Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4960

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
200.224.625_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b nu schuldenaren ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek naar het oordeel van het hof wel te goeder trouw zijn geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 16 november 2017

Zaaknummer : 200.224.625/01

Zaaknummers eerste aanleg : C/01/321734/ FT-RK 17.497 en C/01/321735/ FT-RK 17.498

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant]

en

[appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant] respectievelijk [appellante] ,

advocaat: mr. J. Kuijken te Valkenswaard.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 22 september 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 september 2017, hebben [appellant] en [appellante] ieder voor zich verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 november 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellant] en [appellante] , bijgestaan door mr. C.C.C.A.M. Kuijken, waarnemend voor mr. J. Kuijken,

  • -

    de heer [beschermingsbewindvoerder] in zijn hoedanigheid van informant, hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 september 2017;

- de indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [appellant] en [appellante] d.d. 12 oktober 2017 en 26 oktober 2017;

- de ter zitting door de advocaat van [appellant] en [appellante] overgelegde stukken, te weten een tweetal uitspraken op een bezwaarschrift door de Belastingdienst d.d. 3 november 2017, een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel met betrekking tot de uitschrijving van de onderneming van [appellant] d.d. 16 mei 2017 alsmede een brief van het CJIB d.d. 20 oktober 2017

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] en [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit zijn uitlatingen zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellant] en [appellante] hebben ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid hij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om zijn visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellant] en [appellante] , gehuwd in gemeenschap van goederen, hebben de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] en [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 69.865,77. Daaronder bevinden zich een tweetal schulden aan het CJIB voor een totaalbedrag van € 4.325,00 alsmede een tweetal schulden aan de Belastingdienst voor een totaalbedrag van € 4.998,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellant] en [appellante] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] en [appellante] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.4. Ten aanzien van de schuld aan het CJIB geldt het volgende. Uit punt 5.4.4. van "Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling" behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken volgt dat bij (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen in beginsel geen sprake is van schulden waarvan aannemelijk is dat zij te goeder trouw zijn ontstaan. Gesteld noch gebleken is van omstandigheden die tot een ander oordeel leiden. De stelling van verzoekers dat zij geen inkomsten hadden om de kosten van de auto te betalen, baat hen niet. Verzoekers hebben willens en wetens rondgereden in een voertuig waarvan de verplichte kosten niet werden betaald en hebben daarmee bewust het risico gelopen dat zij zouden worden geconfronteerd met de verkeersboetes.

2.5.

Met betrekking tot de schuld aan het UWV verwijst de rechtbank naar "Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling", behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken. Daarin is onder meer het volgende bepaald: "Van een situatie als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Fw is in beginsel geen sprake, indien in de in dit artikel genoemde periode van vijf jaar (..) de verzoeker schulden heeft aan het UWV of de Belastingdienst die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting". De rechtbank is eveneens van oordeel dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt te goeder trouw te zijn geweest bij het ontstaan van hun schuld aan de Belastingdienst. Verzoekers hebben erkend dat zij de door de Belastingdienst opgelegde omzetbelasting voor het jaar 2014 niet hebben betaald. Ook hiervoor geldt dat zij wisten, althans behoorden te weten dat zij zouden worden aangesproken tot betaling van de omzetbelasting.”

3.5.

[appellant] en [appellante] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] en [appellante] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De CJIB schuld van € 3.118,- op naam van [appellante] is ontstaan op 1 augustus 2014 en ziet op boetes wegens het rijden in een onverzekerd voertuig. In 2014 bevonden [appellant] en [appellante] zich in een situatie dat de financiële problemen hen te veel werden. De schulden stapelden zich op en hoe hard zij ook aan alle eindjes bleven trekken, het leek allemaal niet te helpen. Hiertoe pakten zij alle mogelijkheden aan om de schade te beperken en zo was het gebruik van de auto destijds in hun ogen noodzakelijk ter voorkoming van het nog verder uit de hand laten lopen van de schulden. Indien zij in die periode de auto niet meer tot hun beschikking zouden hebben gehad zou de huidige schuldenstand nu nog vele malen hoger liggen. Het begaan van de overtreding is niet te bestempelen als een adequate reactie op de destijds ontstane schrijnende financiële situatie, zij zijn zich hier nu volledig van bewust. Het handelen dient echter gezien te worden in het licht van de wanhoop om erger te voorkomen. [appellant] en [appellante] geven dus aan de fout van hun handelen met betrekking tot deze overtreding in te zien. De schuld van € 4.910,00 aan de Belastingdienst bestaat uit onbetaalde omzetbelasting over het jaar 2014. Dat omzetbelasting betaald dient te worden hebben [appellant] en [appellante] altijd geweten, dit ontkennen zij ook niet, maar ook deze schuld dient eveneens in het licht van de wanhoop en radeloosheid van de onoverzichtelijke financiële situatie van die periode bekeken te worden, waarbij ten aanzien van deze schuld voornamelijk het handelen van de boekhouder aandacht verdient. Doordat de boekhouder de jaarstukken niet meer wilde opmaken was het voor [appellant] en [appellante] vrijwel volledig onduidelijk hoe zij ervoor stonden ten aanzien van de omzetbelasting. Bovendien was dit voor hen onmogelijk om uit te zoeken aangezien de boekhouder weigerde de administratie te retourneren. De hulp in de vorm van beschermingsbewindvoerder [beschermingsbewindvoerder] heeft [appellant] en [appellante] echter al erg veel opgeleverd. Sinds het bewind in 2014 is aangevangen, nu al zo'n 3 jaar geleden, is alles onder controle en wordt op een structurele en adequate manier gewerkt aan een overzichtelijke financiële situatie. Dankzij deze passende begeleiding zijn zij hun leven weer stukje voor stukje op orde aan het brengen.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellant] en [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] en [appellante] wijten het ontstaan van de schulden aan het door diverse omstandigheden op sommige momenten erg lage, dan wel soms geheel ontbreken van, inkomsten uit arbeid of uitkering. Daarbij erkennen zij eveneens dat een aantal schulden, ingevolge de wet, inderdaad niet te goeder trouw zijn ontstaan. Voorts erkent [appellant] dat er door hem inderdaad geen jaarstukken met betrekking tot de door hem voorheen gedreven eigen onderneming zijn overgelegd omdat de boekhouder, vanwege het feit dat [appellant] en [appellante] diens rekeningen niet meer konden voldoen, ook geen jaarstukken heeft opgemaakt. [appellant] en [appellante] geven echter aan dat zij sinds kort (hogere) inkomsten uit arbeid hebben. Het contract van [appellant] is opgehoogd naar 20 uur per week en zal met ingang van 1 januari as. naar alle waarschijnlijkheid nog verder worden opgehoogd naar 32 tot 36 uur per week terwijl [appellante] , ondanks haar medische historie en de daaruit voortvloeiende actuele fysieke problematiek op grond waarvan zij voor 50% arbeidsongeschikt is verklaard, op dit moment 32 uur per week werkt. Er ontstaan dan ook geen nieuwe schulden meer.

3.7.

De beschermingsbewindvoerder heeft desgevraagd ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – nog het volgende aangevoerd. Sinds de invoering van het beschermingsbewind gaat het steeds beter met [appellant] en [appellante] . Er zijn nog wel wat nieuwe schulden ontstaan, maar deze waren een gevolg van het onvoorzien tijdelijk wegvallen van de inkomsten uit uitkering van [appellant] en de onvoorziene kosten welke verbonden waren aan de plaatsing van een nieuwe elektriciteitsmeter waarvan de kosten circa € 1.000,00 bedroegen. Gedurende deze periodes werden de vaste lasten overigens wel regulier voldaan.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.8.2.

Er is sprake van een schuld aan het CJIB welke is ontstaan uit hoofde van een verkeersdeelname met een onverzekerd motorvoertuig. Uit punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, volgt dat bij (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen in beginsel geen sprake is van schulden waarvan aannemelijk is dat zij te goeder trouw zijn ontstaan. Daarbij zijn door [appellant] en [appellante] geen omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

3.8.3.

Voorts is er tevens sprake van een tweetal schulden aan de Belastingdienst

Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dan wel niet afdragen van ontvangen belasting, zoals in onderhavige zaak ook het geval is, dient ingevolge punt 5.4.4. van voornoemde bijlage eveneens te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan.

3.8.4.

Daarbij komt dat, nu [appellant] eveneens verzuimd heeft om ex artikel 5.4.4. van voornoemd procesreglement de jaarstukken met betrekking tot de door hem gedreven onderneming te overleggen, geen, of althans onvoldoende inzicht is gegeven in het ontstaan van de zakelijke schulden. Het hof kan immers niet nagaan welke lasten zijn betaald en waaraan de omzet is besteed. Dat [appellant] mogelijk om financiële redenen geen jaarstukken heeft laten opmaken ontslaat hem daarbij niet van de op hem rustende verplichting dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend (vgl. art. 3:15i BW).

3.8.5.

Het hof is op grond hiervan dan ook van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] en [appellante] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest.

3.8.6.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben [appellant] en [appellante] evenwel aangegeven dat het ontstaan en onbetaald van hun schulden enkel een gevolg is geweest van, al dan niet onvoorzien, achterblijvende inkomsten uit arbeid dan wel uitkering maar dat hun inkomstenpositie thans, vanwege het feit dat beiden inmiddels voor een substantieel aantal uren per week een betaalde arbeidsbetrekking hebben weten te verwerven, aanzienlijk is verbeterd. Indien en voor zover zij hierbij een beroep hebben willen doen op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw overweegt het hof als volgt. Het hof acht, mede op grond van de hiertoe door [appellant] en [appellante] overgelegde stukken, voornoemde lezing der feiten zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren gebracht, temeer nu deze door de beschermingsbewindvoerder wordt onderschreven, aannemelijk. De onderneming, die slechts zeer kort en – naar eigen zeggen van [appellant] en [appellante] - onder een slecht gesternte heeft gedraaid, is inmiddels gestaakt. Daarbij hebben [appellant] en [appellante] naar het oordeel van het hof bovendien een plausibele verklaring gegeven voor het ontstaan van nieuwe schulden tijdens het beschermingsbewind. Op grond hiervan acht het hof het dan ook voldoende aannemelijk dat [appellant] en [appellante] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van de schulden onder controle hebben gekregen als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw. Het hof stelt daarbij wel nadrukkelijk dat een saniet in het kader van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatie- en arbeidsverplichting, zolang er geen sprake is van een door de rechter-commissaris verleende (gedeeltelijke) vrijstelling van deze verplichting, in beginsel tenminste 36 uur betaalde arbeid dient te verrichten en zolang er van een dergelijke aanstelling geen sprake is derhalve (aanvullend) dient te solliciteren. Ingevolge artikel 3.5 van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen dient een saniet alsdan gemiddeld viermaal per maand een gerichte schriftelijke sollicitatie (exclusief open sollicitaties) te verrichten alsmede ingeschreven te zijn bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) en drie á vier uitzendbureaus.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en het verzoek van [appellant] en [appellante] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal alsnog worden toegewezen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:

[appellant]

en

[appellante] ,

beiden wonende te [postcode] [woonplaats] , aan de [adres] ;

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, A.P. Zweers-van Vollenhoven en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017.