Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4842

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
16/03524 t/m/ 16/03529
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3657, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1188
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De navorderingsaanslagen zijn terecht met omkering van de bewijslast opgelegd. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat de navorderingsaanslagen te hoog zijn vastgesteld. De schatting van de Inspecteur van de inkomsten acht het Hof redelijk. Ook de boeten zijn terecht en tot juiste bedragen opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2018/0140 met annotatie van Iris de Roos
V-N Vandaag 2017/2921
Viditax (FutD), 11-12-2017
FutD 2017-3168
Viditax (FutD), 13-07-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/3524 t/m/ 16/03529

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats 1] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van

15 juni 2016, nummers 15/1558 tot en met 15/1563, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur

betreffende na te noemen navorderingsaanslagen, beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 20 april 2013 over de jaren 2008 tot en met 2010 navorderingaanslagen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd en gelijktijdig daarbij bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht. Met dagtekening 27 april 2013 zijn aan hem over de hiervoor genoemde jaren navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en gelijktijdig daarbij bij beschikkingen vergrijpboetes opgelegd en heffingsrente in rekening gebracht. De hiervoor genoemde navorderingsaanslagen zijn opgelegd met de volgende aanslagnummers en tot de volgende bedragen:

Zaak-
nummer

Jaar

Aanslagnummer

Belastbaar inkomen

uit werk en woning

Maximum

bijdrage-

inkomen

Vergrijpboete

Heffingsrente

15/1558

2008

[aanslagnummer] H.87

€ 158.574

€ 35.082

€ 10.314

15/1559

2008

[aanslagnummer] W.87

€ 31.231

€ 233

15/1560

2009

[aanslagnummer] H.97

€ 143.450

€ 30.873

€ 6.143

15/1561

2009

[aanslagnummer] W.97

€ 32.369

€ 153

15/1562

2010

[aanslagnummer] H.07

€ 106.198

€ 21.101

€ 2.590

15/1563

2010

[aanslagnummer] W.07

€ 33.189

€ 99

1.2.

De Inspecteur heeft de tegen de navorderingsaanslagen en beschikkingen gerichte bezwaren van belanghebbende bij uitspraken op bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

De Rechtbank heeft de beroepen voor zover betrekking hebbende op de boetebeschikkingen, gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de boetebeschikkingen vernietigd, de boeten verminderd tot respectievelijk € 21.250 (2008), € 17.000 (2009) en
€ 9.350 (2010), de beroepen voor het overige ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.484 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan hem vergoedt.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de Rechtbank.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 september 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, de heer [A] , advocaat te [plaats 2] , als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld van mevrouw [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] en [D] .

1.7.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft samen met mevrouw [E] (hierna: [E] ) vier kinderen. Hij was in de onderhavige jaren (tot 14 juli 2008 samen met [E] ) huurder van het pand aan [adres 1] 7 te [plaats 3] (hierna: de woning). De gasmeter van de woning stond op naam van [F] , omdat belanghebbende de gasmeter niet op zijn naam kon krijgen vanwege schulden bij het gasbedrijf (zie bijlage 7.3.7 bij het verweerschrift in eerste aanleg). [E] en de kinderen stonden vanaf 14 juli 2008 ingeschreven op het adres [adres 2] 23 te [plaats 1] .

2.2.

Mevrouw [G] (hierna: [G] ) woonde vanaf september 2008 in de woning, maar stond ingeschreven op een ander adres.

2.3.

Belanghebbende heeft over de jaren 2008 tot en met 2010 aangiften IB/PVV ingediend naar het belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 11.802, € 15.738 en

€ 16.531, met als enige bron van inkomen zijn Wajong-uitkering. De definitieve aanslagen IB/PVV over die jaren zijn met dagtekening 7 oktober 2009 (2008), 10 november 2010 (2009) en 22 juli 2011 (2010) conform de ingediende aangiften IB/PVV opgelegd.

2.4.

Naar belanghebbende is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld wegens verdenking van mensenhandel en witwassen. Informatie uit het strafrechtelijk onderzoek, zijnde delen van processen-verbaal, is door het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) aan de Inspecteur ter beschikking gesteld.

2.5.

Op 18 april 2009 heeft [G] aangifte gedaan bij de politie terzake van mensenhandel/gedwongen prostitutie, gepleegd door belanghebbende. Haar verklaring werd op 23 april 2009 opgenomen. Op 13 oktober 2010 is een opsporingsonderzoek gestart met de naam “Napolitaner”. Het onderzoek was gericht op het ronselen, bedreigen, verkrachten en gedwongen prostitueren en uitbuiten van [G] door belanghebbende.

2.6.

Belanghebbende is op 19 juni 2013 door de Rechtbank Oost-Brabant veroordeeld ter zake van kortgezegd mensenhandel en opzetheling tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar en tot betaling van een schadevergoeding aan [G] van € 109.460 (bestaande uit € 5.000 immateriële schadevergoeding en € 104.460 materiële schadevergoeding). Op 21 februari 2017 heeft de strafkamer van het Gerechtshof
’s-Hertogenbosch het vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant vernietigd, belanghebbende vrijgesproken van mensenhandel en opzetheling, en hem veroordeeld ter zake van schuldheling tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. [G] is als benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.

2.7.

Op 9 december 2010 heeft, na een anonieme tip, een doorzoeking in de woning plaatsgevonden. Op de eerste verdieping van de woning werd een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 311 hennepplanten van circa 1 week oud. Op de tweede verdieping (zolder) werd ook een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 365 hennepplanten van circa 3 weken oud. Op 21 december 2010 is door Enexis B.V. te [plaats 4] aangifte gedaan van diefstal van stroom.

2.8.

De regiopolitie Brabant is vervolgens een strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende gestart wegens verdenking van overtreding van de Opiumwet. Ook deze stukken heeft het OM aan de Inspecteur verstrekt. Ter zake van overtreding van de Opiumwet is belanghebbende niet strafrechtelijk vervolgd.

2.9.

Tot de door de Inspecteur van het OM ontvangen stukken behoort het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel m.b.t. kasopstelling” (hierna: het Rapport WVV). Naar aanleiding daarvan is namens de Inspecteur op 25 maart 2013 bij belanghebbende een onderzoek ingesteld, waarbij de mogelijkheid is onderzocht tot het opleggen van navorderingsaanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 2008 tot en met 2010 inzake inkomsten uit vrouwenhandel (prostitutie) en verdovende middelen. Onderzocht is of deze inkomsten konden worden belast op grond van artikel 3.90 van de Wet IB 2001. Van dat onderzoek is op 27 maart 2013 een rapport opgemaakt.

2.10.

Bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen IB/PVV is uitgegaan van een geschat resultaat uit overige werkzaamheden en zijn de volgende correcties toegepast:

2008

Correcties

Persoonsgebonden aftrek

€ 1.656

Resultaat uit overige werkzaamheden

Inkomsten uit mensenhandel

€ 104.460

Inkomsten uit hennepteelt

€ 40.656

€ 145.116

Totale correctie

€ 146.772

2009

Persoonsgebonden aftrek

€ 872

Resultaat uit overige werkzaamheden

Inkomsten uit mensenhandel

€ 25.200

Inkomsten uit hennepteelt

€ 101.640

€ 126.840

Totale correctie

€ 127.712

2010

Persoonsgebonden aftrek

€ 549

Resultaat uit overige werkzaamheden

Inkomsten uit mensenhandel

€ 0

Inkomsten uit hennepteelt

€ 89.118

€ 89.118

Totale correctie

€ 89.667

Bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen Zvw is uitgegaan van de hiervoor genoemde geschatte resultaten uit overige werkzaamheden over de jaren 2008 tot en met 2010 en is het inkomen uit werk en woning verhoogd conform de berekening in het rapport van 27 maart 2013.

2.11.

Uit het strafdossier, pagina 487, volgt dat belanghebbende op 12 januari 2011 telefonisch aan de politie vertelde dat hij geen lieverdje is, maar geen loverboy, dat hij zich meer bezighoudt met diefstallen, ladingdiefstallen; dat hij een ladingdief is.

Uit het strafdossier, pagina 488, volgt dat getuigen verklaren dat belanghebbende geen loverboy is, maar dat zij er niet van staan kijken als hij wordt beschuldigd van ladingdiefstallen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Zijn de onderhavige navorderingsaanslagen terecht met omkering en verzwaring van de bewijslast opgelegd?

  2. Zo ja, heeft belanghebbende aangetoond dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn, dan wel dat de navorderingsaanslagen tot te hoge bedragen zijn opgelegd?

  3. Is de Inspecteur uitgegaan van een redelijke schatting?

  4. Zijn de boeten terecht en tot juiste bedragen opgelegd?

  5. Heeft de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot een juist bedrag berekend?

Meer in het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen in stand kunnen blijven, nu belanghebbende strafrechtelijk is vrijgesproken van mensenhandel. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de strafrechtelijke vrijspraak geen gevolgen heeft voor de fiscale zaak en voorts dat de Rechtbank met betrekking tot de proceskostenvergoeding ten onrechte aan belanghebbende één procespunt heeft toegekend voor het verschijnen van belanghebbendes gemachtigde ter zitting van de Rechtbank, terwijl de gemachtigde daar niet is verschenen.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de navorderingsaanslagen, beschikkingen heffingsrente en van de boetebeschikkingen. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot gegrondverklaring van het incidentele hoger beroep van de Inspecteur, de vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de beslissing inzake de tegemoetkoming in de proceskosten en bevestiging van de uitspraak voor het overige.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

De navorderingsaanslagen

4.1.

Het Hof stelt voorop dat ingevolge artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in verbinding met artikel 27h van de AWR, het hoger beroep van belanghebbende ongegrond wordt verklaard, indien belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat de op basis van de aangifte verschuldigde belasting, zowel relatief als absoluut, aanzienlijk lager is dan de daadwerkelijk verschuldigde belasting (vgl. HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47, en HR 1 oktober 2010, nr. 09/02151, ECLI:NL:HR:2010:BN8731, BNB 2010/327). Dit betekent dat de Inspecteur, wil het gevolg van de omkering en verzwaring van de bewijslast intreden, aannemelijk moet maken dat de op basis van de aangifte verschuldigde belasting, zowel relatief als absoluut, aanzienlijk lager is dan de daadwerkelijk verschuldigde belasting.

4.2.

Rekening houdend met voornoemde voorwaarden voor toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast, is eerst de vraag van belang of de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende meer inkomsten heeft genoten dan hij in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2008, 2009 en 2010 heeft verantwoord.

Meer inkomsten dan aangegeven?

4.3.

De Inspecteur heeft gewezen op het Rapport WVV, waarin door de Regiopolitie Brabant Zuid Oost ten aanzien van belanghebbende eenvoudige kasopstellingen zijn gemaakt, die voor de jaren 2008, 2009 en 2010 negatief netto privé bestedingen van € 9.739, € 6.473 respectievelijk € 32.815 te zien geven. In de kasopstellingen is geen rekening gehouden met de kosten van levensonderhoud. Uit de kastopstellingen volgt dat belanghebbende in de onderhavige jaren uitgaven, nog afgezien van de uitgaven voor levensonderhoud, heeft gedaan, die niet uit de in de aangiften IB/PVV verantwoorde inkomsten van respectievelijk
€ 11.802 voor 2008, € 15.738 voor 2009 en € 16.531 voor 2010, kunnen zijn betaald.

4.4.

Evenals in eerste aanleg, heeft belanghebbende ook in hoger beroep de juistheid van die kasopstellingen niet betwist. Het Hof is van oordeel, dat uit de kasopstellingen is af te leiden dat belanghebbende ten minste tot de in die kasopstellingen genoemde bedragen, en waarschijnlijk nog aanzienlijk meer omdat er geen rekening is gehouden met kosten van levensonderhoud, andere financiële bronnen dan het aangegeven inkomen moet hebben gehad. Voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende meer inkomsten heeft gehad dan aangegeven, die voortvloeien uit een bron van inkomen, en dus belastbaar zijn, is een uit een vermogensvergelijking blijkend negatief privé niet voldoende. Voor de vraag of de andere financiële bronnen zijn te herleiden tot inkomsten die belastbaar zijn, overweegt het Hof als volgt.

4.5.

De Inspecteur betoogt met betrekking tot de bron van inkomen dat belanghebbende in onderhavige jaren aanzienlijke bedragen heeft behaald met handel in hennepplanten. Voor de berekening van de inkomsten uit hennepteelt heeft de Inspecteur onder meer verwezen naar de standaardberekeningen en normen van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM-rapport), de uitkomsten van het Nationaal Netwerk Drugsexpertise (NND), de verklaring van [G] over het verzorgen van de planten en het aantal oogsten in de periode van september 2008 tot en met november 2010. Evenals de Rechtbank acht het Hof de door de Inspecteur berekende inkomsten uit hennepteelt van respectievelijk
€ 40.656 over 2008, € 101.640 over 2009 en € 89.118 over 2010, een redelijke benadering van de inkomsten, die belanghebbende uit zijn betrokkenheid bij de hennepteelt moet hebben genoten, gelet op het feit dat in zijn woning een in werking zijnde hennepplantage is aangetroffen en de verklaringen ter zake van [G] .
Daar komt nog bij, dat het Hof uit de verklaringen aangehaald onder 2.11, dat belanghebbende zich bezig houdt met (lading)diefstallen, opmaakt dat belanghebbende ook overigens meer inkomsten heeft genoten dan hij heeft aangegeven.

4.6.

Gelet op het hiervoor overwogene, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende in de jaren 2008 tot en met 2010 meer inkomsten heeft genoten dan hij verantwoord heeft in zijn aangiften IB/PVV over die jaren.

Omkering en verzwaring van de bewijslast – vereiste aangifte

4.7.

Het Hof acht – gelet op de omvang van de geconstateerde negatieve privé uitgaven en de inkomsten uit onder meer hennepteelt in relatie tot het in de onderhavige jaren aangegeven belastbare inkomen – aannemelijk dat sprake is van zodanige bedragen aan niet-aangegeven inkomsten, zowel in absolute als in relatieve zin, dat de conclusie gerechtvaardigd is dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Het Hof is daarbij van oordeel dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften wist of zich ervan bewust moest zijn, dat door het niet aangeven van deze inkomsten een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dit betekent dat op grond van artikel 27e van de AWR de bewijslast in zoverre wijzigt, dat belanghebbende overtuigend moet aantonen – dat wil zeggen: moet doen blijken - dat en in hoeverre de navorderingsaanslag onjuist is.

Heeft belanghebbende aangetoond dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn?

4.8.

Het Hof acht belanghebbende niet geslaagd in het door hem te leveren bewijs dat de navorderingsaanslagen te hoog zijn vastgesteld. Afgezien van de blote stelling van belanghebbende dat hij in 2008 tot en met 2010 geen hennep heeft geteeld, welke stelling door het Hof – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – niet wordt gevolgd, heeft belanghebbende niets aangevoerd. Naar het oordeel van het Hof doet de omstandigheid dat belanghebbende door het Hof (strafkamer) vrijgesproken is van mensenhandel, hier niet aan af.

4.9.

Immers anders dan belanghebbendes gemachtigde meent, brengt de omstandigheid dat belanghebbende door de strafkamer van het Hof is vrijgesproken van mensenhandel, niet mee dat de navorderingsaanslagen vernietigd moeten worden. De belastingrechter is niet gebonden aan een oordeel van de strafrechter over hetzelfde feitencomplex, zelfs niet als aan hem dezelfde bewijsmiddelen ter beschikking staan als aan de strafrechter. Dit geldt zowel voor het bewijs met betrekking tot een belastingaanslag als voor het bewijs ten aanzien van een fiscale bestuursrechtelijke boete. Van een - door belanghebbende gestelde - inbreuk op het in het EVRM neergelegde vermoeden van onschuld kan eerst sprake zijn, indien de bewoordingen van de uitspraak van de belastingrechter twijfel oproepen over de juistheid van een vrijspraak in de strafzaak (vgl. EHRM 12 juli 2013, Allen tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 25424/09, ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409, en EHRM
23 oktober 2014, Melo Tadeu tegen Portugal, nr. 27785/10, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510).
De strafkamer heeft belanghebbende vrijgesproken van de mensenhandel omdat zij hem het voordeel van de twijfel gunde gelet op de voor het strafprocesrecht geldende bewijsregels. Het Hof (belastingkamer) trekt de juistheid van deze beslissing van de strafkamer niet in twijfel. In het onderhavige geval gaat het echter om de toepassing van de in het belastingrecht geldende regels voor de verdeling en omkering en verzwaring van de bewijslast, die afwijken van de in het strafprocesrecht geldende regels.
Naar het oordeel van het Hof doet zich hier geen situatie voor waarin twijfel is ontstaan over de juistheid van de vrijspraak in de strafzaak en is derhalve geen sprake van een inbreuk op de onschuldpresumptie.

Is de schatting van de Inspecteur redelijk?

4.10.

De Rechtbank heeft in het kader van de beoordeling van de vraag of de schatting van de Inspecteur redelijk is, geoordeeld dat zowel de schatting met betrekking tot de inkomsten uit de werkzaamheden van [G] alsook de schatting met betrekking tot de inkomsten uit hennepteelt redelijk zijn (r.o. 4.4.3.1 tot en met 4.4.4). Het Hof onderschrijft de overwegingen van de Rechtbank en maakt deze tot de zijne.

Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat deze schattingen zijn gebaseerd op de berekeningen in het Rapport WVV. Omdat niet alle contante geldstromen bekend zijn geworden, zijn de onbekende geldstromen buiten de berekening gehouden en is de Inspecteur derhalve uitgegaan van lagere bedragen, dan op basis van de beschikbare gegevens mogelijk was. Het Hof ziet geen aanleiding tot een verdere matiging van de schattingen van de Inspecteur.

Zijn de boeten terecht en tot juiste bedragen opgelegd?

4.11.

Op grond van artikel 67e van de AWR kan de Inspecteur gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag een vergrijpboete opleggen, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten, dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen van belasting. Onder opzet valt ook voorwaardelijk opzet, waaronder wordt verstaan het willens en wetens aanvaarden van de reële kans, dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting is geheven of kan worden .

4.12.

Zoals het Hof hiervóór heeft overwogen, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende in de onderhavige jaren aanzienlijke bedragen aan inkomsten niet heeft aangegeven in zijn aangiften voor de IB/PVV 2008 tot en met 2010 en dat belanghebbende zich ervan bewust is geweest dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan inkomstenbelasting niet geheven zou worden, althans dat hij willens en wetens de reële kans daartoe heeft aanvaard. Het is dan ook aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven.

4.13.

De Rechtbank heeft de boeten verminderd tot respectievelijk € 25.000 over 2008,
€ 20.000 over 2009 en € 11.000 over 2010, in verband met het feit dat de boetegrondslag is vastgesteld met omkering en verzwaring van de bewijslast. Het Hof heeft acht geslagen op de omstandigheid, dat de omvang van de verzwegen inkomsten is bepaald met toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast, maar acht geen termen aanwezig om in verband met onzekerheden omtrent de schatting van het inkomen een verdere matiging van de boeten toe te passen dan de Rechtbank reeds heeft gedaan. Het Hof acht de boeten, zoals door de Rechtbank vastgesteld, passend en geboden.

4.14.

De Rechtbank heeft de boeten voorts met 15% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn en de boeten uiteindelijk vastgesteld op respectievelijk € 21.250, € 17.000 en € 9.350. In hoger beroep is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn, zodat voor een verdere matiging in hoger beroep geen aanleiding is.

Navorderingsaanslagen Zvw

4.15.

De Rechtbank heeft overwogen:

“4.6.2. De inspecteur heeft het resultaat uit overige werkzaamheden over de jaren 2008 tot en met 2010 geschat op respectievelijk € 145.116, € 126.840 en € 89.118. Nu met betrekking tot de Zvw dezelfde feiten en omstandigheden aan de orde zijn als met betrekking tot de IB/PVV, geldt het hiervoor overwogene ook voor de navorderingsaanslagen Zvw. Voor deze navorderingsaanslagen dient daarom te worden uitgegaan van de resultaten uit overige werkzaamheden zoals hiervoor genoemd.

4.6.3.

Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de navorderingsaanslagen Zvw. Nu de voormelde bedragen aan belastbare resultaten uit overige werkzaamheden, hoger zijn dan de maximum bijdrage-inkomens over de jaren 2008, 2009 en 2010 van respectievelijk € 31.231, € 32.369 en € 33.189 zijn de onderhavige navorderingsaanslagen terecht en tot juiste bedragen opgelegd.”

4.16.

Het Hof onderschrijft de overwegingen van de Rechtbank en maakt deze tot de zijne. Bij dit oordeel heeft het Hof mede in aanmerking genomen dat belanghebbende in het hogerberoepschrift geen grieven heeft aangedragen tegen de uitspraak van de Rechtbank.

Heffingsrente

4.17.

Belanghebbende heeft geen afzonderlijke argumenten tegen de beschikkingen heffingsrente aangevoerd. Het Hof is overigens niet gebleken dat de heffingsrente onjuist zou zijn vastgesteld. De hoger beroepen zijn in zoverre ongegrond.

Incidenteel beroep Inspecteur

4.18.

De Inspecteur heeft in zijn incidenteel hoger beroepschrift het standpunt ingenomen dat de Rechtbank ten onrechte aan belanghebbende een proceskostenvergoeding heeft toegekend voor het verschijnen ter zitting, terwijl noch de gemachtigde noch belanghebbende op zitting zijn verschenen. Belanghebbende heeft het standpunt van de Inspecteur ter zitting van het Hof onderschreven. Het Hof volgt de Inspecteur in dit standpunt. Het Hof stelt de tegemoetkoming voor de kosten van bezwaar op 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde van € 246 per punt, en de tegemoetkoming in de proceskosten op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift bij de Rechtbank, met een waarde van € 495 en een wegingsfactor 1, dat is in totaal op € 987.

Slotsom

4.19.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond en het incidentele hoger beroep gegrond. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank vernietigen doch uitsluitend met betrekking tot de proceskostenvergoeding en bevestigen voor het overige met verbetering van gronden als voornoemd.

Ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht

4.20.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

4.21.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt. Immers het is niet in overeenstemming met de strekking van artikel 8:114 van de Algemene wet bestuursrecht om vergoeding van het griffierecht toe te kennen aan de procespartij, wiens hoger beroep ongegrond is verklaard in een geval, waarin de vernietiging van een uitspraak van de Rechtbank uitsluitend zijn grond vindt in het slagen van het door de andere partij ingestelde (incidentele) hoger beroep (vgl. HR 15 april 2011, 10/00692, ECLI:NL:HR:2011:BP6600).

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

  • -

    verklaart het incidentele hoger beroep van de Inspecteur gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het betreft de beslissing omtrent de proceskostenvergoeding;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in een tegemoetkoming in de kosten van bezwaar tot een bedrag van € 492;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in een tegemoetkoming in de proceskosten voor het geding bij de Rechtbank tot een bedrag van € 495;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige.

Aldus gedaan op 10 november 2017 door J. Swinkels, voorzitter, P. Fortuin en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van K. Bozia, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.