Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4846

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
16/03805
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5222, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op de verklaring van de Inspecteur dat hij alle voor de beoordeling van de ontvankelijkheid relevante stukken heeft overgelegd en het feit dat belanghebbende niet gespecificeerd heeft welke stukken niet zijn ingebracht, acht het Hof aannemelijk dat de Inspecteur voldaan heeft aan zijn verplichting ex artikel 8:42 van de Awb. Voorts acht het Hof aannemelijk dat de informatiebeschikking op 12 mei 2015 in persoon aan belanghebbende is uitgereikt. Naar het oordeel van het Hof is de termijn voor het indienen van bezwaar derhalve aangevangen op 13 mei 2015 en eindigde op 23 juni 2015. De bezwaarschriften gericht tegen de voorlopige aanslagen IB/PVV 2013, 2014 en 2015 dienen, naar het oordeel van het Hof, eveneens aangemerkt te worden als bezwaarschriften die gericht zijn tegen de informatiebeschikking, aangezien de inhoud van die geschriften geen andere gevolgtrekking toelaten dan dat belanghebbende mede bezwaar maakte tegen de informatiebeschikking. Gelet op het feit dat deze bezwaarschriften op 22 juni 2015 zijn ontvangen door de Belastingdienst, oordeelt het Hof dat belanghebbende binnen de wettelijke termijn bezwaar heeft gemaakt tegen de informatiebeschikking en dat de Inspecteur derhalve het bezwaar tegen de informatiebeschikking ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Met betrekking tot de informatiebeschikking overweegt het Hof als volgt. Naar het oordeel van het Hof dient de informatiebeschikking te worden vernietigd, aangezien een aanbiedingsbrief bij de informatiebeschikking ontbreekt en uit de informatiebeschikking niet duidelijk blijkt om welke middelen en jaren het gaat. Het hoger beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2018/2.7 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2017/2936
Viditax (FutD), 11-12-2017
FutD 2017-3170
NTFR 2018/613 met annotatie van E.P. Hageman FB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03805

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 23 augustus 2016, nummer BRE 16/1906, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen informatiebeschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is, met dagtekening 12 mei 2015, een informatiebeschikking ex artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) juncto artikel 47 van de AWR (hierna: de informatiebeschikking) opgelegd. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking. Bij uitspraak met dagtekening 3 maart 2016 heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 17 augustus 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heren [B] en [C] .

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

De Inspecteur heeft informatieverzoeken (hierna: de informatieverzoeken) met dagtekening 21 januari 2015 respectievelijk 19 maart 2015 gestuurd aan belanghebbende. Belanghebbende heeft op de informatieverzoeken gereageerd.

2.2.

De informatiebeschikking is aan belanghebbende afgegeven aangezien belanghebbende, volgens de Inspecteur, ondanks de informatieverzoeken onvoldoende, voor de belastingheffing relevante, informatie heeft verstrekt. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende, dientengevolge, niet voldaan aan de verplichting zoals deze voortvloeit uit artikel 47 van de AWR. In de informatiebeschikking is, voor zover in hoger beroep relevant, het volgende opgenomen met betrekking tot de informatieverzoeken waaraan belanghebbende, volgens de Inspecteur, niet heeft voldaan:

“(…) Ondanks de twee aan u gezonden vragenbrieven en de ontvangen Belgische administratie, zijn er nog steeds een aantal door ons gestelde vragen niet beantwoord en hebben wij nog steeds een aantal gevraagde stukken en bescheiden niet van u mogen ontvangen.

Hierna zal ik omschrijven welke informatie tot op heden nog steeds ontbreekt:

 De volledige administratie van uw Nederlandse onderneming [D] . (…)

 De administratie van uw overige zakelijke activiteiten binnen Nederland, zoals bijvoorbeeld de handel in banden, kleding, sieraden, kweekspullen, boten en bootjes en overige zaken en goederen. (…) U dient een betrouwbare en controleerbare administratie te overleggen;

 Controleerbare informatie en bewijsstukken inzake uw bedrijfsadres in België. (…)

 Bewijsstukken van uw Belgische belastingaangiften, zoals kopieën van de aangiftebiljetten en belastingaanslagen over de periode 1 januari 2009 tot en met heden 12 mei 2015;

 Een detailleerde en controleerbare verklaring over uw woonplaatsen in de jaren 2011 tot en met heden, waaruit tevens duidelijk blijkt op welke adressen en in welke perioden u samen met uw gezin heeft verbleven. (…)

 Een gedetailleerde en controleerbare verklaring over wanneer en op welke plaatsen u uw ondernemingen in Nederland en België in de jaren 2011 tot en met heden heeft gevoerd, waaruit per onderneming eveneens blijkt wie de activiteiten verrichtte;

 De stukken en bescheiden waaruit blijkt op welke wijze u de intracommunautaire transacties in zowel Nederland als in België voor de fiscus heeft verantwoord (i.v.m. toepassing 0% BTW);

 De overeenkomsten van geldlening inzake het eind 2009 van uw vriend [E] uit [plaats 1] geleende geldbedrag ad € 35.000, alsmede de bewijsstukken inzake de aflossing van deze lening. Mocht er geen schriftelijke overeenkomst zijn opgemaakt, dan verneem ik graag de volledige naam-, adres- en woonplaatsgegevens van uw vriend [E] en de mondelinge afspraken die u met betrekking tot de lening met hem heeft gemaakt over rente, aflossing en zekerheden;

 Een overzicht van de gelden die u in de periode 1 januari 2011 tot en met heden aan uw Nederlandse onderneming heeft onttrokken.”.

2.3.

Naast een rechtsmiddelenverwijzing is in de informatiebeschikking het volgende opgenomen:

“(…) U en uw gemachtigden kunnen er naar aanleiding van deze beschikking voor kiezen om alsnog aan uw informatieverplichtingen te voldoen en de vragen uit de brieven van 21 januari 2015 en 19 maart 2015 volledig en voor mij controleerbaar te beantwoorden en de door mij gevraagde stukken en bescheiden volledig en voor mij controleerbaar te overleggen. (…)”.

2.4.

In een brief met dagtekening 10 juni 2015, waarin de Inspecteur aankondigt voornemens te zijn voorlopige aanslagen IB/PVV 2013, 2014 en 2015 aan belanghebbende op te leggen, staat, voor zover in hoger beroep relevant, het volgende opgenomen:

“Deze aanslagen vloeien voort uit het feit dat u niet heeft voldaan aan uw informatieverplichtingen als bedoeld in artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). In verband hiermee is inmiddels op 12 mei 2015 een informatiebeschikking ex artikel 52a AWR aan u afgegeven.”.

Voorts heeft de Inspecteur in voornoemde brief opnieuw aan belanghebbende medegedeeld welke informatie laatstgenoemde aan de Inspecteur dient te verstrekken.

2.5.

Belanghebbende heeft vervolgens een brief met dagtekening 21 juni 2015 naar de Belastingdienst verzonden. Het onderwerp van deze brief betreft “bezwaar tegen aanslag: IH 2013 aanslagnummer [aanslagnummer 1] ”. Voor zover in hoger beroep relevant, is in dit bezwaarschrift het volgende opgenomen:

“hierbij maak ik bezwaar tegen de aanslag: IH 2013 aanslagnummer [aanslagnummer 1] met dagtekening 10 juni 2015 ten name van [belanghebbende] [adres 1] Spanje een kopie van deze aanslag is bijgesloten.

(…)

Uw medewerker dhr [F] heeft mij gevraagd mijn in en verkoop van ambulante handel te noteren in een kasboek en heb dit dan ook direct gedaan met alle foto’s van deze artikelen als bewijs.

Op 16-06-2015 is hij langsgeweest op de [adres 2] 82 te [woonplaats] om de boekhouding van mijn bedrijf in Belgie terug te bezorgen.

Bij dat bezoek heb ik hem dat kasboek laten zien met alle daarbij behorende foto’s en beschrijvingen, exact zoals uw medewerker dhr [F] heeft verzocht om dat zo te doen.

Hier heb ik dus aan voldaan en direct mijn boekhouder in Nederland [G] te [plaats 2] alsnog direct deze administratie laten verwerken in een aangifte inkomstenbelasting te doen.

Inmiddels heeft u deze ontvangen en wil ik u vriendelijk verzoeken om de eerder door u opgelegde voorlopige aanslag IH 2013 zoals bovenvermeld in dit klaagschrift te herzien en te wijzigen zoals mijn boekhouder u dit heeft doen toekomen.

(…)

Inmiddels ben ik nu wel ingeschreven in Nederland adres staat onderaan dit bezwaarschrift u kunt het natrekken bij het GBA te [plaats 3] daar heb ik me ingeschreven op donderdagavond 18-6-2015 te [woonplaats] op de [adres 3] 33 [postcode] . (…)”.

Belanghebbende heeft als bijlage bij dit bezwaarschrift, onder andere, een afschrift van de voorlopige aanslag IB/PVV 2013 met aanslagnummer [aanslagnummer 1] (hierna: de voorlopige aanslag IB/PVV 2013) gevoegd. De informatiebeschikking is niet als bijlage bij dit bezwaarschrift gevoegd. Voornoemd bezwaarschrift is op 22 juni 2015 ontvangen door de Belastingdienst.

2.6.

Voorts heeft belanghebbende een brief met dagtekening 21 juni 2015 naar de Belastingdienst verzonden. Het onderwerp van dit geschrift betreft “bezwaar tegen aanslag: : IH 2014 aanslagnummer [aanslagnummer 3] ”. Voor zover in hoger beroep relevant is in dit bezwaarschrift het volgende opgenomen:

“hierbij maak ik bezwaar tegen de aanslag : IH 2014 aanslagnr. [aanslagnummer 3] met dagtekening 10 juni 2015 ten name van [belanghebbende] [adres 1] Spanje een kopie van deze aanslag is bijgesloten.

(…)

Uw medewerker dhr [F] heeft mij gevraagd mijn in en verkoop van ambulante handel te noteren in een kasboek en heb dit dan ook direct gedaan met alle foto’s van deze artikelen als bewijs. dit kasboek gaat over de inkomsten van mij ,van de jaren 2013 en 2014Op 16-06-2015 is hij langsgeweest op de [adres 2] 82 te [woonplaats] om de boekhouding van mijn bedrijf in Belgie terug te bezorgen.Bij dat bezoek heb ik hem dat kasboek laten zien met alle daarbij behorende foto’s en beschrijvingen, exact zoals uw medewerker dhr [F] heeft verzocht om dat zo te doen.

Hier heb ik dus aan voldaan en direct mijn boekhouder in Nederland [G] te [plaats 2] alsnog direct deze administratie laten verwerken in een aangifte inkomstenbelasting te doen.

Inmiddels heeft u deze ontvangen en wil ik u vriendelijk verzoeken om de eerder door u opgelegde voorlopige aanslag IH 2014 zoals bovenvermeld in dit klaagschrift te herzien en te wijzigen zoals mijn boekhouder u dit heeft doen toekomen.

(…)

Inmiddels ben ik nu wel ingeschreven in Nederland adres staat onderaan dit bezwaarschrift u kunt het natrekken bij het GBA te [plaats 3] daar heb ik me ingeschreven op donderdagavond 18-6-2015 te [woonplaats] op de [adres 3] 33 [postcode] .”.

Belanghebbende heeft als bijlage bij dit bezwaarschrift, onder andere, een afschrift van de voorlopige aanslag IB/PVV 2014 met aanslagnummer [aanslagnummer 3] (hierna: de voorlopige aanslag IB/PVV 2014) gevoegd. De informatiebeschikking is niet als bijlage bij dit bezwaarschrift gevoegd. Voornoemd bezwaarschrift is op 22 juni 2015 ontvangen door de Belastingdienst.

2.7.

Voorts heeft belanghebbende een geschrift met dagtekening 21 juni 2015 naar de Belastingdienst verzonden. Het onderwerp van dit geschrift betreft “bezwaar tegen aanslag: IH 2015 aanslagnummer [aanslagnummer 2] ”. Voor zover in hoger beroep relevant is in dit bezwaarschrift het volgende opgenomen:

“hierbij maak ik bezwaar tegen de aanslag: IH 2015 aanslagnummer [aanslagnummer 2] met dagtekening 10 juni 2015 ten name van [belanghebbende] [adres 1] Spanje een kopie van deze aanslag is bijgesloten.

(…)

Uw medewerker dhr [F] heeft mij gevraagd mijn in en verkoop van ambulante handel te noteren in een kasboek en heb dit dan ook direct gedaan met alle foto’s van deze artikelen als bewijs. Op 16-06-2015 is hij langsgeweest op de [adres 2] 82 te [woonplaats] om de boekhouding van mijn bedrijf in Belgie terug te bezorgen.

Bij dat bezoek heb ik hem dat kasboek laten zien met alle daarbij behorende foto’s en beschrijvingen, exact zoals uw medewerker dhr [F] heeft verzocht om dat zo te doen. Hier heb ik dus aan voldaan en direct mijn boekhouder in Nederland [G] te [plaats 2] alsnog direct deze administratie laten verwerken in een aangifte inkomstenbelasting te doen.

Inmiddels heeft u deze ontvangen en wil ik u vriendelijk verzoeken om de eerder door u opgelegde voorlopige aanslag IH 2015 zoals bovenvermeld in dit klaagschrift te herzien en te wijzigen zoals mijn boekhouder u dit heeft doen toekomen berekenend aan de hand van de 2 voorafgaande jaren te weten 2013 en 2014

(…)

Inmiddels ben ik nu wel ingeschreven in Nederland adres staat onderaan dit bezwaarschrift u kunt het natrekken bij het GBA te [plaats 3] daar heb ik me ingeschreven op donderdagavond 18-6-2015 te [woonplaats] op de [adres 3] 33 [postcode] ”.

Belanghebbende heeft als bijlage bij dit bezwaarschrift, onder andere, een afschrift van de voorlopige aanslag IB/PVV 2015 met aanslagnummer [aanslagnummer 2] (hierna: de voorlopige aanslag IB/PVV 2015) gevoegd. De informatiebeschikking is niet als bijlage bij dit bezwaarschrift gevoegd. Voornoemd bezwaarschrift is op 22 juni 2015 ontvangen door de Belastingdienst.

2.8.

Belanghebbende heeft vervolgens een brief met dagtekening 24 juni 2015 en als onderwerp “ [nummer] -voorlopige aanslagen IB/PV/Zvw 2013 t/m 2015” ingediend bij de Belastingdienst. Deze brief is op 6 juli 2015 ontvangen door de Belastingdienst. Tussen partijen is niet in geschil dat dit geschrift aangemerkt kan worden als een bezwaarschrift dat is gericht tegen de informatiebeschikking. Tussen partijen is echter wel in geschil of dit het eerste bezwaarschrift is dat belanghebbende tegen de informatiebeschikking heeft ingediend, dan wel of het is aan te merken als een aanvulling op een eerder door belanghebbende tegen de informatiebeschikking gemaakt bezwaar.

2.9.

De Inspecteur heeft voornoemde brief met dagtekening 24 juni 2015 aangemerkt als het eerste bezwaarschrift dat belanghebbende tegen de informatiebeschikking heeft ingediend. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 3 maart 2016 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de informatiebeschikking niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Bovendien heeft de Inspecteur de informatiebeschikking, na een ambtshalve beoordeling, gehandhaafd.

2.10.

Voor zover in hoger beroep relevant, heeft de Inspecteur in de uitspraak op bezwaar voorts het volgende opgenomen met betrekking tot de brieven met dagtekening 21 juni 2015 (zie de onderdelen 2.5 tot en met 2.7):

“De op 22 juni 2015 ontvangen brieven van zijn cliënt handelen niet, zoals [A] stelt, over de onderwerpen uit de informatiebeschikking. Dat is wel het geval met uw brief die de inspecteur op 6 juli 2015 heeft ontvangen. In die brief wordt inderdaad ingegaan op ieder bullitpoint dat in de bestreden informatiebeschikking wordt vermeld.

De brieven die op 22 juni 2015 werden ontvangen zijn terecht behandeld als herzieningsverzoeken tegen voorlopige aanslagen maar laten zich niet duiden als zijnde tevens verwijzend naar enige informatiebeschikking.”.

2.11.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen deze uitspraak van de Inspecteur. Voor zover in hoger beroep relevant, heeft de Inspecteur ter zitting bij de Rechtbank een ambtsedige verklaring met dagtekening 4 augustus 2016 overgelegd, waarin de heren [F] en [H] , beide werkzaam bij de Belastingdienst [plaats 2] , verklaren dat zij de informatiebeschikking op dinsdag 12 mei 2015 omstreeks 12:00 uur persoonlijk aan belanghebbende hebben uitgereikt (hierna: de ambtsedige verklaring).

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) overgelegd?

2. Heeft de Inspecteur terecht het door belanghebbende tegen de informatiebeschikking ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn?

3. Bij ontkennende beantwoording van vraag 2: dient de informatiebeschikking in stand te blijven?

3.2.

Belanghebbende is van mening dat alle vragen ontkennend beantwoord moeten worden. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur, het ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de informatiebeschikking en vernietiging van de informatiebeschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Vraag 1

4.1.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de Inspecteur verzuimd heeft om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. De niet overgelegde stukken betreffen, volgens belanghebbende, stukken die relevant zijn voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar. De Inspecteur heeft betwist dat hij verzuimd heeft alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te brengen. Voorts wijst hij erop dat belanghebbende niet heeft gespecificeerd welke stukken ten onrechte niet zijn overgelegd.

4.2.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet voldoende concreet heeft gesteld welke stukken niet in het geding zijn ingebracht. Gelet daarop en op de stellingname van de Inspecteur is het Hof van oordeel dat de Inspecteur voldaan heeft aan zijn verplichting ex artikel 8:42 van de Awb.

4.3.

Het Hof beantwoordt de eerste vraag bevestigend.

Vraag 2

4.4.

Belanghebbende betwist dat de informatiebeschikking op 12 mei 2015 in persoon aan hem is uitgereikt. Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat, gelet op het feit dat de ambtsedige verklaring pas ter zitting bij de Rechtbank is overgelegd (zie onderdeel 2.11.), sprake is van strijd met beginselen zoals vervat in artikel 6 van het EVRM. Naar de mening van belanghebbende, levert het ter zitting overleggen van de ambtsedige verklaring voorts strijd met de beginselen van behoorlijk procesrecht op.

4.5.

Het Hof stelt voorop dat, anders dan belanghebbende betoogt, de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het feit dat de Inspecteur, voor het eerst ter zitting bij de Rechtbank, een ambtsedige verklaring heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat de informatiebeschikking op 12 mei 2015 in persoon is uitgereikt aan belanghebbende, geen strijd oplevert met artikel 6 van het EVRM. De Inspecteur heeft, evenals belanghebbende, de bevoegdheid om gedurende elke fase van het geding nader bewijs, al dan niet in de vorm van een ambtsedige verklaring, te leveren ter onderbouwing van zijn stellingen. Het tijdstip en de wijze van inbreng van bewijsstukken kan echter in strijd komen met de goede procesorde.

4.6.

De Rechtbank heeft met betrekking tot de vraag of, in het onderhavige geval, het ter zitting overleggen van de ambtsedige verklaring strijdig is met de goede procesorde het volgende overwogen:

“2.3.2. Onder omstandigheden kan een late inbreng van bewijs wel in strijd komen met de goede procesorde. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake. De stelling dat bekendmaking van de informatiebeschikking heeft plaatsgevonden door uitreiking (en niet door toezending), heeft de inspecteur consequent ingenomen in de bezwaarfase. Alleen in het verweerschrift is gesproken over verzending. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank vóór de zitting bij brief van 4 augustus 2016 partijen geïnformeerd dat – kort gezegd – het verschil tussen deze opmerking en de eerdere stellingname in de bezwaarfase tijdens de zitting besproken zal worden. Ter zitting heeft de inspecteur vervolgens aangevoerd dat de opmerking in het verweerschrift onjuist is, en heeft hij de ambtsedige verklaring ingebracht. Deze ambtsedige verklaring is kort en komt overeen met de eerdere stelling van de inspecteur. In aanmerking genomen dat belanghebbende wist dat de kwestie over de bekendmaking aan de orde zou komen, valt daarom niet in te zien dat (de gemachtigde van) belanghebbende hierop niet goed zou kunnen reageren. Waarom dat laatste wel het geval zou zijn, is niet althans onvoldoende onderbouwd.”.

4.7.

Het Hof acht deze overweging van de Rechtbank juist en maakt deze tot de zijne.

4.8.

Ook voor het overige ziet het Hof geen aanleiding om de ambtsedige verklaring buiten beschouwing te laten.

4.9.

Mede gelet op die verklaring, acht het Hof aannemelijk dat de informatiebeschikking op 12 mei 2015 in persoon is uitgereikt aan belanghebbende. De informatiebeschikking is dientengevolge op 12 mei 2015 op de voorgeschreven wijze aan belanghebbende bekendgemaakt. De bezwaartermijn van zes weken vangt aan met ingang van de dag na de dag van uitreiking van de informatiebeschikking aan belanghebbende (artikel 6:8, lid 1, van de Awb), waardoor de termijn voor het instellen van bezwaar is aangevangen op 13 mei 2015 en eindigde op 23 juni 2015.

4.10.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de bezwaarschriften gericht tegen de voorlopige aanslagen IB/PVV 2013, 2014 en 2015 (zie onderdelen 2.5., 2.6. en 2.7.) eveneens aangemerkt dienen te worden als bezwaarschriften die gericht zijn tegen de informatiebeschikking, aangezien in deze bezwaarschriften materieel bezwaar wordt gemaakt tegen de informatiebeschikking.

4.11.

Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.12.

Alhoewel belanghebbende in de bezwaarschriften met dagtekening 21 juni 2015 niet expliciet heeft verwoord dat hij bezwaar maakte tegen de informatiebeschikking, heeft belanghebbende in deze bezwaarschriften wel betwist dat hij niet heeft voldaan aan het verzoek van de Belastingdienst om inzage te verstrekken in de administratie met betrekking tot de door hem gevoerde ambulante handel. Voorts heeft belanghebbende door middel van deze bezwaarschriften informatie verstrekt met betrekking tot zijn huidige woonplaats. Aangezien de informatiebeschikking zowel een verzoek tot inzage in de door belanghebbende met betrekking tot zijn ambulante handel gevoerde administratie als een verzoek om nadere informatie met betrekking tot zijn woonplaats omvat, laat de inhoud van die geschriften, die belanghebbende zonder tussenkomst van een gemachtigde heeft ingediend, geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende mede bezwaar maakte tegen (onderdelen van) de informatiebeschikking. In dit kader is voorts relevant dat in de brief met dagtekening 10 juni 2015 (zie onderdeel 2.4.), waarin de Inspecteur aankondigt voornemens te zijn voorlopige aanslagen IB/PVV 2013, 2014 en 2015 aan belanghebbende op te leggen, vermeld is dat de informatiebeschikking aan belanghebbende is opgelegd.

4.13.

Aangezien de voornoemde bezwaarschriften op 22 juni 2015 zijn ontvangen door de Belastingdienst, moet worden geoordeeld dat belanghebbende binnen de wettelijke termijn bezwaar heeft gemaakt tegen de informatiebeschikking. De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de informatiebeschikking ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

4.14.

De tweede vraag moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag 3

4.15.1.

Desgevraagd heeft de Inspecteur ter zitting verklaard dat de onderhavige informatiebeschikking, in afwijking met de gebruikelijke werkwijze, niet is voorzien van een aanbiedingsbrief waarop vermeld staat op welke belastingmiddelen en jaren deze beschikking ziet en dat deze gegevens ook niet in de informatiebeschikking zijn opgenomen.

4.15.2.

Gelet hierop voldoet de beschikking dientengevolge niet aan de daaraan te stellen vereisten. Weliswaar kan een informatiebeschikking betrekking hebben op meerdere belastingjaren en –middelen (vgl. HR 11 december 2015, nr. 15/02637, ECLI:NL:HR:2015:3489), maar uit die beschikking, dan wel een daarbij behorende aanbiedingsbrief, dient duidelijk te blijken om welke middelen en jaren het gaat. Er dient immers te worden gewaarborgd dat de justitiabele aan wie de informatiebeschikking is gegeven nauwkeurig kan vaststellen welke gevolgen de informatiebeschikking voor zijn rechtspositie kan hebben (vgl. Kamerstukken II, vergaderjaar 2008/2009, 30 645, nr. 11, blz. 10-11). De onderhavige beschikking voldoet niet aan deze minimumeis. Gelet daarop zal het Hof de informatiebeschikking vernietigen.

Slotsom

4.16.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Het Hof zal het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de Inspecteur vernietigen, het bezwaar van belanghebbende alsnog ontvankelijk verklaren en de informatiebeschikking vernietigen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.17.

Aangezien de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrag van, in totaal, € 170 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.18.

Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, zijn er termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.19.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), ter zake van de kosten voor de procedure bij de Rechtbank op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 990.

4.20.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, ter zake van de kosten voor de procedure bij het Hof op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 990.

4.21.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vernietigt de informatiebeschikking;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 170 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof, aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op, in totaal, € 1.980.

Aldus gedaan op 10 november 2017 door P.C. van der Vegt, voorzitter, T.A. Gladpootjes en P.J.J. Vonk, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.