Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4906

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
16-03910
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 5b AWR. ANBI. Na verwijzing, HR 25 november 2016, nr. 15/04990, ECLI:NL:HR:2016:2666, is niet (langer) in geschil dat belanghebbende volgens haar statutaire doelstelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt in de zin van artikel 5b, lid 1, AWR. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbendes feitelijke activiteiten voor tenminste 90 percent rechtstreeks erop zijn gericht enig in artikel 5b, lid 3, AWR bedoeld algemeen nut te dienen. Na verwijzing moet ervan worden uitgegaan dat wordt voldoen aan het bepaalde in artikel 1a, lid 1, onderdeel b van de Uitvoeringsregeling AWR, voor zover daar wordt bepaald dat “uit de regelgeving (…) van de instelling blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient”. Indien die feitelijke werkzaamheden niet wezenlijk afwijken van de statutaire activiteiten zoals omschreven in belanghebbendes doelstelling, dienen die feitelijke werkzaamheden geacht te worden rechtstreeks te zijn gericht op enig algemeen nut als bedoeld in artikel 5b, lid 3, AWR. Aan de hand van de daadwerkelijke uitgaven van belanghebbende onderzoekt het Hof of de feitelijke werkzaamheden en daarmee samenhangende uitgaven rechtstreeks erop zijn gericht bedoeld enig algemeen nut te dienen. Dat onderzoek leidt het Hof tot het oordeel dat de feitelijke activiteiten van belanghebbende niet wezenlijk afwijken van de statutaire activiteiten. Derhalve zijn belanghebbendes feitelijke activiteiten voor tenminste 90 percent rechtstreeks erop gericht bedoeld enig algemeen nut te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2018/0003 met annotatie van Peter Jansen
V-N Vandaag 2017/2873
V-N 2018/7.1.1
V-N 2018/18.8 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 06-12-2017
FutD 2017-3108
dr. D. Molenaar annotatie in NTFR 2018/41
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

meervoudige Belastingkamer

kenmerk: 16/03910

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 18 september 2014, nummer LEE 13/282 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij beschikking van 6 maart 2012 meegedeeld dat zij met ingang van 1 juli 2012 niet langer wordt aangemerkt als een Algemeen Nut Beogende Instelling (hierna: ANBI) in de zin van artikel 5b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking. De Inspecteur heeft bij uitspraak het bezwaar ongegrond verklaard en de beschikking gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 18 september 2014 ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 497. Bij zijn uitspraak van 15 september 2015, nr. 14/01142, heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

1.5.

Op het beroep in cassatie van belanghebbende heeft de Hoge Raad bij arrest van 25 november 2016, nr. 15/04990, het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) voor een onderzoek van de zaak in volle omvang met inachtneming van het arrest (hierna: het verwijzingsarrest).

1.6.

Belanghebbende heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld door het Hof, bij brief van 15 februari 2017, geconcludeerd naar aanleiding van het verwijzingsarrest. De Inspecteur is vervolgens door het Hof in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het verwijzingsarrest en op de conclusie van belanghebbende, hetgeen hij heeft gedaan bij zijn conclusie na verwijzing van 17 maart 2017. Belanghebbende heeft bij brief van 21 september 2017 een stuk genaamd “nadere toelichting conclusie na verwijzing” ingediend. Afschriften van voormelde stukken zijn aan de wederpartij verstrekt.

1.7.

De zitting heeft plaatsgehad op 6 oktober 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] , als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B] en [C] , alsmede [D] namens de Inspecteur, bijgestaan door [E] en mevrouw [F] .

1.8.

Het Hof heeft aan het slot van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

2.1.

De Hoge Raad is bij de beoordeling van het cassatieberoep van het volgende uitgegaan:

“2.1.1. Belanghebbendes doel luidt volgens artikel 2 van haar statuten:

"1. De stichting heeft ten doel: het scheppen van mogelijkheden voor minimaal vierhonderd personen om gezamenlijk tweemaal per dag het TM- (HR: Transcendente Meditatie) en TM-sidhiprogramma, zoals geleerd door [H] Mahesh Yogi, te beoefenen, om op deze wijze een zodanige invloed uit te oefenen op het collectieve bewustzijn van de Nederlandse bevolking, dat negatieve tendenzen gaan verdwijnen en worden omgebogen in positieve ontwikkelingen.

2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door:

A) projecten te ontwikkelen, die bovengenoemde doelstellingen doen realiseren, zoals:

a. woongelegenheid voor een dergelijke groep;

b. huisvesting om het gezamenlijke meditatieprogramma te beoefenen;

c. werkgelegenheid;

d. het voorwaarden scheppen voor onderwijs op basis van de systematische ontwikkeling van het bewustzijn voor de betrokkenen;

e. het voorwaarden scheppen voor mogelijkheden voor recreatie en gezondheidszorg.

B) Het verstrekken van informatie over de genoemde doelstelling."

2.1.2.

In 1988 is belanghebbende begonnen met het realiseren van het [woonwijk] , een wijk in [vestigingsplaats] . In het [woonwijk] zijn in totaal 200 woningen. Dit betreffen koop- en huurwoningen. Het [woonwijk] huisvest ca. 300 huishoudens van merendeel mediterenden en sidha's. Belanghebbende regelt, als bewonersorganisatie, de toelating tot het [woonwijk] . Inschrijving voor een woning in het [woonwijk] is pas mogelijk als een overeenkomst is gesloten met belanghebbende.

2.1.3.

De activiteiten van belanghebbende bestaan uit het onderhouden van het [woonwijk] en haar voorzieningen door het verstrekken van subsidies aan de basisschool, de biologische winkel en het vegetarische restaurant. Daarnaast organiseert en ondersteunt belanghebbende TM-activiteiten, die ook vanuit het buitenland worden bezocht.

2.1.4.

Niet alle inwoners van het [woonwijk] nemen actief deel aan de TM-activiteiten. Dagelijks nemen circa 100 mensen in het [woonwijk] deel aan de Transcendente Meditatie die tweemaal daags wordt gehouden. Teneinde de doelstelling van de gemeenschap te bereiken dienen dagelijks 400 mensen deel te nemen aan de meditatiebijeenkomsten. Alle inwoners van het [woonwijk] zijn aan belanghebbende een maandelijkse bijdrage verschuldigd, ongeacht of zij deelnemen aan de TM-activiteiten. De bijdrage wordt aangewend om de voorzieningen in het [woonwijk] in stand te houden.

2.1.5.

In het beleidsplan van belanghebbende voor de periode 2011-2021 van oktober 2011 staat onder meer dat belanghebbende zich wil richten op het genereren van publiciteit over het nut van de transcendente meditatie en de TM-sidhitechniek voor de maatschappij, op de ondersteuning van de bouw van nieuwe huizen en op het professionaliseren van de beoefenaars van de TM-sidhitechniek en de ondersteuning van de activiteiten n het [woonwijk] .

2.1.6.

Belanghebbende heeft sinds 1 januari 2008 de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (hierna: ANBI).

2.1.7.

De Inspecteur heeft een onderzoek ingesteld naar de ANBI-status van belanghebbende en heeft op 26 september 2011 en op 20 januari 2012 een ‘bedrijfsbezoek’ gebracht.

2.1.8.

De Inspecteur heeft bij beschikking van 6 maart 2012 aan belanghebbende meegedeeld dat zij per 1 juli 2012 niet langer zal worden aangemerkt als een ANBI.”

Voorts zijn op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

2.2.

De woningen in het [woonwijk] worden niet voor rekening en risico van belanghebbende geëxploiteerd.

2.3.

Dagelijks nemen mensen in het [woonwijk] deel aan de gezamenlijke, groepsgewijze beoefening van het TM en/of het geavanceerde TM-sidhiprogramma. Sommige deelnemers beoefenen hun dagelijkse meditatie op eigen gelegenheid.

2.4.

Alle inwoners van het [woonwijk] waren tot 2015 een maandelijkse bijdrage verschuldigd aan belanghebbende. Inmiddels is hier geen sprake meer van.

2.5.

Het bestuur van belanghebbende verricht zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen de volgende feitelijke werkzaamheden:

a. het coördineren van het onderhoud (van de voorzieningen) in het [woonwijk] ;

b. het verstrekken van subsidies aan de basisschool waar TM onderwezen wordt, de biologische winkel en het vegetarische restaurant voor zover daar financiële mogelijkheden voor zijn;

c. het organiseren en ondersteunen van TM-activiteiten die ook vanuit het buitenland worden bezocht;

d. het promoten van gemeenschappelijke meditatie in het [woonwijk] door middel van promotiemateriaal over het [woonwijk] , waaronder het nieuwsblad [woonwijk] Nieuws;

e. het genereren van publiciteit over het nut van TM en het TM-sidhiprogramma;

f. administratieve werkzaamheden;

g. het onderhouden van contacten met partners;

h. het regelen van de toelating tot het [woonwijk] .

2.6.1.

Belanghebbende heeft in de jaren 2010 tot en met 2015 rentebaten genoten. Voorts hadden in die periode de bewoners van het [woonwijk] de mogelijkheid om naar draagkracht vrijwillige bijdragen over te maken aan belanghebbende. In de periode 2011 tot en met 2015 zien de uitgaven die belanghebbende heeft gedaan op administratie- en bureaukosten, promotiekosten en bijdragen. Deze uitgaven heeft belanghebbende gefinancierd met voormelde inkomsten en door in te teren op haar vermogen. Uit de stukken van het geding blijkt dat belanghebbende over de jaren 2009 tot en met 2015 de volgende inkomsten heeft genoten en de volgende uitgaven gedaan:

2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 totaal

BATEN

Rentebaten € 5.245 € 3.646 € 3.608 € 3.487 € 3.844 € 2.268 € 2.165 € 24.263

Vrijwillige bijdragen bewoners [woonwijk] ;

Donaties en overige baten € 1.600 € 1.828 € 2.033 € 1.928 € 1.227 € 675 € - € 9.291

€ 5.845 € 5.474 € 5.641 € 5.415 € 5.071 € 2.943 €2 165 € 33.554

LASTEN

a. Administratie- en bureaukosten € -3.740 € -6.661 € -5.098 € -7.525 € -5.347 € -1.617 € -128 € -30.116

b. Promotie ( [woonwijk] Nieuws / films) € -5.000 € -3.013 € -919 € -1.021 € -5.558 €-3.607 € -19.118

Verstrekte bijdragen ten behoeve van:

c. TM-cursus € -350 € -350

d. Grafisch ontwerp logo [G] € -1.041 € -1.041

e. Inrichting centrum / vrouwenvleugel € -500 € -3.971 € -4.471

f. Gemeenschapsactiviteiten [woonwijk] € -445 € -110 € -555

g. Kunstwerk 25-jarig bestaan [woonwijk] € -1.190 € -1.798 € -2.988

h. 1/3 kosten ontwikkeling website

[woonwijk] .nl € -2.500 € -2.500

i. Groep 8 film € -150 € -150

j. Tour [M] € -300 € -300

k. Sidhicursus € -5.250 € -5.250

l. Stichting [H] € -4.000 € -4.000

€ 6.135 € 18.931 € 10.611 € 8.444 € 6.818 € 7.175 € 8.985 € 70.839

RESULTAAT € -290 € -13.457 € -4.970 € -3.029 € -1.747 € -4.232 € -6.820 € -37.285

2.6.2.

De administratie- en bureaukosten omvatten naast de administratiekosten ook de bankkosten, kosten voor kantoorbenodigdheden, kosten voor samenstellen van de jaarrekening, kosten voor onderhoud van de website, kopieerkosten, portokosten en kosten ter zake van het inwinnen van juridisch en fiscaal advies en dergelijke.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de Inspecteur terecht de status van ANBI van belanghebbende heeft ingetrokken. Tussen partijen is niet (langer) in geschil is dat belanghebbende volgens haar statutaire doelstelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt in de zin van artikel 5b, lid 1, AWR Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of belanghebbendes feitelijke activiteiten voor tenminste 90 percent rechtstreeks erop zijn gericht enig in artikel 5b, lid 3, AWR bedoeld algemeen nut te dienen.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in de procedure na verwijzing steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de beschikking van 6 maart 2012. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 5b, lid 1, aanhef en letter a, onder 1°, AWR onder meer vereist dat de desbetreffende instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt. Een instelling beoogt het algemeen nut als kan worden vastgesteld dat haar werkzaamheden rechtstreeks erop zijn gericht enig algemeen nut als bedoeld in artikel 5b, lid 3, AWR te dienen. Daarbij moet niet slechts worden gelet op de statutaire doelstelling van de instelling, maar ook op haar feitelijke werkzaamheden.

4.2.

De Hoge Raad heeft de zaak verwezen voor een onderzoek in volle omvang. De Hoge Raad heeft erop gewezen dat bij een bevestigende beantwoording van de vraag of de feitelijke activiteiten van belanghebbende ten minste deels gericht zijn op het dienen van het algemeen belang, voorts zal moeten worden geoordeeld of aan het zogenoemde kwantitatieve criterium is voldaan, dat wil zeggen of het op het algemeen nut gerichte deel van belanghebbendes activiteiten ten minste 90 percent van haar totale activiteiten vormt.

4.3.

In onderdeel 7 van zijn conclusie na verwijzing heeft de Inspecteur de stelling ingenomen dat de feitelijke activiteiten van belanghebbende niet in overeenstemming zijn met belanghebbendes statutaire doelstelling omdat belanghebbende binnen het bestel van organisaties binnen het [woonwijk] slechts de statutaire taak heeft om mogelijkheden te scheppen voor minimaal vierhonderd personen om te mediteren.

4.4.

Artikel 2 van belanghebbendes statuten bevat belanghebbendes doelstelling. In het eerste lid van artikel 2 wordt het doel waarnaar belanghebbende streeft omschreven en in het tweede lid wordt beschreven met welke activiteiten (hierna: de statutaire activiteiten) belanghebbende haar doelstelling wil bereiken. Beide artikelleden vormen een onlosmakelijk geheel. Niet (langer) in geschil is dat belanghebbende met haar statutaire doelstelling het algemeen nut beoogt. Hierin ligt derhalve besloten dat de statutaire activiteiten die in het tweede lid van artikel 2 van de statuten worden beschreven, worden verricht in het kader van de in het eerste lid omschreven – algemeen nut beogende – doelstelling. Dat brengt met zich dat die statutaire activiteiten mitsdien moeten worden geacht rechtstreeks op enig algemeen nut te zijn gericht als bedoeld in artikel 5b, lid 3, AWR. De andersluidende opvatting van de Inspecteur – die ertoe had moeten leiden dat hij in 2008 aan belanghebbende niet de ANBI status had moeten verlenen wordt verworpen.

4.5.

Aangezien na verwijzing ervan uit moet worden gegaan dat belanghebbende met hetgeen is verwoord in artikel 2 leden 1 en 2 van haar statuten voldoet aan het bepaalde in artikel 1a, lid 1, onderdeel b van de Uitvoeringsregeling AWR, voor zover daar wordt bepaald dat “uit de regelgeving (…) van de instelling blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient”. Derhalve dient de verwijzingsopdracht aldus te worden verstaan dat in volle omvang dient te worden beoordeeld of is voldaan aan hetgeen overigens is bepaald in voormeld artikel, te weten of uit “de feitelijke werkzaamheden van de instelling blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang dient”. Indien die feitelijke werkzaamheden niet wezenlijk afwijken van de statutaire activiteiten zoals omschreven in belanghebbendes doelstelling, zoals verwoord in artikel 2 van de statuten, worden die feitelijke werkzaamheden geacht rechtstreeks te zijn gericht op enig algemeen nut als bedoeld in artikel 5b, lid 3, AWR.

4.6.

Bij de beoordeling of ten aanzien van belanghebbendes feitelijke activiteiten is voldaan aan de kwantitatieve toets geldt als uitgangspunt hetgeen in de parlementaire behandeling bij de Geefwet dienaangaande is opgemerkt:

"Het 90%-criterium houdt in dat een instelling (nagenoeg) geheel een algemeen nuttig belang moet dienen, dit in tegenstelling tot een particulier belang dat kan worden gediend. De wijze waarop kan worden nagegaan of dit in voldoende mate gebeurt, hangt samen met het specifieke doel dat wordt beoogd. De nadruk zal hierbij met ingang van 2012 op de uitgaven liggen, op de bestedingen van een instelling. Indien met de uitgaven van een instelling (nagenoeg) geheel een algemeen belang wordt gediend, wordt in de regel voldaan aan het 90%-criterium. Indien een instelling niet een algemeen nuttig doel nastreeft door bepaalde financiële uitkeringen te doen, maar dit doet in de vorm van activiteiten, zoals een theater, een museum of een weeshuis, ligt bij het 90%-criterium de nadruk op de toets of meer dan 90% van de uitgaven worden gedaan ten behoeve van deze activiteiten."

(Kamerstukken II 2011/12, 33 006, nr. 6, p. 10.)

4.7.

Een overzicht van de uitgaven en bestedingen van belanghebbende is hiervoor weergegeven in onderdeel 2.6.1 (hierna het uitgavenoverzicht). Onderzocht moet worden of de feitelijke werkzaamheden en daarmee samenhangende uitgaven van belanghebbende rechtstreeks erop zijn gericht enig algemeen nut als bedoeld in artikel 5b, lid 3, AWR te dienen, met andere woorden: of de feitelijke activiteiten van belanghebbende niet wezenlijk afwijken van de statutaire activiteiten.

4.8.

Ten aanzien van de administratie- en bureaukosten (onderdeel a van het uitgavenoverzicht; in totaal € 30.116) heeft belanghebbende gesteld dat deze beheerskosten noodzakelijk zijn om belanghebbende in stand te houden en dus een middel zijn waarmee haar statutaire doelstelling wordt gediend. De Inspecteur heeft zulks onvoldoende gemotiveerd weersproken. Hij heeft zich evenmin op het standpunt gesteld dat de beheerskosten van belanghebbende niet in redelijke verhouding staan tot de bestedingen ten behoeve van het doel van de stichting. Een en ander leidt tot de conclusie dat het bepaalde in artikel 1a, lid 1, onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling AWR niet aan het behoud van de ANBI-status in de weg staat.

4.9.1.

Ten aanzien van de promotiekosten (onderdeel b van het uitgavenoverzicht; in totaal € 19.118) heeft belanghebbende gesteld dat zij de gemeenschappelijke meditatie promoot door middel van bijdragen aan promotiemateriaal en aan de uitgave van het blad [woonwijk-nieuws] . Zij tracht op deze wijze transcendente meditatie meer onder de aandacht te brengen teneinde personen aan te moedigen om deel te nemen aan de activiteiten van het [woonwijk] .

4.9.2.

Onderdeel h van het uitgavenoverzicht behelst een bijdrage ad € 2.500 voor het ontwikkelen van een website. Op deze website is onder andere informatie te vinden over het [woonwijk] , locaties waar transcendente meditatie gezamenlijk kan worden beoefend, TM- en TM-Sidha-leraressen en het programma voor transcendente meditatie.

4.9.3.

Gelet op artikel 2, lid 2, onderdeel B van belanghebbendes statuten behoort tot belanghebbendes doelstelling het verrichten van activiteiten waarbij informatie wordt verstrekt over belanghebbendes doelstelling.

4.9.4.

De Inspecteur heeft onvoldoende weersproken waarom de hiervoor vermelde feitelijke werkzaamheden niet zouden passen binnen de statutaire doelstelling van belanghebbende. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien waarom voormelde bijdragen ten behoeve van de promotie van de gemeenschappelijke meditatie en het [woonwijk] en het ontwikkelen van vorenbedoelde website niet onder belanghebbendes ruim geformuleerde doelstelling valt.

4.9.5.

Dit leidt tot de conclusie dat deze feitelijke activiteiten vallen binnen de in artikel 2 van belanghebbendes statuten formuleerde algemeen nut beogende doelstelling en statutaire activiteiten en daarmee dat deze feitelijke activiteiten rechtstreeks erop zijn gericht enig in artikel 5b, lid 3, AWR bedoeld algemeen nut te dienen.

4.10.1.

Ten aanzien van de bijdrage ad € 350 voor TM-cursus (onderdeel c van het uitgavenoverzicht) heeft de Inspecteur erkend dat deze bijdrage is gedaan conform belanghebbendes statutaire doelstelling. Van deze uitgave is derhalve niet in geschil dat die rechtstreeks erop is gericht enig in artikel 5b, lid 3, AWR bedoeld algemeen nut te dienen.

4.10.2.

Belanghebbende heeft gemotiveerd betoogd dat de uitgaven ad in totaal € 5.250 voor de sidhicursus (onderdeel k van het uitgavenoverzicht) volledig zijn gedaan in lijn met en gericht op het bereiken van belanghebbendes statutaire doelstelling. Weliswaar zijn met deze bijdragen eveneens de belangen van minderbedeelde deelnemers gediend, maar deze belangen zijn, aldus belanghebbende, ondergeschikt aan het hogere doel waarnaar belanghebbende streeft.

4.10.3.

Zonder nadere toelichting, die door de Inspecteur niet is gegeven, valt niet in te zien waarom de bijdragen uitgaven ad € 350 wel en die van € 5.250 niet zou zijn gedaan conform de statutaire doelstelling van belanghebbende. De Inspecteur heeft het onder 4.10.2 weergegeven betoog van belanghebbende onvoldoende gemotiveerd bestreden.

4.10.4.

Dit leidt tot eenzelfde conclusie als hiervoor onder 4.9.5 weergegeven.

4.11.1.

Ten aanzien van het verstrekken van een bijdrage voor het grafisch ontwerp voor een logo voor de stichting [G] ad € 1.041 (onderdeel d van het uitgavenoverzicht) heeft belanghebbende gesteld dat de Stichting [G] [J] zich inzet voor de bouw van [K] woningen in [L] . Mede daardoor kan een uitbreiding van het aantal beoefenaren van het TM-sidhi programma plaatsvinden, aangezien het de verwachting is dat de toekomstige bewoners van de wijk die de Stichting [G] [J] gaat realiseren, zullen gaan participeren in de gezamenlijke Transcendente Meditatie. In het beleidsplan 2011-2012 is vermeld dat belanghebbende, teneinde haar statutaire doelstelling te bereiken, ondersteuning zal verlenen van de bouw van huizen door de Stichting [G] [J] . Belanghebbende betoogt dat deze feitelijke werkzaamheid past in de statutaire activiteit, zoals omschreven in artikel 2, lid 2, onderdeel A, sub a van haar statuten.

4.11.2.

Ten aanzien van de bijdragen ad € 1.190 en € 1.798 aan het kunstwerk voor het 25-jarig bestaan van het [woonwijk] (onderdeel g van het uitgavenoverzicht) heeft belanghebbende gesteld dat deze uitgaven geheel vallen binnen de statutaire doelstelling omdat deze rechtstreeks in verband staan met het stichten en in stand houden van het [woonwijk] . In het kunstwerk zijn vier gieters verwerkt, met de boodschap van [H] dat je de wortelen moet begieten om van de vruchten te genieten. Dit verwijst naar een oproep van [H] om als gelijkgezinden samen in één wijk te wonen. Bovendien heeft het kunstwerk een permanent karakter in de openbare ruimte, waarmee het geen ander belang dient dan het algemeen belang.

4.11.3

Belanghebbende heeft voorts betoogd dat het stichten en in stand houden van een woongemeenschap rechtstreeks bijdraagt aan het scheppen van de mogelijkheid dat minimaal vierhonderd personen gezamenlijk tweemaal per dag het TM- en TM-sidhiprogramma beoefenen. Het [woonwijk] zorgt ervoor dat de groep mediterenden geografisch gezien geconcentreerd is. Dit bevordert de mogelijkheden om gezamenlijk te kunnen mediteren. Het vergemakkelijkt het fysiek samenzijn, waardoor de bewoners van het [woonwijk] elkaar beter kunnen motiveren om dagelijks te mediteren.

4.11.4.

Volgens de statuten van belanghebbende behoort tot haar statutaire activiteiten het ontwikkelen van projecten ten behoeve van (artikel 2, lid 2, onderdeel A, sub a) woongelegenheid voor gezamenlijk mediterenden en (sub b) huisvesting om het gezamenlijke meditatieprogramma te beoefenen. Gelet op het onder 4.4 en 4.5 overwogene worden feitelijke werkzaamheden die in het kader van belanghebbendes doelstelling worden verricht, geacht rechtstreeks erop gericht te zijn enig in artikel 5b, lid 3, AWR bedoeld algemeen nut te dienen.

4.11.5.

De Inspecteur heeft onvoldoende bestreden de verwachting dat de toekomstige bewoners van de wijk die de Stichting [G] [J] gaat realiseren zullen gaan participeren in de gezamenlijke Transcendente Meditatie. De Inspecteur heeft ook voor het overige onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot de conclusie dat voormelde feitelijke activiteiten niet zijn verankerd in belanghebbendes statutaire activiteiten. De bijdragen aan het logo en het kunstwerk vallen derhalve in belanghebbendes streven om mogelijkheden te scheppen voor minimaal vierhonderd personen om gezamenlijk het TM- en TM-sidhiprogramma te beoefenen.

4.11.6.

Dit leidt tot eenzelfde conclusie als hiervoor onder 4.9.5 weergegeven.

4.12.1.

Ten aanzien van de bijdragen aan het onderwijscentrum, de Stichting Onderwijs Wetenschap der Creatieve Intelligentie (SOWCI), ad € 500 en € 3.971 (onderdeel e van het uitgavenoverzicht) heeft belanghebbende gesteld dat de stichting SOWCI een stichting is die de meditatieruimten beschikbaar stelt en cursussen verzorgt. Belanghebbende heeft gesteld dat deze bijdragen vallen binnen de statutaire activiteit van artikel 2, lid 2, onderdeel A, sub d, te weten het scheppen van voorwaarden voor onderwijs op basis van de systematische ontwikkeling van het bewustzijn voor de betrokkenen.

4.12.2.

Met betrekking tot een bedrag van € 150 dat in 2013 als bijdrage is verstrekt voor het maken van een film, gemaakt door groep 8 van de basisschool (onderdeel i van het uitgavenoverzicht), heeft belanghebbende gesteld zij deze bijdrage heeft gedaan op grond van de hiervoor vermelde statutaire activiteit en dat zij in dat kader incidenteel een bijdrage aan de basisschool verstrekt.

4.12.3.

De Inspecteur heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat de bijdragen niet bijdragen of hebben kunnen bijdragen aan het verwezenlijken van voormelde doelstelling van belanghebbende.

4.12.3.

Dit leidt tot eenzelfde conclusie als hiervoor onder 4.9.5 weergegeven.

4.13.1.

Ten aanzien van de bijdragen aan de gemeenschapsactiviteiten in het [woonwijk] ten bedrage van € 445 en € 110 (onderdeel f van het uitgavenoverzicht) heeft belanghebbende aangevoerd dat deze uitgaven zijn te scharen onder de statutaire activiteiten zoals opgesomd in artikel 2, lid 2, onderdeel A, sub e van de statuten.

4.13.2.

Ten aanzien van de bijdrage ad € 4.000 aan de stichting [H] (onderdeel l van het uitgavenoverzicht) heeft de Inspecteur in zijn brief van 30 januari 2012 geciteerd uit informatie die hij aantrof op de website van belanghebbende, waaronder – voor zover van belang de volgende passage:

Tenslotte mag niet onvermeld blijven dat het dorp de mogelijkheid biedt gebruik te maken van een eigen gezondheidszorg in de vorm van de [H] . Deze gezondheidszorg is gebaseerd op de zeer oude holistische, vedische kennis. Men heeft ook de mogelijkheid een reinigingskuur te volgen in de [HH] kliniek van het dorp.”

4.13.3.

Belanghebbende heeft erop gewezen dat het scheppen van voorwaarden voor mogelijkheden voor gezondheidszorg eveneens valt onder haar statutaire - het algemeen nut beogende - in artikel 2, lid 2, onderdeel A, sub e van de statuten opgesomde activiteit.

4.13.4.

Belanghebbende heeft ten aanzien van deze beide feitelijke activiteiten gesteld dat het bieden van recreatie en gezondheidszorg tot de randvoorwaarden behoort die het samenwonen in het [woonwijk] bevordert en derhalve rechtstreeks gericht is op het bereiken van haar statutaire doelstelling. Voorts bestrijdt zij de opmerking van de Inspecteur dat puur sprake is van het bieden van ontspanning en gezellig verkeer.

4.13.5.

De Inspecteur heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat deze feitelijke activiteiten vallen buiten de statutaire activiteiten van belanghebbende.

4.13.6.

Dit leidt tot eenzelfde conclusie als hiervoor onder 4.9.5 weergegeven.

4.14.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat belanghebbendes feitelijke activiteiten voor tenminste 90 percent rechtstreeks erop zijn gericht enig in artikel 5b, lid 3, AWR bedoeld algemeen nut te dienen. In het midden kan blijven of de bijdrage aan de tournee van [M] ad € 300 (onderdeel j van het uitgavenoverzicht) eveneens rechtstreeks erop is gericht enig in artikel 5b, lid 3, AWR bedoeld algemeen nut te dienen.

Slotsom

4.15.

Het gelijk is aan belanghebbende. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraak op bezwaar en de onder 1.1 vermelde beschikking van 6 maart 2012 vernietigen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.16.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betaalde griffierecht ten bedrage van € 310 respectievelijk € 493, in totaal € 803, te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.17.

Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, zijn er termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank, alsmede het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.18.

Deze tegemoetkoming wordt, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, als volgt vastgesteld:

- voor het beroep bij de Rechtbank op 2 (punten wegens proceshandelingen) x € 495 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 1.485,

- voor het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 (punten wegens proceshandelingen) x € 495 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 1.485, en

- voor het hoger beroep bij het Hof op 1,5 (punten wegens proceshandelingen) x € 495 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 1.113,75,

tezamen € 4.083,75.

4.19.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de beschikking van 6 maart 2012;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 803 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank, alsmede bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 4.083,75.

Aldus gedaan op: 16 november 2017 door P.J.J. Vonk, voorzitter, P.A.G.M. Cools en V.M. van Daalen-Mannaerts, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.