Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:493

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-02-2017
Datum publicatie
06-04-2017
Zaaknummer
15/01058
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:8938, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende koopt in 2013 een schoolgebouw van de Gemeente. Tot 2008 was het gebouw in gebruik als school. Daarna is het met enkele kleine aanpassingen door de gemeente tot de verkoop anti-kraak verhuurd. Bij wijziging van het bestemmingsplan in 2012 is het mogelijk gemaakt lofts (gestapelde woningbouw) in het schoolgebouw te realiseren. Het gebouw is bij de overdracht leeg opgeleverd waarna belanghebbende direct lofts bestemd voor de verhuur heeft gerealiseerd in de bestaande ruimten. Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak op grond van artikel 14, lid 2, van de Wet op de belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wet BRV) 2% overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Heeft de Inspecteur terecht op de voet van artikel 14, lid 1, Wet BRV een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd? Het Hof is van oordeel dat de onroerende zaak ten tijde van de verkrijging door belanghebbende naar zijn aard niet bestemd was voor bewoning. Derhalve is het tarief van zes procent van toepassing. Het gelijk is aan de Inspecteur.

Wetsverwijzingen
Wet op belastingen van rechtsverkeer 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0864
V-N 2017/24.17 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2017/798
Mr. D.C. Simonis annotatie in NTFR 2017/1119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/001058

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant (hierna: de Rechtbank) van 1 juli 2015, nummer AWB 14/5493 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 14 augustus 2013 onder aanslagnummer [aanslagnummer] een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd, berekend naar een te betalen bedrag van € 12.700. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op [datum 2] 2016 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord zijn gemachtigde de heer [A] , tot bijstand vergezeld van de heer [B] alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C] en mevrouw [D] .

1.5.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft vervolgens aan het slot van de zitting het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft, samen met [B] , op [datum 1] 2013 ieder de onverdeelde helft verkregen van de eigendom van de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] nummer 27, [postcode] te [E] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak is een voormalig schoolgebouw. De koopsom voor de onroerende zaak bedroeg € 635.000. Bij de levering is overdrachtsbelasting voldaan onder toepassing van het verlaagde tarief voor woningen conform artikel 14, tweede lid Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV), oftewel € 12.700 in totaal (2%).

2.2.

De betreffende onroerende zaak heeft tot 2009 dienst gedaan als schoolgebouw. Op [datum 2] 2012 heeft de gemeente [E] de eigendom van het pand verkregen. Het perceel had op dat moment de bestemming ‘maatschappelijke instelling’. In 2012 is een verzoek ingediend tot wijziging van het bestemmingsplan. Op 2 oktober 2012 is door het college van burgemeester en wethouders van [E] het wijzigingsplan [adres] 27 vast gesteld. Bij deze wijziging is het mogelijk gemaakt lofts (gestapelde woningbouw) in het schoolgebouw te realiseren. Tot aan de levering aan belanghebbende op [datum 1] 2013 is de onroerende zaak, door tussenkomst van een leegstandsbeheerder, verhuurd en bewoond.

2.3.

Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak op grond van artikel 14, lid 2, van de Wet op de belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wet BRV) 2% overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.

2.4.

De Inspecteur is van mening dat het voormalig schoolgebouw geen woning is en dat er ten onrechte een beroep is gedaan op het verlaagde tarief voor de overdrachtsbelasting. Met dagtekening 14 augustus 2013 is aan belanghebbende op de voet van artikel 14, lid 1, Wet BRV een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd voor de helft van het verschil tussen de afgedragen (€ 12.700) en af te dragen overdrachtsbelasting (€ 38.100), oftewel € 12.700.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de onroerende zaak kwalificeert als woning in de zin van artikel 14, lid 2, van de Wet BRV.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. De Inspecteur voegt hier ter zitting nog aan toe dat de functie die het gebouw vroeger had, niet van belang is; slechts de aard van het gebouw ten tijde van de levering is van belang. De aard was die van schoolgebouw. Een schoolgebouw, zijnde een niet-woning, met kleine aanpassingen maakt dat schoolgebouw nog niet tot woning. Er zijn slechts aanpassingen aangebracht met het oog op tijdelijk verblijf voor anti kraak. Deze aanpassingen maken de aard van het gebouw niet anders. Desgevraagd verklaart belanghebbende dat het gebouw door de gemeente anti-kraak is verhuurd, vervolgens bij de overdracht leeg is opgeleverd en men direct met de verbouwingen tot lofts is gestart. Het idee van een loft is een open ruimte met een keuken en een badkamer; de ruimte kan men verder zelf invullen. Er zijn geen appartementsrechten gevestigd. De lofts zijn bestemd voor de verhuur. Het uiterlijk van het gebouw is niet gewijzigd. Op het voormalige schoolplein zijn parkeerplaatsen aangebracht voor de bewoners.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

In artikel 14 Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wet BRV) (tekst 2013) staat het volgende:

‘1. De belasting bedraagt 6 percent.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting 2 percent voor de verkrijging van woningen en van rechten waaraan deze zijn onderworpen (…)’

4.2.

In de Wet BRV is geen definitie van het begrip woningen opgenomen. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot het onder 4.1 vermelde artikel 14, lid 2, Wet BRV is (voor zover hier van belang) het volgende opgemerkt:

‘Artikel XVI, onderdeel C (artikelen 14 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer)

Dit onderdeel regelt de verlaging van het tarief overdrachtsbelasting naar 2 procent voor de verkrijging van woningen of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. Onder woningen wordt in dit kader verstaan onroerende zaken die op het moment van de juridische overdracht naar hun aard zijn bestemd voor bewoning. Als een onroerende zaak feitelijk wordt bewoond, maar naar zijn aard niet bestemd is voor bewoning, dan wordt deze onroerende zaak niet aangemerkt als woning. Bij twijfel of een onroerende zaak naar zijn aard bestemd is voor bewoning is mede van belang of de gemeente aan de onroerende zaak een woonbestemming heeft gegeven. Het gedogen door de gemeente van bewoning is niet voldoende om een onroerende zaak als woning aan te merken.

Voor toepassing van het verlaagde tarief maakt het geen verschil of de verkrijger de woning zelf gaat bewonen of dat de verkrijger de woning verhuurt aan een particulier. Ook ontneemt tijdelijke leegstand aan de onroerende zaak niet het karakter van woning.

De maatregel geldt ook voor de tweede woning en de recreatiewoning, indien deze naar hun aard bestemd zijn voor bewoning. Daarnaast geldt de maatregel voor een nieuwe woning in aanbouw. Als de fundering is aangebracht is in dit kader sprake van een nieuwe woning in aanbouw. Een onroerende zaak die geen woning is, maar wordt verbouwd tot woning valt niet onder de maatregel.

Als woning zijn in ieder geval niet aan te merken:

-bedrijfsgebouwen en -ruimtes;

-afzonderlijke garageboxen

-hotels/pensions;

-asielzoekerscentra;

-een onroerende zaak die bestemd is voor gebruik als een verpleeg- of verzorgingsinstelling of ziekenhuis;

-internaten; en

-grond bestemd voor woningbouw.

(…)’

(Kamerstukken II 2011/12, 33003, nr. 3, blz. 115).

4.3.

Op basis van de tussen partijen vaststaande feiten, stelt het Hof het volgende vast. De onroerende zaak bestaat uit een voormalige school en was tot 2009 ook als school in gebruik. Daarna is de onroerende zaak, na de eigendomsoverdracht aan de Gemeente, door tussenkomst van een leegstandsbeheerder tijdelijk in gebruik geweest als woonruimte. Hiertoe zijn enige voorzieningen aangebracht, zoals een douche en een badkamer. Ten tijde van de verkrijging door belanghebbende was de bestemming van de onroerende zaak gewijzigd waardoor gestapelde woningbouw (lofts) mogelijk was.

4.4.

De vraag of de onroerende zaak naar zijn aard is bestemd voor bewoning, moet worden beoordeeld naar het moment van de verkrijging van deze onroerende zaak door belanghebbende. Het Hof acht het in dat kader van belang dat ten tijde van de verkrijging de werkzaamheden voor het realiseren van gestapelde woningen (lofts) nog moesten worden uitgevoerd. Hieruit leidt het Hof af dat de onroerende zaak op het moment van verkrijging door belanghebbende naar zijn aard niet bestemd was voor bewoning. Daar doet niet aan af dat tot dat moment de onroerende zaak werd bewoond als voormeld en het bestemmingsplan was gewijzigd waardoor de realisatie van gestapelde woningbouw (lofts) mogelijk was geworden. De bedoeling van belanghebbende tot realisatie in de toekomst van gestapelde woningbouw (lofts) is in deze niet van belang. Van belang is de aard van de bestemming van de onroerende zaak ten tijde van de verkrijging door belanghebbende.

4.5.

Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de onroerende zaak ten tijde van de verkrijging door belanghebbende naar zijn aard niet bestemd was voor bewoning. Derhalve is het tarief van zes procent van toepassing.

Slotsom

4.6.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 10 februari 2017 door J.W.J. Huige, voorzitter, P. Fortuin en J.W. Verstraate in tegenwoordigheid A.A van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.