Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4891

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
15/00033 tot en met 15/00035
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:7996, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 38 Wfsv, artt. 2.9 en 2.11 Besluit Wfsv. Vaststelling gedifferentieerde premiepercentages WGA. Het UWV heeft aan een ex-werknemer in 2009 tot en met 2011 ten onrechte een WGA-uitkering uitbetaald. In 2012 wordt de WGA-uitkering met terugwerkende kracht omgezet in een IVA-uitkering, welke uitkering bij de berekening van de WGA-premie buiten beschouwing blijft. De vraag of de beschikkingen WGA 2011 tot en met 2013 kunnen worden herzien, in die zin dat de in 2009 tot en met 2011 ten onrechte betaalde uitkering bij de bepaling van deze premiepercentages voor de betreffende jaren buiten aanmerking wordt gelaten, wijst het Hof af in verband met het kasbasissysteem, waardoor toerekening plaats vindt in het jaar 2012 waarin de omzetting is doorgevoerd. Het bezwaar tegen de beschikking WGA 2011 is terecht niet ontvankelijk verklaard en het gesloten stelsel van rechts-middelen in belastingzaken verhindert een inhoudelijke behandeling van belanghebbendes grieven.

Wetsverwijzingen
Wet financiering sociale verzekeringen 38
Besluit Wfsv 2.9
Besluit Wfsv 2.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2874
V-N 2018/18.22.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00033 tot en met 15/00035

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 28 november 2014, nummers AWB 13/3563 tot en met 13/3565, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Zuid/Directie Midden- en Kleinbedrijf,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

Bij beschikking van 21 november 2010, met nummer [nummer 1] , heeft de Inspecteur de gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingsregeling Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (hierna: WGA) voor het jaar 2011 (hierna: de beschikking WGA 2011) voor belanghebbende vastgesteld op 0,30%. Bij brief van 26 juni 2012 heeft belanghebbende verzocht om een nieuwe beschikking WGA-premie voor 2011, welk verzoek de Inspecteur heeft aangemerkt als bezwaar tegen de beschikking WGA 2011.

1.1.2.

Bij beschikking van 23 november 2011, met nummer [nummer 2] , heeft de Inspecteur de gedifferentieerde premie ten behoeve van de WGA voor het jaar 2012 (hierna: de beschikking WGA 2012) voor belanghebbende vastgesteld op 1,48%.

Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur op 7 december 2011 ontvangen.

1.1.3.

Bij beschikking van 26 november 2012, met nummer [nummer 3] , heeft de Inspecteur de gedifferentieerde premie ten behoeve van de WGA voor het jaar 2013 (hierna: de beschikking WGA 2013) voor belanghebbende vastgesteld op 1,32%.

Hiertegen heeft belanghebbende bij brief van 27 november 2012 bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij, in één geschrift vervatte, uitspraken van 22 mei 2013 heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen en de beschikkingen WGA 2011, 2012 en 2013 gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken, verenigd in één geschrift van 28 juni 2013 per fax op die datum ingediend, in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft dit beroep geregistreerd onder de nummers 13/3563 tot en met 13/3565. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende, eenmaal in de zaak met nummer 13/3563, een griffierecht geheven van € 318. De Rechtbank heeft, bij in één geschrift vervatte uitspraak, het beroep betreffende de beschikking WGA 2011 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar inzake die beschikking vernietigd, het bezwaar tegen de beschikking WGA 2011 niet ontvankelijk verklaard, de beroepen betreffende de beschikking WGA 2012 en de beschikking WGA 2013 ongegrond verklaard en vergoeding van immateriële schade, griffierecht en proceskosten gelast.

1.4.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende, bij geschrift van 19 januari 2015 per fax op die datum ingediend, hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft dit hoger beroep geregistreerd onder de kenmerken 15/00033 tot en met 15/00035. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende, eenmaal in de zaak met kenmerk 15/00033, een griffierecht geheven van € 497.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 april 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , gevolmachtigde van en werkzaam bij belanghebbende, en mevrouw [B] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld van mevrouw [C] , verbonden aan [D] te [E] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [F] en [G] .

1.6.

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat met de uitspraak is toegezonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende oefent een aannemersbedrijf uit. In het kader van de loonheffingen heeft de Inspecteur belanghebbende voor de bepaling van de gedifferentieerde premies WGA voor de jaren 2011, 2012 en 2013 ingedeeld binnen sector 3, Bouwnijverheid, en, gelet op het totaal premieplichtig loon, voor die jaren aangemerkt als grote werkgever.

2.2.

Het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen te Amsterdam (hierna: het UWV) heeft bij beschikking van 6 november 2009 ten aanzien van de heer [H] te [J] , een voormalig werknemer van belanghebbende (hierna, ook wel aangeduid als: de ex-werknemer), vanaf 18 september 2009 een WGA-uitkering toegekend.

Belanghebbende heeft tegen deze beschikking geen bezwaar gemaakt.

In verband met deze toekenning zijn in de jaren 2009 tot en met 2011 aan de ex-werknemer de navolgende bedragen aan WGA-uitkering uitbetaald:

jaar

betaalde WGA-uitkering

2009

€ 2.662,35

2010

€ 16.955,30

2011

€ 18.200,86

2.3.1.

Het gedifferentieerde premiepercentage WGA wordt bepaald op basis van het landelijk vastgestelde rekenpercentage verminderd of vermeerderd met een individueel bepaalde korting of opslag. Voor de bepaling van de korting of opslag dient het individuele werkgeversrisicopercentage te worden berekend. Dit percentage laat de verhouding zien tussen (ingevolge de WAO en de WGA toegekende) arbeidsongeschiktheidsuitkeringen uitbetaald aan voormalige werknemers en het premieplichtige loon van een werkgever. Voor de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage voor een bepaald jaar wordt uitgegaan van de gegevens van een aantal, niet direct daaraan voorafgaande, refertejaren.

2.3.2.

Bij de beschikking WGA 2011 is ter bepaling van de (premie)korting onder meer uitgegaan van een individueel werkgeversrisicopercentage van 0,12%.

Voor de berekening van dit percentage zijn blijkens de beschikking WGA 2011 in aanmerking genomen de in 2009 uitbetaalde WGA-uitkering van € 2.662,35 en een gemiddeld totaal premieplichtig loon over de jaren 2005 tot en met 2009 van € 2.086.454,40.

2.3.3.

Bij de beschikking WGA 2012 is ter bepaling van de (premie)opslag onder meer uitgegaan van een individueel werkgeversrisicopercentage van 0,71%.

Voor de berekening van dit percentage zijn blijkens de beschikking WGA 2012 in aanmerking genomen de in 2010 uitbetaalde WGA-uitkering van € 16.955,30 en een gemiddeld totaal premieplichtig loon over de jaren 2006 tot en met 2010 van € 2.383.639.

2.3.4.

Bij de beschikking WGA 2013 is ter bepaling van de (premie)opslag onder meer uitgegaan van een individueel werkgeversrisicopercentage van 0,67%.

Voor de berekening van dit percentage zijn blijkens de beschikking WGA 2013 in aanmerking genomen de in 2011 uitbetaalde WGA-uitkering van € 18.200,86 en een gemiddeld totaal premieplichtig loon over de jaren 2007 tot en met 2011 van € 2.697.082,80.

2.4.

Na ontvangst van de met dagtekening 23 november 2011 vastgestelde beschikking WGA 2012 heeft belanghebbende bij brief van 6 december 2011 daartegen bezwaar gemaakt en daarbij, voor zover van belang, het volgende opgemerkt:

“Op basis van de door u verstrekte informatie zijn wij niet in staat de beschikking te beoordelen op juistheid.

Om die reden vraag ik de individuele werknemersoverzichten aan op basis waarvan u uw premievaststelling baseert.

Zodra wij deze specificatie(s) van u ontvangen zullen wij de beschikking (...) beoordelen (…).”

2.5.1.

Het UWV heeft bij schrijven van 1 juni 2012 een beslissing over de uitkering van de ex-werknemer genomen (hierna: de beschikking van 1 juni 2012) en de ex-werknemer, voor zover van belang, het volgende medegedeeld:

“- U heeft vanaf 18 september 2009, zijnde de eerste WIA dag, recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).

- De eerder toegekende WGA-uitkering komt hiermede te vervallen.

(…)

Wij hebben een kopie van deze beslissing aan uw (ex-)werkgever gestuurd. Deze heeft belang bij deze beslissing en mag daarom ook bezwaar maken.”

2.5.2.

Het UWV heeft belanghebbende bij brief van 1 juni 2012, onder vermelding van “ter informatie” (hierna: de informatiebrief), de beschikking van 1 juni 2012 in kopie verstrekt.

2.6.

Naar aanleiding van de informatiebrief heeft belanghebbende bij brief van 26 juni 2012 de Inspecteur het volgende meegedeeld en verzocht (hierna: het verzoek van 26 juni 2012):

“(…) verzoek ik u, de bij beschikking van resp. 21-11-2010 en 25-11-2009 [Hof, bedoeld is; 23 november 2011] vastgestelde WGA gedifferentieerde premiepercentage te herzien op basis van een nieuwe beslissing van het UWV ten aanzien van de WGA schade vanaf 18-09-2009.

Anders dan u enkele weken geleden telefonisch mededeelde is dit een verzoek welke wij aan uw instantie moeten richten en niet aan het UWV.

(…)

In bijlage zend ik u eveneens het schrijven van het UWV (…) [Hof; de beschikking van 1 juni 2012] waarin zij beslissen om de eerdere WGA toekenning en daardoor de schade met terugwerkende kracht per 18-09-2009 om te zetten in een IVA toekennen waarbij geen schade ontstaat.

Graag ontvang ik (...) zo spoedig mogelijk nieuwe beschikkingen gedifferentieerde premiepercentage WGA voor 2011 en 2012 zodat wij ook onze loonadministratie kunnen corrigeren.”

2.7.

In verband met de behandeling van het verzoek van 26 juni 2012 heeft de Inspecteur het UWV om een beoordeling verzocht. Hierop heeft het UWV, bij schrijven van 12 september 2012, voor zover van belang, als volgt gereageerd (waarbij, en ook hierna, het ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) genomen Besluit Wfsv van 16 november 2005, Stb. 2005, 585, is aangeduid als: het Besluit Wfsv):

“Uit onze gegevens blijkt dat de wga-uitkering inderdaad is omgezet met terugwerkende kracht. Indien een uitkering in een bepaald jaar met terugwerkende kracht wordt aangepast (herziening, toekenning, dan wel intrekking) wordt op grond van artikel 2.11, 1e lid, van het Besluit Wfsv het totale bedrag van de aanpassing over alle relevante voorgaande jaren in mindering gebracht dan wel opgeteld bij de toegerekende arbeidsongeschiktheidslasten van de desbetreffende werkgever. Toerekening vindt, conform het kasbasissysteem, plaats aan het jaar waarin de aanpassing is doorgevoerd.

Wij hebben geconstateerd dat in het jaar 2012 een herziening aan de wga-uitkering heeft plaatsgevonden. Op grond van het Besluit Wfsv wordt dit bedrag in het premiejaar 2014 op uw gedifferentieerde wga-premie in mindering gebracht.”

2.8.

In de “uitspraak op bezwaar gedifferentieerde premie WGA 2011, 2012 en 2013” van 22 mei 2013 heeft de Inspecteur, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

Ontvankelijkheid

2011: In de brief van 26 juni 2012 wordt verzocht om de herziening van 2011.

2012: (…) Ik merk dit bezwaar als ontvankelijk aan.

2013: (…) dit bezwaar is ontvankelijk.

Feiten

(…) Vanaf 18 september 2009 had de heer [H] recht op een door het UWV toegekende WGA-uitkering. Op 1 juni 2012 is door het UWV beslist dat vanaf 18 september 2009, recht op een IVA-uitkering bestond ipv de toegekende WGA-uitkering.

(…)

Motivering

De omzetting met terugwerkende kracht van de WGA-uitkering in een IVA-uitkering heeft door toepassing van artikel 2.11 lid 1 Besluit Wfsv tot gevolg dat er in 2012 een negatieve wga-last is ontstaan. Deze negatieve wga last leidt eerst in het kalenderjaar 2014 en volgende jaren tot een compensatie van de dan te betalen premie wga.

In het besluit WFSV is nadrukkelijk gekozen voor het kasstelsel, waarbij de compensatie in toekomstige jaren wordt verleend en derhalve niet wordt teruggekomen op de premiebeschikkingen uit het verleden.

Na intern overleg is ons gebleken dat niet mag worden afgeweken van het bepaalde in het Besluit. De compensatiesystematiek van het Besluit Wfsv was ook al neergelegd in de voorganger van het Besluit Wfsv, het Besluit Premiedifferentiatie WAO van 19 juli 1997, Stb. 1997 338 (…). Deze compensatie kan tot gevolg hebben dat de werkgever niet volledig zal worden gecompenseerd (…).”

2.9.

Bij de bepaling van de gedifferentieerde premies WGA voor het jaar 2014 ten aanzien van belanghebbende is de Inspecteur voor de zogenoemde component WGA-vast uitgegaan van een arbeidsongeschiktheidslast van € 0. Na een bezwaarprocedure tegen de beschikking WGA voor het jaar 2014 heeft de Inspecteur die last bepaald op negatief € 37.818,50, zijnde “de terugbetaling in 2012 van [Hof; de WGA-]uitkering van [H] ”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de beschikkingen WGA 2011, 2012 en 2013 kunnen worden herzien, in die zin dat de aan de ex-werknemer in de jaren 2009 tot en met 2011 uitbetaalde uitkering buiten aanmerking wordt gelaten bij de bepaling van de gedifferentieerde premiepercentages WGA voor de betreffende jaren.

Hieraan voorafgaand is tussen partijen in geschil of belanghebbende in het bezwaar tegen de beschikking WGA 2011 ontvankelijk is.

Belanghebbende is van mening dat de in geschil zijnde vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en, naar het Hof begrijpt, vermindering van het gedifferentieerde premiepercentage WGA 2011 tot 0,07%, het gedifferentieerde premiepercentage WGA 2012 en het gedifferentieerde premiepercentage WGA 2013, elk, tot 0,13%, alsmede vergoeding van griffierecht en proceskosten. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de beschikking WGA 2011

4.1.

De Rechtbank heeft overwogen (waarbij, net als hierna, de Algemene wet bestuursrecht is aangeduid als Awb en de Algemene wet inzake rijksbelastingen als AWR):

“4.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de AWR aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

4.2.

De dagtekening van de in bezwaar bestreden beschikking is (zondag) 21 november 2010. Gesteld noch gebleken is dat de beschikking pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, met inachtneming van artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet, is geëindigd op (maandag) 3 januari 2011.

4.3.

Belanghebbende heeft per brief met dagtekening 26 juni 2012 een herzieningsverzoek ingediend voor de beschikking WGA 2011. De inspecteur heeft dit herzieningsverzoek aangemerkt als een bezwaarschrift. Vaststaat dat dit bezwaarschrift op 27 juni 2012 bij de belastingdienst is binnengekomen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het bezwaarschrift niet tijdig ingediend.

4.4.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, nu pas na het ontvangen van de brief van het UWV van 1 juni 2012 duidelijk is geworden dat de beschikking WGA 2011 onjuist was vastgesteld en pas toen aanleiding bestond bezwaar tegen deze beschikking te maken.

4.5.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 juni 2004, nr. 39009, ECLI:NL:HR:2004:AP1368 geoordeeld dat artikel 6:11 van de Awb ziet op gevallen waarin belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden. Ingeval een belanghebbende wel in staat is geweest om binnen de wettelijke bezwaartermijn bezwaar te maken, maar dat niet heeft gedaan omdat hij daartoe destijds geen reden had, kan een nadien opgekomen reden niet bewerkstelligen dat een inmiddels niet-verschoonbare termijnoverschrijving alsnog verschoonbaar wordt (vgl. HR 28 april 2006, nr. 40 956, ECLI:NL:HR:2006:AW4062). Ook een wijziging in juridisch inzicht na het verstrijken van de bezwaartermijn brengt niet mee dat de bezwaartermijn verschoonbaar is overschreden (vgl. HR 8 februari 2002, nr. 36 659, ECLI: NL:HR:2002:AD9094).

4.6.

Gelet op het vorenstaande vormt de enkele omstandigheid dat het UWV op een later moment heeft geconstateerd dat zij aan de ex-werknemer ten onrechte een WGA-uitkering heeft uitgekeerd en dat aan de ex-werknemer met terugwerkende kracht een IVA-uitkering is toegekend, naar het oordeel van de rechtbank, geen omstandigheid die maakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

4.7.

Nu vaststaat dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De inspecteur heeft dat echter niet gedaan. De rechtbank zal doen wat de inspecteur had moeten doen. Het beroep ten aanzien van de beschikking WGA 2011 is daarom gegrond.

4.8.

Nu het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard, komt de rechtbank niet meer toe aan een inhoudelijke behandeling van het beroep ten aanzien van de beschikking WGA 2011.”

4.2.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank met de hiervoor aangehaalde overwegingen op goede gronden heeft beslist dat belanghebbende buiten de daarvoor geldende termijn bezwaar heeft gemaakt, dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en dat het bezwaar niet ontvankelijk is, welke gronden het Hof tot de zijne maakt.

4.3.

Belanghebbende stelt verder dat in een nieuw ingevoerd zevende lid van artikel 38 van de Wfsv, Stb. 2014, 167, is geregeld dat de Inspecteur de bevoegdheid heeft om onjuiste premiebeschikkingen te herzien gedurende vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft. Belanghebbende voert aan dat de Inspecteur, op het moment van de indiening van het verzoek van 26 juni 2012, nog de bevoegdheid had de beschikking WGA 2011 te herzien en daarmee kan, aldus belanghebbende, een niet-ontvankelijkverklaring van haar bij het verzoek van 26 juni 2012 ingediende bezwaarschrift (c.q. herzieningsverzoek) betreffende de beschikking WGA 2011 niet aan de orde zijn.

4.4.

De Inspecteur is van mening dat het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking WGA 2011 niet-ontvankelijk is, omdat bezwaar is gemaakt na de bezwaartermijn van zes weken en met de invoering van het nieuwe artikel 38, lid 7, van de Wfsv geen sprake is van een verlenging van de bezwaartermijn met vijf jaren. De Inspecteur betoogt verder dat in het onderhavige geval herziening van de premiebeschikkingen niet mogelijk is, omdat deze beschikkingen niet op basis van onjuiste of onvolledige gegevens zijn vastgesteld.

4.5.

In artikel 38, lid 7, van de Wfsv, Stb. 2014, 167, is bepaald:

“De inspecteur is bevoegd tot herziening van een beschikking op grond van dit artikel indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de beschikking is gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. Een herziening ten nadele van de werkgever is uitsluitend mogelijk indien deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever of de gewezen werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.”

Bij de invoering van dit zevende lid is toegelicht dat een herziening van een premiebeschikking in het voordeel van de werkgever altijd mogelijk is.

4.6.

Het Hof wijst voornoemde stelling van belanghebbende af en overweegt als volgt. Op grond van artikel 59 van de Wfsv worden de premies voor de werknemersverzekeringen geheven overeenkomstig de regels voor de heffing van de loonbelasting. Dit betekent dat, net als voor de loonbelasting, inzake het bezwaar en beroep de bepalingen van de AWR van toepassing zijn. De beschikkingen die de inspecteur op grond van de Wfsv zal nemen vallen daarmee onder het gesloten stelsel van rechtsbescherming van de AWR. Dit houdt in dat ingevolge artikel 26 van de AWR alleen tegen de – door de inspecteur genomen – beschikkingen die voor bezwaar vatbaar zijn verklaard, bezwaar en beroep mogelijk is.

4.7.

Bij het verzoek van 26 juni 2012 heeft belanghebbende verzocht om vermindering (herziening) van de inmiddels onherroepelijk vaststaande beschikking WGA 2011 met dagtekening 21 november 2010. De, onder 2.8 vermelde, beslissing van de Inspecteur van 22 mei 2013 op het verzoek tot vermindering van de onherroepelijk vaststaande beschikking WGA 2011 is een beslissing die hij ambtshalve heeft genomen. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in belastingzaken is een zodanige beslissing niet aan te merken als een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat.

4.8.

Het Hof voegt hieraan toe dat in artikel 38, lid 7, van de Wfsv is bepaald dat de inspecteur een herziening, in het nadeel van de werkgever, bij voor bezwaar vatbare beschikking neemt. Hierdoor is voor een dergelijke, voor de werkgever nadelig herziene, beschikking de mogelijkheid geschapen daartegen in rechte op te komen. Nu belanghebbende een voor haar voordelige herziene beschikking bepleit, is van de in artikel 38, lid 7, van de Wfsv geregelde situatie in de onderhavige procedure geen sprake.

4.9.

Het Hof concludeert dat het bezwaar tegen de beschikking WGA 2011 niet ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke behandeling van de grieven van belanghebbende betreffende de beschikking WGA 2011 komt het Hof niet toe.

4.10.

Het gelijk betreffende de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de beschikking WGA 2011 is aan de zijde van de Inspecteur.

Herziening van de beschikkingen WGA 2012 en 2013

4.11.

De regelgeving:

Artikel 38 van de Wfsv (tekst tot 1 januari 2014) luidt, voor zover van belang:

“1. Het UWV stelt vast:

a. voor de berekening van de gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas, een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk rekenpercentage;

b. voor de berekening van het rekenpercentage, bedoeld in onderdeel a, een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk gemiddeld percentage.

2. Elk jaar wordt met ingang van 1 januari een opslag of korting vastgesteld waarmee het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde percentage wordt verhoogd respectievelijk verlaagd. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kan worden bepaald dat de opslag of korting voor een werkgever dan wel voor categorieën van werkgevers wordt vastgesteld, waarbij de korting of opslag voor categorieën van werkgevers kan verschillen of op nihil kan worden vastgesteld. (…) Voor de werkgever die niet behoort tot een categorie als bedoeld in de tweede zin, stelt de inspecteur de korting of opslag vast bij voor bezwaar vatbare beschikking.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

a. de wijze waarop het rekenpercentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het gemiddelde percentage, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden vastgesteld;

b. de wijze waarop de in het tweede en het derde lid bedoelde opslag en korting worden berekend;”

Vervolgens is, voor zover relevant, in hoofdstuk 2 van het Besluit Wfsv bepaald:

“Art. 2.9. Berekening opslag of korting

-1. De opslag of korting, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Wfsv, is voor alle werkgevers gelijk aan het individuele werkgeversrisicopercentage verminderd met het gemiddelde werkgeversrisicopercentage.

-2. Het individuele werkgeversrisicopercentage, bedoeld in het eerste lid, wordt verkregen door de som van:

a. het totaalbedrag van de (...) aan de werkgever toe te rekenen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de (…) arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden toegekend, in dienstbetrekking stonden tot een werkgever, en

b. het totaalbedrag van de (...) aan de werkgever toe te rekenen WGA-uitkeringen die in het tweede kalenderjaar vóór het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld zijn betaald aan werknemers die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid op grond waarvan de WGA-uitkeringen worden toegekend, in dienstbetrekking stonden tot een werkgever, te vermenigvuldigen met honderd en de uitkomst van deze berekening te delen door het ten laste van die werkgever komende gemiddelde premieplichtige loon per jaar, berekend over het tijdvak van vijf kalenderjaren, eindigend één jaar voor aanvang van het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld.”

En in, hoofdstuk 2, artikel 2.11, lid 1, van het Besluit Wfsv (tekst 2012, 2013) is bepaald:

“-1. Indien blijkt dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, onderdeel a, of een WGA-uitkering als bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, onderdeel b, geheel of ten dele ten onrechte is toegekend, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage in het kalenderjaar waarin het besluit tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de WGA-uitkering wordt ingetrokken of herzien, het totaalbedrag, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de te veel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering of WGA-uitkering.”

In de Nota van Toelichting (hierna: de NvT) bij het Besluit Wfsv van 16 november 2005, Stb. 2005, 585, is onder “2.2 Premiedifferentiatie WAO”, voor zover van belang, vermeld:

“De bepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van het onderhavige besluit betreffende de premiedifferentiatie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen waren voorheen opgenomen in het Besluit premiedifferentiatie WAO. Met inwerkingtreding van de Wfsv wordt in artikel 37, vierde lid, van die wet [Hof; vernummerd naar artikel 38, lid 4, van de Wfsv] voorzien in een grondslag om in het onderhavige besluit bepalingen op te nemen op het gebied van premiedifferentiatie. Derhalve zijn de bepalingen uit het Besluit premiedifferentiatie WAO overgeheveld naar het onderhavige besluit. Een materiële wijziging is hiermee niet beoogd. (…)”

In het hiervoor bedoelde Besluit premiedifferentiatie WAO van 19 juli 1997, Stb. 1997, 338 (hierna: het Besluit premiedifferentiatie WAO), is met betrekking tot de daarin geregelde “Berekening opslag of korting grote werkgevers”, voor zover relevant, bepaald:

“Art. 6 Regres en premievermindering grote werkgevers

-1. Indien blijkt dat een (…) arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of ten dele ten onrechte is toegekend, wordt bij de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage in het kalenderjaar waarin het besluit tot toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken of herzien het (…) totaalbedrag verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de te veel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering.”

In de NvT bij het Besluit premiedifferentiatie WAO, Stb. 1997, 338, p. 14-16, is onder “2.2.2. Arbeidsongeschiktheidslasten, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Voor de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage worden de uitkeringslasten van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bepaald op kasbasis. Alle lasten van de uitkeringen, die in jaar t-2 tot uitbetaling kwamen, worden dus meegenomen in het individuele werkgeversrisicopercentage.

Hantering van een systeem op kasbasis sluit aan bij de uitkeringsadministratie van de uitvoeringsinstellingen. Een wijziging van de hoogte van de uitkering leidt op deze wijze over voorgaande jaren niet tot een aanpassing van het individuele werkgeversrisicopercentage, en dus van de gedifferentieerde premie.

Het is evenwel mogelijk dat een uitkering met terugwerkende kracht wordt aangepast. De aanpassingen kunnen dan (mede) betrekking hebben op voorgaande jaren. Het kan daarbij gaan om een herziening van de hoogte van de uitkering met terugwerkende kracht, een toekenning van een uitkering met terugwerkende kracht dan wel de situatie dat een uitkering achteraf ten onrechte blijkt te zijn vastgesteld. De vraag rijst dan op welke wijze binnen het systeem van premiedifferentiatie met dergelijke herzieningen moet worden omgegaan. (...) Zonder nadere regelgeving zouden aanpassingen van uitkeringen niet in alle gevallen doorwerken in de gedifferentieerde premie. Teneinde te bewerkstelligen dat alle aanpassingen worden meegenomen in het systeem van premiedifferentiatie is het volgende bepaald.

Indien een uitkering in een bepaald jaar met terugwerkende kracht wordt aangepast (herziening, toekenning dan wel intrekking) wordt het totale bedrag van de aanpassing over alle relevante voorgaande jaren in mindering gebracht dan wel opgeteld bij de toegerekende arbeidsongeschiktheidslasten van de desbetreffende werkgever. Toerekening vindt, conform het kasbasissysteem, plaats aan het jaar waarin de aanpassing is doorgevoerd. Een werkgever ziet dit dus vanwege de systematiek van premiedifferentiatie pas na twee jaren terug in zijn gedifferentieerde premie. (…)

Deze systematiek sluit volledig aan bij het kasbasissysteem. De feitelijk uitbetaalde uitkeringslast wordt in het jaar dat deze is uitgekeerd ten laste gebracht van de arbeidsongeschiktheidslast van de werkgever.

(...)

Bepalend voor de hoogte van het werkgeversrisicopercentage zijn dus de uitkeringslasten in jaar t-2. Het individuele werkgeversrisicopercentage wordt voor het premiejaar door de uitvoeringsinstellingen vastgesteld aan het eind van jaar t-1. (...)”

In de NvT bij het Besluit premiedifferentiatie WAO is in de artikelsgewijze toelichting betreffende artikel 6, voor zover van belang, het volgende vermeld, Stb. 1997, 338, p. 44:

“Intrekking of herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering

(…) dat indien achteraf blijkt dat ten onrechte een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend (…), voor grote werkgevers, het bedrag van de te veel betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt verrekend met de aan hem toe te rekenen arbeidsongeschiktheidslasten in enig jaar. De verrekening vindt plaats met betrekking tot arbeidsongeschiktheidslasten in het kalenderjaar waarin is vastgesteld, dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte (…) is vastgesteld.”

Het Besluit van 9 juli 2007 tot wijziging van het Besluit Wfsv, Stb. 2007, 279 (hierna: het Wijzigingsbesluit), is aangaande artikel 2.11 als volgt toegelicht (Stb. 2007, 279, p. 16):

“In artikel 2.11 zijn voorschriften opgenomen over de bepaling van de opslag of de korting bij regres en premievermindering. Op grond van het eerste lid wordt bij intrekking of vermindering van de uitkering het totaalbedrag van de uitkeringen in het jaar van de intrekking of vermindering verminderd met het bedrag van de te veel betaalde uitkering voor de bepaling van het individuele werkgeversrisicopercentage.”

Bij het Wijzigingsbesluit is omtrent de premiedifferentiatie WGA de volgende toelichting gegeven (Stb. 2007, 279, p. 10):

“De systematiek van de premiedifferentiatie WGA is in hoge mate gebaseerd op die van de WAO.”

4.12.

Belanghebbende stelt dat de onderhavige premiebeschikkingen moeten worden herzien. Zij merkt op dat de gedachte achter het hanteren van een opslag of korting, kort gezegd, is; “de vervuiler betaalt”; de werkgever wordt geconfronteerd met een opslag of een minder hoge korting vanwege de aan de werkgever aangerekende instroom van zijn werknemers in onder andere de WGA. Belanghebbende voegt hieraan toe, dat het bedrag van de extra premie ten laste van de werkgever vaak gelijk is aan de hoogte van de uitkering die de werknemer ontvangt. In het onderhavige geval heeft het UWV in de jaren 2009 tot en met 2011 ten onrechte een WGA-uitkering toegekend aan de ex-werknemer en daardoor zijn volgens belanghebbende de bestreden WGA-beschikkingen op basis van onjuiste uitgangspunten naar te hoge percentages vastgesteld. Belanghebbende bepleit een herrekening van de premiekorting in die zin dat de in elk van de jaren 2009 tot en met 2011 betaalde uitkering niet wordt meegerekend. Belanghebbende herhaalt dat de Inspecteur, ingevolge artikel 38, lid 7, van de Wfsv, de bevoegdheid en vrijheid heeft onjuiste premiebeschikkingen te herzien en vermeldt uitsluitend ter onderbouwing van dit standpunt dat haar twee gevallen bekend zijn waarin een dergelijke herziening is verleend, van welke gevallen stukken zijn verstrekt. Belanghebbende stelt, gestaafd met een berekening, dat de compensatieregeling, verleend bij de beschikking WGA 2014, onvoldoende financiële tegemoetkoming biedt voor de in de jaren 2011 tot en met 2013 teveel betaalde premies.

4.13.

De Inspecteur betwist dat herziening van de onderhavige beschikkingen mogelijk is, omdat de beschikkingen niet op basis van onjuiste of onvolledige gegevens zijn vastgesteld. Voor de premiejaren 2011 tot en met 2013 zijn arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die door het UWV in de jaren 2009 tot en met 2011 zijn uitbetaald, aan belanghebbende toegerekend. Achteraf gezien blijkt de aan de ex-werknemer toegekende uitkering ten onrechte te zijn toegekend en voor die situatie is in het Besluit Wfsv een compensatieregeling getroffen, waardoor eerder afgegeven beschikkingen gedifferentieerde premie niet worden gewijzigd.

4.14.

Bij de beoordeling van de klachten van belanghebbende zal het Hof eerst bezien of de besluitgever met de in artikel 2.9 van het Besluit Wfsv getroffen regeling de hem in artikel 38 van de Wfsv gegeven bevoegdheid niet te buiten is gegaan en overweegt als volgt. Het Hof neemt in aanmerking dat in artikel 38 van de Wfsv geen voorschriften zijn opgenomen omtrent de elementen die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in aanmerking genomen mogen worden bij de vaststelling en berekening van de in artikel 38, lid 4, van die wet bedoelde percentages, opslagen en kortingen. Deze algemeen geformuleerde delegatiebepaling laat, naar het oordeel van het Hof, de besluitgever ruimte om met het oog op de uitvoerbaarheid van de regeling een systematiek te hanteren gebaseerd op de WGA-uitkeringen, die in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het premiejaar door een UWV zijn betaald aan werknemers, die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking stonden tot een werkgever (ofwel de uitkeringsadministratie van het UWV).

Dit leidt het Hof tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat de wijze waarop in artikel 2.9 van het Besluit Wfsv rekening wordt gehouden met de uitbetaalde WGA-uitkeringen strijd oplevert met artikel 38 van de Wfsv (vgl. HR 9 maart 2012, nr. 11/01759, ECLI:NL:HR:2012:BT8788, BNB 2012/135 (hierna: het arrest BNB 2012/135)).

4.15.1.

In zoverre belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de regeling in artikel 2.9, lid 2, van het Besluit Wfsv in het onderhavige geval geen toepassing dient te vinden, omdat vanwege een beoordelingsfout van het UWV een WGA-uitkering aan de ex-werknemer is betaald en dat daarom deze WGA-uitkering niet aan belanghebbende mag worden toegerekend en belanghebbende evenmin behoort te worden geconfronteerd met een lagere korting of opslag van het individuele werkgeversrisicopercentage, wijst het Hof deze grief af.

In artikel 2.9, lid 2, van het Besluit Wfsv is geregeld dat ter bepaling van het individuele werkgeversrisicopercentage aan een werkgever worden toegerekend arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, die in het aldaar bedoelde jaar zijn betaald aan werknemers, die bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking stonden tot de werkgever. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de ex-werknemer bij het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid in dienstbetrekking stond bij belanghebbende, wordt op de voet van in artikel 2.9, lid 2, van het Besluit Wfsv de in de betreffende jaren daadwerkelijk door het UWV uitbetaalde WGA-uitkering aan belanghebbende toegerekend en derhalve meegerekend ter bepaling van een lagere korting of opslag van belanghebbendes premie.

4.15.2.

Voor zover belanghebbende van mening is dat artikel 2.11, lid 1, van het Besluit Wfsv in het onderhavige geval geen toepassing dient te vinden, omdat vanwege een beoordelingsfout van het UWV een WGA-uitkering aan de ex-werknemer is toegekend en de correctie van deze fout tot herziening van de premies in de jaren 2012 en 2013 moet leiden, verwerpt het Hof deze grief.

In artikel 2.11, lid 1, van het Besluit Wfsv is onder meer geregeld, dat bij een geheel of ten dele onterechte toekenning van een WGA-uitkering, in het kalenderjaar waarin wordt besloten die onjuiste toekenning in te trekken of te herzien voor de berekening van het individuele werkgeversrisicopercentage gevolg heeft. De bewoordingen van artikel 2.11, lid 1, van het Besluit Wfsv laat daarbij in het midden aan wie of waarop de gehele of ten dele onterechte toekenning van de WGA-uitkering is te wijten of terug te voeren. Naar het oordeel van het Hof ligt het in de rede dat met het oog op de uitvoerbaarheid van de regeling ook in dit verband is aangesloten bij een kasbasissystematiek, zoals uiteengezet in de hiervoor in 4.11 aangehaalde NvT bij het Besluit premiedifferentiatie WAO, en het Hof heeft in (de ontstaansgeschiedenis van) het Besluit Wfsv geen aanwijzingen gevonden dat de besluitgever met het daarin vermelde uitgangspunt heeft willen breken.

4.15.3.

Het Hof voegt hieraan nog het volgende toe. De bepalingen van artikel 2.9, lid 2, en artikel 2.11, lid 1, van het Besluit Wfsv, in onderlinge samenhang bezien, hebben volgens het Hof tot gevolg dat, wil er voor het premiejaar 2012 respectievelijk 2013 een vermindering als bedoeld in artikel 2.11, lid 1, van het Besluit Wfsv kunnen plaatsvinden, er in het jaar 2010 respectievelijk 2011 een intrekking of herziening moet hebben plaatsgevonden. Nu tussen partijen niet in geschil is dat een dergelijke intrekking of herziening in 2010 respectievelijk 2011 niet heeft plaatsgevonden, kan de nadere besluitvorming van het UWV (op 1 juni 2012) omtrent het aan de ex-werknemer toekennen van een IVA-uitkering geen gevolgen hebben voor de vaststelling van de korting of opslag van de premie voor de jaren 2012 en 2013.

4.15.4.

Aan het vorenoverwogene voegt het Hof verder nog het navolgende toe.

In artikel 2.11, lid 1, van het Besluit Wfsv wordt gesproken over het intrekken of herzien van een ten onrechte toegekende WGA-uitkering en in het onderhavige geval heeft het UWV medegedeeld dat de WGA-uitkering aan de ex-werknemer is komen te vervallen. Dat de door het UWV gekozen bewoording afwijkt van de terminologie van het Besluit Wfsv brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Duidelijk is dat de toekenning van de WGA-uitkering ten onrechte is geweest en dat een IVA-uitkering toegekend had moeten worden, alsmede dat deze onjuiste toekenning is hersteld in die zin dat de WGA-uitkering is teruggenomen.

4.16.

Belanghebbende klaagt dat de in de artikelen 2.9 en 2.11 van het Besluit Wfsv opgenomen compensatieregeling haar onvoldoende tegemoetkoming biedt voor de lagere korting dan wel opslagen die bij haar in aanmerking zijn genomen in verband met de onterechte toekenning van de WGA-uitkering door het UWV. Het Hof verwijst naar hetgeen is overwogen in punt 4.14 en herhaalt, dat – nu in artikel 38 van de Wfsv geen voorschriften zijn opgenomen omtrent de elementen die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in aanmerking mogen worden genomen bij de vaststelling en berekening van de in artikel 38, lid 4, van die wet bedoelde percentages, opslagen en kortingen – de besluitgever met de wijze waarop in de artikelen 2.9 en 2.11 van het Besluit Wfsv rekening wordt gehouden met arbeidsongeschiktheidsuitkeringen zijn in artikel 38 van de Wfsv gegeven bevoegdheid niet te buiten is gegaan (vgl. het arrest BNB 2012/135).

Het Hof heeft in (de ontstaansgeschiedenis van) het Besluit Wfsv geen aanwijzingen gevonden dat bij onvoldoende financiële tegemoetkoming van de compensatieregeling van de getroffen regeling kan worden afgeweken op de door belanghebbende voorgestane wijze. Het Hof merkt hierbij op dat een onvoldoende financiële tegemoetkoming, in die zin dat de compensatie in het jaar 2014 veel geringer is dan de extra premielasten in de jaren 2011 tot en met 2013, mede gelegen kan zijn in andere elementen van de jaarlijkse premieberekening.

Verder is het Hof van oordeel dat de omstandigheid dat de in de jaren 2009 tot en met 2011 in aanmerking genomen uitkeringslasten zijn terug te voeren op een beoordelingsfout van het UWV niet tot een andere uitleg kan leiden.

4.17.

Het beroep van belanghebbende op artikel 38, lid 7, van de Wfsv wijst het Hof af. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.11 tot en met 4.16 is het Hof van oordeel dat de bestreden WGA-beschikkingen niet op onjuiste uitgangspunten zijn vastgesteld en er geen aanleiding is voor een herziening van deze beschikkingen.

Verzoek om vergoeding van immateriële schade

4.18.

Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat het verzoek om schadevergoeding de vergoeding van immateriële schade vanwege het overschrijden van de redelijke termijn betreft. De Rechtbank heeft voor de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase van 11 maanden een vergoeding van € 1.000 voor de onderhavige zaken tezamen ten laste van de Inspecteur toegekend. Hiertegen zijn geen grieven ingebracht.

Met betrekking tot een vergoeding voor de hoger beroepsfase oordeelt het Hof als volgt.

4.19.

De Hoge Raad heeft op 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140 (hierna: het overzichtsarrest) herhaald, dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, meebrengt dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden berecht. Voor de beantwoording van de vraag of de redelijke termijn voor de beslechting van een geschil is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten, die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het Hof, behoudens bijzondere omstandigheden, uitspraak doet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel van hoger beroep is aangewend.

Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

Indien sprake is van gezamenlijke behandeling van meerdere zaken van één belanghebbende, die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, wordt per fase van de procedure met een gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd.

4.20.

Voor de bepaling van de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep stelt het Hof het volgende vast. Bij geschrift van 19 januari 2015, per fax op die datum bij het Hof binnengekomen, is hoger beroep ingesteld en het Hof doet uitspraak op 16 november 2017. De hoger beroepsfase heeft derhalve twee jaren en bijna tien maanden geduurd en daarmee is de voor de behandeling van het hoger beroep gestelde termijn van twee jaren met bijna tien maanden overschreden. Het Hof heeft in de zaken zelf geen aanknopingspunten gevonden voor een langere duur van de hoger beroepsfase dan de redelijke termijn van twee jaren en de langere duur wordt aan het Hof toegerekend.

In de onderhavige hoger beroepsprocedures zijn WGA-beschikkingen voor drie verschillende jaren gezamenlijke behandeld. Het Hof ziet hierin aanleiding voor de drie zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar te hanteren.

De overschrijding in de hoger beroepsfase berekent het Hof op, afgerond, een jaar. De Staat (de Minister voor Rechtsbescherming; hierna: de Minister) wordt, in verband met een in aanmerking te nemen tarief van € 500 per half jaar, veroordeeld tot betaling van een vergoeding van 2 x € 500, is € 1.000.

Slotsom

4.21.

De slotsom is dat de hoger beroepen van belanghebbende ongegrond zijn, dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd en dat aan belanghebbende in verband met de lange duur van de procedures bij het Hof een vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de hoger beroepsfase wordt verleend.

Ten aanzien van het griffierecht

4.22.

Gelet op de omstandigheid dat het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen wegens aan het Hof toe te rekenen overschrijding van de redelijke termijn van de hoger beroepsfase, acht het Hof termen aanwezig voor de vergoeding van het van belanghebbende ter zake van de behandeling van de hoger beroepen geheven griffierecht. Het Hof zal gelasten dat de Minister aan belanghebbende vergoedt het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 497.

Ten aanzien van de proceskosten

4.23.

In verband met de toewijzing van het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens de aan het Hof toe te rekenen overschrijding van de redelijke termijn, ziet het Hof aanleiding de Minister te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de drie hoger beroepen bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.24.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, als volgt vast:

2 (punten wegens proceshandelingen) x € 495 (waarde per punt) x 0,5 (gewicht van de zaak) x 1 (samenhang van zaken) is € 495.

Het Hof stelt de factor gewicht van de zaak op 0,5 aangezien de proceskostenvergoeding alleen betrekking heeft op het verzoek om vergoeding van de immateriële schade (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015/198).

4.25.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart de hoger beroepen ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    wijst het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de hoger beroepen toe;

  • -

    veroordeelt de Minister tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de hoger beroepsfase toerekenbare immateriële schade vastgesteld op € 1.000;

  • -

    gelast dat de Minister aan belanghebbende vergoedt het ter zake van de door haar ingestelde hoger beroepen betaalde griffierecht van € 497; en

  • -

    veroordeelt de Minister in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 495.

Aldus gedaan op: 16 november 2017 door A.J. Kromhout, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en W.A. Sijberden, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.