Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:492

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-02-2017
Datum publicatie
04-05-2017
Zaaknummer
15/00936 tot en met 15/00941 en 15/01132 tot en met 15/01144
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:3481, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

KB-Lux zaak. Geen schending vertrouwensbeginsel. Inzage in dossier: geen schending abbb. Boete niet verder gematigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-1379
V-N 2017/28.21.5
V-N Vandaag 2017/1058
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00936 tot en met 15/00941 en 15/01132 tot en met 15/01144

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats 1] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 mei 2015, nummers AWB 13/2586 tot en met 13/2595, 13/2597 tot en met 13/2603, 13/2605 en 13/2606, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden belastingaanslagen en boete- en heffingsrentebeschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 30 december 2004 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging (hierna ook: boete). Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

1992

H28

15/00936

f

16.784

16.784

6.254

IB/PVV

1993

H38

15/01132

f

16.399

16.399

5.282

IB/PVV

1994

H48

15/01133

f

11.189

11.189

3.107

IB/PVV

1995

H58

15/01134

f

11.663

11.663

2.926

IB/PVV

1996

H68

15/01135

f

13.480

13.480

3.299

VB

1993

K38

15/01140

f

3.984

3.984

1.480

VB

1994

K48

15/01141

f

4.168

4.168

1.340

VB

1995

K58

15/01142

f

3.792

3.792

1.051

VB

1996

K68

15/01143

f

3.848

3.848

962

VB

1997

K78

15/01144

f

4.416

4.416

1.012

1.2.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 7 januari 2005 navorderingsaanslagen in de IB/PVV opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

1997

H77

15/01136

f

16.254

16.254

3.876

IB/PVV

1998

H87

15/01137

f

14.892

14.892

3.067

IB/PVV

1999

H97

15/01138

f

22.474

22.474

3.954

IB/PVV

2001

H17

15/00937

4.901

4.930

470

1.3.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 januari 2005 belastingaanslagen in de IB/PVV en VB opgelegd. De belastingaanslagen zijn opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende belastingaanslagen en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2002

H26

15/00938

f

4.901

4.901

325

VB

1998

K87

15/00939

f

4.305

4.305

848

VB

1999

K97

15/00940

f

4.858

4.858

811

VB

2000

K07

15/00941

f

3.752

3.752

490

1.4.

Aan belanghebbende is met dagtekening 25 februari 2005 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd. De navorderingsaanslag is opgelegd met een boete. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende navorderingsaanslag en beschikkingen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Kenmerk

Hof

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

2000

H07

15/01139

21.308

21.308

3.119

1.5.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken met dagtekening 30 maart 2013, de bezwaren deels gegrond verklaard en de belastingaanslagen verminderd tot de volgende bedragen:

Belasting-

Soort

Jaar

Aanslag-

nummer

[aanslagnummer]

Belasting

Boete

Heffings-

rente

IB/PVV

1992

H28

f

10.494

8.395

3.478

IB/PVV

1993

H38

f

10.363

8.290

2.912

IB/PVV

1994

H48

f

7.459

5.967

1.765

IB/PVV

1995

H58

f

7.775

6.220

1.631

IB/PVV

1996

H68

f

8.987

7.190

1.829

IB/PVV

1997

H77

f

9.574

7.659

1.805

IB/PVV

1998

H87

f

8.856

7.085

1.382

IB/PVV

1999

H97

f

13.592

10.874

1.713

IB/PVV

2000

H17

f

13.102

10.482

1.177

IB/PVV

2001

H17

3.269

2.615

313

IB/PVV

2002

H26

3.268

2.614

217

VB

1993

K38

f

2.352

1.882

779

VB

1994

K48

f

2.448

1.958

688

VB

1995

K58

f

2.120

1.696

501

VB

1996

K68

f

2.232

1.786

468

VB

1997

K78

f

2.672

2.138

503

VB

1998

K87

f

2.422

1.938

378

VB

1999

K97

f

3.234

2.587

407

VB

2000

K07

f

2.338

1.870

210

1.6.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de Inspecteur en de Minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 2.887 respectievelijk € 613.

1.7.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 november 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , belastingadviseur te [plaats 1] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur,
de heer [B] en de heer [C] .

1.9.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is sinds 2 september 2000 gehuwd met [echtgenote] (hierna: de echtgenote). Belanghebbende heeft een zoon, [zoon] (hierna: de zoon), en een dochter, [dochter] (hierna: de dochter).

2.2.

Belanghebbende is beschreven voor de IB/PVV doch niet voor de VB. Belanghebbende heeft over de jaren 1994 tot en met 2002 aangiften IB/PVV gedaan, waarbij hij (voor zover hier van belang) onder meer de volgende inkomsten/saldi heeft vermeld:

Jaar

Stipinkomen

ƒ

Rente-inkomsten

ƒ

Belaste

rente-inkomsten ƒ

Saldi rekeningen

Ƒ

1994

20.382

nihil

nihil

nihil

1995

14.461

668

nihil

nihil

1996

18.119

928

nihil

98.486

1997

21.521

4.317

3.317

49.793

1998

40.457

nihil

nihil

46.126

1999

33.162

1.659

659

109.908

2000

38.999

2.355

355

88.433

Jaar

Verzamelinkomen

Belaste ink. box 3

Vermogen 01-01

Vermogen 31-12

2001

19.605

849

70.660

84.119

2002

19.499

671

85.216

62.994

In de aangiften heeft belanghebbende geen inkomsten of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de Kredietbank in Luxemburg (hierna: KBL) dan wel op enige andere buitenlandse bankrekening.

2.3.

Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV over het jaar 1994 is het stipinkomen gecorrigeerd met ƒ 1.313 tot ƒ 21.695, waarbij onder andere het bedrag aan rente-inkomsten is gecorrigeerd tot ƒ 668. De aanslagen IB/PVV over de jaren 1995 tot en met 2002 zijn conform de ingediende aangiften opgelegd.

2.4.

Op 27 oktober 2000 zijn in het kader van een zogenaamde spontane uitwisseling van inlichtingen afdrukken van microfiches van KBL aan het Ministerie van Financiën verstrekt. De Belastingdienst heeft hierbij onder andere het renseignement ontvangen van een rekening met nummer [rekeningnummer 1] op naam van ‘ [belanghebbende] ou [D] ’ met op
31 januari 1994 onder het deelrekeningnummer 54- [rekeningnummer 1] -27 een saldo van ƒ 174.023,74 en onder het deelrekeningnummer 52- [rekeningnummer 1] -70 een saldo van negatief ƒ 37,94, ofwel totaal ƒ 173.985,80.

2.5.

Naar aanleiding van het ontvangen renseignement heeft de Inspecteur aan belanghebbende vanaf 3 oktober 2002 meerdere vragenbrieven gestuurd. Daarin stelt de Inspecteur dat uit een onderzoek naar voren is gekomen dat belanghebbende houder is (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen en hij verzoekt belanghebbende de bijgevoegde verklaring in te vullen onder opgaaf van onder meer de rekeningnummers en de naam van de bank(en). De toenmalige gemachtigde van belanghebbende, [E] (hierna: [E] ) heeft in brief van 4 november 2002 aan de Inspecteur medegedeeld dat door belanghebbende met klem wordt bestreden dat hij (belanghebbende) houder is (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen.

2.6.

De FIOD heeft vervolgens opnieuw onderzoek gedaan naar de identiteit van de rekeninghouder van de KBL [rekeningnummer 1] . In het proces-verbaal van een ambtshandeling Project Buitenlands Vermogen van 2 november 2004 heeft de heer [F] , medewerker van de FIOD, aangegeven dat belanghebbende en zijn zwager de heer [D] (hierna: de zwager) als enige als rekeninghouders van de KBL [rekeningnummer 1] in aanmerking komen. De zwager is gehuwd met mevrouw [G] , een zus van belanghebbende. Zowel belanghebbende als de zwager hebben [X] als eerste voornaam.

2.7.

Bij brief van 3 november 2004 aan belanghebbende heeft de Inspecteur aangegeven dat hij beschikt over de gegevens waaruit blijkt dat belanghebbende ten minste één bankrekening aanhoudt of heeft aangehouden in het buitenland en dat hij (de Inspecteur) voornemens is ter zake van de bankrekening bij de KBL nummer [rekeningnummer 1] (navorderings)aanslagen IB/PVV over de jaren 1992 tot en met 2003 en navorderingsaanslagen VB over de jaren 1993 tot en met 2000 op te leggen. In de brief staat onder meer vermeld hoe het bedrag van de (navorderings)aanslagen wordt bepaald:

“Ik ben door uw weigering om volledig en juist antwoord te geven op mijn vragen genoodzaakt aanslagen vast te stellen als volgt.
De hoogte van de correctiebedragen wordt gesteld op een zodanig bedrag dat 95% van de bedragen die zijn gecorrigeerd bij personen die wel volledig en juist hebben geantwoord daar binnen valt. Aangezien bij personen die niet of onjuist hebben geantwoord de saldo gemiddeld een factor 1,5 hoger liggen, heb ik dit bedrag met 1,5 vermenigvuldigd.”.

In de brief is tevens aangegeven dat wanneer belanghebbende alsnog bereid is volledige medewerking te verlenen, de boeten verlaagd zullen worden tot 50%.

2.8.

[E] heeft vervolgens stukken bij de Belastingdienst opgevraagd en verkregen en heeft inzage in het dossier gehad. Er is verder niet gereageerd op de in 2.7 bedoelde brief van 3 november 2004.

2.9.

Daarna heeft de Inspecteur bij brief van 23 december 2004 belanghebbende medegedeeld dat de gevraagde stukken niet zijn verstrekt, dat een schriftelijke reactie niet is ontvangen en dat hij de (navorderings)aanslag(en) en boeten zal opleggen zoals vermeld in de in 2.7 bedoelde brief van 3 november 2004.

De Inspecteur citeert daarbij uit de brief van 3 november 2004:

“Ik heb u reeds kenbaar gemaakt dat de Belastingdienst de beschikking heeft over informatie waaruit blijkt dat u tegoeden aanhoudt of heeft aangehouden bij een buitenlandse bank. Deze tegoeden en de inkomsten daaruit zijn niet in de belastingaangiften aangegeven terwijl het van algemene bekendheid is dat dat verplicht is. De vragen in het aangiftebiljet of er sprake is van buitenlandse tegoeden zijn altijd door u ontkennend beantwoord. Bij herhaling zijn over uw buitenlandse tegoed(en) op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR aan u vragen gesteld waarop geen dan wel onjuist of onvolledig antwoord is gegeven.
Op grond van deze feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet dan wel voorwaardelijk opzet, nalaten om deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken.
Ik merkt het feit dat u gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening(en) teneinde de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit te ontnemen aan als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto 43 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (…). Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen.”

De Inspecteur vermeldt voorts dat belanghebbende deze mededeling kan beschouwen als een kennisgeving als bedoel in artikel 67g van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR).

2.10.

De in 1.1 tot en met 1.4 vermelde belastingaanslagen en beschikkingen zijn opgelegd zoals aangekondigd in de in 2.7 bedoelde brief van 3 november 2004.

2.11.

[E] heeft hiertegen bij brieven van 3 februari 2005 en 8 maart 2005 bezwaar gemaakt. Hij heeft in de brief van 3 februari 2005 onder meer opgenomen dat hij veronderstelt dat “de verdere afhandeling van dit bezwaar afhankelijk is van de afwikkeling conform het Nauta-protocol”.

2.12.

In de bevestiging van de ontvangst van de bezwaarschriften van 8 februari 2005 en 14 maart 2005 heeft de Inspecteur aangegeven dat, nu belanghebbende hiermee in de bezwaarschriften heeft ingestemd, de bezwaren van belanghebbende worden aangehouden totdat op de procedures betreffende het Nauta-protocol onherroepelijk uitspraak is gedaan.

2.13.

Bij brief van 17 maart 2005 heeft [E] de Inspecteur laten weten dat belanghebbende alsnog tot een vrijwillige inkeer wenst te komen. In de brief is onder meer het volgende vermeld:

“Cliënt wenst middels dit schrijven tot een vrijwillige inkeer te komen. Cliënt heeft tegoeden (aangehouden) bij de volgende banken:

 Fortis Bank te [plaats 2] (België)

 Deutsche Bank te [plaats 3] (Spanje)

 Deutsche Bank te [plaats 4] (Spanje)

 Deutsche Bank te [plaats 5] (Spanje)

 CAM Bank te [plaats 3] / [plaats 4] (Spanje)

 Volksbank [plaats 6] (Oostenrijk)

 ERSTE Bank der Öestereichischen Sparkasse te [plaats 7] (Oostenrijk)

 UBS te [plaats 8] (Zwitserland)

 Rabobank Luxembourg te [plaats 9] (Luxemburg)

Cliënt heeft geen andere bescheiden dan de bescheiden die u bijgevoegd aantreft. Volledigheidshalve deel ik u mede dat enkele van voornoemde bankrekeningen reeds zijn opgeheven. Bovendien deel ik u mede dat cliënt zijn buitenlandse tegoeden (ook) op naam van familieleden heeft gezet.

Cliënt heeft substantiële inkomsten uit auto- en kunsthandel nimmer opgegeven. Voor zover deze inkomsten meer dan vijf jaar geleden werden genoten, is navordering naar mijn mening niet meer mogelijk. Voor de in het buitenland genoten rente en dividend is cliënt bekend met de langere navorderingstermijn.”

Bij deze brief zijn enkele kopieën van bankbescheiden gevoegd.

2.14.

Rond dezelfde periode liep er (uit andere hoofde) een strafrechtelijk onderzoek tegen belanghebbende. In het kader van dat strafrechtelijk onderzoek hebben er doorzoekingen van het perceel [adres] 177 te [plaats 1] , zijnde de woning van mevrouw [H] , de moeder van de echtgenote (hierna: de schoonmoeder) plaatsgevonden. In een tot die woning behorende berging zijn twee plastic draagtassen aangetroffen met daarin bescheiden, die nagenoeg uitsluitend betrekking hadden op diverse buitenlandse banktegoeden in de vorm van bank-, spaar-, termijndeposito- en effectenrekeningen. Veel van deze rekeningen waren op naam gesteld van belanghebbende, de echtgenote, de zoon, de dochter, belanghebbendes vader, de heer [zoon] , of de schoonmoeder.

2.15.

Belanghebbende en zijn familieleden hebben tijdens het strafrechtelijk onderzoek verscheidene verklaringen afgelegd, die zijn neergelegd in het proces-verbaal dat naar aanleiding van het onderzoek is opgemaakt (hierna: het proces-verbaal). In het door de Inspecteur overgelegde gedeelte van het proces-verbaal worden zestien verschillende buitenlandse banken besproken. In het proces-verbaal staat op pagina’s 214, 216 tot en met 224, 228, 236 en 241 vermeld dat de schoonmoeder op 7 maart 2005 onder meer het volgende heeft verklaard:

“De 2 plastic tassen met inhoud die u aantrof in de berging bij mijn woning zijn niet van mij. Deze behoren toe aan mijn schoonzoon [belanghebbende] .”

Voorts staat in het proces-verbaal op pagina’s 214, 216 tot en met 224, 228, 236 en 241 dat de schoonmoeder op 9 maart 2005 onder meer het volgende heeft verklaard:

“De 2 zakken met administratie die u bij mij heeft aangetroffen zijn hier door mijn dochter [echtgenote] neergezet. Ze vroeg me of ik die plastic zakken voor haar wilde bewaren. Ik weet niet hoe lang die er al staan. Ik zag hier ook geen kwaad in en ik heb dit uiteraard toegestaan. Ik heb nooit in die zakken gekeken.”

2.16.

In het proces-verbaal staat op pagina’s 225-226 vermeld dat de echtgenote op
14 maart 2005 onder meer het volgende heeft verklaard:

“U vraagt mij of ik voor [belanghebbende] wel eens gelden naar banken in het buitenland heb gebracht. Hierop kan ik het volgende vertellen: …..

Verder hebben we bankrekeningen in [plaats 6] in Oostenrijk en in [plaats 7] in Oostenrijk. Ik weet echt niet bij welke bankinstellingen we hier bankieren. In beide plaatsen ben ik wel eens in de bank geweest. Er zijn bij deze banken geen kluisjes, alleen rekeningen. Ik zelf heb bij deze banken ook stortingen gedaan van gelden van [belanghebbende] . De bankrekeningen staan volgens mij op mijn naam. Bij deze bankrekeningen zijn bankboekjes. Volgens mij zijn het nummerrekeningen en is van een van deze rekeningen de code genaamd [code] . (…)

…. U vraagt mij naar de herkomst van de gelden op de hiervoor genoemde bankrekeningen. Hierop kan ik u verklaren dat dit gelden zijn welke eigendom zijn van [belanghebbende] en welke hij heeft verdiend uit zijn handel in roerende zaken (…). Hiermee bedoel ik de eerder genoemde handel in auto’s, sieraden en andere ongeregelde goederen. U vraagt mij waarom deze gelden in het buitenland op bankrekeningen werden gezet en niet in Nederland op bankrekeningen werden gezet. Dit gebeurde omdat dit zogenaamde “zwarte gelden” zijn, waarvan bijvoorbeeld de Nederlandse belastingdienst geen kennis mocht hebben. Deze door [belanghebbende] verdiende gelden dienden voor meerdere Nederlandse instanties te worden afgeschermd.”

2.17.

In het proces-verbaal staat op pagina 239 vermeld dat de echtgenote op 14 maart 2005 onder meer het volgende heeft verklaard:

“U vraagt mij of ik voor [belanghebbende] wel eens gelden naar banken in het buitenland heb gebracht. Hierop kan ik u het volgende vertellen:

…We hebben nog een bankrekening bij de Schweitzer Bank in [plaats 8] in Zwitserland. Volgens mij hebben we daar maar een bankrekening. Wie deze rekening op naam heeft staan, weet ik niet en welk tegoed er is, weet ik ook niet. Ik ben wel eens bij deze bank geweest ter gelegenheid van een wintersport-vakantie. Ik ben zelf meerdere keren bij deze bank geweest. Ik ben ook bij deze bank geweest om geld van [belanghebbende] te storten. Andere bankrekeningen in Zwitserland hebben we niet. (…)”

2.18.

In het proces-verbaal staat op pagina 244 vermeld dat de echtgenote op 14 maart 2005 onder meer het volgende heeft verklaard:

“U vraagt mij of ik voor [belanghebbende] wel eens gelden naar banken in het buitenland heb gebracht. Hierop kan ik u het volgende vertellen:

…Daarnaast hebben we bankrekeningen in Zuid-Spanje in de plaats [plaats 4] . We bankieren daar bij de Deutsche Bank en bij nog een bank met een Spaanse naam, waarvan ik thans de naam niet weet. De rekeningen staan op mijn naam en [belanghebbende] is gemachtigde. Hoeveel geld op deze rekeningen staat is mij onbekend. Bij gelegenheid van verschillende vakanties hebben we wel eens geld bij deze banken gestort. (…)”

2.19.

In het proces-verbaal staat op pagina’s 226, 239 en 244 vermeld dat de echtgenote op 14 maart 2005 onder meer het volgende heeft verklaard:

“U vraagt mij naar de herkomst van de gelden op de hiervoor genoemde bankrekeningen. Hierop kan ik verklaren dat dit gelden zijn welke eigendom zijn van [belanghebbende] en welke hij heeft verdiend uit zijn handel in roerende zaken, zoals hiervoor beschreven. Hiermee bedoel ik de eerder genoemde handel in auto’s, sieraden en andere ongeregelde goederen. U vraagt mij waarom deze gelden in het buitenland op bankrekeningen werden gezet en niet in Nederland op bankrekeningen werden gezet. Dit gebeurde omdat dit zogenaamde “zwarte gelden” zijn, waarvan bijvoorbeeld de Nederlandse belastingdienst geen kennis mocht hebben. Deze door [belanghebbende] verdiende gelden dienden voor meerdere Nederlandse instanties te worden afgeschermd.”

2.20.

In het proces-verbaal staat op pagina 226 en 232 dat de echtgenote op 15 maart 2005 onder meer het volgende heeft verklaard:

“Gisteren heb ik al verklaard dat op mijn naam bij een bank in [plaats 6] in Oostenrijk een bankrekening was aangetroffen. U houdt mij thans voor dat het hier gaat om een filiaal van de “Erste Bank der Oesterreichischen Sparkasse” in [plaats 6] . Ik kan hierop verklaren dat het inderdaad zo is. Thans herken ik de naam weer. Deze bankrekening staat op mijn naam, doch het tegoed is feitelijk eigendom van [belanghebbende] .”

2.21.

In het proces-verbaal staat op pagina 226 en 232 dat de echtgenote op 6 april 2005 onder meer het volgende heeft verklaard:

“U vraagt mij hoe het proces verliep met de post van de banken in het buitenland. Zoals eerder verklaard gingen wij naar deze banken toe. In de bank zelf kregen we inzage in de actuele saldo-informatie. Wij namen geen afschriften mee. Dus van de banken in Oostenrijk, Zwitserland, Luxemburg, België, Spanje heb ik geen afschriften. U vraagt mij of ik overal persoonlijk bij die banken ben geweest. Ja, bij de meeste wel. Ik ken geen banken waar ik niet ben geweest.”

2.22.

In het proces-verbaal staat op pagina’s 225 en 231 vermeld dat belanghebbende op 12 april 2005 onder meer het volgende heeft verklaard:

“Ook in Oostenrijk heb ik een rekening gehad die mede op naam van [D] heeft gestaan. Ook die rekening heb ik enkele jaren laten omzetten op de naam van mij en mijn echtgenote [echtgenote] . Ik heb deze beide rekeningen eerder mede op naam van mijn zwager gehad, omdat ik deze rekeningen al circa 20 jaren heb en mijn relatie met [echtgenote] nog niet dusdanig was dat ik deze mede op haar naam had gezet. Voor het geval mij iets zou overkomen vond ik het echter van belang dat anderen aan dit geld konden komen, om dit indien nodig, aan mijn kinderen te kunnen geven.

…U heeft mij gisteren echter al voorgehouden dat mensen die over dergelijke banktegoeden, die vermoedelijk van misdrijf afkomstig zijn, kunnen beschikken zich ook strafbaar maken. Ook al betreft dit een echtgenote. Ik vind echter dat [echtgenote] onschuldig zit. Ik heb haar naam mede opgevoerd bij bedoelde banken voor het geval mij iets zou overkomen; als ik bv te overlijden zou komen. U houdt mij voor dat deze familieleden dan juist als gemachtigde vermeld konden staan bij deze bankrekeningen, maar dat nu blijkt dat juist ik als gemachtigde stond vermeld en mijn familieleden als rekeninghouder. Ik heb dit zo gedaan om te verdoezelen, zodat mijn naam bij deze rekeningen niet naar voren zou komen. Alle rekeningen zijn echter van mij. Ik vind het jammer dat ik daar anderen mee heb belast.”

2.23.

In het proces-verbaal staat op pagina 232 vermeld dat de zwager op 19 april 2005 onder meer het volgende heeft verklaard:

“U vraagt mij wat mij bekend is van nummerrekeningen bij de Erste Bank der Oesterreichischen Sparkasse in [plaats 7] door mijn vrouw [G] en mijn schoonzus [echtgenote] . Het zal 9 of 10 jaar geleden zijn geweest dat ik met mijn vrouw [G] en mijn dochter naar Oostenrijk op vakantie ben geweest. Wij hebben toen geld meegenomen. Op verzoek van [belanghebbende] zouden wij daar een rekening openen bij een bank en dit geld daar storten. [belanghebbende] had niet aangegeven welke bank dit diende te zijn, wij konden dit terplaatse samen bepalen. (…).”

2.24.

Voorts heeft het Bureau Financiële Ondersteuning (hierna: BFO) van de Politie regio Limburg-Noord aan de hand van de bij de schoonmoeder aangetroffen bescheiden en het uitgevoerde onderzoek het volgende overzicht van in het buitenland aangehouden vermogen van belanghebbende en de echtgenote tezamen opgesteld:

Jaar

1 januari

Ink./inbreng

Inleg

Kosten/opn./uitg.

31 december

berekend

31 december

werkelijk

1995

1.030.928,40

74.791,67

330.635,80

4.250,17

1.432.105,70

1.432.104,38

1996

1.432.104,38

74.771,72

68.005,32

136.648,68

1.438.232,74

1.438.232,72

1997

1.438.232,72

49.550,82

93.121,74

2.212,36

1.578.692,92

1.578.692,94

1998

1.578.692,94

61.482,61

267.543,08

6.541,92

1.901.176,71

1.901.176,18

1999

1.901.176,18

52.925,98

606.674,30

11.196,84

2.549.579,62

2.549.579,61

2000

2.549.579,61

122.500,91

645.129,26

11.119,87

3.306.089,91

3.306.089,90

2001

3.306.089,90

88.446,14

357.744,98

176.164,71

3.576.116,31

3.576.116,31

2002

3.576.116,31

40.483,64

79.412,56

75.163,75

3.620.848,76

3.620.848,76

2003

3.620.848,76

68.625,50

89.759,96

96.881,24

3.682.352,98

3.682.352,98

2004

3.682.352,98

101.071,15

0

183.374,99

3.600.049,14

3.600.049,14

2005

3.600.049,14

102.448,98

0

5.916,77

3.696.581,35*

3.696.581,35*

* saldo op 28 februari 2005

2.25.

Bij brief van 5 september 2012 heeft de Inspecteur aangegeven voornemens te zijn de in 1.1 tot en met 1.4 bedoelde belastingaanslagen en beschikkingen te verminderen. De Inspecteur heeft het voornemen geuit de vermenigvuldigingsfactor 1,5 te elimineren en de boeten wegens overschrijding van de redelijke termijn te verminderen met 20%.

2.26.

Bij brief van de Inspecteur van 11 december 2012 zijn aan de toen optredende gemachtigde [K] (hierna: [K] ) de door deze gevraagde stukken verzonden.

2.27.

Op 5 februari 2013 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden tussen de Inspecteur en [K] . In het hoorverslag van 25 februari 2013 is voor zover hier van belang het volgende vermeld:

“Tevens is het inkeerverzoek (…) d.d. 17 maart 2005 (…) besproken. Er wordt ingekeerd voor 8 (Hof: dit moet zijn 9) bankrekeningen in België, Spanje, Oostenrijk, Zwitserland en Luxemburg. Tevens maakt de voormalige adviseur de opmerking dat de heer [belanghebbende] de bankrekeningen ook op naam van familieleden heeft gezet. Relevante gegevens waren niet meer bekend. In 2005 heeft justitie een strafrechtelijk onderzoek ingesteld (…). Tijdens dit onderzoek is geconstateerd dat de heer [belanghebbende] over nog meer buitenlandse bankrekeningen beschikte dan werd aangegeven in het inkeerverzoek. Justitie heeft berekend dat op 28 februari 2005 het saldo op de buitenlandse bankrekeningen € 3.696.581 bedroeg. (…) Onder deze bankrekeningen bevonden zich ook een aantal bankrekeningen van de KBL (…).
Zowel met het inkeerverzoek alsmede met de gegevens die door justitie aan de belastingdienst ter beschikking werden gesteld is door de belastingdienst niets gedaan. In verband met een redelijke voortvarendheid kan de belastingdienst slechts navorderingsaanslagen opleggen over de laatste 5 jaar.

Om de volgende redenen is het nu duidelijk dat de heer [belanghebbende] terug is gekomen op de eerdere ontkenning dat hij in het buitenland diverse bankrekeningen heeft:
(…)

Omdat het niet meer mogelijk is om over alle bankafschriften van de buitenlandse rekeningen te beschikken kunnen wij niet meer de juistheid van de saldi van alle bankrekeningen vaststellen. Daarom hebben wij de heer [K] medegedeeld dat wij de bezwaarschriften willen afdoen conform onze brief van 5 september 2012. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd d.m.v. schattingen.”

2.28.

Bij uitspraken op bezwaar van 30 maart 2013 (zie 1.5) heeft de Inspecteur de bezwaren deels gegrond verklaard en de in 1.1 tot en met 1.4 bedoelde belastingaanslagen en beschikkingen verminderd overeenkomstig hetgeen was vermeld in de brief van
5 september 2012.

2.29.

Op 9 juli 2013 heeft de Inspecteur de huidige gemachtigde van belanghebbende inzage verleend in het dossier ten kantore van de gemachtigde. Bij brief van 30 juli 2013 heeft de gemachtigde de Inspecteur verzocht alsnog kopieën van alle stukken te verstrekken.

2.30.

In beroep heeft belanghebbende gegevens van KBL overgelegd met betrekking tot rekeningnummer [rekeningnummer 1] en de daaraan gekoppelde termijndeposito’s. Uit deze gegevens blijkt dat alle gelden van de rekening [rekeningnummer 1] op 3 november 1994 zijn opgenomen en dat per die datum de betreffende bankrekening en de daaraan gekoppelde termijndeposito’s zijn opgeheven. Tevens blijkt uit deze bescheiden dat belanghebbende in de periode van 31 december 1991 tot en met 31 december 1994 op de KBL-rekening over de volgende vermogens beschikte en de volgende rente-inkomsten genoot:

52- [rekeningnummer 1] -70

f

53- [rekeningnummer 1] -97

f

54- [rekeningnummer 1] -27

f

Rente totaal

f

Kosten totaal

f

31-dec-91

-135,21

150.032,10

-

-

-

31-dec-92

85,65

-

162.933,59

13.151,49

28,14

31-dec-93

-37,94

-

173.352

10.418, 41

124,59

31-dec-94

-

-

-

5.700,87

10,93

2.31.

De strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 17 november 2009 arrest gewezen ter zake van de vordering ex artikel 36e, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht, ingesteld tegen belanghebbende naar aanleiding van de veroordeling van belanghebbende ter zake van de uitvoer van hasjiesj en pillen bevattende MDMA (XTC) (ECLI:NL:GHSHE:2009:BK3716). De strafkamer heeft onder meer het volgende geoordeeld:

Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel

In het BFO-proces-verbaal wordt geconcludeerd dat in de jaren 1995 tot en met 2005 ten minste een bedrag van EUR 1.012.145,66 aan binnenlands vermogen uit andere (dan de bekende legale) inkomensbronnen afkomstig moet zijn geweest. Het hof heeft vastgesteld dat daarvan een deel ter grootte van EUR 937.612,63 kan worden aangemerkt als gegenereerd uit de autohandel.

(…)

Gelet op het voorgaande, stelt het hof het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van (…) EUR 4.117.827,72.

(…)

BESLISSING

Het hof:

(…)

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van EUR 4.117.827,73 (…) vermeerderd met: het vervolgprofijt over het wederrechtelijk verkregen voordeel vanaf de datum van inbeslagneming.

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van EUR 2.863.051,13 (…) verminderd met: (…)

vermeerderd met:

het vervolgprofijt over het wederrechtelijk verkregen voordeel vanaf de datum van inbeslagneming.”.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen het aangehaalde arrest van het Hof verworpen (HR 4 oktober 2011, 09/0505, ECLI:NL:HR:2011:BQ8627).

2.32.

De Inspecteur heeft zich bij de Rechtbank en in zijn hoger beroepschrift beroepen op interne compensatie met betrekking tot de buitenlandse bankrekeningen vermeld in het inkeerverzoek (de brief van [E] van 17 maart 2005) en in het overzicht van het BFO (aangehaald onder 2.24 hierboven).

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft, naar partijen desgevraagd uitdrukkelijk ter zitting van het Hof hebben verklaard, het antwoord op de volgende vragen:

  1. Heeft de Inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden?

  2. Heeft de Inspecteur de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden bij het ter inzage verstrekken van het dossier?

  3. Dienen de boeten te worden verminderd tot nihil?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur en tot vernietiging respectievelijk vermindering van de belastingaanslagen en boete- en heffingsrentebeschikkingen.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van vraag a (vertrouwensbeginsel)

4.1.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur tijdens het hoorgesprek op 5 februari 2013 toegezegd niet na te vorderen. Belanghebbende verwijst naar het van het hoorgesprek opgemaakte hoorverslag. Belanghebbende is van mening dat hij er van mocht uitgaan dat deze toezegging gestand zou worden gedaan, indien hij zou bewijzen hoe het verloop van de gelden aanwezig op de KBL-rekening er uit heeft gezien. Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur ten onrechte het standpunt ingenomen dat andere niet opgegeven vermogensbestanddelen de plaats mochten innemen van het vermogen dat werd verondersteld aanwezig te zijn op de betreffende KBL-rekening. Daardoor heeft de Inspecteur volgens belanghebbende ten onrechte feitelijk nagevorderd. Volgens belanghebbende wist de Inspecteur op het moment van het doen van de toezegging dat belanghebbende over meerdere rekeningen beschikte.

4.1.2.

De Inspecteur heeft gesteld dat de in 1.1 tot en met 1.4 bedoelde belastingaanslagen reeds waren opgelegd op 5 februari 2013, de datum van het hoorgesprek. Het inkeerverzoek van belanghebbende en de informatie van Justitie gaven volgens de Inspecteur evenwel reden tot het opleggen van nadere navorderingsaanslagen. De toezegging van 5 februari 2013 zag volgens de Inspecteur op laatstbedoelde - nadere - navorderingsaanslagen. De toezegging zag volgens de Inspecteur niet op de te nemen uitspraken op bezwaar betreffende de in 1.1 tot en met 1.4 bedoelde, reeds opgelegde, belastingaanslagen, mede gelet op zijn mededeling tijdens het hoorgesprek, dat hij de bezwaren wilde afdoen conform de brief van 5 september 2012. De Inspecteur heeft gesteld dat het vanwege de in acht te nemen redelijke voortvarendheid niet meer mogelijk was om op grond van het inkeerverzoek en de verkregen informatie buiten de vijfjaarstermijn nog nieuwe, nadere navorderingsaanslagen op te leggen, doch met het beroep op interne compensatie was het wel mogelijk om de reeds opgelegde navorderingsaanslagen in stand te laten.

4.1.3.

De Rechtbank heeft dienaangaande het volgende geoordeeld.

“4.7.2. (…) Belanghebbendes stelling dat de mededeling in het hoorverslag zoals in 2.17 weergegeven in de weg staat aan het beroep van de inspecteur op de gegevens uit het inkeerverzoek en de gegevens van het openbaar ministerie, baat hem evenmin. De rechtbank is van oordeel dat deze opmerking enkel ziet op de mogelijkheid naar aanleiding van die gegevens navorderingsaanslagen op te leggen. Dat zal niet meer mogelijk zijn volgens de inspecteur. Deze mededeling zegt echter niets over een mogelijk verweer inzake reeds opgelegde aanslagen. Belanghebbendes (…) argument faalt derhalve.”.

4.1.4.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de Inspecteur in wezen nagevorderd heeft over de overige bankrekeningen die niet bij KBL werden aangehouden, en dat deze “navordering” niet is toegestaan, kan zijn grief niet slagen gelet op het beroep van de Inspecteur op interne compensatie (vgl. HR 14 september 2012, nr. 11/04691, ECLI:NL:HR:2012:BX7190).

4.1.5.

Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de navorderingsaanslagen dienen te worden vernietigd, omdat uit de in beroep ingebrachte informatie over het verloop van de gelden op de KBL-rekening met nummer [rekeningnummer 1] is gebleken dat er ultimo 1994 geen geld meer op deze rekening stond, overweegt het Hof als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat een aanzienlijk tegoed op een bankrekening niet uit het vermogen van een belastingplichtige pleegt te verdwijnen, behoudens tegenbewijs (vgl. HR 28 juni 2013, 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63). De stelling van belanghebbende treft geen doel, omdat de afdrukken van de microfiches van de onderhavige KBL-rekening (zie 2.4) laten zien dat aan belanghebbende in 1994 een bedrag van in totaal ƒ 173.985,80 toebehoorde en uit de door hem bij de brief van 17 maart 2005 verstrekte informatie alsmede uit de informatie van de justitie (BFO) blijkt, dat belanghebbendes vermogen gestald op buitenlandse bankrekeningen nadien ten minste ruim € 1.000.000 bedroeg (per 1 januari 1995), oplopend tot ten minste ruim € 3.690.000 (per 28 februari 2005). De belastingaanslagen zijn daarom eerder te laag dan te hoog opgelegd. De eerste in geschil zijnde vraag dient derhalve ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van vraag b (beginselen van behoorlijk bestuur)

4.2.1.

De gemachtigde van belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, omdat hij de gemachtigde desgevraagd op 9 juli 2013 (zie 2.29) geen volledige inzage in het dossier heeft verstrekt. Voorts bevat de uitspraak van de Rechtbank volgens de gemachtigde verwijzingen naar verklaringen van onder meer belanghebbende, die de gemachtigde niet kan staven.

4.2.2.

De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende in de bezwaarfase is bijgestaan door [K] , aan wie het dossier ter beschikking is gesteld. Zowel het pro forma beroepschrift als het pro forma hogerberoepschrift zijn ingediend door [K] , terwijl beide zijn gemotiveerd door de huidige gemachtigde. Gezien deze samenwerking tussen [K] en de gemachtigde moet de gemachtigde volgens de Inspecteur dan ook voldoende bekend zijn met het dossier van belanghebbende. Ten slotte heeft de Inspecteur gesteld dat de verwijzingen in de uitspraak van de Rechtbank naar verklaringen van onder meer belanghebbende, waaraan gemachtigde refereert, afkomstig zijn uit het proces-verbaal, dat naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende is opgemaakt en dat belanghebbende daarmee derhalve bekend moet zijn. Voorts blijkt uit het arrest van de Hoge Raad in de ontnemingszaak (ECLI:NL:HR:2011:BQ8627) dat belanghebbende in die zaak ook bijgestaan is door [K] .

4.2.3.

De Rechtbank heeft dienaangaande het volgende geoordeeld.

“4.7.1. Vaststaat dat aan de voormalige gemachtigde [E] inzage is verleend in de stukken en dat aan de voormalige gemachtigde [K] afschriften van relevante stukken zijn verzonden. Belanghebbendes gemachtigde heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat zijn stelling ziet op gevraagde stukken tijdens een inzage nadat uitspraak op bezwaar is gedaan en waarvan de inspecteur meedeelde dat die stukken geen betrekking hebben op belanghebbende en daarom niet kunnen worden ingezien. De rechtbank is van oordeel dat onder deze feiten en omstandigheden voldoende inzage is verstrekt aan belanghebbende. De omstandigheid dat die inzage is verricht door steeds andere gemachtigden doet daar niet aan af. Die inzage moet immers aan belanghebbende worden toegerekend. Nu bovendien slechts geklaagd wordt over de inzage die is gekregen nadat uitspraak op bezwaar is gedaan, is daarmee geen sprake van een schending van het inzagerecht voordat uitspraak op bezwaar is gedaan. De rechtbank is derhalve van oordeel dat geen sprake is van enige schending van het fair-play beginsel zodat het (…) argument belanghebbende niet baat.”.

4.2.4.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen.

4.2.5.

Voor zover belanghebbende klaagt over onvolledigheid van de inzage op 9 juli 2013, derhalve nadat het beroep bij de Rechtbank was ingesteld, heeft het volgende te gelden.
Belanghebbende wenst inzage in het dossier in de beroepsfase. Belanghebbende was in het geding voor de Rechtbank en het Hof bekend met de bewijsvoering van de Inspecteur. Belanghebbende heeft evenwel niet met betrekking tot concrete stellingen van de Inspecteur aangevoerd dat deze voortvloeien of zouden kunnen voortvloeien uit onrechtmatig verkregen bewijs. Derhalve is het Hof van oordeel dat niet valt in te zien in welk opzicht aan belanghebbende een eerlijk proces zou zijn onthouden (vgl. HR 7 juni 2002, nr. 36 801, ECLI:NL:HR:2002:AE3833, BNB 2002/284). Ook de tweede in geschil zijnde vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van vraag c (boeten)

4.3.1.

De in 1.1 tot en met 1.4 bedoelde belastingaanslagen zijn met omkering en verzwaring van de bewijslast opgelegd. Zulks betekent evenwel niet dat ook met betrekking tot de oplegging van de boeten de bewijslast op belanghebbende komt te rusten. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat op de inspecteur de bewijslast blijft rusten dat de belastingplichtige opzettelijk een van de in de artikelen 67d tot en met 67f van de AWR opgesomde vergrijpen heeft begaan. Naast het feit dat voor wat betreft de boete de bewijslast op de inspecteur rust, heeft de inspecteur ook de verplichting de gronden waarop het opleggen van de boete berust in bijzonderheden aan de belastingplichtige mee te delen, een en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 67g, lid 2, van de AWR.

4.3.2.

De Inspecteur heeft op 23 december 2004 belanghebbende als volgt bericht (zie punt 2.9 hierboven):

“Ik heb u reeds kenbaar gemaakt dat de Belastingdienst de beschikking heeft over informatie waaruit blijkt dat u tegoeden aanhoudt of heeft aangehouden bij een buitenlandse bank. Deze tegoeden en de inkomsten daaruit zijn niet in de belastingaangiften aangegeven terwijl het van algemene bekendheid is dat dat verplicht is. De vragen in het aangiftebiljet of er sprake is van buitenlandse tegoeden zijn altijd door u ontkennend beantwoord. Bij herhaling zijn over uw buitenlandse tegoed(en) op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR aan u vragen gesteld waarop geen dan wel onjuist of onvolledig antwoord is gegeven.
Op grond van deze feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet dan wel voorwaardelijk opzet, nalaten om deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken.
Ik merkt het feit dat u gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening(en) teneinde de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit te ontnemen aan als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto 43 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (…). Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen.”

4.3.3.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur met de onder 4.3.2 vermelde mededeling heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 67g, lid 2, van de AWR, alsmede dat de Inspecteur ten tijde van het doen van die mededeling het bewijs heeft geleverd dat belanghebbende (voorwaardelijk) opzettelijk inkomsten uit tegoeden bij een buitenlandse bank ten onrechte niet in zijn belastingaangiften heeft verantwoord.

4.3.4.

Het feit dat, nadat de boeten zijn opgelegd, alle gelden van de rekening [rekeningnummer 2] op 3 november 1994 zijn opgenomen en dat per die datum de betreffende bankrekening en de daaraan gekoppelde termijndeposito’s zijn opgeheven, en dat derhalve nadien op die rekening geen inkomsten meer zijn genoten, betekent naar het oordeel van het Hof niet dat de boeten (betrekking hebbende op de jaren na opheffing van de rekening [rekeningnummer 2] ) niet hadden mogen worden opgelegd. Het Hof wijst in dat verband op het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2015, nr. 13/05471, ECLI:NL:HR:2015:80, waarin is overwogen:

“2.3.4. De in artikel 67g, lid 2, van de AWR verlangde kennisgeving moet degene aan wie de boete wordt opgelegd in staat stellen zich naar behoren te verweren tegen het door de inspecteur gemaakte verwijt. Daarom zal een door interne compensatie alsnog bij de aanslagregeling betrokken bedrag slechts dan in aanmerking mogen worden genomen voor de (in verband met die aanslag opgelegde) boete, indien de belanghebbende uit de krachtens artikel 67g, lid 2, van de AWR gedane kennisgeving redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat de door middel van interne compensatie in de belastingaanslag begrepen post behoorde tot de punten ten aanzien waarvan het vermoeden was gerezen dat de betalingsverplichting niet was nageleefd.”

Het Hof begrijpt het arrest van de Hoge Raad aldus, dat voor het opleggen van boeten een beperking heeft te gelden voor wat betreft de interne compensatie; gegarandeerd dient te worden dat de beboete belastingplichtige vanaf het moment van de boeteoplegging weet welke gedraging hem wordt verweten, zodat hij zijn verdediging daarop kan inrichten. In het onderhavige geval heeft de Inspecteur belanghebbende beboet wegens het aanhouden van tegoeden bij een buitenlandse bank, zulks terwijl belanghebbende in het aangiftebiljet heeft aangegeven dat er geen sprake was van buitenlandse tegoeden. Na het opleggen van de aanslagen en de boeten is evenwel gebleken dat in plaats van inkomsten op de niet gegeven buitenlandse rekening [rekeningnummer 2] , inkomsten zijn genoten op negen andere, eveneens niet aangegeven, buitenlandse bankrekeningen. Anders dan in het hiervoor vermelde arrest is derhalve sprake van dezelfde “punten ten aanzien waarvan het vermoeden was gerezen dat de betalingsverplichting niet was nageleefd”. Immers, er is sprake van eenzelfde juridische kwalificatie van de verweten feiten en dezelfde feitelijke gedragingen van belanghebbende.

4.3.5.

De Inspecteur heeft met inachtneming van de (voorwaardelijke) opzet aanvankelijk boeten opgelegd ter grootte van 100% van de verschuldigde belasting en de boeten nadien, bij uitspraken op bezwaar, gematigd tot 80% van de verschuldigde belasting. De Rechtbank heeft geen aanleiding gezien de boeten verder te verminderen. Zoals uit het overwogene onder 4.3.1 tot en met 4.3.4 volgt, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur terecht vergrijpboeten heeft opgelegd wegens het (voorwaardelijk) opzettelijk verzwijgen van inkomsten genoten ter zake van het aanhouden van buitenlandse tegoeden. Het Hof zal vervolgens beoordelen of de hoogte van de boeten, gelet op de omstandigheden van het geval, een sanctie vormen die passend en geboden is voor de vergrijpen die zijn begaan. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de zich in dit geval voordoende omstandigheid dat hiertoe omkering en verzwaring van de bewijslast is toegepast. Voorts zal worden bezien of de boeten verenigbaar zijn met de financiële draagkracht van belanghebbende en of overschrijding van de redelijke termijn tot een (verdere) matiging noopt.

4.3.6.

Uit het arrest Hoge Raad 18 januari 2008, nr. 41 832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962, BNB 2008/165, volgt dat in het geval dat een aanslag is opgelegd met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast, de rechter niet ongeclausuleerd de boetgrondslag mag volgen, maar dat deze zich rekenschap dient te geven van de omstandigheid dat de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan met omkering en verzwaring van de bewijslast en dat die omstandigheid een beoordeling van de rechter vergt of de opgelegde boete een passende en geboden sanctie is. De Hoge Raad overweegt in het hiervoor aangehaalde arrest, voor zover in dit verband van belang:

“3.6.8. De hiervoor in 3.6.5. vermelde omstandigheid die naar de bedoeling van de wetgever bij de beoordeling van een vergrijpboete ervan wordt uitgegaan dat de feitelijk geheven belasting de verschuldigde belasting is, óók als de hoogte daarvan is komen vast te staan met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast, ontslaat de rechter evenwel niet van zijn verplichting om te beoordelen of een opgelegde vergrijpboete gelet op de omstandigheden van het geval een passende en geboden sanctie is voor het begrijp dat is begaan. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt te omstandigheid dat hiertoe de zogenaamde omkering van de bewijslast is toegepast.”

4.3.7.

Met inachtneming van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat in een situatie als de onderhavige, waarbij de aanslagen zijn opgelegd met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast er een reden kan zijn om de opgelegde boete te matigen, met name omdat het schatten van de saldi van de buitenlandse tegoeden en de daaruit genoten inkomsten naar zijn aard de mogelijkheid meebrengt, dat de in werkelijkheid aanwezige tegoeden en de daaruit genoten inkomsten lager zouden kunnen zijn dan de schatting waarop de aanslagen zijn gebaseerd. Zo dient de boete te worden berekend over een lager bedrag dan het belastingbedrag, waarop het vergrijp betrekking heeft indien aannemelijk is dat de ten gevolge van het vergrijp aanvankelijk niet geheven belasting minder beloopt dan het belastingbedrag dat met omkering en verzwaring van de bewijslast bij het vaststellen van de navorderingsaanslag in aanmerking is genomen. ‘Aannemelijk maken’ is in dit verband voldoende, omdat ‘doen blijken’, zoals wordt vereist ten aanzien de opgelegde aanslagen (artikel 27e van de AWR), niet verenigbaar is met het bepaalde in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.3.8.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende voor niet één van de belastingjaren waarover is nagevorderd aannemelijk gemaakt dat de aanvankelijk niet geheven belasting lager is dan de met omkering en verzwaring van de bewijslast vastgestelde belasting(aanslag). Op basis van het tegen hem ingestelde strafrechtelijk onderzoek en het inkeerverzoek van belanghebbende is immers komen vast te staan dat de saldi van de in werkelijkheid bij belanghebbende aanwezige buitenlandse tegoeden, alsmede de door belanghebbende daaruit genoten inkomsten, veel hoger waren dan hetgeen de Inspecteur als basis heeft gebruikt voor de (naar schatting) opgelegde belastingaanslagen. Het Hof is dan ook van oordeel dat voor een matiging van de boeten geen plaats is.

4.3.9.

Belanghebbende heeft gesteld dat de boeten moeten worden verminderd tot nihil, omdat hij onvermogend is. Belanghebbende heeft gesteld dat hij niet in staat is de in 1.1 tot en met 1.4 vermelde verschuldigde bedragen aan IB/PVV en VB, heffingsrente en boeten te betalen. Alle bezittingen zijn hem in de ontnemingsvordering van de Staat der Nederlanden reeds ontnomen, zo stelt hij.

4.3.10.

De Inspecteur heeft bestreden dat belanghebbende al zijn bezittingen zijn ontnomen. Immers, onherroepelijk is vast komen te staan dat belanghebbende een legaal vermogen had verworven van € 937.612,63, welk bedrag buiten de ontneming is gelaten. De Inspecteur heeft in dat verband verwezen naar het in 2.31 bedoelde arrest van de strafkamer van het Hof, welk arrest na cassatie onherroepelijk is komen vast te staan.

4.3.11.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 maart 2014, nr. 13/00279, ECLI:NL:HR:2014:685, BNB 2014/194, onder meer het volgende overwogen:

“3.3. (…) Het Hof heeft het beroep op matiging van de boete op grond van financiële omstandigheden (…) afgewezen. Tegen dit oordeel keert zich het middel.

3.4.1.

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat zowel ter beoordeling van de mate van verwijtbaarheid als ter beoordeling van de mate waarin een boete de betrokkene treft, de financiële omstandigheden van belang kunnen zijn (vgl. HR 8 december 1982, nr. 21363, BNB 1983/50). In overeenstemming hiermee is in de memorie van toelichting bij artikel 5:46 van de Awb vermeld dat het bestuursorgaan zich zeker bij hogere boeten ervan zal moeten vergewissen dat de boete, mede gelet op de draagkracht van de overtreder, geen onevenredige gevolgen heeft (Kamerstukken II, 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 142).

3.4.2.

Indien een bestuursorgaan een bestuurlijke boete oplegt en daarbij, gelet op het voorgaande, rekening houdt met de draagkracht van de overtreder, moet het daarbij acht slaan op diens financiële positie ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete.

3.4.3.

Wordt de beslissing van een bestuursorgaan over de hoogte van een boete aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan dient deze zijn oordeel dienaangaande te vormen met inachtneming van de te zijnen overstaan aannemelijk geworden omstandigheden waarin de belanghebbende op dat moment verkeert, waaronder diens draagkracht.

Hierbij verdient aantekening dat de rechter alleen naar aanleiding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het ontbreken van draagkracht gehouden is om zijn uitspraak op dat punt van een nadere motivering te voorzien.”

4.3.12.

Naar het oordeel van het Hof is niet aannemelijk geworden dat het belanghebbende ontbreekt aan draagkracht. De stelling van belanghebbende dat hem alles is ontnomen, omdat hij de in 2.31 bedoelde ontnemingsvordering aan de Staat diende te voldoen, is door de Inspecteur betwist onder verwijzing naar de in 2.31 aangehaalde passage van het arrest van het Hof van 17 november 2009, waarin staat dat belanghebbende ook vermogen uit legale inkomensbronnen had verworven van € 937.612,63, welk bedrag buiten de ontneming is gelaten. De blote stelling van belanghebbende, die door de Inspecteur gemotiveerd is weersproken, rechtvaardigt niet het oordeel dat belanghebbende niet voldoende draagkrachtig is om de boeten te betalen. Het Hof ziet dan ook geen reden in dat verband de boete te matigen.

4.3.13.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de boeten reeds verminderd met 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op de door de Hoven geformuleerde uitgangspunten, welke meebrengen dat een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twee jaar niet tot een verdere vermindering van verhogingen en boeten dan met 20% leidt, zal het Hof in dat verband de boeten niet verder kwijtschelden dan wel verminderen.

4.3.14.

Al het vorenstaande in overweging nemende is het Hof van oordeel dat de na matiging met 20%, zoals reeds door de Inspecteur bij de uitspraak op bezwaar is toegepast, de opgelegde boeten, gelet op de omstandigheden van het geval, een passende en geboden sanctie zijn voor het vergrijp dat is begaan. Ook de derde in geschil zijnde vraag wordt ontkennend beantwoord.

Slotsom

4.4.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank, met aanvulling van gronden als hiervoor vermeld, dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 10 februari 2017 door M. Harthoorn, voorzitter, J. Swinkels en P.A.M. Pijnenburg, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.