfde avond heeft [slachtoffer] in psychotische toestand stenen gegooid tegen de deur van [adres] te [plaats 1] . Door de bewoners is bij de politie een vuurwerkmelding gedaan waarvan verdachte tijdens zijn dienst als wijkagent op de hoogte is gesteld. Verdachte heeft tegen de meldkamer gezegd dat het een OMG- adres zou betreffen en dat hij ter plaatse zou gaan. De meldkamer heeft verdachte vervolgens noch medegedeeld dat het volgens de melder ging om een verwarde man28 noch dat eigen onderzoek had uitgewezen dat er betreffende dit adres “geen bijzh op bewoners” waren.29 Dit alles heeft ertoe geleid dat verdachte in de verontschuldigbare veronderstelling verkeerde te maken te hebben met een vuurwapengevaarlijke OMG-gerelateerde persoon en [slachtoffer] heeft neergeschoten nadat deze zijn bevelen had genegeerd halt te houden en zijn handen te laten zien. Hierdoor is [slachtoffer] (deels zwaar) gewond geraakt. Verdachte kan hiervan geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dat maakt hetgeen [slachtoffer] is overkomen echter niet minder schrijnend. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] blijkt dat zijn leven na mei 2015 ingrijpend en blijvend is veranderd. Zo zal hij zijn leven lang een brace om zijn rechterbeen moeten dragen. Dit herinnert hem niet alleen dagelijks aan het schietincident, maar heeft ook een eind gemaakt aan zijn grote passie: het geven van breakdancelessen. [slachtoffer] had zelfs de ambitie om een eigen dansschool te starten. Die droom zal hij gezien zijn beperking helaas niet meer kunnen realiseren. Het oordeel van de rechtbank en het hof zal voor [slachtoffer] teleurstellend zijn. Dat heeft echter geen rol gespeeld en dat mag het ook niet spelen bij de beoordeling van de strafzaak van verdachte.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met aanvulling en verbetering van de gronden zoals hiervoor overwogen en met inbegrip van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Aldus gewezen door

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 2 november 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.J.M. van Gink en mr. T.A. de Roos zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Rijksrecherche, proces-verbaalnummer 20150048, gesloten d.d. 20 augustus 2015, doorgenummerd van pagina 1 t/m pagina 230 alsmede het aanvullende proces-verbaal van de Rijksrecherche, proces-verbaalnummer 20150048, gesloten d.d. 14 oktober 2016, doorgenummerde van pagina 231 t/m pagina 283.

2 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 95 en 96.

3 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 101.

4 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 102.

5 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 98.

6 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 103.

7 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 103.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 juni 2015, pagina 117-120.

9 Een geschrift inhoudende de verklaring van verdachte d.d. 30 november 2016.

10 Een geschrift inhoudende de verklaring van verdachte d.d. 30 november 2016.

11 Proces-verbaal bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 102-103.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 2 juni 2015, pagina 157-158.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 2 juni 2015, pagina 166-167.

14 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 98.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 juni 2105, pagina 197-198.

16 Geschrift inhoudende medische informatie met betrekking tot [slachtoffer] d.d. 2 juni 2015, pagina 218.

17 Geschrift zijnde een rapportage letselschade opgesteld door forensisch geneeskundige [naam forensisch geneeskundige] , d.d. 5 oktober 2016, pagina 247-251.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 2 juni 2015, pagina 142.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 2 juni 2015, pagina 142.

20 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 2 juni 2015, pagina 130-131; Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] d.d. 2 juni 2105, pagina 136-137; Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 2 juni 2015, pagina 142-143; Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] d.d. 2 juni 2015, pagina 150-152. Het samenstel van deze verklaringen vermeldt het pakken van de armen van [slachtoffer] , schoen in de nek van [slachtoffer] , vasthouden van het hoofd en de benen van [slachtoffer] , staan op de schoenen van [slachtoffer] , druk uitoefenen op de bovenzijde van de kuit van het niet gebroken been, leunen met linkerknie op de nek, het achterhoofd en de schouder van [slachtoffer] .

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 juni 2015, pagina 120.

22 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.

23 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 101 (22:42:15 uur).

24 Relaas-proces-verbaal, pg. 4.

25 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 102.

26 Geschrift zijnde een rapportage letselschade opgesteld door forensisch geneeskundige [naam forensisch geneeskundige] , d.d. 5 oktober 2016, pagina 248 in verband met foto’s 9 en 10 op p. 258-259.

27 Geschrift zijnde mutatie rapport opgemaakt op 31 mei 2015 te 19:43 uur, pagina 222.

28 Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 99.

29 Relaas-proces-verbaal, pg. 4; Proces-verbaal van bevindingen berichtenverkeer d.d. 23 juni 2015, pagina 101.