Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4959

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
200.224.601_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging einde schuldsaneringsregeling zonder toekenning schone lei nu saniet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 16 november 2017

Zaaknummer : 200.224.601/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/14/471 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. R. Jacobs te Heerlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 19 september 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 september 2017, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en hem alsnog een schone lei te verlenen, dan wel de schuldsaneringsregeling te verlengen met een redelijke termijn, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof rechtens juist acht.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 november 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Jacobs,

  • -

    mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder,

  • -

    de heer [waarnemend beschermingsbewindvoerder] in zijn hoedanigheid van informant, hierna te noemen: de

waarnemend beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 september 2017;

- - - de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 18 oktober 2017;het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 25 oktober 2017;

- de ter zitting door de advocaat van [appellant] overgelegde stukken, te weten een berekening plan verlenging schuldsaneringsregeling.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit zijn uitlatingen zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat de waarnemend beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellant] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid hij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om zijn visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

Bij vonnis van 1 juli 2014 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van 11 juli 2017 is de termijn van deze regeling verlengd tot (maximaal) 15 september 2017.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel in verband met het verstrijken van de (verlengde) looptijd van de schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellant] geen “schone lei” is verleend. De rechtbank heeft verstaan dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.6. (…) Zoals uit voormelde blijkt is er nu nog een boedelachterstand van € 3.647,42. De rechtbank is van oordeel dat een deel van deze achterstand mogelijk aan de voormalig beschermingsbewindvoerder is toe te schrijven, maar dat schuldenaar kort voor toelating tot de schuldsanering nog zaken heeft aangeschaft die niet noodzakelijk waren terwijl de daarmee gemoeide bedragen naar de boedel hadden moeten worden overgemaakt (uitgaven ten behoeve van een terras zo heeft de bewindvoerder onbetwist gesteld). Voorts wordt in de verslagen van de bewindvoerder melding gemaakt van de achterstand en heeft (de bewindvoerder van) schuldenaar nimmer getracht deze in te lopen. Dat schuldenaar een aanzienlijk bedrag heeft gespaard voor de schuldeisers klopt, echter dit wil niet zeggen dat daarmee een aanzienlijke boedelachterstand buiten beschouwing gelaten kan blijven. Voorts heeft schuldenaar een verdere verlenging resoluut van de hand gewezen en heeft hij naar het oordeel van de rechtbank hiermee laten zien dat hij zich het belang van de schuldeisers onvoldoende aantrekt. Immers, in beginsel hebben schuldeisers recht op uitbetaling van

100 % van hun vordering indien dit tijdens de schuldsanering bijeen gespaard kan worden.”

3.5.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Door de voormalig beschermingsbewindvoerder zijn er geen, althans onvoldoende, afdrachten aan de boedel gedaan. [appellant] begrijpt dat ten opzichte van de schuldeisers het geprognotiseerde bedrag gespaard dient te worden. Maar het feit dat er onvoldoende is afgedragen is niet aan hem te wijten. Het is dan ook om die reden dat [appellant] er grote moeite mee heeft de schuldsaneringsregeling te verlengen nu de oorzaak is gelegen bij zijn voormalig beschermingsbewindvoerder, die er nu makkelijk van af lijkt te komen.

[appellant] stelt derhalve dat er geen sprake is van aan hem toerekenbare tekortkomingen. Voor zover het hof oordeelt dat daarvan wel sprake is, dan wel dat de tekortkomingen, hoe zuur ook, voor zijn rekening (dienen te) komen, stelt hij dat de tekortkomingen van geringe betekenis zijn. Dit dient mede in het licht van het feit dat [appellant] afhankelijk is van het beschermingsbewind te worden beschouwd en het feit dat de schuldeisers bij uitdeling ruim 75% van hun vordering voldaan krijgen. Ter zitting (hof: van de rechtbank) bleek voorts dat de achterstand € 3.500,00 bedraagt en met de laatste afdracht van (waarschijnlijk) augustus 2017, een bedrag van € 4.250,00. Nu dit niet eerder bij [appellant] en zijn (waarnemend) beschermingsbewindvoerder bekend c.q. duidelijk was kon waarschijnlijk ter zitting niet snel (genoeg) geschakeld worden, maar bleek naderhand dat dit met een extra aflossing door [appellant] zelf op korte termijn in te lossen moest zijn. Om die reden is na de zitting van 7 september 2017 nog een faxbericht naar de rechtbank verzonden met het voorstel tot extra inlossing. Volgens [appellant] heeft hij het tekort, zoals gesteld door de bewindvoerder ter zitting van 7 september 2017, alsnog ingelost en worden de schuldeisers derhalve niet benadeeld. Om die reden heeft [appellant] er belang bij onderhavig beroep in te stellen teneinde de regeling als het ware alsnog te verlengen met de periode waarin onderhavig beroep behandeld wordt. Bij appel wordt het gehele verloop van de regeling en de gehele zaak opnieuw beoordeeld en dient derhalve rekening te worden gehouden met het feit dat de achterstand thans is ingelost, om welke reden aan hem alsnog de schone lei kan worden toegekend. Indien en voor zover de achterstand niet € 3.500,00 zou bedragen, dan stelt [appellant] dat de achterstand niet meer zou kunnen zijn dan € 2.147,42, welke achterstand tevens binnen afzienbare tijd ingelopen zou moeten kunnen worden, met welke termijn [appellant] het hof daarom verzoekt de regeling alsnog te verlengen.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] acht een verlenging van zijn schuldsaneringsregeling teneinde zijn boedelachterstand in te kunnen lopen, indien daarbij alle verplichtingen zouden doorlopen, onrechtvaardig omdat hij dan, vanwege de doorlopende afdrachtverplichting, meer bijeen zou sparen dan dat zijn originele schuldenlast, welke middels de schuldsaneringsregeling zou worden gesaneerd, bedraagt. Dat er een boedelachterstand is valt hem trouwens ook niet te verwijten. Hij maakte immers gelden voor de boedelafdracht over aan zijn voormalige beschermingsbewindvoerder. Maar deze droeg de gelden, zonder medeweten, laat staan instemming van [appellant] , echter niet af aan de bewindvoerder. [appellant] heeft de indruk dat hij daarom nu moet boeten voor de misdragingen van een ander. Daarbij komt dat de bewindvoerder volgens [appellant] bij herhaling onduidelijk is geweest met betrekking tot de actuele hoogte van de boedelachterstand en hierover zelfs tegenstrijdig heeft verklaard. [appellant] wil daarom nu weten wat de exacte actuele achterstand is zodat hij deze alsnog kan inlopen. [appellant] kan zich daarbij thans, zij het toch nog steeds met enige tegenzin, eventueel wel vinden in een verlenging van zijn schuldsaneringsregeling teneinde zijn boedelachterstand alsnog in te lopen en waarbij de overige verplichtingen, met uitzondering van het afdragen van het salaris van de bewindvoerder, niet meer zouden gelden.

3.7.

De bewindvoerder heeft in haar brief van 18 oktober 2017 - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Vanaf verslag 1 wordt er al melding gemaakt van de vóór de schuldsaneringsregeling opgenomen tegoeden die ook al bij het huisbezoek zijn besproken. Het is volgens de bewindvoerder te makkelijk om te stellen dat dit niet de verantwoordelijkheid is van [appellant] maar van zijn toenmalige beschermingsbewindvoerder. [appellant] heeft de tegoeden wel opgemaakt. Dat dit niet is gebruikt om de schuldsaneringsregeling voortijdig te beëindigen wegens kwade trouw is een voordeel geweest voor [appellant] en hij heeft aldus de tijd gekregen dit "misbruik" te herstellen. Het is hoe dan ook benadeling van de schuldeisers en het tegoed dient naar de boedel te worden overgemaakt. Het toelatingsverzoek is op 29 april 2014 gedaan en is door [appellant] zelf ondertekend, dus hij wist dat het verzoek was verstuurd en heeft willens en wetens dit tegoed opgemaakt. Verder was er bij einde schuldsanering een achterstand van ruim
€ 6.000,00, dus [appellant] kan dit niet alleen wijten aan de vóór de schuldsaneringsregeling opgenomen tegoeden. Ook gedurende de looptijd is er onvoldoende afgedragen en [appellant] kreeg hiervan ieder halfjaar een overzicht waarin hij kon zien dat er een achterstand was. Ter zitting van 29 juni 2017 heeft [appellant] duidelijk gezegd dat hij geen verlenging van de schuldsaneringsregeling wilde. Echter na veel overredingskracht van èn de rechter èn de bewindvoerder èn de advocaat was hij bereid nog even te verlengen, zodat of een akkoord kon worden gesloten of dat er mogelijk nog een tegoed te halen was bij de vorige beschermingsbewindvoerder. Echter bij de zitting van 7 september 2017 bleek dat beide opties niet mogelijk waren. Een mogelijke verlenging is toen nog eens besproken, de consequenties van een tussentijdse beëindiging zijn nogmaals verteld, echter [appellant] heeft dit voorstel resoluut van de hand gewezen. Terloops werd tijdens deze zitting gevraagd wat er nog gespaard zou moeten worden voor een integrale betaling en de bewindvoerder heeft toen gezegd dat ze dit niet precies wist, maar dacht dat het om een bedrag van circa € 3.500,00 zou gaan. Dit bleek bij terugkomst van de bewindvoerder op kantoor te laag en is ook direct medegedeeld aan de rechter-commissaris. Mogelijk dat hierdoor in het beroepschrift in deze een spraakverwarring is ontstaan. Het was niet de achterstand die daar werd benoemd, echter het mogelijk nog te sparen bedrag voor een integrale betaling. De verplichtingen van de schuldsaneringsregeling zijn voorts blijven doorlopen en de achterstand op de boedelbijdrage bedraagt momenteel nog € 4.014,72. [appellant] stelt dat de tekortkomingen van geringe betekenis zijn, maar daarmee kan de bewindvoerder zich niet verenigen. Zij is zeer verbaasd dat er alsnog een hoger beroep is ingesteld nu de schuldsanering immers op verzoek van [appellant] zelf is beëindigd. Er is achterstand op de boedelbijdrage die wel degelijk verwijtbaar is aan [appellant] . De bewindvoerder is dan ook van mening dat de tussentijdse beëindiging op eigen verzoek gehandhaafd dient te worden. Mocht het hof toch van mening zijn dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling kan worden verlengd, dan vraagt de bewindvoerder om dit te doen met continuering van alle regels en verplichtingen.

3.8.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder ontkent dat er door haar tegenstrijdige berekeningen van de boedelachterstand aan [appellant] zijn doorgegeven. Zij heeft naast de boedelachterstand ook een prognose ten aanzien van de betaling van de restschuld verstrekt en wellicht dat [appellant] deze bedragen met elkaar heeft verward. Hoewel zij het zelf anders zou doen kan de bewindvoerder zich per saldo wel vinden in een verlenging van de schuldsaneringsregeling zodat [appellant] de boedelachterstand alsnog kan inlopen, mits minstens wel haar salaris wordt voldaan. Dit salaris bedraagt volgens de bewindvoerder € 52,50 per maand. Overigens vindt de bewindvoerder dat de kosten van het hoger beroep, door haar geschat op ongeveer € 1.000,=, ook bij de boedelachterstand zou moeten worden opgeteld.

3.9.

De (waarnemend) beschermingsbewindvoerder heeft desgevraagd ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De beschermingsbewindvoerder bevestigt de gang van zaken zoals die door [appellant] met betrekking tot het handelen van zijn voorganger zijn omschreven. Daarnaast geeft de beschermingsbewindvoerder aan dat er recent nog een bedrag van € 1.500,00 aan de boedel is overgemaakt. Het restant van de boedelachterstand zou volgens de beschermingsbewindvoerder, daarbij rekening houdend met het salaris van de bewindvoerder, binnen twee maanden geheel door [appellant] moeten kunnen worden ingelopen, mits zich geen tegenslagen voordoen.

3.10.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.10.1.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.10.2.

Vast staat dat er op dit moment nog immer sprake is van een boedelachterstand van circa € 3.30000. Het hof is tot dit bedrag gekomen op de volgende wijze. Het hof houdt rekening met de door de bewindvoerder opgegeven achterstand per eind oktober 2017 van € 4.014,72. Nu de schuldsanering slechts tot 15 september 2017 is verlengd – en daarna qua looptijd dus is beëindigd – is [appellant] uit de aard der zaak geen bijdrage over oktober 2017 verschuldigd, zodat op de achterstand al € 776,20 rekenkundig in mindering strekt. Daarnaast is € 1.500,= betaald per 11 oktober 2017, maar dat bedrag is in de uiteindelijke achterstand van € 4.014,72 klaarblijkelijk al verwerkt. Dit is het hof bij de mondelinge behandeling, toen over de duim is gerekend om de achterstand in beeld te krijgen, over het hoofd gezien. In het midden kan blijven of [appellant] op de hoogte was of niet minst genomen via de verslagen had kunnen zijn van het feit dat zijn voormalige beschermingsbewindvoerder daartoe bestemde gelden niet aan de boedelrekening overmaakte. Het ontstaan van deze boedelachterstand dient [appellant] , nu de oorzaak hiervan immers nadrukkelijk gelegen is binnen zijn risicosfeer nu het de ten zijnen behoeve aangestelde beschermingsbewindvoerder is die klaarblijkelijk tekort is geschoten, te worden toegerekend. In zoverre is de achterstand richting de schuldeisers [appellant] verwijtbaar en ligt het op zijn weg de daardoor voor hem gestelde ontstane schade te (gaan) verhalen op zijn beschermingsbewindvoerder, en - indien aan de orde - een mogelijk insolventierisico te dragen. Het hof ziet dan ook geen enkele aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] dan ook op zich terecht heeft beëindigd zonder toekenning van de “schone lei”.

3.10.3.

Daar staat evenwel tegenover dat [appellant] alle overige voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen wel immer naar behoren is nagekomen en hij bovendien in staat moet worden geacht om voornoemde boedelachterstand binnen afzienbare tijd geheel in te kunnen lopen. Het hof acht in dit specifieke geval dan ook termen aanwezig om, mede gezien het meer subsidiaire verzoek van [appellant] in hoger beroep, de schuldsaneringsregeling van [appellant] (nogmaals) te verlengen teneinde hem in staat te stellen om de ontstane boedelachterstand als hierboven grofweg becijferd, alsnog geheel te voldoen. Het hof bepaalt daarbij dat deze verlenging 6 maanden zal duren, dan wel zoveel korter tot aan het moment dat de boedelachterstand geheel zal zijn ingelopen. Voorts bepaalt het hof dat alle overige verplichtingen, met uitzondering van de afdracht van het salaris van de bewindvoerder, voor [appellant] daarbij niet meer van kracht zullen zijn.

3.10.4.

Nu het hof van oordeel is dat een verlenging van (maximaal) 6 maanden geïndiceerd is, zal de verlenging thans – gegeven de cassatietermijn van 8 dagen als voortvloeiend uit artikel 355 lid 2 Fw jo 351 lid 5 Fw - duren tot 25 mei 2018, nu in de periode 15 september 2017 tot en met 24 november 2017 gezien de uitspraak van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2935) de verplichtingen uit hoofde van afdeling II van de derde titel van de Faillissementswet voor [appellant] in ieder geval niet gelden. Het hof zal aldus de thans aan de orde zijnde einddatum bepalen.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt voortgezet;

verlengt de termijn van de toepassing van de schuldsaneringsregeling met 6 maanden na het eerste moment waarop dit arrest onherroepelijk kan worden, derhalve tot 25 mei 2018, danwel zoveel korter als nodig is om de boedelachterstand geheel in te lopen;

bepaalt daarbij dat alle overige verplichtingen, met uitzondering van de afdracht van het salaris van de bewindvoerder, niet langer voor [appellant] van kracht zullen zijn;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in verband met de voortzetting van de schuldsaneringsregeling;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, A.P. Zweers en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017.