Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4889

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
200.202.576_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.202.576/01

zaaknummer rechtbank : C/03/215376 / FA RK 15-4479

beschikking van de meervoudige kamer van 16 november 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N.P.J. Frijns te Maastricht,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H.M. van Aarsen te Maastricht.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Maastricht) van 12 september 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 2 november 2016 in hoger beroep gekomen van genoemde beschikking van 12 september 2016.

2.2.

De vrouw heeft op 7 december 2016 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van:

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 13 september 2017;

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 18 september 2017.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 28 september 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn op 9 september 1993 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geen thans nog minderjarige kinderen geboren.

3.3.

De samenwoning van partijen is beëindigd in september 2014.

3.4.

In het kader van een voorlopige voorzieningenprocedure is de man bij beschikking van 27 januari 2016 veroordeeld om met ingang van 1 februari 2016 aan de vrouw een bedrag van € 700,- per maand aan partneralimentatie te voldoen.

3.5.

Bij de bestreden beschikking van 12 september 2016 heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het huwelijk van partijen is ontbonden op 22 mei 2017 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.6.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is voorts, voor zover thans van belang, uitvoerbaar bij voorraad, de door de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw te betalen partneralimentatie bepaald op een bedrag van € 850,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.2.

De man kan zich met die beslissing niet verenigen en is daarvan in hoger beroep gekomen.

De grieven van de man zien op de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

De man verzoekt in hoger beroep voormelde beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 12 september 2016 te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man:

  1. in de periode vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot februari 2017 geen partneralimentatie behoeft te betalen en dat de inmiddels te veel betaalde partneralimentatie mag worden verrekend met de nog te betalen partneralimentatie;

  2. in de periode van februari 2017 tot september 2017 slechts het bruto equivalent van het netto bedrag van € 30,- per maand aan partneralimentatie behoeft te betalen en dat de inmiddels te veel betaalde partneralimentatie mag worden verrekend met nog te betalen partneralimentatie;

  3. in de periode vanaf september 2017 slechts het bruto equivalent van het netto bedrag van € 135,- per maand aan partneralimentatie behoeft te betalen en dat de inmiddels te veel betaalde partneralimentatie mag worden verrekend met de nog te betalen partneralimentatie;

  4. dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.3.

De vrouw verzoekt het hof de grieven van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Het hof stelt allereerst vast dat de man vol appel heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. Nu de man echter geen grief heeft aangevoerd tegen de daarbij tussen partijen uitgesproken echtscheiding en de echtscheidingsbeschikking bovendien inmiddels is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand zal het hof de man in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek in hoger beroep.

Ingangsdatum

5.2.

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de partneralimentatie, zijnde 22 mei 2017, is niet in geschil zodat ook het hof deze datum als uitgangspunt neemt.

Partneralimentatie

Hoogte van de behoefte vrouw

5.3.

De man stelt in hoger beroep de hoogte van de behoefte van de vrouw ter discussie.

5.4.

De hoogte van het laatste gezinsinkomen is tussen partijen niet in geschil.

Het gezinsinkomen bedroeg € 3.500,- netto per maand, inclusief vakantietoeslag.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de behoefte van de vrouw in beginsel conform de ‘hofnorm’ wordt vastgesteld op 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk, derhalve op € 2.100,- netto per maand.

5.5.

De man is daarbij echter van mening dat rekening moet worden gehouden met het feit dat partijen tijdens het huwelijk structureel op schulden aflosten. Onder meer werd met

€ 241,- per maand afgelost op een restschuld aan de hypotheekverstrekker en met € 47,- per maand op de creditcard-rekening.

De vrouw voert hiertegen aan dat partijen een doorlopend krediet hadden, dat onder meer is aangewend voor aflossing van de hypothecaire restschuld, maar ook anderszins (consumptief) is verbruikt. De aflossing op het doorlopend krediet gebeurde niet structureel, maar alleen voor zover dit strikt noodzakelijk was, namelijk zodra de kredietlimiet in zicht was. Zo gingen partijen ook om met de creditcard. Op die rekening werd afgelost met een bedrag van 37,- per maand. Van overige schulden was geen sprake.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking of bijstelling van de hofnorm. Dat partijen tijdens hun huwelijk maandelijks bedragen op schulden aflosten, neemt niet weg dat zij bedoelde bedragen ter beschikking hadden en aldus konden besteden ter financiering van hun behoeften.

5.6.

De rechtbank heeft het eigen inkomen van de vrouw, een WIA-uitkering, vastgesteld op € 915,- netto per maand. Hiertegen zijn in hoger beroep geen grieven gericht, zodat ook het hof van dat bedrag uitgaat, waardoor – zoals de rechtbank eveneens heeft vastgesteld – een aanvullende behoefte (behoeftigheid) van circa € 1.200,- netto per maand resteert.

Het verzoek van de vrouw is evenwel beperkt tot een partnerbijdrage van € 850,- per maand.

Draagkracht van de man

5.7.

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de vastgestelde alimentatie van € 850,- per maand te betalen. De vrouw betwist dat.

5.8.

Het hof oordeelt als volgt.

Het inkomen van de man fluctueert als gevolg van het feit dat hij al jaren (in ieder geval vanaf 2014) in dienst van uitzendbureaus werkzaamheden verricht en van tijd tot tijd een periode een WW-uitkering ontvangt. Niet weersproken is dat de man in januari 2016 een dubbele liesoperatie heeft ondergaan, als gevolg waarvan de man enige tijd een ZW-uitkering heeft ontvangen. In het onderhavige geval ziet het hof aanleiding om een langere periode in de beschouwing te betrekken, zodat een redelijk gemiddeld inkomen wordt gevonden, in dit geval de periode vanaf 2014.

De man heeft blijkens de overgelegde jaaropgaven de volgende fiscale inkomsten (gehad):

  • -

    € 56.277,- in 2014;

  • -

    € 43.467,- in 2015;

  • -

    € 39.502,- in 2016.

De vrouw heeft ter zitting van het hof onbetwist verklaard dat, als het inkomen van de man in 2017 – voor zover thans bekend en zoals dit blijkt uit de overgelegde loonstroken van [de vennootschap 1] en de WW-uitkeringsspecificaties – wordt geëxtrapoleerd naar een volledig jaar, dit een inkomen oplevert dat ongeveer gelijk is aan het inkomen van de man in 2016.

Op grond van het voorgaande stelt het hof het (te verwachten) gemiddelde belastbaar jaarinkomen van de man in de periode van 2014 tot en met 2017 vast op € 44.687,-.

De vrouw heeft het standpunt ingenomen dat de man in ieder geval een inkomen moet kunnen genereren gelijk aan het inkomen dat hij in 2015 genereerde.

Het hof neemt in dit kader in overweging dat het inkomen van de man in 2014 wat hoger was dan in 2015 en dat zijn inkomen in 2016 wederom is gedaald. Volgens de vrouw is namens de man in eerste aanleg aangevoerd dat zijn inkomen in 2016 lager was als gevolg van de ziekteperiode in het begin van dat jaar. Op vragen van het hof heeft de man niet inzichtelijk kunnen maken of het lagere inkomen in 2016 daadwerkelijk daardoor kan worden verklaard. Uit de stukken en ter zitting zijn voorts geen omstandigheden gebleken op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de man in 2017 niet een inkomen zou kunnen genereren dat ten minste gelijk is aan het inkomen dat hij in 2015 genereerde.

Op grond van al het voorgaande gaat het hof evenals de rechtbank uit van een belastbaar jaarloon van € 43.467,-, nu dat inkomen naar het oordeel van het hof representatief is voor de huidige verdiencapaciteit van de man. In zoverre falen de grieven van de man eveneens.

Evenals de rechtbank stelt het hof aldus het netto besteedbaar inkomen van de man vast op

€ 2.600,- per maand.

5.9.

Het hof overweegt dat bij de beoordeling van de draagkracht van de man met het oog op het vaststellen van zijn wettelijke verplichting om bij te dragen in het levensonderhoud van zijn gewezen echtgenote, in beginsel rekening dient te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de man komen.

5.10.

De man woont samen met mevrouw [partner van de man] (verder te noemen: [partner van de man] ).

De man stelt dat [partner van de man] op medische gronden niet in staat kan worden geacht een eigen inkomen te verwerven. Vanwege de samenwoning met de man wordt aan haar niet langer een bijstandsuitkering verstrekt, zodat zij (in dat kader) ook niet langer medisch wordt gekeurd. De man is het niet eens met de overweging van de rechtbank dat hij zijn stellingen ter zake nader had moeten onderbouwen. In hoger beroep heeft de man bovendien een door [partner van de man] geschreven verklaring overgelegd, waarin zij uitvoerig uiteen heeft gezet dat en waarom zij al vijftien jaar niet meer in staat is inkomsten te verwerven en daar ook in de toekomst niet toe in staat kan worden geacht.
Om die reden dient volgens de man aan de lastenzijde rekening te worden gehouden met de bijstandsnorm van € 1.396,- per maand en de volledige huur van € 374,- per maand.

De man biedt bewijs aan van zijn stelling dat [partner van de man] geen (‘zwarte’) inkomsten genereert, door middel van het doen horen van [partner van de man] onder ede, voor zover er een bewijslast op de man mocht rusten.

De vrouw stelt dat [partner van de man] in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en dat ook daadwerkelijk doet. De vrouw en [partner van de man] waren ooit beste vriendinnen. De vrouw is ermee bekend dat [partner van de man] op diverse plaatsen als poetshulp werkzaamheden verricht. Dat heeft zij altijd al gedaan, omdat zij van de bijstandsuitkering alleen niet rond kon komen. De man heeft enkel verouderde stukken ingebracht ter onderbouwing van zijn stelling omtrent het verdienvermogen van [partner van de man] . De brief van [partner van de man] zelf kan niet tot bewijs dienen. Voorop staat dat een ieder een dergelijke brief kan opstellen en bovendien wordt in die brief niet uitdrukkelijk ontkend dat zij ‘zwart’ schoonmaakwerk verricht, aldus de vrouw.

Het hof is van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen om zijn stelling dat [partner van de man] niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien beter te onderbouwen dan hij in eerste aanleg en in hoger beroep heeft gedaan. Het (gedeelte van het) onderzoeksrapport van 17 januari 2013 van psychologe [psychologe] , verbonden aan [de vennootschap 2] , is als verouderd te beschouwen. Enkel de brief voorts van [partner van de man] zelf is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de stellingen van de man, die de vrouw gemotiveerd heeft weersproken, te onderbouwen. Bij dit alles laat het hof in het midden of [partner van de man] feitelijk (al of niet ‘zwarte’) inkomsten genereert. Het hof passeert het bewijsaanbod van de man inzake het ontbreken van zwarte inkomsten derhalve als niet – meer – ter zake doende.

Evenals de rechtbank houdt het hof het er derhalve voor dat [partner van de man] geacht kan worden in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het hof houdt daarom aan de lastenzijde van de man rekening met:

  • -

    de norm voor een alleenstaande, zijnde een bedrag van € 983,- per maand;

  • -

    de helft van de woonlasten van de man ad € 374,- per maand aan huur, zijnde een bedrag van € 187,- per maand, te verminderen met het in de bijstandsnorm verdisconteerde woonlastencomponent.

5.11.

Voorts dient volgens de man rekening te worden gehouden met de aflossing op de volgende uit het huwelijk voortvloeiende schulden. De vrouw heeft ermee ingestemd dat met die schulden rekening wordt gehouden als volgt.

In de periode van 22 mei 2017 tot 1 september 2017

Creditcard € 47,- per maand

Interbank € 241,- per maand

Belastingdienst € 175,- per maand

€ 463,- per maand in totaal

Vanaf 1 september 2017

Creditcard € 47,- per maand

Interbank € 241,- per maand

€ 288,- per maand in totaal

5.12.

Tot slot houdt het hof rekening met € 111,- per maand aan premie basis- en aanvullende ziektekostenverzekering, te verminderen met het in de bijstandsnorm verdisconteerde nominaal deel premie ZVW.

5.13.

Op grond van al het voorgaande stelt het hof het draagkrachtloos inkomen van de man vast op:

  • -

    € 1.521,- per maand in de periode van 22 mei 2017 tot 1 september 2017;

  • -

    € 1.346,- per maand vanaf 1 september 2017.

5.14.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en rekening houdend met het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60 heeft de man een netto draagkracht voor een partneralimentatie van (afgerond):

  • -

    € 647,- per maand in de periode van 22 mei 2017 tot 1 september 2017;

  • -

    € 752,- per maand vanaf 1 september 2017.

Zoon van partijen en zoon van [partner van de man]

5.15.

De vrouw heeft voorts aangevoerd dat de jongste zoon van [partner van de man] kan bijdragen in de kosten van de huishouding van de man.

Ter zitting van het hof heeft de man anderzijds aangevoerd dat de zoon van partijen kan bijdragen in de kosten van de huishouding van de vrouw, bij wie hij inwoont.

Het hof maakt uit de uitlatingen van partijen ter zitting op dat zowel de zoon van partijen als de zoon van [partner van de man] inmiddels (bijna) een eigen woning heeft betrokken en dat zij beiden een klein eigen inkomen genereerden (in de periode waarin zij bij hun moeder woonden), zodat de invloed van de bijdrage die zij in de huishouding leverden c.q. hadden kunnen leveren als gering dient te worden beschouwd.

Het hof laat een en ander derhalve buiten beschouwing bij de begroting van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

5.16

Wanneer rekening wordt gehouden met de volledige aftrekbaarheid van betaalde partneralimentatie voor de inkomstenbelasting, is de slotsom dat de man in staat is te achten om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage aan de vrouw te voldoen, zodat zijn grieven in zoverre falen.

5.17.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen beslist het hof als volgt.

6 De beslissing

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de tussen partijen uitgesproken echtscheiding;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Maastricht) van 12 september 2016, voor zover overigens aan het oordeel van het hof onderworpen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, P.M.M. Mostermans en P. Vlaardingerbroek, bijgestaan door mr. C.J.M. Brouwer-van de Put als griffier, en is op 16 november 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.