Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4847

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-11-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
20-000867-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Steken met een scherp en puntig voorwerp in de hals. Poging tot doodslag. Voorwaardelijk opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-000867-17

Uitspraak: 13 november 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant

van 9 maart 2017 in de strafzaak met het parketnummer 01-845665-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard dat de verdachte heeft geprobeerd een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk van het leven te beroven door die [slachtoffer] met een scherp voorwerp in de hals te steken. De rechtbank heeft de verdachte hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde wordt vrijgesproken. Voor het geval het hof niettemin tot een veroordeling komt, is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Voormeld vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd:

dat hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Eindhoven ter uitvoering van het door

hem voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een scherp en/of puntig voorwerp in de nek/hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Eindhoven ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] met een scherp en/of puntig voorwerp in de nek/hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat hij op 16 oktober 2016 te Eindhoven ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

die [slachtoffer] met een scherp en puntig voorwerp in de hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de hierna

te vermelden feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd. Bedoelde feiten en omstandigheden zijn vervat in de hierna te noemen wettige bewijsmiddelen1, te weten:

1. het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina’s 35-36), inhoudende, als het relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op 16 oktober 2016 omstreeks 02.11 uur waren wij belast met baliewerkzaamheden aan het Hoofdbureau van Politie aan de Mathildelaan 4 te Eindhoven. Wij zagen dat een man naar de ingang van het bureau liep. Wij herkenden deze man als de ons ambtshalve bekende [slachtoffer] . Wij zagen dat hij zijn linkerhand tegen de linkerzijde van zijn nek drukte. Wij zagen dat hij het bureau binnen liep. Wij zagen dat er bloed aan zijn jas zat, dat er veel bloed op zijn bovenkleding zat en dat deze kleding donkerrood verkleurd was. Wij zagen dat de hand die hij tegen zijn nek aan duwde helemaal vol bloed zat. Wij vroegen hem wat er gebeurd was. Wij hoorden hem zeggen dat hij zojuist gestoken was. Wij zagen dat er, waar [slachtoffer] stond, veel bloed op de grond lag en dat er flinke druppels bloed op de grond bleven vallen. Wij hoorden hem zeggen dat hij in de Piazza gestoken was. Wij vroegen aan [slachtoffer] wie hem gestoken had. Wij hoorden hem tot tweemaal toe [voornaam verdachte] en vervolgens [bijnaam verdachte] zeggen. Dit deelden wij aan de overige eenheden mede. Wij hoorden iets later via de portofoon dat de eenheid 2501 doorgaf dat zij [verdachte] zagen lopen. Hierop vroegen wij aan [slachtoffer] of hij zojuist door [verdachte] was gestoken. Wij hoorden hem ‘ja’ zeggen en met zijn hoofd ‘ja’ knikken. Wij vroegen aan [slachtoffer] waarmee hij was gestoken. Wij hoorden hem zeggen dat hij met een schaar was gestoken.

Toen het ambulancepersoneel ter plaatse was en bezig was [slachtoffer] te verzorgen, zagen wij dat er een gat in de linkerzijde van de nek van [slachtoffer] zat.

2. het proces-verbaal van aangifte (dossierpagina’s 27-28), inhoudende, als de verklaring van [slachtoffer] , aangever:

Ik doe aangifte van poging tot moord/doodslag. Het incident vond plaats op de Piazza te Eindhoven op 16 oktober 2016 tussen 02.08 uur en 02.11 uur.

Op 15 oktober 2016, iets na 22.00 uur, kwam ik aan bij de hanggroep voor bij de Bijenkorf. Mijn vriend [vriend] en ik zijn vervolgens richting de Piazza gelopen om daar een biertje te drinken. Bij de Piazza kwamen wij [voornaam verdachte] tegen. Ik ken [voornaam verdachte] ook als [bijnaam verdachte][hof: kennelijk uitgesproken als [bijnaam verdachte] of [bijnaam verdachte] ]. [vriend] is op een gegeven moment vertrokken en [voornaam verdachte] is vervolgens ook weggegaan. Ik ben toen teruggegaan naar de hangplek bij de Bijenkorf. Ik heb daar wat rondgehangen en ineens was [voornaam verdachte] ook weer terug. [voornaam verdachte] vroeg mij toen om geld. Ik heb [voornaam verdachte] gezegd dat ik hem geen geld gaf. [voornaam verdachte] werd toen boos op mij. Wij zijn toen richting de Piazza gelopen om te praten. Terwijl wij stonden te praten zag ik dat [voornaam verdachte] met zijn rechterhand een schaar uit de linker binnenzijde van zijn jas pakte. Ik zag dat hij hiermee naar mij uithaalde. Ik zag dat de schaar vasthield in zijn rechterhand en dat hij hiermee een stekende beweging maakte in de richting van mijn hoofd. Ik probeerde [voornaam verdachte] af te weren en had zijn hand vast. Ik zag toen dat de schaar die hij in zijn hand vasthield bebloed was. Ik voelde toen dat er bloed uit mijn nek vloeide. Ik voelde een groot gat in mijn nek en heb geprobeerd de wond met mijn hand dicht te drukken. Ik ben toen direct richting het politiebureau gerend.

Ik kan [voornaam verdachte] omschrijven als een Somalische man met kort donker haar. Hij is plusminus 1.70 meter groot. Hij droeg een zwarte jas en wit met groene schoenen van het merk Adidas.

3. een bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5º van het Wetboek van Strafvordering, te weten een aanvraagformulier medische informatie (dossierpagina 34), ingevuld en ondertekend door [naam] , arts, inhoudende:

Naam betrokkene: [slachtoffer]

Datum onderzoek: 16 oktober 2016

Omschrijving van het letsel: Steekwond links in de hals, lengte circa

3 centimeter met aderlijke bloeding van een ader

in de hals, zowel uitwendig als inwendig, met

ernstig uitwendig bloedverlies.

4. het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina’s 39-40), inhoudende, als relaas van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

Op 16 oktober 2016 om 02.12 uur hoorden wij via de portofoon van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat een man, die het bureau binnen was komen lopen, in zijn nek gestoken was. Wij hoorden dat het slachtoffer de ons ambtshalve bekende [slachtoffer] was. Wij hoorden via de portofoon dat de dader een man zou zijn die ‘ [voornaam verdachte] ’ zou heten en de bijnaam [bijnaam verdachte] zou hebben.

Op het 18 septemberplein te Eindhoven zagen wij enkele personen staan die deel uitmaken van een groep die dagelijks in de binnenstad van Eindhoven hangt. Wij herkenden van deze personen alleen de ons ambtshalve bekende [getuige 2] . Wij hoorden dat een ons onbekende man zei: ‘Jullie zoeken zeker bloed? Dan moet je in de Piazza zijn, daar is net wat gebeurd’. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , ben daarop te voet naar de Piazza gegaan. Toen ik vanaf het 18 septemberplein de Piazza inliep zag ik dat de mij ambtshalve bekende [verdachte] aan kwam lopen. Ik, [verbalisant 4] , sprak hem aan en vroeg hem waar hij vandaan kwam. Op dat moment voegde ik, verbalisant [verbalisant 3] , mij bij [verbalisant 4] . Wij hoorden dat [verdachte] meerdere keren herhaalde: ‘Ik heb niks gedaan, ik had ruzie en heb hem alleen maar een kopstoot gegeven en ineens had hij hier iets’. Wij zagen dat [verdachte] hierbij wees naar zijn nek. Wij hadden op dat moment nog niets tegen hem gezegd over een steekincident.

Nadat wij de verdachte [verdachte] hadden aangehouden, hoorden wij dat de centralist van het Operationeel Centrum doorgaf dat in een eerdere registratie een persoon voorkwam met de naam [verdachte] , waarin werd gezegd dat zijn bijnaam [bijnaam verdachte] zou zijn.

5. het proces-verbaal van verhoor getuige (dossierpagina’s 51-52), inhoudende, als de verklaring van de getuige [getuige 1] :

Op 16 oktober 2016, rond 1.45 uur-02.00 uur, was ik bij de Piazza te Eindhoven. Ik zag dat twee mannen ruzie met elkaar hadden. Ik hoorde beide mannen schreeuwen. Ik zag ineens dat één van de mannen een steekbeweging maakte in de richting van de nek van de andere man. Hierna zag ik bloed bij de nek van de man waar de steekbeweging tegen gericht was. Ik zag dat de man met het bloed in zijn nek wegrende in de richting van de Mathildelaan.

6. het proces-verbaal van verhoor (dossierpagina’s 44-46), inhoudende, als de verklaring van de getuige [getuige 2]

Ik heb het begin van de ruzie meegemaakt. Ik was bij dat hoekje, voordat je oversteekt naar het station vanaf de Piazza, bij de betonnen trap. Daar begon de ruzie. Dat was op zondag 16 oktober 2016, ik denk na middernacht. Daar waren onder andere twee Somaliërs. Eén noemen we [bijnaam slachtoffer] het slachtoffer, en de dader noemen we [bijnaam verdachte] Die [bijnaam verdachte] is klein. Hij zoekt altijd ruzie en is een agressief ventje. Die lange deugt ook niet, maar zoekt geen ruzie.

Die avond zag ik [bijnaam slachtoffer] aankomen. Hij ging met iemand staan praten. Daarna kwam die kleine [bijnaam verdachte] . Zij begonnen in hun taal te discussiëren. [bijnaam verdachte] was opgefokt. [bijnaam slachtoffer] werd steeds aangevallen door [bijnaam verdachte] .

[bijnaam slachtoffer] liep toen weg, richting Piazza, naar binnen. [bijnaam verdachte] volgde hem.

7. het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 32), inhoudende, als relaas van de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :

Op 16 oktober 2016 werd het slachtoffer [slachtoffer] door ons gehoord. Hij verklaarde dat hij door vrienden ‘ [bijnaam slachtoffer] ’ wordt genoemd.

8. de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende:

Ik bevond mij in de nacht van 15 op 16 oktober 2016 rond 02.00 uur bij de Piazza in Eindhoven. Ik heb toen ruzie gekregen met een andere Somalische man.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen aan hem ten laste is gelegd. Daartoe is aangevoerd, kort gezegd:

a. dat de verklaringen die de verdachte ten overstaan van de politie heeft afgelegd op de voet van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering van het bewijs uitgesloten dienen te worden. Er is immers sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, in die zin dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat een verdachte het recht geeft zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk indien hij de taal die ter terechtzitting

- en in het daaraan voorafgaande onderzoek - wordt gebezigd niet verstaat of spreekt, in deze zaak is geschonden. Bij gelegenheid van zijn eerste verhoor door de politie is de verdachte immers gehoord zonder bijstand van een tolk in de Somalische taal, terwijl de bijstand bij gelegenheid van zijn tweede politieverhoor werd verleend door een niet-beëdigde tolk. Door deze gang van zaken in het voorbereidend onderzoek is te verklaren dat er verschillen bestaan tussen de beide bij de politie afgelegde verklaringen en tussen die verklaringen en de verklaring die de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank en bij het gerechtshof heeft afgelegd. De verdachte is door de vormverzuimen in zijn verdediging geschaad aangezien de rechtbank de door hem afgelegde verklaring vanwege de daarin voorkomende verschillen niet geloofwaardig heeft geacht. Hiermee is tevens de ernst van het verzuim gegeven, aldus de raadsvrouw;

dat de verklaringen van de getuige [getuige 2] van het bewijs uitgesloten dienen te worden. Deze getuige is immers slechts een ‘de auditu’-getuige, die de beweerdelijke steekpartij niet zelf heeft waargenomen doch slechts heeft verklaard over wat hij van derden daarover heeft gehoord. Bovendien is deze getuige onbetrouwbaar omdat hij wisselende verklaringen heeft afgelegd: in zijn eerste verklaring bij de politie zegt [getuige 2] : ‘Men zegt dat is gestoken met een fietsspaak’, in zijn tweede verhoor zegt [getuige 2] dat cliënt tijdens een vervoer in een arrestantenbusje tegen hem heeft verteld dat hij [bijnaam slachtoffer] had gestoken met een fietsslot en tegenover de rechter-commissaris heeft [getuige 2] verklaard dat de verdachte zou hebben toegegeven dat hij aangever had neergestoken met een spaak of een dun ijzeren voorwerp;

dat de verklaringen van de getuige [getuige 1] van het bewijs uitgesloten dienen te worden. In de eerste plaats dient getwijfeld te worden aan de onafhankelijkheid en authenticiteit van die verklaringen. Vast staat immers dat de getuige [getuige 1] ná het incident maar vóórdat hij zijn verklaring bij de politie aflegde de aangever heeft ontmoet en gesproken, waardoor het mogelijk is dat de verklaringen van de getuige over de aard van het beweerdelijk door de verdachte gebruikte steekwapen - een schaar - niet berust op diens eigen waarneming, maar op informatie die de getuige van de aangever heeft gekregen. Tegenover de rechter-commissaris heeft de getuige namelijk verklaard dat hij bij de ontmoeting met aangever van hem heeft gehoord met een schaar gestoken te zijn. Bovendien wijkt de verklaring van de getuige [getuige 1] , dat de dader een schaar in de linkerhand had en daarmee een steekbeweging maakte, af van de verklaring van aangever, die stelt dat de verdachte een schaar in de rechterhand had.

In de tweede plaats moet ook de getuige [getuige 1] als een onbetrouwbare getuige aangemerkt worden vanwege de verschillen in zijn verklaring bij de politie en de verklaring die hij tegenover de rechter-commissaris heeft afgelegd;

dat voor de wijze waarop het letsel in de hals van aangever is ontstaan een reëel en aannemelijk alternatief scenario bestaat, in die zin dat de aangever zichzelf tijdens de worsteling met de verdachte heeft verwond aan een schroevendraaier die hij volgens de verdachte in de binnenzak van zijn jas bij zich droeg.

Het hof overweegt als volgt.

Ad a

Het beroep op bewijsuitsluiting van de door de verdachte ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen op grond van de door de verdediging geconstateerde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek (afwezigheid van een tolk respectievelijk een beëdigd tolk in de Somalische taal bij de verhoren van de verdachte) behoeft geen verdere bespreking, aangezien het hof die verklaringen niet voor het bewijs gebruikt.

Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt.

Uit het proces-verbaal van het eerste verhoor door de politie blijkt dat de verdachte bij die gelegenheid werd bijgestaan door zijn toenmalige raadsvrouw, mr. Beukers, en dat voorafgaand aan dat verhoor, toen bleek dat een tolk in de Somalische taal niet beschikbaar was, in overleg met de verdachte en zijn raadsvrouw is besloten het verhoor in de Engelse taal af te nemen.

Uit het proces-verbaal van het tweede verhoor van de verdachte door de politie blijkt dat

mr. Faber daarbij als raadsman van de verdachte aanwezig is geweest. Op grond van dit proces-verbaal moet worden aangenomen dat mr. Faber zich voorafgaand aan het verhoor niet heeft verzet tegen de inzet van een niet-beëdigde en geregistreerde tolk.

Voorts acht het hof van belang dat uit de processen-verbaal van de politieverhoren van de verdachte niet blijkt van enige situatie die hetzij de politie hetzij de verdediging aanleiding heeft gegeven het desbetreffende verhoor van de verdachte voortijdig te beëindigen. Evenmin is het hof gebleken dat van de zijde van de verdachte op enigerlei wijze aanstonds na diens verhoren door de politie bezwaar is gemaakt tegen de wijze waarop die verhoren hebben plaatsgevonden.

Ad b

Het beroep op bewijsuitsluiting van de door de getuige [getuige 2] ten overstaan van de politie respectievelijk de rechter-commissaris afgelegde verklaringen behoeft evenmin bespreking, aangezien het hof die verklaringen - voor zover de inhoud daarvan betrekking heeft op de in de tenlastelegging bedoelde handelingen (het steken van aangever met een scherp en/of puntig voorwerp) - niet voor het bewijs gebruikt. Hoewel aan de verdediging kan worden toegegeven dat die verklaringen in zoverre niet berusten op de eigen waarneming van de getuige maar op hetgeen hij naar zijn zeggen van derden en van de verdachte daarover heeft vernomen, laat het hof in het midden of die verklaringen daardoor in zoverre als onbetrouwbaar aangemerkt dienen te worden.

Voor zover het beroep op bewijsuitsluiting ook betrekking heeft op het hierboven weergegeven deel van de verklaring van de getuige [getuige 2] wordt het als ongefundeerd verworpen. Het hof ziet geen enkele reden waarom dit deel van de verklaring van de getuige [getuige 2] , waarin hij de feiten en omstandigheden schetst die de opmaat vormden tot de aan de verdachte verweten handelingen en waarbij hij verdachtes gemoedstoestand van dat moment beschrijft, niet voor het bewijs gebruikt zou kunnen worden. De verklaring van de getuige [getuige 2] berust immers in zoverre onmiskenbaar op diens eigen waarnemingen.

Ad c

Hoewel aan de verdediging kan worden toegegeven dat de door de getuige [getuige 1] ten overstaan van de politie respectievelijk de rechter-commissaris afgelegde verklaringen op onderdelen van elkaar afwijken, ziet het hof hierin geen grond die verklaringen van het bewijs uit te sluiten. De geconstateerde verschillen betreffen immers voor het bewijs niet redengevende onderdelen van de verklaringen van de getuige, die in de kern wel consistent zijn en steun geven aan de verklaring van aangever. Uit de verklaring van de getuige [getuige 1] , voor zover voor het bewijs gebruikt, volgt immers dat twee mannen ruzie hadden en schreeuwden en dat ineens één van de mannen een stekende beweging maakte in de richting van de nek van de andere man, dat de getuige vervolgens bloed zag in de nek van de man tegen wie de stekende beweging was gericht en dat die man wegrende in de richting van de Mathildelaan.

Ad d

Het hof gaat, evenals de rechtbank, voorbij aan de ontkenning van de verdachte dat hij aangever in de hals heeft gestoken en aan het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dat aangever zich tijdens de worsteling mogelijk heeft verwond aan een schroevendraaier die aangever in de binnenzak van zijn jas bij zich droeg. Zowel het een als het ander vindt weerlegging in de door het hof gebruikte bewijsmiddelen.

Het hof merkt hierbij voorts nog op dat het geschetste alternatieve scenario niet te rijmen valt met de verklaring van de getuige [getuige 1] , die uitdrukkelijk melding maakt van een stekende beweging in de richting van de nek van het slachtoffer en het direct daarop waarnemen van bloed in diens nek.

Daarnaast merkt het hof op dat aan de stelling van de verdachte dat aangever zichzelf mogelijk heeft verwond aan een schroevendraaier die hij, aangever, in de binnenzak van zijn jas had, voorbij wordt gegaan omdat de verdachte daarover niet consistent heeft verklaard. In zijn eerste verhoor bij de politie heeft de verdachte immers verklaard dat hij vermoedt dat het slachtoffer een scherp voorwerp in de binnenzak van zijn jas heeft gehad, welk vermoeden kennelijk is gebaseerd, gezien hetgeen de verdachte vervolgens heeft verklaard, op de wetenschap dat het slachtoffer, [bijnaam slachtoffer] , altijd een schroevendraaier of een mes bij zich heeft. De verdachte heeft echter in datzelfde verhoor uitdrukkelijk verklaard dat hij die nacht geen mes of schroevendraaier bij [bijnaam slachtoffer] heeft gezien. Ook bij zijn tweede verhoor heeft de verdachte ontkend die nacht bij aangever een schroevendraaier te hebben gezien, waaraan hij toevoegt: ‘Vroeger wel’. In dit verhoor geeft de verdachte vervolgens op de vraag of hij een mes heeft gezien te kennen dat het alleen vermoedens zijn. Als de verdachte later in dit verhoor nogmaals wordt gevraagd of hij een mes of een schroevendraaier bij [bijnaam slachtoffer] heeft gezien, antwoordt de verdachte daarop: ‘Nee, maar ik ken hem.’

In afwijking van deze verklaringen heeft de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank evenwel verklaard dat hij tijdens de ruzie met het slachtoffer de schroevendraaier in de binnenzak van diens jas heeft gezien omdat de jas open was. Op een aanvullende vraag verklaarde de verdachte vervolgens echter dat hij niet zeker weet wat het letsel heeft veroorzaakt maar dat het niets anders dan een schroevendraaier geweest kan zijn. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte, in afwijking van de tegenover de politie afgelegde verklaringen, met stelligheid verklaard dat hij tijdens de ruzie een schroeven-draaier in de binnenzak van de jas van het slachtoffer heeft gezien.

Het hof verwerpt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Het hof overweegt voorts als volgt.

Op grond van de hierboven weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] met een scherp en puntig voorwerp in de hals heeft gestoken. Het hof heeft vervolgens de vraag moeten beantwoorden waarop het opzet van de verdachte was gericht: op het van het leven beroven van het slachtoffer, zoals bedoeld in hetgeen primair ten laste is gelegd, of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zoals bedoeld in de subsidiaire tenlastelegging.

Vooropgesteld moet worden dat in het dossier, en meer in het bijzonder in de door de verdachte afgelegde verklaringen, onvoldoende aanknopingspunten zijn te vinden voor de aanname dat de verdachte het slachtoffer van het leven heeft willen beroven. Dat sprake was van boos opzet op de dood van het slachtoffer kan daarom niet bewezen worden.

Ter beantwoording van de vraag of sprake is van voorwaardelijk opzet overweegt het hof als volgt. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen).

Het hof is, evenals de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat de verdachte door het steken met een scherp en puntig voorwerp, in de hals van aangever, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij aangever hierdoor dodelijk zou verwonden. Het hof overweegt in dit verband dat, zoals algemeen bekend kan worden verondersteld, zich in de hals van een mens onder meer vitale bloedvaten (zoals de (halsslag)aders) en de luchtpijp bevinden. Indien met een scherp en puntig voorwerp lukraak in de halsstreek van het slachtoffer gestoken wordt, is de kans groot dat bijvoorbeeld een halsslagader geraakt wordt. Het is een feit van algemene bekendheid dat perforatie van een halsslagader door verbloeding tot de dood kan leiden.

Naar het oordeel van het hof kan de bewezen verklaarde gedraging van de verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op de dood van aangever dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

Het hof acht daarom het primair ten laste gelegde bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van

de verdachte uitsluiten. Hij is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De rechtbank en de advocaat-generaal achten veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest, passend

en geboden.

Met verwijzing naar hetgeen de raadsvrouw in het kader van het hiervoor onder a weergegeven bewijsverweer naar voren heeft gebracht, heeft zij met een beroep op het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering verzocht om vermindering

van de op te leggen straf, in die zin dat het hof zal volstaan met oplegging van een gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft het slachtoffer tijdens een ruzie met een schaar of een ander scherp en

puntig voorwerp in de hals gestoken. Dusdoende heeft de verdachte blijk gegeven van een ernstig gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit van een medemens, die hij daardoor in een potentieel levensbedreigende situatie heeft gebracht. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte in feite van geluk mag spreken dat het slachtoffer niet ernstiger gewond is geraakt of zelfs het leven heeft gelaten en kennelijk geen

blijvend ernstig letsel aan het steekincident heeft overgehouden.

Bij de bepaling van de op te leggen neemt het hof in het nadeel van de verdachte in aanmerking dat hij de hem verweten gedragingen – naar het oordeel van het hof tegen beter weten in – is blijven ontkennen. Dusdoende heeft de verdachte voor zijn handelen geen enkele verantwoordelijkheid genomen, maar er bovendien blijk van gegeven het laakbare van dat handelen niet in te zien. Dit geeft het hof aanleiding te vrezen voor herhaling in de toekomst.

Bij de straftoemeting neemt het hof in het nadeel van de verdachte voorts in aanmerking dat de verdachte vóór het begaan van het bewezen verklaarde reeds eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten (openlijke geweldpleging en bedreiging met geweld) is veroordeeld, welke veroordelingen de verdachte er niet van hebben weerhouden zich opnieuw gewelddadig jegens een ander te gedragen.

Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

Anders dan de raadsvrouw ziet het hof in de gang van zaken bij gelegenheid van de politieverhoren van de verdachte op de gronden zoals vermeld onder ‘Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs, Ad a.’ geen aanleiding voor vermindering van de op te leggen straf. Het daartoe strekkende verweer wordt verworpen

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. H.A.W. Vermeulen en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 13 november 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. A.J.M. van Gink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Tenzij hierna anders vermeld, maken de bewijsmiddelen deel uit van het dossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, Districtsrecherche Eindhoven, met proces-verbaalnummer 20161016.1100.81309. Dit dossier bestaat uit 79 doorgenummerde dossierpagina’s en bevat een aantal op ambtseed/-belofte opgemaakte processen-verbaal van opsporingsambtenaren en andere bescheiden.