Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4851

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
16/00153
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:791, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toeristenbelasting. Exploitatie minicamping door BV waarvan belanghebbende bestuurder is. Belanghebbende verricht werkzaamheden voor BV waarvoor zij vergoeding ontvangt. Het Hof beslist dat BV de belastingplichtige is voor de toeristenbelasting. Er is geen sprake van een schijnhandeling en geen sprake van fraus legis. Ter zake van de vakantiewoningen maakt belanghebbende niet aannemelijk dat deze door de BV worden geëxploiteerd: belanghebbende is belastingplichtige. Geen schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2743
Belastingblad 2018/34
Viditax (FutD), 20-11-2017
FutD 2017-2996
mr. H. de Jong annotatie in NTFR 2018/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer
Kenmerk: 16/00153

Uitspraak op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen- Duiveland

hierna: de Heffingsambtenaar,

en het voorwaardelijk incidentele hoger beroep van

mevrouw [belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 16 februari 2016, nummer BRE 15/1175, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar,

betreffende de na te melden aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 met dagtekening 30 augustus 2014 en onder aanslagnummer [aanslagnummer] , ambtshalve een aanslag in de toeristenbelasting opgelegd naar een bedrag van € 6.600, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Heffingsambtenaar van 10 oktober 2014 is gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de aanslag vernietigd, het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen, de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.484 en gelast dat de Heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof heeft dit incidenteel hoger beroep op de voet van artikel 8:112 van de Algemene wet bestuursrecht aangemerkt als een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, nu belanghebbende door de Rechtbank in beroep geheel in het gelijk is gesteld. De Heffingsambtenaar heeft het voorwaardelijk incidentele hoger beroep beantwoord.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht hebben partijen vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 23 februari 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, de heer [A] , alsmede, namens de Heffingsambtenaar, de heer [B] , advocaat bij [C] , bijgestaan door de heer [D] en de heer [E] .

1.7.

De Heffingsambtenaar heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van een perceel aan de [a-straat] 1 te Veere , waarop met vakantiewoningen en een minicamping gelegenheid tot verblijf wordt gegeven aan toeristen.

2.2.

De inkomsten uit het geven van gelegenheid tot verblijf – waaronder de in rekening gebrachte toeristenbelasting – worden door de recreanten op de bankrekening van belanghebbende betaald.

2.3.

De Heffingsambtenaar heeft voor het geven van gelegenheid tot verblijf een aangifte toeristenbelasting 2013 gestuurd aan belanghebbende en aan [F] B.V. (hierna: de BV). Belanghebbende is bestuurder bij de BV. Belanghebbend is geen (in)direct aandeelhouder van deze vennootschap.

2.4.

Belanghebbende heeft de aangifte, na een herinnering, op 5 maart 2014 teruggestuurd en daarin het volgende vermeld:

“De minicamping is nooit door aangever aan toeristen verhuurd. De vakantiewoningen al sinds 1 januari 2011 niet meer. Met ingang van die datum worden alle objecten door aangever verhuurd aan [F] BV (uitgezonder[Hof: d] het object [a-straat] 1A te Veere , dat ter beschikking staat aan de heer [A] ). Nadrukkelijk wordt verzocht om aan aangever in de toekomst geen aangifteformulieren voor de toeristenbelasting meer toe te zenden.”

2.5.

De BV heeft de aangifte, na een herinnering, op 5 maart 2014 teruggestuurd en daarin het volgende vermeld:


“Zoals telefonisch besproken met de heer [E] wordt op deze aangifte geen verschuldigde toeristenbelasting aangegeven, daar in de inschrijving in het handelsregister aangever betreffende, geen melding wordt gemaakt van de activiteiten “exploitatie minicamping” en “exploitatie vakantiewoningen”. Burgemeester en wethouders van de Gemeente Veere stellen zich op het standpunt dat daarom aangever niet als exploitant daarvan kan worden aangemerkt, welk standpunt wordt onderschreven door de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Aangever ziet dan ook niet in waarom zij toeristenbelasting verschuldigd is, althans kan het kennelijk als een pleitbaar standpunt worden beschouwd dat zij niet de exploitante is van de minicamping en van de vakantiewoningen. Mocht u van mening zijn dat aangever wél toeristenbelasting verschuldigd is, bijvoorbeeld omdat u – naar u suggereerde – aangever aanmerkt als de daadwerkelijke (feitelijke exploitante van de minicamping en van de vakantiewoningen, dan wordt u verzocht om omgaand gemotiveerd aan te geven waarop u dat standpunt baseert (bijvoorbeeld op het feit dat destijds de kampeerontheffing t.b.v. de uitbreiding van de minicamping door aangever is aangevraagd) en zal aangever dan uiteraard alsnog een opgaaf doen van de dan door haar verschuldigde toeristenbelasting.”

2.6.

Bij brief van 2 april 2014 heeft de Heffingsambtenaar aan belanghebbende verzocht om de huurovereenkomst over te leggen, waaruit blijkt dat belanghebbende de desbetreffende vakantiewoningen en de minicamping aan de BV verhuurt. Voorts heeft de Heffingsambtenaar verzocht om een bankoverzicht te verstrekken waaruit het banknummer en de naam van degene ten gunste van wie de toeristenbelasting wordt betaald, blijken. Aan deze verzoeken heeft belanghebbende niet voldaan, omdat deze, althans de huurovereenkomst, reeds ter beschikking zouden staan van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Veere .

In beroep heeft belanghebbende alsnog de huurovereenkomst, ondertekend op 25 maart 2011, overgelegd. In de overeenkomst is het volgende vermeld:

“Ondergetekenden;

Mevrouw [belanghebbende]

(…), hierna te noemen: “partij 1”;

en

[G] CV,

(…) hierna te noemen: “partij 2”,

en

“ [F] BV,

(…), hierna te noemen: “partij 3”

en

[H] BV,

(…) hierna te noemen: “partij 4”

en

De heer [A] ,

(…) hierna te noemen: “partij 5”

Overwegende:

(…)

dat partijen 1 en 3 aan partijen 2 en 4 hebben verzocht om er mee in te stemmen dat met ingang van het kampeerseizoen [Hof: 2011] partij 3 als exploitante van de minicamping zal gaan fungeren waartoe de op 1 december 2009 tussen partijen 1, 2 en 4 gesloten en nadien verlengde overeenkomst zou dienen te worden beëindigd;”

Blijkens de Verordening toeristenbelasting 2013 van de gemeente Veere van 13 december 2012 (hierna: de Verordening) loopt het kampeerseizoen voor het jaar 2013 van 15 maart tot en met 31 oktober 2013.

2.7.

De Heffingsambtenaar heeft de aanslag toeristenbelasting 2013 ambtshalve aan belanghebbende opgelegd. De aanslag ziet voor een bedrag van € 2.750 op de vakantiewoningen en voor een bedrag van € 3.850 op de minicamping.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft in hoger beroep het antwoord op de volgende vragen:

1. Is belanghebbende belastingplichtig voor de toeristenbelasting?

2. Is de Verordening onverbindend omdat de in de Verordening opgenomen heffingsmaatstaf in strijd is met het evenredigheidsprincipe en met het gelijkheidsbeginsel?

Belanghebbende is van mening dat vraag 1 ontkennend en vraag 2 bevestigend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep. De Heffingsambtenaar concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar ingestelde beroep.

4 Gronden

4.1.

In artikel 224, lid 1, van de Gemeentewet is bepaald dat ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, een toeristenbelasting kan worden geheven. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat voor zover de belasting wordt geheven van degene die gelegenheid tot verblijf biedt, deze bevoegd is de belasting als zodanig te verhalen op degene ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.

4.2.

In artikel 2 van de Verordening is bepaald dat ter zake van het houden van verblijf met overnachten binnen de gemeente in hotels, pensions, vakantie-onderkomens, mobiele kampeeronderkomens, niet-beroepsmatig verhuurde ruimten en op vaste standplaatsen tegen vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente zijn opgenomen, onder de naam “toeristenbelasting” een directe belasting wordt geheven. In artikel 3 van de Verordening is bepaald dat belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 in hem ter beschikking staande ruimten dan wel op hem ter beschikking staande terreinen.

4.3.

De bewijslast dat belanghebbende in 2013 gelegenheid heeft geboden tot verblijf als bedoeld in artikel 3, in verbinding met artikel 2, van de Verordening, rust op de Heffingsambtenaar. De Heffingsambtenaar heeft daartoe aangevoerd dat belanghebbende eigenaar is van het perceel waarop de minicamping en de vakantiewoningen zijn gesitueerd, dat de kampeervergunning is gesteld op naam van belanghebbende, dat de recreanten de vergoedingen aan belanghebbende betalen en belanghebbende ook degene is die feitelijk alle aan de verhuur van de staanplaatsen en vakantiewoningen verbonden werkzaamheden, zoals het verwerken van boekingen, het beantwoorden van telefonische vragen, het beheren van de website, het schoonmaken en het fungeren als aanspreekpunt voor de gasten, verricht. Daarnaast wijst de Heffingsambtenaar op het feit dat belanghebbende bestuurder is van de BV. Omdat de verhuur aan de BV, gelet op al het voorgaande, realiteitswaarde ontbeert, komt aan de huurovereenkomst geen reële betekenis toe, aldus de Heffingsambtenaar. Bovendien blijkt uit de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten in het uittreksel uit het Handelsregister niet dat de BV zich bezig houdt met het exploiteren van vakantiewoningen en een minicamping.

Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ten aanzien van de minicamping

4.4.

Blijkens de tekst van de onder 2.6 geciteerde huurovereenkomst is belanghebbende met de BV overeengekomen dat de BV de minicamping met ingang van het kampeerseizoen 2011 zal exploiteren. De enkele omstandigheid dat belanghebbende de exploitatie in handen heeft gegeven van de BV waarvan zij bestuurder is, maakt niet dat aan de huurovereenkomst betekenis moet worden ontzegd. Ook overigens is geen sprake van feiten of omstandigheden die grond bieden voor het oordeel dat de huurovereenkomst realiteitswaarde ontbeert. Voorts heeft belanghebbende ter zitting onweersproken gesteld dat de uit de minicamping verkregen inkomsten van recreanten in verband met verpanding op de bankrekening van belanghebbende blijven, en wel tot het bedrag van de door de BV met belanghebbende overeengekomen huurprijs, terwijl het overschot van die inkomsten door belanghebbende wordt overgeboekt naar de bankrekening van de BV. Belanghebbende heeft ter zitting tenslotte onweersproken gesteld dat zij haar werkzaamheden voor de BV verricht in haar hoedanigheid van bestuurder van de BV en voor deze werkzaamheden een vergoeding van de BV ontvangt.

Gelet op het voorgaande is belanghebbende niet de exploitant van de minicamping, geen partij bij de overeenkomst met de recreanten en komen de exploitatie-inkomsten niet aan belanghebbende toe. De omstandigheid dat belanghebbende tevens eigenaar van het perceel en bestuurder van de BV is, maakt niet dat haar ten behoeve van de exploitatie door de BV verrichte werkzaamheden - tegen een vergoeding die ten laste van de winst van de BV is gekomen - door haar voor eigen rekening en risico zijn verricht.

Anders dan de Heffingsambtenaar verdedigt is de situatie van belanghebbende niet gelijk aan die in het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2016, nummer 15/02492, ECLI:NL:HR:2016:1201. In het onderhavige geval is geen sprake van een samenhangend pakket van diensten die door belanghebbende ten behoeve van haar onderneming zijn verricht, waarbij alle inkomsten van die dienstverlening in haar vermogen vloeien.

Gelet hierop is belanghebbende niet degene die ter zake van de minicamping gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 3, in verbinding met artikel 2, van de Verordening, zodat de aanslag in zoverre ten onrechte aan haar is opgelegd.

4.5.

De Heffingsambtenaar heeft voorts gesteld dat de huurovereenkomst een schijnhandeling vormt. Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, faalt deze stelling.

4.6.

Ten slotte heeft de Heffingsambtenaar zich beroepen op fraus legis. Daarbij gaat hij er van uit dat de huurovereenkomst geen reële betekenis heeft. Voorts wijst hij op de juridische structuur die hij omschrijft als een “kerstboom” van vennootschappen. Het Hof kan de Heffingsambtenaar in zijn betoog niet volgen. De keuze van belanghebbende om via een huurovereenkomst de exploitatie van de minicamping in handen te geven van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de aandelen middellijk gehouden worden door een vennootschap waarvan zij bestuurder is, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van fraus legis. Bovendien wordt in de BV een agrarisch bedrijf uitgeoefend, waardoor het mogelijk is het aantal kampeerplaatsen uit te breiden van 15 naar 25. Belanghebbende heeft ter zitting bovendien gemotiveerd en onweersproken gesteld dat voor deze rechtsvorm is gekozen ter spreiding van de financiële risico’s die zijn verbonden aan de exploitatie van de minicamping.

De door de Heffingsambtenaar gestelde feiten en omstandigheden vormen voorts geen grond voor het oordeel dat de door belanghebbende verrichtte rechtshandeling - het sluiten van de huurovereenkomst met de BV - enkel is verricht met het oogmerk om belastingheffing te verijdelen. Nog daargelaten dat belastingheffing hiermee niet wordt verijdeld – het stond de Heffingsambtenaar vrij om naar aanleiding van de verhuur van de minicamping aan de BV de aanslag aan de BV op te leggen – heeft de Heffingsambtenaar niets gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat bij belanghebbende bij de keuze om de exploitatie van de minicamping in handen van de BV te stellen sprake was van een oogmerk tot verijdeling van belastingheffing. Voor zover de Heffingsambtenaar met verijdeling van belastingheffing doelt op een eventuele oninbaarheid van de belastinvorderingen verwerpt het Hof ook overigens die stelling. Belanghebbende heeft ter zitting onweersproken verklaard dat betaling van de aanslagen niet achterwege is gebleven vanwege het ontbreken van financiële middelen, maar vanwege het feit dat de Heffingsambtenaar tot op heden niet duidelijke heeft weten te maken wie belastingplichtig is voor de toeristenbelasting, wat daar ook van zij.

Ten aanzien van de vakantiewoningen.

4.7.

Belanghebbende is eigenaar van de vakantiewoningen en verricht ter zake van de exploitatie van deze vakantiewoningen werkzaamheden als het beantwoorden van de telefoon, verwerken van boekingen, het beheren van de website, het schoonmaken en het fungeren als aanspreekpunt voor de gasten. In de onder 2.6 geciteerde huurovereenkomst is niets vermeld met betrekking tot de vakantiewoningen. Belanghebbende heeft gesteld dat ook ter zake van de vakantiewoningen een overeenkomst is gesloten met de BV, maar die overeenkomst is door belanghebbende niet aan het Hof overgelegd. Uit de stukken blijkt ook anderszins niet van het bestaan van een huurovereenkomst met de BV ter zake van de vakantiewoningen.

4.8.

De gemachtigde heeft het Hof ter zitting van 23 februari 2017 aangeboden om de bedoelde overeenkomst alsnog over te leggen. De Heffingsambtenaar heeft te kennen gegeven dat belanghebbende vaker heeft aangegeven dat het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Veere over die overeenkomst zou beschikken, maar zij heeft deze tot op heden niet aan Heffingsambtenaar overgelegd. Wat hiervan zij, het Hof is van oordeel dat de gemachtigde in ieder geval tot 10 dagen voorafgaande aan de zitting van 23 februari 2017 de huurovereenkomst aan het Hof had kunnen doen toekomen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan en ook heeft zij niet aangegeven waarom dit niet is gebeurd. Ingaan op het aanbod van belanghebbende zou leiden tot een heropening van het vooronderzoek en zou in de gegeven omstandigheden afbreuk doen aan een doelmatige procesgang. Belanghebbende heeft immers kansen genoeg gehad. Het Hof acht belanghebbendes aanbod daarom tardief en wijst het mitsdien af.

4.9.

Anders dan de gemachtigde kennelijk veronderstelt, ligt het voorts niet op de weg van de Heffingsambtenaar noch van het Hof om het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Veere te verzoeken de betreffende huurovereenkomst aan het Hof over te leggen.

4.10.

Voor zover belanghebbende ter zitting heeft gesteld dat die huurovereenkomst aan de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is overgelegd en dat uit de uitspraak van de Afdeling blijkt van het bestaan van de huurovereenkomst, overweegt het Hof als volgt. Weliswaar wordt in de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2015 in een procedure van de rechtsopvolger van [F] BV, [J] BV, vermeld dat [J] BV vakantiewoningen exploiteert op het perceel [a-straat] 1 te [woonplaats] , maar die procedure ziet op een besluit van 6 juni 2014. Hiermee is echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de exploitatie van de vakantiewoningen in 2013 door de BV plaatsvond en niet door belanghebbende.

4.11.

Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende terecht aangemerkt als degene die ter zake van de vakantiewoningen gelegenheid tot verblijf biedt als bedoeld in artikel 3, in verbinding met artikel 2, van de Verordening. Belanghebbende heeft niet gesteld dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld, zodat de aanslag in zoverre terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Ten aanzien van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

4.12.

Op grond van de Verordening wordt toeristenbelasting geheven ter zake van verblijf met overnachten binnen de gemeente in de in artikel 2 genoemde verblijfsmogelijkheden. Dagrecreanten overnachten niet binnen de gemeente en worden derhalve niet in de heffing betrokken, terwijl zij, zoals belanghebbende naar het Hof begrijpt stelt, wel verblijf houden binnen de gemeente. Dagrecreanten en recreanten die ook overnachten vormen naar het oordeel van het Hof geen gelijke gevallen, zodat reeds om die reden een beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Voorts is het Hof van oordeel dat aan het uitsluitend heffen van toeristenbelasting ingeval sprake is van recreanten die overnachten binnen de gemeente, onmiskenbaar voordelen verbonden zijn met betrekking tot de uitvoerbaarheid en de controleerbaarheid van de heffing. Deze voordelen bieden een objectieve en redelijke rechtvaardiging hiervoor. Van een onredelijke en willekeurige belastingheffing is geen sprake. Ondernemers die, aldus belanghebbende evenals exploitanten van accommodaties profijt hebben van het verblijf van recreanten, bieden geen gelegenheid tot verblijf noch houden verblijf in de gemeente als bedoeld in artikel 2 van de Verordening. Artikel 224 van de Gemeentewet kent niet de bevoegdheid toe om toeristenbelasting te heffen anders dan ter zake van verblijf, zodat de door belanghebbende bedoelde ondernemers in de Verordening terecht niet als belastingplichtig aangemerkt zijn.

4.13.

Ingevolge artikel 5 van de Verordening wordt de toeristenbelasting geheven naar het aantal overnachtingen en ingevolge artikel 8 van de Verordening bedraagt het tarief per overnachting € 1,10. Naar het oordeel van het Hof voldoet de toeristenbelasting daarmee aan de eis dat het bedrag van de belasting afhankelijk is van feiten en omstandigheden die verband houden met de duur van het verblijf en het aantal personen dat verblijf houdt, zodat geen sprake is van strijd met het karakter en de rechtsgrond van de belasting. De gemeentelijke regelgever is, anders dan belanghebbende stelt, niet gehouden om een tariefdifferentiatie aan te brengen in de tarieven voor hoteleigenaren en de tarieven voor eigenaren van minicampings.

4.14.

Het Hof verwerpt dan ook de stelling van belanghebbende dat de heffing van de onderhavige toeristenbelasting door de gemeente Veere in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De aanslag is, voor zover de heffing heeft plaatsgevonden op grond van verblijf in de vakantiewoningen, dan ook terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.

4.15.

Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Immateriële schadevergoeding

4.16.

Tussen de datum van binnenkomst van het bezwaarschrift op 15 oktober 2014 en de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan, 25 februari 2016, zijn niet meer dan twee jaren verstreken. De Rechtbank heeft op goede gronden beslist dat geen recht bestaat op vergoeding van immateriële schade.

Tussen de binnenkomst van hoger beroep op 15 maart 2016 en de datum van deze uitspraak zijn evenmin meer dan twee jaren verstreken. Gelet hierop is in hoger beroep evenmin plaats voor een vergoeding van immateriële schade.

Slotsom

4.17.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is, het incidentele hoger beroep ongegrond is, de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht en de proceskosten, en de uitspraak van de Heffingsambtenaar moeten worden vernietigd en de aanslag moet worden verminderd tot een naar een bedrag van € 2.750.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.18.

Belanghebbende heeft gesteld dat zij door de stellingname van de Heffingsambtenaar schade heeft geleden, maar zij heeft die stelling niet nader onderbouwd. Gelet hierop acht het Hof niet aannemelijk dat sprake is van onrechtmatig handelen door de Heffingsambtenaar, waardoor belanghebbende schade heeft geleden. Voor een vergoeding van schade is derhalve geen plaats.

Ten aanzien van het griffierecht

4.20.

Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Heffingsambtenaar inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.21.

Nu de aanslag wordt verminderd, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.22.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van integrale proceskosten omdat zij meent dat de Heffingsambtenaar uitsluitend hoger beroep heeft ingesteld om een betere positie te verkrijgen in andere juridische procedures van belanghebbende en van de BV en derhalve misbruik maakt van zijn bevoegdheid. Artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit), biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Voor een dergelijke vergoeding is plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft, doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (zie Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook indien de Heffingsambtenaar in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit (zie Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Nu de Heffingsambtenaar deels in het gelijk wordt gesteld, is reeds daarom geen sprake van voormelde bijzondere omstandigheden als door belanghebbende aangevoerd. Ook overigens blijkt uit het dossier niet van dergelijke omstandigheden.

4.23.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in de proceskosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2,5 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.237,50.

4.24.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    verklaart het incidentele hoger beroep ongegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar,

  • -

    vermindert de aanslag tot een naar een bedrag van € 2.750, en

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.237,50.

Aldus gedaan op 10 november 2017 door P.A.G.M. Cools, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.