Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4887

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
20-11-2017
Zaaknummer
200.216.807_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag bewindvoerder. Het hof acht de tekortkomingen van de bewindvoerder, gezien in de hele context en in onderlinge samenhang bezien, niet zodanig dat de conclusie gerechtvaardigd is dat op die grond aannemelijk is geworden dat appellant niet als goed bewindvoerder heeft gewerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

Uitspraak: 16 november 2017

Zaaknummer: 200.216.807/01

Zaaknummer eerste aanleg: 4939855 / 16-1745

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] h.o.d.n. [bewindvoering],

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. N.C.A. Elias - Boots.

Als belanghebbenden worden in deze zaak aangemerkt:

- mevrouw [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de rechthebbende;

- mevrouw [de opvolgend bewindvoerder] , h.o.d.n. [bewindvoering & financieel beheer] ,

hierna te noemen: de opvolgend bewindvoerder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 maart 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 mei 2017, heeft [appellant] verzocht voormelde beschikking te vernietigen, het hoger beroep gegrond te verklaren en te bepalen dat:

- [appellant] als goed bewindvoerder heeft gewerkt;

- [appellant] recht heeft op een beloning naar werkzaamheden;

- [appellant] geen beloning hoeft terug te betalen;

- de rechthebbende geen schade heeft geleden door het handelen van [appellant] ;

- [appellant] ten onrechte is ontslagen als bewindvoerder;

- [de opvolgend bewindvoerder] h.o.d.n. [bewindvoering & financieel beheer] ten onrechte is benoemd tot opvolgend bewindvoerder en ten onrechte is gelast een onderbouwde berekening van de schade op te maken;

- de Staat in deze wordt veroordeeld in de kosten van de procedure,

althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2.

Er is geen verweerschrift bij het hof ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 september 2017. Deze zaak is gelijktijdig met 12 samenhangende zaken behandeld. Bij de mondelinge behandeling zijn gehoord:

  • -

    [appellant] , bijgestaan door mr. Elias - Boots en haar kantoorgenoot mr. R.C. van der Weele;

  • -

    de opvolgend bewindvoerder;

  • -

    de rechthebbende.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] van 4 augustus 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] van 15 september 2017;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van [appellant] overgelegde pleitnotities;

  • -

    een ter zitting door [appellant] overgelegd stuk.

2.4.1.

Het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] van 15 september 2017 is ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn.

De opvolgend bewindvoerder heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Gelet op het feit dat deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn, heeft het hof beslist dat deze stukken worden toegelaten.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beslissing van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant is een bewind ingesteld over de goederen die [rechthebbende] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren met benoeming van [appellant] tot bewindvoerder.

3.2.

Bij beschikking van 23 maart 2016 heeft de kantonrechter [appellant] als bewindvoerder geschorst en een tijdelijk opvolgend bewindvoerder benoemd. Bij beschikking van 13 april 2016 heeft de kantonrechter deze schorsing gehandhaafd.

In het kader van de schorsing heeft de kantonrechter de tijdelijk opvolgend bewindvoerder tevens benoemd tot deskundige ter beantwoording van een aantal vragen over het door [appellant] gevoerde bewind.

De tijdelijk opvolgend bewindvoerder heeft een rapport uitgebracht.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kantonrechter, voor zover in hoger beroep van belang:

- vastgesteld dat [appellant] niet als goed bewindvoerder heeft gewerkt;

- bepaald dat [appellant] over het jaar 2016 geen recht heeft op beloning en dat hij voor zover hij over het jaar 2016 reeds een beloning heeft geïnd, het betreffende bedrag aan de rechthebbende dient terug te betalen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking;

- vastgesteld dat de rechthebbende kennelijk schade heeft geleden door het handelen dan wel nalaten van [appellant] ;

- [appellant] gelast de beschikking ter kennis te brengen van zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar;

- [appellant] gelast binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking aan de kantonrechter bewijsstukken over te leggen van het ter kennis brengen van de onderhavige beschikking van zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar;

- [appellant] als bewindvoerder ontslagen;

- [de opvolgend bewindvoerder] h.o.d.n. [bewindvoering & financieel beheer] tot opvolgend bewindvoerder benoemd met ingang van veertien dagen na dagtekening van de beschikking;

- [appellant] vrijgesteld van het afleggen van eind rekening en verantwoording;

- de opvolgend bewindvoerder opgedragen om binnen twee maanden na dagtekening van de beschikking een onderbouwde berekening aan de kantonrechter over te leggen van de door de rechthebbende ten gevolge van het handelen dan wel nalaten van [appellant] geleden schade;

- iedere verdere beslissing aangehouden.

De kantonrechter heeft overwogen dat uit het overgelegde rapport blijkt dat [appellant] geen deugdelijke administratie heeft gevoerd. Daarnaast heeft [appellant] niet gehandeld als goed bewindvoerder doordat een aantal werkzaamheden niet, dan wel onjuist is verricht. Verder is gebleken dat de rechthebbende schade heeft geleden door het handelen of nalaten van [appellant] .

In het feit dat [appellant] zijn werkzaamheden niet goed heeft verricht heeft de kantonrechter aanleiding gezien te bepalen dat hij over het jaar 2016 geen aanspraak heeft op beloning. Voor zover [appellant] wel al een beloning heeft geïnd dient hij het betreffende bedrag terug te betalen.

Nu [appellant] niet aan de voor professionele bewindvoerders geldende kwaliteitseisen voldoet, heeft de kantonrechter hem op grond daarvan ontslagen.

3.4.

[appellant] kan zich met deze beschikking niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

[appellant] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte bepaald dat uit het overgelegde deskundigenrapport blijkt dat [appellant] geen deugdelijke administratie heeft gevoerd, dat hij niet als goed bewindvoerder heeft gewerkt en dat de rechthebbende schade heeft geleden door het handelen of nalaten van [appellant] .

[appellant] is van mening dat geen althans geen doorslaggevende waarde mag worden toegekend aan het uitgebrachte deskundigenrapport. Hij heeft hiertoe in de eerste plaats aangevoerd dat de tijdelijk opvolgend bewindvoerder ten onrechte tevens tot deskundige is benoemd. Uit (het systeem van) de wet volgt, aldus [appellant] , dat het niet mogelijk is een partij als onafhankelijk deskundige te benoemen, omdat dit in strijd is met de onpartijdigheid en onafhankelijkheid die vereist zijn bij deskundigen zoals dat bepaald is in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. [appellant] verwijst in dit verband naar de beschikking van dit hof van 17 november 2016 (productie 2 bij het beroepschrift).

In het verlengde van het voorgaande geldt volgens [appellant] dat de tijdelijk opvolgend bewindvoerder, die deskundige is geweest, niet meer mag worden benoemd als opvolgend bewindvoerder en dat hem evenmin mag worden opgedragen een schadeberekening op te stellen. De rechtbank heeft voorts ten onrechte bepaald dat [appellant] bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering dient te melden dat hij aan de rechthebbende schade zal moeten vergoeden.

[appellant] wijst er verder op dat de inbeslagname van zijn administratie op een rommelige en onordentelijke wijze is verlopen. [appellant] had zijn administratie keurig geordend, waarbij alle contacten (telefonisch of per mail) in grijze ordners werden bijgehouden, maar door de inbeslagname en de overdracht aan de opvolgend bewindvoerder zijn de dossiers incompleet en ongeordend geraakt. Geen van de opvolgend bewindvoerders heeft de grijze ordners bij zijn stukken aangetroffen. Tevens zijn alle digitale bestanden van [appellant] gekopieerd. De opvolgend bewindvoerder heeft deze bestanden kennelijk niet geraadpleegd, waardoor de aan [appellant] gemaakte verwijten over een gebrek aan communicatie niet terecht zijn.

[appellant] stelt dat er onjuistheden in het deskundigenrapport staan en dat de conclusies die de rechtbank baseert op dit rapport niet kloppen. [appellant] is onvoldoende in staat gesteld om op het deskundigenrapport te reageren. De rechtbank heeft ten onrechte afgezien van het houden van een mondelinge behandeling. Een reactie op de deskundigenrapporten was voor [appellant] ook haast ondoenlijk, omdat hij niet meer beschikte over de dossiers.

[appellant] heeft ook onvoldoende de gelegenheid gehad om zich tegen de schorsing verweren.

De rechtbank heeft voorts ten onrechte geoordeeld dat [appellant] geen aanspraak heeft op beloning over het jaar 2016 en dat hij deze voor zover ontvangen dient terug te betalen. Er is geen grond om [appellant] een beloning voor verrichte werkzaamheden te ontzeggen. Voor zover [appellant] al fouten heeft gemaakt in de respectieve dossiers, zijn deze onvoldoende voor de vaststelling dat hij niet als goed bewindvoerder heeft gewerkt, waardoor hij geen recht heeft op een beloning. [appellant] heeft gesteld dat hij zijn taak als bewindvoerder steeds naar eer en geweten heeft uitgevoerd. Er was geregeld sprake van gerechtvaardigde verzoeken van rechthebbenden om verhoging van het leefgeld. Inwilliging van deze verzoeken beperkte [appellant] echter in zijn mogelijkheden om vaste lasten te betalen of schulden af te lossen. Voor reserveringen waren vaak onvoldoende middelen beschikbaar.

De rechtbank heeft verder ten onrechte geoordeeld dat [appellant] niet voldoet aan de voor professionele bewindvoerders geldende kwaliteitseisen. Ten tijde van de schorsing had [appellant] dispensatie om aan de vereiste kwalificaties te voldoen. Door de schorsing als bewindvoerder, die op onjuiste gronden is uitgesproken, is [appellant] in een diep dal, zowel fysiek als psychisch, geraakt, waardoor hij de vereiste kwalificaties niet meer heeft kunnen behalen. Dit is hem niet te verwijten, waardoor het ontslag geen stand kan houden. Daarnaast was [appellant] voortvarend bezig met de verkoop van zijn bewindvoerderskantoor. Met regelmaat hield hij de kantonrechter van deze inspanningen op de hoogte. [appellant] stelt dat de kantonrechter in zijn toezichthoudende taak tekort is geschoten.

3.6.

De opvolgend bewindvoerder heeft ter zitting - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Gelet op het inkomen van de rechthebbende is aan haar een te hoog bedrag aan leefgeld toegekend. Er was sprake van een huurachterstand en een achterstand bij CZ.

Alle achterstanden zijn inmiddels ingelopen.

Er is niet gebleken dat [appellant] frauduleus heeft gehandeld.

3.7.

De rechthebbende heeft ter zitting - in het kort - het volgende verklaard.

Zij heeft met meerdere bewindvoerders problemen gehad. Het contact met [appellant] was daarentegen prettig en hartelijk.

De rechthebbende bemerkte op enig moment dat rekeningen van haar niet betaald werden en zij wel rekeningen van een ander betaalde. Later heeft de rechthebbende begrepen dat er sprake was van een verwisseling van haar met een andere cliënt van [appellant] .

Door toedoen dan wel nalaten van [appellant] heeft de rechthebbende een huisuitzetting en een energieafsluiting boven het hoofd gehangen. [appellant] heeft nagelaten bijzondere bijstand voor advocaatkosten en bepaalde toeslagen aan te vragen.

Tijdens het door [appellant] gevoerde bewind heeft de rechthebbende er alleen maar schulden bij gekregen.

3.8.

Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat de LEV-groep op verzoek van de rechthebbende bepaalde tegemoetkomingen heeft aangevraagd, maar dat deze aanvragen niet correct waren opgesteld. [appellant] heeft vervolgens nieuwe aanvragen ingediend.

Op een gegeven moment is een zoon van de rechthebbende bij haar komen wonen. [appellant] heeft met het oog daarop op verzoek van de rechthebbende extra leefgeld toegekend. De zoon had ook medicijnen nodig, die kostbaar waren. Dit waren noodzakelijke kosten, waardoor er voor de betaling van de vaste lasten te weinig geld overbleef.

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

procesgang in de eerste aanleg

3.10.

De grief van [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft afgezien van het houden van een mondelinge behandeling kan niet tot een vernietiging van de bestreden beschikking leiden, omdat het hoger beroep er mede toe dient eventuele onvolkomenheden van de procesgang in de eerste aanleg te herstellen. [appellant] is in hoger beroep in de gelegenheid gesteld zijn visie op de zaak naar voren te brengen, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt.

goed bewindvoerderschap

3.11.

Het hof stelt voorop dat uit de wet en de daarbij behorende parlementaire geschiedenis kan worden opgemaakt dat met betrekking tot de verplichtingen van de bewindvoerder de norm geldt dat hij als “goed bewindvoerder” handelt en een goed financieel beheer voert, waarbij hij alle handelingen kan verrichten die tot een goed bewind bijdragen.

De kantonrechter is door de wetgever, binnen zekere grenzen, belast met het toezicht op de wijze waarop de bewindvoerder zich van zijn taken kwijt. In verband met deze toezichthoudende taak heeft de kantonrechter de mogelijkheid van een ambtshalve gegeven ontslag, onder meer wegens gewichtige redenen, op de voet van artikel 1:448 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3.12.

In hoger beroep heeft [appellant] verzocht te bepalen dat hij als goed bewindvoerder heeft gewerkt. De advocaten van [appellant] hebben daarover ter zitting aangegeven dat beoogd is te verzoeken dat de vaststelling van de kantonrechter dat [appellant] niet als goed bewindvoerder heeft gewerkt wordt vernietigd.

[appellant] heeft het verzoek in deze zin aangepast. De opvolgend bewindvoerder heeft verklaard tegen deze wijziging van het verzoek geen bezwaar te hebben.

3.13.

[appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen het aanmerken van het rapport van de tijdelijk opvolgend bewindvoerder als deskundigenrapport.

Het hof is met [appellant] van oordeel dat het door de (tijdelijk) opvolgend bewindvoerder in deze zaak opgestelde rapport niet kan worden aangemerkt als een deskundigenrapport, reeds omdat het niet voldoet aan de ter zake te stellen eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Het hof zal dit rapport dan ook uitsluitend in zijn oordeel betrekken als de bevindingen van de (tijdelijk) opvolgend bewindvoerder. Het hof gaat verder voorbij aan de constatering van de (tijdelijk) opvolgend bewindvoerder dat [appellant] geen deugdelijke administratie heeft gevoerd, gezien de gerezen onduidelijkheid over de wijze van in beslagneming en met name of dat in voldoende mate zorgvuldig is gebeurd en het kennelijk ontbreken van delen van de administratie, met name bevattende notities rond contacten met de rechthebbenden, die zich naar zeggen van [appellant] bevonden in grijze mappen die door de (opvolgend) bewindvoerder niet zijn aangetroffen.

Ten aanzien van de uitkomsten van het inhoudelijk onderzoek van de bankrekeningen en de door de (opvolgend) bewindvoerder geconstateerde bijzonderheden geldt dat het hof die wel betrekt in zijn oordeel, met name ook nu [appellant] ter zitting in staat is gebleken daar inhoudelijk op te reageren en daarbij hetgeen feitelijk is geconstateerd niet heeft betwist.

3.14.

[appellant] heeft op de stellingen van de opvolgend bewindvoerder en de rechthebbende gereageerd: de overboeking van € 136,50 van de beheerrekening van de rechthebbende d.d. 30 juni 2015 naar de rekening van [bewindvoering] betrof een correctie van een eerdere vergissing. Dat zelfde geldt voor de betalingstransacties van 29 juli 2015 en 31 maart 2016. Met betrekking tot het [abonnement] abonnement heeft [appellant] actie ondernomen. Het abonnement werd door hem opgezegd. Inzake het leefgeld stelt [appellant] ook rekening te hebben gehouden met specifieke omstandigheden en wensen van de betrokkene. De minimale afbetalingsregelingen zijn, ondanks dat daartoe eigenlijk geen ruimte was, getroffen om, gezien de druk die de schuldeisers uitoefenden, enige rust te creëren. Het contract met [Energie] Energie is aangegaan omdat [Energie] Energie zich coulant opstelt in geval van betalingsonmacht; de rekeningen konden enige tijd onbetaald blijven, waardoor aan andere verplichtingen kon worden voldaan. [appellant] geeft verder aan dat hij complexe bewinden onder zich had en vanuit zijn betrokkenheid, ook in sociaal opzicht, bij de rechthebbende beslissingen heeft genomen die hij op dat moment, alles in aanmerking nemende, in het belang van de rechthebbende vond en dat waar de financiële middelen ontbraken hem niet kan worden verweten dat betalingen uitbleven.

Het hof stelt vast dat [appellant] in deze zaak met name bij het bepalen van het leefgeldbedrag en in het verlengde daarvan, het enige tijd laten voortbestaan van een kostbaar [abonnement] abonnement alerter had moeten zijn op de risico’s die daar op langere termijn voor de rechthebbende uit zouden kunnen voortvloeien. Er is voor de rechthebbende evenwel uiteindelijk geen schade ontstaan: het [abonnement] abonnement is beëindigd, en de opvolgend bewindvoerder heeft het leefgeld nader vast gesteld en ordening aangebracht in de schulden, waarbij de achterstanden zijn ingelopen. Ten aanzien van de genoemde overboekingen is het aannemelijk geworden dat dit administratieve vergissingen betrof.

Het hof is van oordeel dat in deze zaak niet altijd gehandeld is zoals van een professioneel bewindvoerder had mogen worden verwacht, maar het hof acht de tekortkomingen, gezien in de hele context en in onderlinge samenhang bezien, niet zodanig dat de conclusie gerechtvaardigd is dat op die grond aannemelijk is geworden dat [appellant] niet als goed bewindvoerder heeft gewerkt.

De beslissing van de kantonrechter zal op dit onderdeel dan ook worden vernietigd.

beloning

3.15.

In het beroepschrift heeft [appellant] verzocht te bepalen dat hij recht heeft op een beloning naar werkzaamheden en dat hij geen beloning hoeft terug te betalen. Ter zitting is duidelijk geworden dat [appellant] hiermee beoogt op te komen tegen de bepalingen van de kantonrechter dat hij over het jaar 2016 geen recht heeft op beloning en dat hij voor zover hij over het jaar 2016 reeds een beloning heeft geïnd, het betreffende bedrag aan de rechthebbende dient terug te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking.

[appellant] heeft het verzoek in deze zin aangepast. De opvolgend bewindvoerder heeft verklaard tegen deze wijziging van het verzoek geen bezwaar te hebben.

Uit hetgeen hiervoor onder 3.14 is overwogen volgt dat [appellant] aanspraak heeft op een beloning als bewindvoerder tot 23 maart 2016, de datum waarop hij is geschorst als bewindvoerder en zijn werkzaamheden als bewindvoerder feitelijk zijn beëindigd.

schade

3.16.

[appellant] heeft in hoger beroep verzocht te bepalen dat de rechthebbende geen schade heeft geleden door zijn handelen.

De advocaten van [appellant] hebben daarover ter zitting aangegeven dat beoogd is te verzoeken dat het hof vaststelt dat op basis van hetgeen aan het hof voorligt niet is komen vast te staan dat de rechthebbende schade heeft geleden (door het handelen dan wel nalaten van [appellant] ).

[appellant] heeft het verzoek in deze zin aangepast. De opvolgend bewindvoerder heeft verklaard tegen deze wijziging van het verzoek geen bezwaar te hebben.

Anders dan in haar rapport staat vermeld heeft de opvolgend bewindvoerder ter zitting verklaard dat haar niet is gebleken van enige schade van de rechthebbende, ontstaan door handelen of nalaten van [appellant] . Ook anderszins is het hof niet gebleken dat de rechthebbende schade heeft geleden.

De kantonrechter heeft de opvolgend bewindvoerder opgedragen om binnen twee maanden na dagtekening van de beschikking een onderbouwde berekening aan de kantonrechter over te leggen van de door de rechthebbende ten gevolge van het handelen dan wel nalaten van [appellant] geleden schade. Het hof begrijpt dat deze beslissing van de kantonrechter, gelet op de formulering, kennelijk in onderlinge samenhang moet worden gezien met het oordeel van de kantonrechter in dezelfde beslissing dat [appellant] niet als goed bewindvoerder heeft gehandeld en dat als gevolg daarvan de rechthebbende kennelijk schade heeft geleden. Omdat, zoals hiervoor is overwogen, thans niet kan worden vastgesteld dat [appellant] niet als goed bewindvoerder heeft gewerkt en dat er sprake is van schade bij de rechthebbende door toerekenbaar handelen of nalaten van [appellant] ziet het hof aanleiding ook deze beslissing niet in stand te laten.

ontslag

3.17.

In hoger beroep heeft [appellant] verzocht te bepalen dat hij ten onrechte is ontslagen als bewindvoerder.

De advocaten van [appellant] hebben in dit verband ter zitting aangegeven dat [appellant] niet meer in staat is zijn bewindvoerderschap weer op zich te nemen en dat met het verzoek dan ook niet is beoogd het ontslag als zodanig ongedaan te maken.

Het hof is van oordeel dat [appellant] , nu hij geen vernietiging van het dictum van de kantonrechter op dit onderdeel verzoekt, reeds hierom geen belang heeft bij nadere bespreking van zijn betreffende grief.

Voor zover [appellant] beoogt te verzoeken dat het hof oordeelt over de rechtmatigheid van het in de bestreden beslissing gegeven ontslag, is het hof van oordeel dat dat verzoek buiten het bestek van de onderhavige procedure valt.

3.18.

Het verzoek van [appellant] om te bepalen dat de tijdelijk opvolgend bewindvoerder ten onrechte is benoemd tot opvolgend bewindvoerder zal het hof afwijzen. Nu zoals uit het voorgaande blijkt [appellant] in dit bewind geen bewindvoerder meer is, heeft hij geen rechtens te respecteren belang bij de kwestie wie als opvolgend bewindvoerder wordt benoemd.

proceskosten

3.19.

Ten slotte heeft [appellant] het hof verzocht om veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.

Dit verzoek is reeds niet voor toewijzing vatbaar omdat de Staat geen partij is in deze procedure.

voor het overige

3.20.

Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling van deze en andere zaken aan de hand van verklaringen van diverse rechthebbenden en opvolgende bewindvoerders kunnen vaststellen dat [appellant] zich heeft betoond als humaan en betrokken in de doorgaans complexe zaken waarin hij als bewindvoerder werd benoemd.

3.21.

Op grond van het voorgaande beslist het hof als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 maart 2017, voor zover daarbij:

- is vastgesteld dat [appellant] niet als goed bewindvoerder heeft gewerkt;

- is bepaald dat [appellant] over het jaar 2016 geen recht heeft op beloning en dat hij voor zover hij over het jaar 2016 reeds een beloning heeft geïnd, het betreffende bedrag aan de rechthebbende dient terug te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking;

- is vastgesteld dat de rechthebbende kennelijk schade heeft geleden door het handelen dan wel nalaten van [appellant] ;

- de opvolgend bewindvoerder is opgedragen om binnen twee maanden na dagtekening van de beschikking een onderbouwde berekening aan de kantonrechter over te leggen van de door de rechthebbende ten gevolge van het handelen dan wel nalaten van [appellant] geleden schade,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat [appellant] aanspraak heeft op een beloning als bewindvoerder tot 23 maart 2016;

bekrachtigt voormelde beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens - Steeghs, C.N.M. Antens en C.A.R.M. van Leuven en is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.