Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4872

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
200.198.627_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:1869
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:3040
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling; geen recht van reprise bij aanpassing van de woning; kosten van de huishouding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2018/34
FJR 2018/20.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.198.627/01

arrest van 14 november 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. J.A.J.M.I. van Laake te Mill,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. E.E. Frenken te Boxmeer,

op het bij exploot van dagvaarding van 1 juli 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 6 april 2016, zoals aangevuld bij vonnis van 25 mei 2016, door de rechtbank Oost-Brabant gewezen tussen de vrouw als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/293754/ HA ZA 15-347)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties en wijziging van eis;

  • -

    een H12-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 11 september 2017;

  • -

    een H16-formulier van de advocaat van de man d.d. 11 september 2017;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

2.1.2.

Het H12-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw is ingekomen buiten de in het landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven gestelde termijn. De man heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Gelet op het feit dat deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn, heeft het hof echter beslist dat deze stukken worden toegelaten.

2.2.

Het hof heeft na het pleidooi een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

i. i) Partijen zijn met elkaar gehuwd op 22 januari 2006 in algehele gemeenschap van goederen.

ii) Op 24 december 2012 is een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend.

iii) Bij beschikking van 25 april 2013 is daarop de echtscheiding uitgesproken.

iv) De echtscheidingsbeschikking is op 17 mei 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

v) De gemeenschappelijke woning is verkocht aan een derde. De restschuld is ingelost middels de Nationale Hypotheekgarantie.

3.2.

Partijen hebben afspraken gemaakt over de verdeling van een deel van de gemeenschap.

3.3.

In eerste aanleg heeft de man in conventie gevorderd de vrouw te veroordelen tot betaling aan hem van € 36.357,72, vermeerderd met rente en kosten.

3.4.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft in reconventie gevorderd de man te veroordelen tot betaling aan haar van € 11.856,53, vermeerderd met rente en kosten.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.5.

De rechtbank heeft in conventie en in reconventie de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van € 30.111,-- (bij vonnis van 6 april 2016) en een bedrag van € 898,-- (bij aanvullend vonnis van 25 mei 2016), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 6 mei 2015 tot de dag van volledige betaling en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De rechtbank heeft aan het bedrag ad € 30.111,-- het volgende ten grondslag gelegd:

“4.28. De man dient in totaal € 5.750,00 aan de vrouw te voldoen:

- € 4.750,00 wegens overbedeling ten aanzien van de vervoermiddelen;

- € 1.000,00 wegens overbedeling ten aanzien van de lijfrentepolis bij [verzekeringsmaatschappij] .


De vrouw dient in totaal (afgerond) € 35.861,00 aan de man te voldoen:

- € 7.282,20 ter zake de creditcardschuld bij [creditcard] op naam van de man;

- € 1.267,50 ter zake belastingteruggaven inkomstenbelasting 2012;

- € 896,00 en € 1.583,00 ter zake kinderopvangtoeslagen;

- € 22.729,00 ter zake de erfenis van de man

- € 629,36, € 459,64 en € 1.014,79 ter zake betalingen en onttrekkingen na 24 december 2012.

De rechtbank zal het bedrag van € 35.861,00 dat de vrouw aan de man moet betalen verminderen met het bedrag van € 5.750,00 dat de man aan de vrouw moet voldoen. Dit resulteert in een door de vrouw aan de man te betalen bedrag van € 30.111,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de door de man gevorderde wettelijke rente vanaf 6 mei 2015, de dag van de inleidende dagvaarding.”

Het bij aanvullend vonnis van 25 mei 2016 toegewezen bedrag van € 898,-- betreft een regresvordering van de man ter zake de kinderopvangtoeslag 2013.

3.6.

Partijen kunnen zich met het vonnis van 6 april 2016 zoals aangevuld bij vonnis van 25 mei 2016 niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

De vrouw heeft in principaal appel vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis van 6 april 2016 en gevorderd het door haar aan de man te betalen bedrag te maximeren tot € 3.384,-- of een bedrag dat het hof juist acht.

Zij heeft hieraan de volgende berekening ten grondslag gelegd (Mvg, toelichting bij grief I, II, III en IV):

“(…)

Uitgaande van de veronderstelling, dat de vrouw alsnog zal kunnen aantonen, dat de schulden als door haar vermeld op 24 december 2012 bestonden, dient de veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man verminderd te worden met (€ 5.597,37 + € 2.400,00) : 2 = € 3.998,68, althans met de helft van het bedrag dat aan schulden bewezen zal worden, en daarnaast met € 22.729,00 ofwel in totaal € 26.727,00 (afgerond), zodat op grond van het vonnis d.d. 6 april 2016 resteert te betalen door de vrouw: € 3.384,00.”

De man heeft in incidenteel appel acht grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis van 6 april 2016 zoals aangevuld bij vonnis van 25 mei 2016 en gevorderd de vordering van de vrouw betreffende de vervoermiddelen alsnog af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide procedures.

Bij incidentele memorie van antwoord heeft de vrouw het bedrag ter zake de schulden bij [creditcard] en [winkel] verhoogd naar (5.821,45 + 6.036,87) € 11.858,32 en bijgevolg haar eis gewijzigd (vermeerderd).

De man heeft tegen de eiswijziging van de vrouw bezwaar gemaakt, stellende dat deze pas in de incidentele conclusie van antwoord en aldus te laat is gedaan.

3.7.1.

Het hof overweegt als volgt.

3.7.2.

De in art. 347 lid 1 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20idf333632b1f12bb0341cb885b6f7bee47) Rv besloten twee-conclusie-regel beperkt de – ingevolge art. 130 lid 1 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20id52fd04ad6a45b2058cc296b92cb511f7) in verbinding met art. 353 lid 1 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20id02d8f3263649dc484875fb7e6750fa66) Rv – aan de oorspronkelijke eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in de memorie van grieven of van antwoord mag veranderen of vermeerderen. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden. Voorts kan in het algemeen een verandering of vermeerdering van eis na het tijdstip van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (onder meer HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:BQ7064).

3.7.3.

De vrouw heeft haar eis, kort gezegd inhoudende dat het bedrag dat zij aan de man moet betalen, verminderd wordt met de helft van het bedrag van de schulden (aan [creditcard] en [winkel] ), gewijzigd na het tijdstip van de memorie van grieven of antwoord. De eiswijziging is dus in beginsel te laat. Aan deze wijziging heeft de vrouw evenwel overzichten/correspondentie van [creditcard] en [winkel] (betreffende de stand van de schulden per 24 december 2012) ten grondslag gelegd die eerst na de indiening van de memorie van grieven door haar zijn ontvangen. Van haar pogingen om deze stukken te verkrijgen heeft zij reeds bij memorie van grieven melding gemaakt, waarbij zij tevens de toezegging heeft gedaan deze direct na ontvangst te zullen overleggen. Genoemde stukken zijn ook als productie bijgevoegd bij de incidentele memorie van antwoord. Naar het oordeel van het hof is, gelet op het voorgaande, voldaan aan de criteria op grond waarvan een eisvermeerdering ook nog na memorie van grieven kan plaatsvinden. Feitelijk is slechts sprake van een (aangekondigde) nadere precisering van de vordering. Het hof verwerpt dan ook het bezwaar van de man.

3.8.

De grieven van de vrouw betreffen:

- de creditcard schuld bij [creditcard] en de schuld bij [winkel] op naam van de vrouw (grieven I, III en IV) en

- het repriserecht in verband met de erfenis van de man (grieven II, III en IV);

De incidentele grieven van de man betreffen:

- de overbedelingsvergoeding ter zake de vervoermiddelen (grieven 1 tot en met 4, 6 en 8) en - de proceskosten (grieven 5, 7 en 8).

3.9.

Het hof komt tot de volgende beoordeling van de geschilpunten.

Creditcard schuld bij [creditcard] en schuld bij [winkel] op naam van de vrouw (grieven I, III en IV in principaal appel)

3.10.1.

De rechtbank heeft de vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling aan haar van de helft van de creditcard schuld bij [creditcard] en de schuld bij [winkel] die op haar naam staan afgewezen omdat de vrouw onvoldoende had onderbouwd dat de man mede draagplichtig is voor deze schulden. Hiertegen richt zich de eerste grief van de vrouw.

3.10.2.

De man betwist de schulden bij [creditcard] en de schuld bij [winkel] bij gebrek aan wetenschap. Voorts voert de man aan dat schulden niet verdeeld kunnen worden, alsook dat de vrouw slechts een vordering heeft op hem indien zij minimaal de helft van de schuld heeft betaald.

3.10.3.

Bij “incidentele memorie van antwoord” heeft de vrouw twee overzichten van [creditcard] overgelegd waaruit blijkt dat het saldo op 6 december 2012 € 5.821,41 debet en op 6 januari 2013 € 5.664,41 debet bedroeg (productie A).Tevens heeft de vrouw een e- mailbericht d.d. 1 februari 2017 van [winkel] overgelegd waarin wordt gesteld dat het saldo op 17 april 2012 € 6.036,87 bedroeg en dat de enige toevoeging van het saldo tussen die datum en december 2012 rente is (productie B).

Ter gelegenheid van het pleidooi is zijdens de vrouw erkend dat niet is noch kan worden aangetoond dat de vrouw ter zake de schulden aan [creditcard] en [winkel] betalingen heeft gedaan.

3.10.4.

Het hof overweegt als volgt. Uit de zijdens de vrouw overgelegde producties (zoals genoemd in rov. 3.10.3.) blijkt dat ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap sprake was van schulden bij [creditcard] en [winkel] . Partijen zijn op grond van het bepaalde in art. 1:100 BW, ieder voor de helft, draagplichtig voor deze schulden.

De exacte hoogte van deze schulden is uit genoemde stukken niet gebleken. Evenmin is het hof gebleken dat de vrouw op deze schulden heeft afgelost. Dit leidt ertoe dat ook het hof de vordering van de vrouw niet kan toewijzen. Overeenkomstig art. 6:10 lid 2 BW geldt immers dat pas op het moment dat de vrouw meer dan haar aandeel in de schuld heeft voldaan, er een regresvordering op de man ontstaat voor het meerdere. Er is geen wettelijke grondslag om – voordat de situatie als bedoeld in art. 6:10 lid 2 BW zich voordoet – de (mogelijke toekomstige regres)vordering van de vrouw te verrekenen met de vordering van de man op de vrouw. Het hof verwerpt de grieven van de vrouw ter zake.

“Repriserecht” in verband met de erfenis van de man (grieven II, III en IV);

3.11.1.

De tweede grief van de vrouw richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de man ter zake van de erfenis van zijn vader een “repriserecht” heeft op de vrouw ter hoogte van € 22.729,-- (rov. 4.20, vs 6 april 2016).

De rechtbank heeft als volgt overwogen.

“4.20. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat het geërfde geld niet in het privévermogen van de man is gevloeid of is aangewend voor privéschulden van de man. Vaststaat dat het geld is uitgegeven aan bestedingen van de gemeenschap. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gemeenschap door de erfenis is gebaat. Of de gemeenschap achteraf bezien voordeel heeft gehad van de verbouwing, is niet bepalend voor het antwoord op de vraag of de gemeenschap door de erfenis is gebaat. De rechtbank wijst ter ondersteuning op een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:203:BZ1977. Nu de gemeenschap al is verdeeld, heeft de man een repriserecht op de vrouw ter hoogte van € 22.729,00.”

3.11.2.

De vrouw voert het volgende aan:

(i) de man heeft een niet onaanzienlijk deel van de erfenis (ongeveer € 15.000,--) besteed aan zijn persoonlijke hobby, te weten de motorcross;

(ii) de bedragen die aan de woning zijn besteed zijn feitelijk in een diepe put gegooid, zonder dat de vrouw daarover enige zeggenschap heeft gehad;

(iii) het zou in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid indien de vrouw er voor zou moeten zorgen dat de man alsnog een bedrag van € 22.729,-- zou ontvangen. De woning is uiteindelijk verkocht tegen een bedrag dat lager was dan de hypotheeklening (met onderwaarde). Dankzij de Nationale Hypotheekgarantie zijn partijen zonder schuld gebleven. Indien de vrouw genoemd bedrag aan de man moet betalen, is de man niet alleen zijn restschuld kwijt, maar wordt hij daarnaast bevoordeeld doordat hij geld zou krijgen dat niet in de gemeenschap aanwezig is, uitsluitend ten laste van de vrouw.

3.11.3.

De man voert hiertegen het volgende aan.

( i) voor de vraag of sprake is van een repriserecht is niet relevant waaraan de erfenis is besteed. Vaststaat immers dat er sprake is van een uitsluitingsclausule, de gelden in de gemeenschap zijn gevloeid en de gemeenschap daarmee is gebaat;

(ii) met het geld verkregen uit de erfenis is een eigen slaapkamer voor de zoon van partijen gecreëerd. Dit was, anders dan de vrouw stelt, een gezamenlijke beslissing van partijen;

(iii) de erfenis is niet besteed aan de aankoop van een motor/motorcrossen, laat staan dat hier een bedrag van € 15.000,-- mee is gemoeid. De man heeft destijds één motor aangekocht, doch hiervoor heeft hij zijn oude motor ingeruild met bijbetaling van hoogstens een bedrag van € 3.000,--. Dit bedrag is betaald middels de reguliere inkomsten van de man en middels de erfenis. Ook deze gekochte motor valt in de gemeenschap, hetgeen daaruit blijkt dat de vrouw in eerste aanleg een vordering heeft ingesteld betreffende de toedeling van de motor aan de man;

(iv) het zou in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid indien de man het bedrag van € 22.729,-- niet zou ontvangen. De helft van de erfenis draagt de man immers reeds zelf;

( v) de Nationale Hypotheekgarantie is niet relevant voor de vraag of sprake is van een reprise.

3.12.1.

Het hof overweegt als volgt.

3.12.1.1. Niet in geschil is dat de man tijdens het huwelijk van partijen onder uitsluitingsclausule een bedrag van € 45.458,-- van zijn vader heeft geërfd. Partijen zijn met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Art. 1:94 lid 2 onder a BW bepaalt dat de huwelijksgemeenschap, wat haar baten betreft, alle goederen van de echtgenoten bij aanvang van de gemeenschap of nadien verkregen, omvat met uitzondering van “goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen”.

3.12.1.2. Art. 1:94 lid 2 BW, voor zover voorschrijvende dat buiten de gemeenschap vallen die goederen ten aanzien waarvan zulks bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald, strekt er volgens de Hoge Raad (HR 21 november 1980 NJ 1981, 193) toe te bewerkstelligen dat de door zodanige bepaling tot uitdrukking gebrachte wil van de erflater of schenker om de betrokken goederen aan een van de echtgenoten, met uitsluiting van de andere echtgenoot, ten goede te doen komen, niet wordt doorkruist door het huwelijksgoederenregime dat tussen de echtgenoten geldt of zal gelden. De Hoge Raad overweegt verder over deze strekking:

“Deze strekking dwingt ertoe aan te nemen dat indien de echtgenoten bij hun huwelijkse voorwaarden gemeenschap van goederen hebben uitgesloten onder beding dat bij ontbinding van het huwelijk zal worden afgerekend alsof zodanige gemeenschap had bestaan, bij deze afrekening buiten beschouwing moeten blijven die goederen ten aanzien waarvan de erflater of schenker heeft bepaald dat zij niet in enige huwelijksgemeenschap zullen vallen. Zouden deze goederen immers wel in de afrekening worden betrokken, dan zou ook de echtgenoot van de verkrijger der goederen, of de erven van die echtgenoot, in de waarde der goederen delen, hetgeen zou betekenen dat, in strijd met vorenbedoelde strekking van het voorschrift, de wil van de erflater of schenker niet zou worden geëerbiedigd.

Hieraan kan niet afdoen het bepaalde in de door onderdeel A sub 6 van het middel aangehaalde wetsartikelen, aangezien in deze artikelen geen onderscheid wordt gemaakt naar gelang tussen de echtgenoten al dan niet gemeenschap van goederen bestaat.”

en voorts:

“Het onder 1 overwogene omtrent de strekking van het onderhavige voorschrift sluit in dat deze strekking zich ertegen verzet om aan te nemen dat bij huwelijkse voorwaarden een regeling als de onderhavige zou kunnen worden getroffen.”

3.12.1.3. Voornoemd uitgangspunt betekent dat het partijen niet is toegestaan de wil van de erflater of schenker reeds op voorhand bij de vaststelling of wijziging van huwelijkse voorwaarden te doorkruisen.

De strekking van art. 1:94 lid 2 onder a BW reikt evenwel niet zo ver dat het de beschikkingsbevoegdheid van de ontvanger van de erfenis of de schenking raakt, in die zin dat deze beschikkingsbevoegdheid wordt beperkt tot het doen van uitgaven waarmee louter de ontvanger van de met uitsluiting verkregen gelden wordt gebaat. Gelet hierop bestaat bij de ontvanger van de met uitsluiting ontvangen gelden beschikkingsvrijheid voor zijn (volledige) privévermogen.

3.12.1.4. De onder uitsluitingsclausule door de man ontvangen erfenis is gedurende het huwelijk van partijen besteed. Tussen partijen is in geschil waaraan de erfenis is uitgegeven. Anders dan in de zaak waarover de Hoge Raad oordeelde in zijn beschikking van 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2385, is er hier geen overeenstemming tussen partijen dat “de gemeenschap gebaat is”, waarbij het hof in het midden kan laten, wat dit “gebaat zijn” precies behelst. Waar het dan op aankomt is de vraag of aan de man een – door de Hoge Raad in zijn arrest van 15 september 2017 ECLI:NL:HR:2017:2385 aangeduid – recht van terugneming (“recht van reprise”) toekomt op grond van het bepaalde in art. 1:95 lid 2 BW (oud en 1:96 lid 3 BW nieuw) ten laste van de gemeenschap en zo ja ter grootte van welk bedrag.

3.12.1.5. Het hof is van oordeel dat aan de man geen recht van terugneming toekomt en overweegt daartoe het volgende.

3.12.1.6. De man stelt dat de met uitsluiting verkregen erfenis is besteed aan het creëren van een eigen slaapkamer voor de zoon van partijen. Volgens de man betrof dit een gezamenlijke beslissing van partijen, genomen omdat de kinderen anders een kamer moesten delen. De vrouw erkent dat de erfenis voor een deel aan genoemd doel is besteed (met de kanttekening dat zij daarin geen enkele zeggenschap heeft gehad), doch zij stelt tevens dat een aanzienlijk deel van de erfenis aan de motorcross, de hobby van de man, is opgegaan. Dit laatste betwist de man.

In aanmerking genomen dat het bedrag van de erfenis op de peildatum niet meer (traceerbaar) aanwezig was, partijen twisten over de vraag waaraan de erfenis is besteed en niet is gebleken dat partijen over de besteding van de erfenis met elkaar afspraken hebben gemaakt, moet het er naar het oordeel van het hof voor worden gehouden dat de met uitsluiting ontvangen erfenis is geconsumeerd; de erfenis is met andere woorden opgemaakt aan bestedingen die geen aanleiding geven tot een vergoedingsrecht.

Indien en voor zover de erfenis is uitgegeven aan de persoonlijke hobby van de man, de motorcross, is van een hem toekomend vergoedingsrecht geen sprake.

De kosten van de aanpassing van de woning ten behoeve van de realisatie van een slaapkamer van de zoon van partijen kwalificeert het hof als kosten van de huishouding (art. 1:84 BW). Voor zover de man de erfenis voor dat doel heeft aangewend, heeft hij derhalve voldaan aan de verplichting om bij te dragen in de kosten van de huishouding, een verplichting die mede zijn grondslag in de relationele solidariteit die de verhouding tussen echtgenoten beheerst en die tot uitdrukking komt in art. 1:81 BW (dat bepaalt dat echtgenoten verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen). Niet gesteld of gebleken is dat de man in dat kader méér heeft bijgedragen dan waartoe hij op grond van de wet gehouden is. Daartoe is immers vereist dat de man een onderbouwd financieel overzicht geeft dat inzicht geeft wie van partijen welke kosten van de huishouding voor zijn rekening heeft genomen en zulk een overzicht ontbreekt. Derhalve is gelet op het hiervóór overwogene er geen plaats voor een vergoedingsrecht voor de man. De tweede grief van de vrouw slaagt derhalve. Daarmee slagen ook de grieven 3 en 4.

Overbedelingsvergoeding ter zake de vervoermiddelen (incidentele grieven 1 tot en met 4, 6 en 8)

3.13.1.

De eerste incidentele grief van de man richt zich tegen de conclusie van de rechtbank dat de man vanwege de vervoermiddelen en de caravan is overbedeeld voor een bedrag van € 9.500,--.

3.13.2.

De man voert het volgende aan.

Partijen hebben de inboedel en de vervoermiddelen (de KTM motor, de auto van het merk Suzuki, de auto van het merk Alfa en de aanhangwagen) verdeeld (productie 4 dagvaarding). De caravan is toegedeeld aan de man. Partijen hebben tijdens een bespreking in 2013 en een bespreking op 5 maart 2014 afgesproken over en weer geen vorderingen op elkaar te hebben. Dat de vrouw deze afspraak niet heeft ondertekend zegt niets over het al dan niet bestaan van die afspraak.

Ter zake de door de vrouw gestelde waardes van de vervoermiddelen bestaat geen overeenstemming. Raadpleging van de website www.marktplaats.nl heeft geleerd dat de aan hem toegedeelde vervoermiddelen nog niet de helft van de door de vrouw genoemde waardes vertegenwoordigen. De stelplicht en de bewijslast ter zake rust op de vrouw.

Ter zake de waardes dient uitgegaan te worden van:

  • -

    de helft van de door de vrouw genoemde totale waardes van € 13.500,--, aldus van € 6.750,--, zoals zijdens de man reeds in de conclusie van antwoord in reconventie gesteld, dan wel van

  • -

    de door de man ter comparitie genoemde waarde van € 9.500,-- (verminderd met de waarde van de Suzuki).

3.13.3.

De vrouw betwist dat partijen tot algehele overeenstemming zijn gekomen over de waardeverrekening. Zij stelt dat het oordeel van de rechtbank over de waarde van de vervoermiddelen juist is.

3.13.4.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de man, tegenover de betwisting door de vrouw, niet, althans onvoldoende heeft aangetoond dat partijen tot algehele overeenstemming zijn gekomen over de waardeverrekening. De enkele door de man in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van de broer van de man ter zake (productie 22) acht het hof daartoe niet toereikend. De man heeft voorts geen verklaringen of gedragingen van de vrouw gesteld waaruit blijkt dat zij akkoord is gegaan met de (niet door haar ondertekende schriftelijke) afspraak dat geen verrekening van de waarde plaatsvindt.

3.13.5.

Voor zover de man bewijs heeft aangeboden van zijn stellingen, onder andere middels het doen horen van getuigen waaronder doch niet alleen, de man zelf en zijn broer, overweegt het hof als volgt.

Op grond van vaste rechtspraak (onder meer Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49) geldt met betrekking tot het bewijsaanbod in hoger beroep het volgende.

Uitgangspunt is dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden.

Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert.

In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard.

Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt vermeld in hoeverre getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.

De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte zou vooruitlopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.

3.13.6.

Het door de man gedane bewijsaanbod is naar het oordeel van het hof niet voldoende gespecificeerd. De man heeft onvoldoende concreet vermeld op welke van zijn stellingen zijn bewijsaanbod betrekking heeft en hij heeft nagelaten te vermelden in hoeverre zijn broer anders kan verklaren dan hij al in genoemde schriftelijke verklaring heeft gedaan.

3.13.7.

Ook voor de waarden van de vervoermiddelen volgt het hof het oordeel van de rechtbank nu de man ook in hoger beroep de waarden van de betreffende vervoermiddelen niet nader heeft onderbouwd. Het hof verwerpt aldus de grieven van de man ter zake.

Proceskosten (grieven 5, 7 en 8)

3.14.1.

De grieven 5, 7 en 8 betreffen de proceskostencompensatie. De man stelt zich op het standpunt dat de proceskosten ten onrechte zijn gecompenseerd.

3.14.2.

Het hof zal met toepassing van artikel 237 jo. artikel 353 Rv (partijen zijn voormalige echtgenoten) de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten in beide instanties worden gecompenseerd. Het hof verwerpt de grieven van de man ter zake.

Conclusie

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de vonnissen 6 april 206 en 25 mei 2016 zal vernietigen en de vrouw ertoe zal veroordelen dat zij een bedrag van (30.111 + 898 – 22.729 =) € 8.280,-- aan de man moet betalen.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 6 april 2016 zoals aangevuld bij vonnis van 25 mei 2016;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 8.280,--, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 6 mei 2015 tot de dag van volledige betaling;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en A.R. Autar en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 november 2017.

griffier rolraadsheer