Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4843

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
16/03548
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3786, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op toepassing van de MIA en de VAMIL omdat belanghebbende de meldingstermijn van drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting heeft overschreden. Aan de Inspecteur komt te dezen geen beleidsvrijheid toe de wettelijke termijn buiten toepassing te laten. Geen schending van het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2018/7.18.4
V-N Vandaag 2017/2952
Belastingadvies 2018/5.2
Viditax (FutD), 11-12-2017
FutD 2017-3163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03548

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 9 juni 2016, nummer BRE 15/6161, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 11 juli 2014 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een (nadere) voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2013 opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft op 25 juli 2014 het schriftelijk verzoek van belanghebbende ontvangen tot herziening van de in 1.1 genoemde voorlopige aanslag door alsnog rekening te houden met de hierna onder 2.3 nader aangeduide MIA en VAMIL.

1.3.

Met dagtekening 11 april 2015 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2013 opgelegd aan belanghebbende (hierna: de aanslag). De aanslag is opgelegd overeenkomstig de hiervoor genoemde aangifte, zonder rekening te houden met de even bedoelde MIA en VAMIL.

1.4.

Het bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak met dagtekening 7 augustus 2015 ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een

griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 9 juni 2016 ongegrond verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde de heer [A] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] en de heer [C] .

1.8.

Belanghebbende heeft ter dezer zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het Hof en aan de Inspecteur.

1.9.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende drijft een eenmanszaak. Op 23 februari 2013 heeft hij een Toyota Prius Plug-in-Hybrid aangeschaft (hierna: de investering).

2.2.

Belanghebbende heeft de investering op 4 april 2014 schriftelijk gemeld bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO). Nadat hem is medegedeeld dat dergelijke meldingen uitsluitend digitaal kunnen worden gedaan, heeft belanghebbende de investering op 28 april 2014 gemeld via het elektronische loket. In de ontvangstbevestiging van 20 mei 2014 heeft de RVO aan belanghebbende medegedeeld dat de investering niet tijdig is gemeld.

2.3.

Belanghebbende heeft in juni 2014 (door de Inspecteur op 18 juni 2014 ontvangen) aangifte IB/PVV gedaan over het jaar 2013 naar een verzamelinkomen van € 74.480. Belanghebbende verzoekt daarin niet om toepassing van de Milieu Investeringsaftrek ex artikel 3.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hiervoor en hierna: MIA) noch om toepassing van de Willekeurige afschrijving voor milieu-investeringen ex artikel 3.31 en 3.36 van die Wet (hierna: VAMIL).

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of belanghebbende ter zake van de investering recht heeft op toepassing van de MIA en de VAMIL.

3.2

Belanghebbende stelt dat hij in aanmerking komt voor de MIA en de VAMIL omdat hij abusievelijk te laat is geweest met het melden van de investering. Hij was niet op de hoogte van de regelgeving met betrekking tot de meldingstermijn.

3.3.

De Inspecteur is van mening dat de toepassing van de MIA en de VAMIL terecht is geweigerd omdat de melding te laat is gedaan.

3.4.

Belanghebbende verwijst voor zijn gronden in hoger beroep naar hetgeen daaromtrent is opgenomen in de uitspraak van de Rechtbank.

3.5.

Partijen hebben ter zitting geen nieuwe argumenten aangevoerd.

3.6.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur en tot toepassing van de MIA en de VAMIL. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4
4. Beoordeling van het geschil

4.1.

De Rechtbank heeft onder 2.6 tot en met 2.9 van haar uitspraak als volgt geoordeeld.

“2.6. Ingevolge artikel 3.36, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB ’01) in samenhang met artikel 2, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 en artikel 3.42a, zevende en achtste lid, van de Wet IB ’01 in samenhang met artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de Meldingsregeling milieu-investeringaftrek 2001 geldt zowel voor de VAMIL als voor de MIA een meldingstermijn van drie maanden na het aangaan van de investeringsverplichting. De melding had derhalve uiterlijk op 23 mei 2013 moeten plaatsvinden. Zowel belanghebbendes schriftelijke melding op 4 april 2014 als zijn digitale melding op 28 april 2014 zijn derhalve niet tijdig, zodat in zoverre voor deze investering geen recht bestaat op de VAMIL en de MIA.

2.7.

Belanghebbende stelt dat de brochure van de Belastingdienst over de toepassing van de VAMIL en de MIA niet (verplicht) door de autodealer aan autokopers wordt verstrekt.

Anders dan belanghebbende meent, rust op de Belastingdienst niet de verplichting om belastingplichtigen, al dan niet via de autodealer, proactief te informeren over de voorwaarden die gelden voor toepassing van de VAMIL en de MIA. Het is de eigen verantwoordelijkheid van een belastingplichtige zich tijdig op de hoogte te stellen omtrent de vereisten voor een regeling als de onderhavige.

2.8.

Tot slot beroept belanghebbende zich op het gelijkheidsbeginsel. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien aannemelijk wordt dat de inspecteur hetzij (I) een beleid heeft gevoerd waarvan ten nadele van belanghebbende is afgeweken, hetzij (II) het oogmerk heeft gehad één of meer andere belastingplichtigen te begunstigen, hetzij (III) in een meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen in het voordeel van die gevallen een (niet op beleid of begunstiging gebaseerde) fout heeft gemaakt. Belanghebbende heeft geen geval(len) genoemd waarbij de inspecteur de VAMIL en of de NIA heeft toegepast zonder dat aan de vereiste melding is voldaan. Feiten of omstandigheden die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat één van de drie hiervoor onder I tot en met III bedoelde situaties zich hebben voorgedaan zijn dan niet gesteld. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

2.9.

Gelet op het in onderdeel 2.6 overwogene is het beroep ongegrond verklaard.

4.2.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Het Hof neemt daarbij nog het volgende in aanmerking.

4.3.

Belanghebbende, die in hoger beroep geen nieuwe argumenten of grieven heeft aangevoerd, bestrijdt niet dat hij niet binnen de daarvoor geldende termijn de vereiste melding heeft gedaan. Zijn standpunt komt hierop neer, dat hij te goeder trouw is geweest en dat hij abusievelijk de investering niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft gemeld.

4.4.

De wetgever heeft echter bewust gekozen voor de in de wet- en regelgeving vermelde termijn, mede gelet op het jaarlijks voor de VAMIL en MIA ter beschikking te stellen budget. Op grond hiervan komt aan de Inspecteur te dezen geen beleidsvrijheid toe de wettelijke termijn buiten toepassing te laten.

4.5.

Evenmin komt aan de rechter de vrijheid toe de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te beoordelen. Voor het geval belanghebbende met zijn hoger beroep (mede) heeft bedoeld een verzoek te doen om toepassing van de zogeheten hardheidsclausule zoals bedoeld in artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, overweegt het Hof dat hij zich met een zodanig verzoek dient te wenden tot de Minister van Financiën.

4.6.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

4.7.

Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 10 november 2017
door P.C. van der Vegt, voorzitter, P.J.J. Vonk en H.A. Wiggers, leden, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Let op: de Hoge Raad beoordeelt alleen of rechtsregels goed zijn uitgelegd en toegepast en of procedurevoorschriften zijn nageleefd. De Hoge Raad gaat uit van de feiten zoals die door de eerdere rechter zijn vastgesteld; hij stelt deze dus niet opnieuw vast. Wanneer een zaak zich niet leent voor cassatie kan de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaren of verwerpen zonder die beslissing te motiveren. Nadere informatie over het beroep in cassatie vindt u op de website van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.