Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4886

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
20-11-2017
Zaaknummer
200.210.486_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag bewindvoerder. Gelet op art. 806 Rv. is het hoger beroep te laat ingesteld. Geen aanleiding voor analoge toepassing van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

Uitspraak: 16 november 2017

Zaaknummer: 200.210.486/01

Zaaknummer eerste aanleg: 4938359 BM VERZ 16-1714

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] h.o.d.n. [bewindvoering 1],

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. R.C. van der Weele.

Als belanghebbenden worden in deze zaak aangemerkt:

- de heer [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , tevens appellant in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de rechthebbende,

advocaat: mr. R.M.T.A. Saes;

- Stichting [de stichting] , gevestigd te [vestigingsplaats] , tevens appellante in incidenteel hoger beroep, hierna te noemen: de opvolgend bewindvoerder,

advocaat: mr. R.M.T.A. Saes.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 november 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 februari 2017, heeft [appellant] verzocht voormelde beschikking te vernietigen, het hoger beroep gegrond te verklaren en te bepalen dat:

- [appellant] als goed bewindvoerder heeft gewerkt;

- [appellant] recht heeft op een beloning naar werkzaamheden;

- [appellant] geen beloning aan [naam] (het hof begrijpt: [rechthebbende] ) hoeft terug te betalen;

- de rechthebbende geen schade heeft geleden door handelen of nalaten van [appellant] ;

- [appellant] niet is ontslagen als bewindvoerder;

- Stichting [de stichting] niet tot opvolgend bewindvoerder wordt benoemd,

althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.2.

Bij aanvulling op het beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 juni 2017, heeft [appellant] verzocht voormelde beschikking te vernietigen, het hoger beroep gegrond te verklaren en te bepalen dat:

- [appellant] als goed bewindvoerder heeft gewerkt;

- [appellant] over het jaar 2016 recht heeft op beloning;

- [appellant] geen beloning hoeft terug te betalen;

- niet vaststaat dat de rechthebbende schade heeft geleden;

- [appellant] ten onrechte is ontslagen als bewindvoerder;

- [opvolgend bewindvoerder] , h.o.d.n. [bewindvoering 2] (het hof begrijpt: Stichting [de stichting] ) ten onrechte is benoemd als opvolgend bewindvoerder en ten onrechte is benoemd als deskundige;

- de Staat in deze wordt veroordeeld in de proceskosten,

althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 augustus 2017, hebben de opvolgend bewindvoerder en de rechthebbende verzocht bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] in zijn grieven niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en de beschikking waarvan beroep in stand te laten dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

Tevens hebben de opvolgend bewindvoerder en de rechthebbende incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht [appellant] te veroordelen om aan de rechthebbende c.s. te betalen ter zake ten onrechte genoten beloning over de jaren 2015-2016:

primair: de somma van € 2.897,32, althans een bedrag dat het hof juist acht;

subsidiair: de somma van € 144,-, althans een bedrag dat het hof juist acht.

De opvolgend bewindvoerder en de rechthebbende hebben voorts verzocht [appellant] te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep, aan de zijde van de rechthebbende c.s. gevallen, te vermeerderen met € 131,- aan nakosten, dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na uitspraak van de in deze te wijzen beschikking en te vermeerderen met € 68,- ingeval betekening van de te deze te wijzen beschikking noodzakelijk mocht blijven, na ommekomst van de genoemde termijn van veertien dagen na uitspraak van de in deze te wijzen beschikking.

2.3.1.

Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep met producties, ingekomen ter griffie op 11 september 2017, heeft [appellant] verzocht de opvolgend bewindvoerder en de rechthebbende in hun verzoek niet-ontvankelijk te verklaren althans dit af te wijzen, met veroordeling in de kosten van het incidenteel hoger beroep, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.4.

De mondelinge behandeling, die uitsluitend betrekking heeft gehad op de ontvankelijkheid van het principaal hoger beroep en van het incidenteel hoger beroep, heeft plaatsgevonden op 20 september 2017. Deze zaak is gelijktijdig met 19 samenhangende zaken behandeld. Bij de mondelinge behandeling zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Van der Weele en haar kantoorgenoot

mr. N.C.A. Elias - Boots;

  • -

    de opvolgend bewindvoerder, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger namens de opvolgende bewindvoerder] , bijgestaan door mr. R.M.T.A. Saes;

  • -

    de rechthebbende, bijgestaan door mr. R.M.T.A. Saes.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het faxbericht van mr. Van der Weele aan het hof van 15 september 2017.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Bij beslissing van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant is een bewind ingesteld over de goederen die [rechthebbende] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, met benoeming van [appellant] tot bewindvoerder.

3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kantonrechter, voor zover in hoger beroep van belang:

- vastgesteld dat [appellant] niet als goed bewindvoerder heeft gewerkt;

- bepaald dat [appellant] over het jaar 2016 geen recht heeft op beloning en dat hij voor zover hij over het jaar 2016 reeds een beloning heeft geïnd, het betreffende bedrag aan de rechthebbende dient terug te betalen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking;

- vastgesteld dat de rechthebbende schade heeft geleden door het handelen dan wel nalaten van de bewindvoerder;

- [appellant] als bewindvoerder ontslagen;

- Stichting [de stichting] tot opvolgend bewindvoerder benoemd met ingang van veertien dagen na dagtekening van de beschikking;

- [appellant] vrijgesteld van het afleggen van eind rekening en verantwoording;

- de opvolgend bewindvoerder opgedragen om binnen twee maanden na dagtekening van de beschikking een onderbouwde berekening aan de kantonrechter over te leggen van de door de rechthebbende ten gevolge van het handelen dan wel nalaten van de bewindvoerder geleden schade en de beslissing over de hoogte van de door de bewindvoerder te betalen schadevergoeding aangehouden.

3.3.

[appellant] kan zich met deze beschikking niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

De opvolgend bewindvoerder en de rechthebbende hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid in principaal en incidenteel hoger beroep

3.4.

Het hof ziet zich op de eerste plaats gesteld voor de vraag of het principaal hoger beroep tijdig is ingesteld.

3.5.

Ingevolge lid 1 sub a van artikel 806 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan in de onderhavige zaak hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.

3.6.

Het staat in de onderhavige zaak vast dat de bestreden beschikking dateert van

9 november 2016. Tevens staat vast dat de griffier van de rechtbank op 10 november 2016 een afschrift van de bestreden beschikking aan [appellant] heeft verzonden. De termijn voor het aanwenden van het rechtsmiddel in de onderhavige zaak is dus gaan lopen op

10 november 2016 en is geëindigd aan het einde van 9 februari 2017.

Het beroepschrift van [appellant] is door de griffie van het hof ontvangen op 10 februari 2017, derhalve ná het verstrijken van de beroepstermijn.

3.7.

Nadat de advocaat van [appellant] in haar faxbericht van 15 september 2017 heeft aangegeven dat zij, zoals in het bestuursrecht geldt, is uitgegaan van de verzenddatum, heeft de advocaat ter zitting betoogd dat de beroepstermijn tot op dit moment nog niet is gaan lopen. Daarom is er volgens haar geen overschrijding van de beroepstermijn en dient [appellant] in zijn hoger beroep te worden ontvangen. Ter onderbouwing van haar stelling beroept de advocaat zich op analoge toepassing van de jurisprudentie in het bestuursrecht en verwijst naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (LJN AB 3278, CRvB 23 mei 2001 en CRvB 10 december 2008 (ECLI:NL:CRvB:2008:BG8991). Zij voert daarbij aan dat het de kantonrechter ten tijde van de bestreden beschikking bekend was dat [appellant] in een slechte fysieke en psychische gezondheidstoestand verkeerde en inmiddels door haar als advocaat werd bijgestaan. Door aan haar toch geen afschrift van de bestreden beschikking te sturen, is, zo betoogt de advocaat, de beroepstermijn niet gaan lopen.

Dit betoog wordt verworpen, omdat voor deze stelling geen enkele steun wordt gevonden in artikel 806 Rv noch in de jurisprudentie. Ook overigens wordt geen aanleiding gezien voor analoge toepassing van voormelde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, omdat in de Algemene Wet Bestuursrecht, anders dan in artikel 806 Rv, de beroepstermijn pas gaat lopen nadat een besluit op de daartoe voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

3.8.

Vervolgens ligt de vraag voor of de termijnoverschrijding in dit geval verschoonbaar is.

Deze vraag wordt ontkennend beantwoord.

Niet alleen blijkt uit haar eigen faxbericht van 15 september 2017 dat de advocaat zich kennelijk heeft vergist in de looptijd van de beroepstermijn, welke vergissing voor rekening en risico van [appellant] dient te komen. Bovendien is gesteld noch gebleken dat [appellant] vanwege zijn slechte fysieke en psychische conditie niet in staat was de advocaat tijdig te informeren over de ontvangen beschikking.

Zo bij wijze van veronderstelling al moet worden aangenomen dat de advocaat vanwege de slechte gezondheidstoestand van [appellant] in een laat stadium op de hoogte is geraakt van de bestreden beschikking, kan niet worden vastgesteld dat vervolgens zo snel als redelijkerwijs mogelijk is hoger beroep is ingesteld. Immers, de advocaat kon ter zitting niet, zelfs niet bij benadering, aangeven op of omstreeks welke datum zij met de bestreden beschikking bekend is geworden.

Ook voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die een geslaagd beroep op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding rechtvaardigen.

3.9.

Uit het voorgaande volgt dat [appellant] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.

3.10.

De advocaat van de opvolgend bewindvoerder en de rechthebbende heeft ter zitting verklaard dat, indien [appellant] niet-ontvankelijk wordt geacht in het hoger beroep, het incidenteel hoger beroep wordt ingetrokken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het principaal hoger beroep beschouwt het hof het incidenteel hoger beroep dan ook als ingetrokken en daarmee de grieven niet langer gehandhaafd. De opvolgend bewindvoerder en de rechthebbende zullen in het incidenteel hoger beroep eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.11.

Het hof komt, gelet op het voorgaande, niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

3.12.

Beslist wordt als volgt.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal hoger beroep:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 november 2016;

op het incidenteel hoger beroep:

verklaart de opvolgend bewindvoerder en de rechthebbende niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van

9 november 2016.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens - Steeghs, C.N.M. Antens en C.A.R.M. van Leuven en is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.