Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4883

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
16-11-2017
Zaaknummer
200.186.467_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:11045, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldlening tussen (ex) echtgenoten. Verlengingsgrond verjaringstermijn. Artikelen 3:320 en 321, lid 1 sub a BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 320
Burgerlijk Wetboek Boek 3 321
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6062
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.186.467/01

arrest van 14 november 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen te Sittard,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.J.M. van Mil te Eijsden,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 april 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht onder zaaknummer C/03/202979/HA ZA 15-123 gewezen vonnis van 18 november 2015.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 12 april 2016 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 31 mei 2016;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met een productie;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) Op 1 maart 2006 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] een bedrag van € 145.000,-- geleend. Hiervan is een notariële geldleningsovereenkomst gedateerd 2 augustus 2006 opgemaakt. Later heeft [appellante] nog een bedrag van € 30.000,-- aan [geïntimeerde] geleend. Vervolgens is tussen [appellante] als schuldeiser en [geïntimeerde] als schuldenaar een schuldbekentenis opgemaakt gedateerd 22 juni 2008 (hierna: de schuldbekentenis).

b) De schuldbekentenis houdt, voor zover thans van belang, in:

“(…)

1. Schuldenaar is aan schuldeiser gelden verschuldigd uit hoofde van leningen (…) ten bedrage van € 175.000,-- (…)

2. Schuldenaar zal over de hoofdsom, respectievelijk het restant daarvan, een rente van 5% per jaar betalen ingaande op 1 januari 2008. De rente is opeisbaar na afloop van ieder kalenderjaar, derhalve voor het eerst op 31 december 2008 over het alsdan sinds de geldlening verstreken tijdvak en vervolgens op iedere volgende 31 e december.

3. Schuldeiser en schuldenaar zullen jaarlijks in onderling overleg vaststellen welk bedrag schuldenaar verplicht is op de hoofdsom per maand (tenminste) af te lossen.

4. Hoofdsom, rente en al wat de schuldeiser verder te vorderen heeft zal terstond opeisbaar zijn, zonder waarschuwing of ingebrekestelling, bij faillissement, overlijden, of ondercuratelestelling van de schuldenaar, bij hun aanvraag om surséance van betaling bij aankondiging (….) bij het begin van de executie van enig goed van de schuldenaren door een schuldeiser van de schuldenaar, bij ontbinding van het voorgenomen huwelijk tussen schuldeiser en schuldenaar door echtscheiding, bij niet-nakoming door de schuldenaar van één of meer zijner verplichtingen uit deze overeenkomst. (…)”

c) De schuldbekentenis is door partijen ondertekend en voorzien van een met de hand geschreven goedschrift.

d) Partijen zijn op 18 juli 2008 buiten gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. In hun huwelijksvoorwaarden is geen verrekenbeding opgenomen.

e) Bij beschikking van 20 februari 2015 heeft de rechtbank Limburg de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 21 oktober 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

f) [geïntimeerde] heeft na het opmaken van de schuldbekentenis nimmer enige rentebetaling of betaling ter aflossing op de hoofdsom gedaan. Tussen partijen is tijdens hun huwelijk nimmer in onderling overleg een bedrag overeengekomen dat [geïntimeerde] (ten minste) moest aflossen op het geleende bedrag.

7. [appellante] heeft in eerste aanleg betaling gevorderd van € 175.000,--, te vermeerderen met contractuele rente, wettelijke rente en kosten. Na door [geïntimeerde] gevoerd verweer heeft de rechtbank bij het vonnis waarvan beroep geoordeeld dat de vordering per 1 januari 2009 opeisbaar is geworden doordat [geïntimeerde] de verplichtingen uit de schuldbekentenis niet is nagekomen, dat de verjaringstermijn op grond van artikel 3:307, lid 1 BW vijf jaren bedraagt na aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden, dat de verjaring door [appellante] niet is gestuit, zodat de vordering van [appellante] op 1 januari 2014 was verjaard.

8. Grief 1 van [appellante] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de verjaring.

8.1.

De grief slaagt, waartoe het volgende wordt overwogen.

[geïntimeerde] legt aan het verjaringsverweer ten grondslag dat de vordering van [appellante] op 1 januari 2009 opeisbaar is geworden, omdat hij per die datum geen rente heeft betaald aan [appellante] . Op grond van artikel 3:307 lid 1 BW bedraagt in die situatie de verjaringstermijn vijf jaar en zou deze op 1 januari 2014 aflopen. Artikel 3:320 BW bepaalt evenwel dat, wanneer een verjaringstermijn zou aflopen tijdens het bestaan van een verlengingsgrond of binnen zes maanden na het verdwijnen van een zodanige grond, de termijn voortloopt totdat zes maanden na het verdwijnen van die grond zijn verstreken. Artikel 3:321 lid 1 sub a bepaalt voorts dat een grond voor verlenging van de verjaring bestaat tussen niet van tafel en bed gescheiden echtgenoten. Dat deze verlengingsgrond niet voor partijen geldt, zoals [geïntimeerde] in hoger beroep aanvoert, is onjuist. Het feit dat partijen vlak voor hun huwelijk afspreken om tijdens het huwelijk te overleggen over de af te lossen bedragen maar dat vervolgens niet doen, terwijl er tijdens het huwelijk nooit meer over die afspraken wordt gesproken, kan deze conclusie niet dragen.
heeft ook onvoldoende feiten gesteld waaruit kan volgen dat het beroep van [appellante] op voormelde verlengingsgrond naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het enkele feit dat partijen met elkaar gehuwd zijn geweest en tijdens hun huwelijk geen rente door [geïntimeerde] is betaald, terwijl partijen ook de overeenkomst niet hebben nageleefd door geen overleg te voeren over het af te lossen bedrag, is met name onvoldoende. Het hof betrekt bij dit oordeel dat de rechter bij de toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW terughoudend dient te zijn.
Het voorgaande betekent dat de verjaringstermijn voortduurt tot zes maanden na 21 oktober 2015, de datum van de echtscheiding tussen partijen. Door haar vordering in te dienen bij “verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek” in de echtscheidingsprocedure heeft [appellante] derhalve tijdig de verjaring gestuit.

9. Gelet op de devolutieve werking van het appel dient het hof thans de door [geïntimeerde] in eerste aanleg gevoerde, maar door de rechtbank niet behandelde, verweren tegen de vordering te behandelen. Ook nieuwe, in hoger beroep voor het eerst aangevoerde, verweren zal het hof thans behandelen.

9.1.

Naar het hof uit het “verweerschrift echtscheiding in reactie op verweerschrift met zelfstandig verzoek”, alsmede de conclusie van dupliek en de memorie van antwoord van [geïntimeerde] afleidt voert deze tegen de vordering van [appellante] de volgende verweren:

A) op grond van artikel 3 van de schuldbekentenis dienden partijen jaarlijks in onderling overleg vast te stellen welk bedrag [geïntimeerde] op de lening diende af te lossen, maar dit hebben zij nagelaten;

B) [geïntimeerde] moet in staat gesteld worden in termijnen terug te betalen, bijvoorbeeld tot hij 75 jaar oud is;

C) [appellante] was tot 2001 samen met haar vorige echtgenoot eigenaar van [Catering] Catering B.V. Toen de vorige echtgenoot van [appellante] ziek werd heeft [geïntimeerde] samen met een compagnon de B.V. overgenomen. Het in 2006 geleende geld heeft [geïntimeerde] in die onderneming gestoken. In 2005 hebben partijen een relatie met elkaar gekregen. Het ging slecht met de B.V. en [appellante] heeft in februari 2008, toen de B.V. failliet ging, tegen [geïntimeerde] gezegd “nu is het geld weg”. Met het in juni 2008 geleende geld heeft [geïntimeerde] privé schulden afgelost;

D) gelet op het beperkte inkomen van [geïntimeerde] dient de verschuldigde rente tot nul procent te worden gematigd;
E) de bedoeling van partijen was dat er nooit iets door [geïntimeerde] aan [appellante] terugbetaald zou hoeven worden.

9.2.

Dat [geïntimeerde] volgens de bedoeling van partijen nooit iets zou hoeven terugbetalen aan [appellante] (verweer E) is tegenover de ontkenning door [appellante] van de juistheid van die stelling en tegenover de door beide partijen ondertekende schuldbekentenis, onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat [geïntimeerde] tijdens het huwelijk van partijen niets aan [appellante] heeft betaald impliceert niet dat partijen overeengekomen zijn dat hij dat ook nooit zou hoeven doen.

Aan het feit dat partijen niet jaarlijks overlegden (verweer A) over het terug te betalen bedrag verbindt [geïntimeerde] geen gevolgen. Het hof passeert daarom ook dat verweer.

9.3.

Ook de stellingen van [geïntimeerde] ter onderbouwing van verweer C kunnen niet leiden tot de conclusie dat de overeenkomst inhield dat [geïntimeerde] het geleende niet behoefde terug te betalen. Voor zover [geïntimeerde] met dat verweer een beroep op rechtsverwerking door [appellante] beoogt te doen, faalt ook dat verweer. Het enkele tijdsverloop of stilzitten is voor het aannemen van rechtsverwerking onvoldoende, terwijl bijzondere omstandigheden, op grond waarvan rechtsverwerking zou moeten worden aangenomen, noch door [geïntimeerde] gesteld, noch gebleken zijn.

9.4.

Op welke grond het hof bevoegd zou zijn een terugbetalingsregeling tussen partijen vast te stellen heeft [geïntimeerde] niet duidelijk gemaakt. [appellante] heeft die bevoegdheid in eerste aanleg ontkend. Het hof is met [appellante] van oordeel dat partijen zelf (eventueel) een dergelijke regeling dienen overeen te komen en dat de rechter geen bevoegdheid toekomt die regeling vast te stellen. Verweer B faalt.

9.5.

Verweer D van [geïntimeerde] is gericht tegen de rentevordering van [appellante] .

9.5.1.

Voor matiging van de rentevordering tot nihil heeft [geïntimeerde] volstrekt onvoldoende feiten aangevoerd. De hoogte van de verschuldigde rente (wat daar van zij) en het, op dit moment, beperkte inkomen van [geïntimeerde] acht het hof met name onvoldoende voor de conclusie dat toewijzing van de rentevordering tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen leidt.

9.5.2.

Voor het overige overweegt het hof omtrent dit verweer als volgt.

[appellante] heeft in eerste aanleg (bij conclusie van repliek) haar vordering gewijzigd in die zin dat deze na die wijziging luidde dat de rechtbank “[geïntimeerde] diende te verplichten aan [appellante] uit hoofde van geldleenovereenkomst een bedrag van € 175.000,-- te voldoen, te vermeerderen met de contractuele rente en de wettelijke rente, met ingang van de vervaldata van de in de geldleenovereenkomst genoemde termijnen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag of datum”.
In het appelexploot en bij memorie van grieven (onder verwijzing naar voornoemd exploot) heeft [appellante] (naar het hof begrijpt) haar vordering gewijzigd. Zij vordert in hoger beroep “alsnog te bepalen dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 175.000,- vermeerderd met contractuele rente, wettelijke rente en kosten”.

9.5.3.

Een concrete datum van ingang van de rentevordering noemt [appellante] in hoger beroep niet. Gesteld noch gebleken is dat [appellante] tijdens het huwelijk van partijen aanspraak heeft gemaakt op nakoming van de gemaakte afspraken ter zake aflossing en/of rente. Daaruit leidt het hof af dat partijen stilzwijgend zijn overeengekomen dat de niet-betaling van aflossing en rente door [geïntimeerde] tijdens het huwelijk geen tekortkoming door hem in de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst opleverde.
Vanaf de datum van de echtscheiding, 21 oktober 2015, evenwel is de hoofdsom op grond van punt 4 van de schuldbekentenis terstond opeisbaar. Gelet op de artikelen 6:74 en 83 BW is [geïntimeerde] tevens met ingang van 21 oktober 2015 in verzuim. Om die reden zal het hof de rente over de hoofdsom toewijzen met ingang van die datum.
Gelet op artikel 6:119 lid 3 BW zal de contractuele rechte worden toegewezen.

9.6.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De vordering van [appellante] zal alsnog worden toegewezen als na te melden, onder compensatie van de proceskosten, zodanig dat partijen, ex-echtelieden, ieder de eigen kosten dragen. Voor een andersluidende proceskostenveroordeling heeft [appellante] in de toelichting op grief 2 onvoldoende aangevoerd.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en, opnieuw recht doende,

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellante] van € 175.000,-- te vermeerderen met de contractuele rente over dat bedrag met ingang van 21 oktober 2015 tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, tussen partijen zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders in hoger beroep gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. van Craaikamp, C.W.T. Vriezen en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 november 2017.

griffier rolraadsheer