Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4837

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
15/00968-GHK tot en met 15/00997-GHK
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:4323, Overig
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Art. 8:42 Awb. Art. 8.29 Awb.

Het is aan de geheimhoudingskamer om te beoordelen of een stuk op de zaak betrekking heeft. De geheimhoudingskamer oordeelt dat een verslaglegging van de werkzaamheden van de Inspecteur een op de zaak betrekking hebbende stuk is. Anders dan belanghebbende wil moet dit stuk tot de gedingstukken worden gerekend. Het verzoek om geheimhouding van namen van natuurlijke personen en bedrijfsnamen worden grotendeels gehonoreerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2730
V-N 2018/7.4 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 20-11-2017
FutD 2017-2977
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’

Kenmerken: 15/00968-GHK tot en met 15/00997-GHK

Tussenuitspraak ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de hoger beroepen van

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en de incidenteel hoger beroepen van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 24 juni 2015, nummers AWB 12/5919 tot en met AWB 12/5948, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 1991 tot en met 2005 en het jaar 2008 opgelegde (navorderings-)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de aan belanghebbende voor de jaren 1992 tot en met 2000 en het jaar 2004 opgelegde (navorderings-)aanslagen vermogensbelasting (hierna: VB), de aan belanghebbende voor het jaar 2002 opgelegde aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Ziekenfondswet (hierna: ZFW) en een aan belanghebbende voor het jaar 1999 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: OB).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De, zojuist beschreven, aan belanghebbende opgelegde (navorderings- en naheffings-) aanslagen zijn als volgt schematisch weer te geven:

IB/PVV:

Kenmerk Hof

Nummer Rechtbank

Jaar

[aanslagnummer]

Dagtekening

1

15/00968

12/5926

1991

H18

30-11-2003

2

15/00969

12/5925

1992

H28

30-11-2003

3

15/00970

12/5924

1993

H38

30-11-2003

4

15/00971

12/5923

1994

H48

30-11-2003

5

15/00972

12/5922

1995

H57

30-11-2003

6

15/00973

12/5943

1996

H67

30-11-2003

7

15/00974

12/5944

1997

H77

30-11-2003

8

15/00975

12/5939

1998

H87

30-11-2003

9

15/00976

12/5940

1999

H97

30-11-2003

10

15/00977

12/5941

2000

H06

31-10-2003

11 *

15/00978

12/5942

2001

H17

21-07-2004

12

15/00979

12/5945

2002

H26

29-07-2005

13 *

15/00980

12/5921

2003

H36

31-10-2007

14

15/00981

12/5946

2004

H46

30-11-2007

15

15/00982

12/5937

2005

H56

15-07-2008

16

15/00983

12/5919

2008

H86

15-8-2011

VB:

17

15/00984

12/5928

1992

K28

30-11-2003

18

15/00985

12/5938

1993

K38

30-11-2003

19 **

15/00986

12/5929

20

15/00987

12/5930

1994

K48

30-11-2003

21

15/00988

12/5931

1995

K58

30-11-2003

22

15/00989

12/5932

1996

K67

30-11-2003

23

15/00990

12/5933

1997

K77

30-11-2003

24

15/00991

12/5934

1998

K87

30-11-2003

25

15/00992

12/5935

1999

K97

30-11-2003

26

15/00993

12/5927

2000

K07

30-11-2003

27 **

15/00994

12/5936

ZFW:

28 *

15/00995

12/5920

2002

S26

OB:

29 ***

15/00996

12/5947

1999

F01

30 ***

15/00997

12/5948

1999

F01

* De procedures met Rechtbank-nummers 12/5942, 12/5921 en 12/5920 zijn in de beroepsfase ingetrokken.

** De procedures met Rechtbank-nummers 12/5929 en 12/5936 zijn ten onrechte door de Rechtbank aangemaakt, blijkens overweging 2.20 van haar uitspraak.

*** De procedures met Rechtbank-nummers 12/5947 en 12/5948 betreffen dezelfde naheffingsaanslag OB.

1.2.1.

Bij de (navorderings)aanslagen IB/PVV en VB zijn verhogingen (met kwijtschelding), dan wel boeten opgelegd. Tevens zijn er bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.2.

Bij de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage ZFW en de naheffingsaanslag OB zijn bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3.

Belanghebbende is in rechte opgekomen tegen de vermelde (navorderings- en naheffings-) aanslagen. Voor een omschrijving van hetgeen procedureel in de bezwaar- en beroepsfase is voorgevallen verwijst de geheimhoudingskamer naar de uitspraken van de Rechtbank.

1.4.

Belanghebbendes hoger beroepen betreffen alle dertig door de Rechtbank in beroep aangemaakte procedures over de (navorderings- en naheffings-) aanslagen.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord. De Inspecteur heeft een aanvulling op zijn incidenteel hoger beroep ingediend en daarop heeft belanghebbende gereageerd.

1.6.

In zijn aanvulling op het incidenteel hoger beroep heeft de Inspecteur aangeboden om zijn - door belanghebbende bestreden - stelling dat hij in de periode tussen 24 juli 2002 en 29 januari 2003 in het kader van de opgelegde navorderingsaanslagen voldoende voortvarend heeft gehandeld, te onderbouwen door het overleggen van een ‘interne verslaglegging van door zijn collega’s verrichte contacten en werkzaamheden’ (hierna: de verslaglegging). Een samenvatting van deze handelingsmomenten is als bijlage bij de aanvulling op het incidenteel hoger beroep gevoegd en als zodanig aan belanghebbende verstrekt. De Inspecteur wenst de verslaglegging enkel onder toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aan het Hof en belanghebbende te verstrekken.

1.7.

Het Hof heeft de onderhavige procedures, gelet op dit verzoek van de Inspecteur, verwezen naar de geheimhoudingskamer van het Hof.

1.8.

Belanghebbende heeft aan de geheimhoudingskamer verzocht om de Inspecteur te gelasten om de persoonsgegevens van belanghebbende (toevoeging geheimhoudingskamer: in de verslaglegging) vrij te geven op basis van artikel 8:29 van de Awb). Belanghebbende heeft daarbij aangegeven zich te verzetten tegen een eventuele geheimhouding of beperkte kennisneming van de betreffende gegevens (enkel door het Hof en niet door belanghebbende). Overigens heeft belanghebbende gesteld dat het aan de Inspecteur is om aan te tonen dat de verslaglegging een op de zaak betrekking hebbend stuk is in de zin van artikel 8:42 van de Awb.

1.9.

De geheimhoudingskamer heeft de Inspecteur bij brief van 29 november 2016 verzocht om de integrale versie van de verslaglegging van de door de Inspecteur verrichte werkzaamheden in het door hem gedane onderzoek in deze procedures aan haar te overleggen, zodat zij kan beoordelen of de verslaglegging behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Indien de Inspecteur zich voor dit stuk wil beroepen op geheimhouding, dient hij te vermelden welke gewichtige redenen gehele of gedeeltelijke geheimhouding van dit stuk rechtvaardigen.

1.10.

Bij brieven van 3 januari 2017, 24 februari 2017 en e-mail van 24 maart 2017 heeft de geheimhoudingskamer haar verzoek aan de Inspecteur herhaald.

1.11.

De Inspecteur heeft bij brief van 12 april 2017 inhoudelijk op het verzoek van de geheimhoudingskamer gereageerd en heeft zowel een geschoonde als ongeschoonde versie van de verslaglegging (van de werkzaamheden) tot en met 10 september 2003 aan de geheimhoudingskamer overgelegd. Tevens heeft hij een aantal gewichtige redenen genoemd die volgens hem geheimhouding van delen van de verslaglegging rechtvaardigen. De brief van de Inspecteur van 12 april 2017 en de geschoonde versie van de verslaglegging is doorgestuurd aan belanghebbende.

1.12.

Belanghebbende heeft zich in zijn reactie van 15 mei 2017 op het standpunt gesteld dat het overgelegde stuk geen op de zaak betrekking hebbend stuk is en niet aan de dossiers mag worden toegevoegd. De reactie van belanghebbende is doorgestuurd aan de Inspecteur.

1.13.

De Inspecteur heeft bij brief van 28 augustus 2017 een afschrift van een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, gedateerd 31 juli 2017, nummer SHE 17/511, aan de geheimhoudingskamer van het Hof overgelegd. Deze uitspraak betreft een (primair) besluit van de Inspecteur van 23 september 2016, waarin de Inspecteur het verzoek van belanghebbende om vrijgave van zijn persoonsgegevens heeft afgewezen. Volgens de Inspecteur betreft dit een uitspraak waarbij belanghebbende om dezelfde gegevens vroeg die ook in het geding zijn in de onderhavige procedures. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de Inspecteur verwezen naar onderdeel 7 van de betreffende uitspraak, waaruit volgens hem blijkt dat belanghebbende genoegen neemt met de geschoonde versie van de stukken, zoals door de geheimhoudingskamer reeds aan hem is verstrekt.

1.14.

Bij brief van 7 september 2017 heeft de geheimhoudingskamer aan belanghebbende gevraagd of hij genoegen neemt met de geschoonde versie van de verslaglegging of dat hij (toch) een integrale versie van deze verslaglegging wenst te ontvangen. Indien belanghebbende de geschoonde versie van de verslaglegging op zich voldoende acht, maar van mening is dat de verslaglegging geen op de zaak betrekking hebbend stuk is, dient hij dat eveneens aan de geheimhoudingskamer mee te delen.

1.15.

Belanghebbende heeft - naar de geheimhoudingskamer begrijpt - gepersisteerd bij zijn eerder ingenomen standpunt dat de verslaglegging geen op de zaak betrekking hebbend stuk is en indien de geheimhoudingskamer van oordeel is dat dit wel het geval is, belanghebbende ook integraal over het stuk dient te beschikken.

1.16.

Bij brief van 20 september 2017 is een afschrift van de brief van belanghebbende aan de Inspecteur gestuurd en is aan beide partijen aangekondigd dat de geheimhoudingskamer verwacht eind oktober tussenuitspraak te doen in de onderhavige procedures.

2 Verzoek

Het verzoek van de Inspecteur om geheimhouding van delen van de verslaglegging hangt samen met de beantwoording van de vraag of bij de verslaglegging sprake is van een op de zaak betrekking hebbend stuk zoals bedoeld in artikel 8:42, lid 1, van de Awb, alsmede met de beantwoording van de vraag of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, die rechtvaardigen dat de Inspecteur weigert delen van de verslaglegging over te leggen aan het Hof en belanghebbende.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1.

Om daarover een oordeel te kunnen geven heeft de geheimhoudingskamer kennis genomen van de gehele procesdossiers.

Algemeen juridisch kader

3.2.

De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de Inspecteur op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof te zenden. Uit de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, nrs. 43448 en 43791, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868 en van 15 november 2013, nr. 12/0606, ECLI:NL:HR:2013:1129, volgt dat dit stukken zijn die in belanghebbendes zaak van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur dan wel die van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter (Hof ’s-Hertogenbosch 9 oktober 2014, 13/00842-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:4205).

3.3.

De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb, brengt echter niet automatisch mee dat die stukken volledig (dat wil zeggen zonder dat daarin delen onleesbaar zijn gemaakt) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het Hof mede te delen dat uitsluitend de Kamer (van het Hof) die in de hoofdzaak beslist kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).

3.4.

Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming en het honoreren van een verzoek om geheimhouding is als volgt:

a. Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door de Inspecteur worden onthouden aan de rechter die in de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die in de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding). (Weigering als bedoeld in lid 1 van art. 8:29 van de Awb door de Inspecteur om (delen van de) stukken aan zowel de rechter die in de hoofdzaak beslist als de wederpartij over te leggen is gerechtvaardigd.)

b. Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die in de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).

In art. 8:29, lid 5, Awb is bepaald, dat de variant ‘beperkte kennisneming’ alleen is toegestaan met toestemming van belanghebbende. (Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2014, 13/00377-GHK en 13/00471-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:1944.)

3.5.

Uit het verzoek van de Inspecteur aan de geheimhoudingskamer (zie 1.6), in combinatie gelezen met hetgeen belanghebbende in zijn stukken heeft opgemerkt (zie 1.8), maakt de geheimhoudingskamer op dat het verzoek van de Inspecteur in dit geval opgevat dient te worden als een verzoek om geheimhouding en niet als een verzoek om beperkte kennisneming.

3.6.

Beslissend bij de vraag of de Inspecteur zich terecht op deze geheimhouding beroept is niet of op de zaak betrekking hebbende stukken of onleesbaar gemaakte delen daarvan en/of bekendmaking van de identiteit van personen, voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn (Hoge Raad 23 mei 2014, 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182, r.o. 3.3.3). Slechts indien de door de Inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken - dat houdt in: het belang van belanghebbende bij kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken in ongeschoonde vorm - is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.

3.7.

De geheimhoudingskamer wijst er voorts nog op dat indien de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde gegevens voor belanghebbende geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen voor belanghebbende in de door de belastingrechter (in de hoofdzaak) toegepaste procedure moeten worden gecompenseerd. Dit kan bijvoorbeeld en onder omstandigheden tot uitdrukking komen in de bewijslastverdeling.

3.8.

De onder 3.6 verwoorde belangenafweging moet plaatsvinden in de concrete aan de geheimhoudingskamer voorgelegde zaak en na kennisneming door de geheimhoudingskamer, die de afweging moet maken, van het gehele dossier.

Beoordeling van het verzoek – artikel 8:42 van de Awb

3.9.

In de onderhavige procedures zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 1997 en de navorderingsaanslagen VB 1992 tot en met 1998 met toepassing van de verlengde navorderingstermijn aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Inspecteur ter zake van deze navorderingsaanslagen niet voortvarend genoeg heeft gehandeld. De Inspecteur betwist dat en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in de periode tussen 24 juli 2002 en 29 januari 2003 voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Bij zijn brief van 12 april 2017 heeft de Inspecteur in dat kader de verslaglegging (van de werkzaamheden) van 21 november 2002 tot en met 15 april 2004 overgelegd. In zijn begeleidende brief heeft de Inspecteur aangegeven dat enkel de verslaglegging tot 10 september 2003 van belang is, omdat op 11 september 2003 een vragenbrief aan belanghebbende is gestuurd en de voortvarendheid volgens hem vanaf dan niet meer in geding is. Naar de geheimhoudingskamer begrijpt acht de Inspecteur de verslaglegging van 21 november 2002 tot en met 10 september 2003 een op de zaak betrekking hebbend stuk.

3.10.

Belanghebbende heeft ten aanzien van de gehele verslaglegging gesteld dat deze geen op de zaak betrekking hebbend stuk is.

3.11.

Nu in de onderhavige procedures in geschil is of de Inspecteur ter zake van de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend heeft gehandeld, is de verslaglegging tot 10 september 2003 van belang voor de besluitvorming door de belastingrechter in onderhavige procedures en daarmee een op de zaak van belanghebbende betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De stelling van belanghebbende dat de verslaglegging niet tot de gedingstukken mag worden gerekend, faalt gelet op het voorgaande, hetgeen tevens met zich brengt dat de verslaglegging tot 10 september 2003 in beginsel ongeschoond door de Inspecteur aan belanghebbende dient te worden geopenbaard.

3.12.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, die rechtvaardigen dat de Inspecteur weigert de verslaglegging tot 10 september 2003 ongeschoond in het geding te brengen.

Door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding

3.13.

De Inspecteur heeft in de verslaglegging tot 10 september 2003

a. a) namen en persoonsgegevens van derden geschoond; alsmede

b) namen en gegevens van belastingambtenaren/FIOD-ambtenaren/invorderingsambtenaren;

c) namen van douane- en politieambtenaren en deurwaarders;

d) namen van Officieren van Justitie (betrokken bij het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende);

e) namen en gegevens van (derde) bedrijven;

f) het woord ‘i…’ op pagina 10, 12 en 15 van de verslaglegging;

g) de naam van een project;

h) de naam van belanghebbende zelf (een aantal malen).

3.14.

In zijn brief van 12 april 2017 heeft de Inspecteur als volgt aangevoerd voor wat betreft zijn verzoek om geheimhouding:

‘Ten aanzien van de werkzaamheden tot en met 10 september 2003 beroep ik mij voorts op toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht aangezien ik een reëel veiligheidsrisico aannemelijk acht voor de in het in het niet geschoonde document genoemde personen. Verder bevat het document naar derden leidende informatie. Om deze reden verzoek ik een geheimhoudingskamer een oordeel te vellen over mijn standpunt dat de wederpartij geen kennis dient te nemen van dit integrale ongeschoonde document.’

3.15.

Belanghebbende heeft verzocht om het vrijgeven van de in de verslaglegging geschoonde (persoons)gegevens.

3.16.

Voor wat betreft de bescherming van de persoonsgegevens van natuurlijke personen overweegt de geheimhoudingskamer als volgt. De Inspecteur heeft zich voor het geheimhouden van de hierboven onder a tot en met d vermelde personen en hun persoonsgegevens, zoals telefoon- en faxnummers, plaatsnamen, adressen en geboortedata

beroepen op de bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De Inspecteur is van mening, dat het belang bij bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft, namelijk het zoveel mogelijk kennis kunnen nemen van de ongeschoonde stukken.

3.17.

De Inspecteur acht de bescherming van persoonsgegevens een gerechtvaardigd belang voor het geheimhouden van (delen van) de verslaglegging.

3.18.

Belanghebbende is - zo begrijpt de geheimhoudingskamer - van mening, dat hij kennis moet kunnen nemen van de ongeschoonde verslaglegging.

3.19.

De Inspecteur heeft per abuis bij de geschoonde versie van de verslaglegging een ongeschoonde pagina 2 (ongenummerd) overgelegd, die aan belanghebbende is gezonden. In zoverre ontbeert het verzoek van de Inspecteur om geheimhouding belang.

3.20.

De geheimhoudingskamer is met betrekking tot de hiervóór omschreven belangenafweging, na kennisneming van het gehele dossier, van oordeel dat de in dit kader door de Inspecteur geschoonde gegevens voor de beslissing van de hoofdzaak niet direct van belang zijn. Gelet hierop, mede gelet op het in het algemeen zwaarwegende belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en mede gelet op de uit de Wet bescherming persoonsgegevens en uit de Richtlijn van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, 95/46/EG, PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31 voortvloeiende verregaande bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van de persoonsgegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Hierbij heeft de geheimhoudingskamer in aanmerking genomen dat duidelijk is op welke plek namen en overige gegevens zijn geschoond, zodat belanghebbende er niet in wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak door de Kamer, die in de hoofdzaak beslist, alsnog gericht haar (processuele) standpunt te bepalen.

3.21.

Hieruit volgt dat de Inspecteur de onder a tot en met d genoemde persoonsgegevens van natuurlijke personen op grond van gewichtige redenen heeft mogen schonen, zoals hij heeft gedaan.

3.22.

Voor wat betreft de bescherming van de persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen (bedrijven) overweegt de geheimhoudingskamer als volgt. De Inspecteur heeft zich voor het geheimhouden van de namen en gegevens van rechtspersonen/bedrijfsnamen (e)

beroepen op de bescherming van persoonsgegevens. Naar de geheimhoudingskamer begrijpt is de Inspecteur van mening, dat het belang bij bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft, namelijk het zoveel mogelijk kennis kunnen nemen van de ongeschoonde stukken.

3.23.

De geheimhoudingskamer stelt voorop, dat aan de bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen weliswaar een minder vergaande bescherming toekomt dan aan de bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen, maar de bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen, waaronder bedrijfsgegevens, zoals bedrijfsnamen en contactgegevens e.d., is ook zeer zwaarwegend. De geheimhoudingskamer is met betrekking tot de te maken belangenafweging, na kennisneming van de gehele dossiers, van oordeel dat de door de Inspecteur geschoonde gegevens voor de beslissing van de hoofdzaak niet direct van belang zijn. Gelet hierop is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van de persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Hierbij heeft de geheimhoudingskamer in aanmerking genomen dat duidelijk is op welke plek namen en overige gegevens zijn geschoond, zodat belanghebbende er niet in wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak door de Kamer, die in de hoofdzaak beslist, alsnog gericht zijn (processuele) standpunt te bepalen.

3.24.

Hieruit volgt, dat de Inspecteur de onder e genoemde persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen op grond van gewichtige redenen heeft mogen schonen, zoals hij heeft gedaan.

3.25.

Voor wat betreft het geschoonde woord ‘i…’ (f) overweegt de geheimhoudingskamer als volgt. Het woord ‘i…’ is in de reeds aan belanghebbende overgelegde geschoonde versie van de verslaglegging niet consequent geschoond, zie pagina 16 van deze versie (ongenummerd), waarin het woord een aantal malen volledig is vermeld. Het verzoek om geheimhouding van dit woord ontbeert dan ook belang en wordt afgewezen.

3.26.

Voor wat betreft de naam van het project (g) overweegt de geheimhoudingskamer als volgt. De naam van het project is in de reeds aan belanghebbende overgelegde geschoonde versie van de verslaglegging niet consequent geschoond, zie pagina 16 van deze versie (ongenummerd), waarin het project volledig is vermeld. Het verzoek om geheimhouding van dit project ontbeert dan ook belang en wordt afgewezen.

3.27.

Voor wat betreft de geschoonde gegevens (naam) van belanghebbende zelf op pagina 25, 27 en 28 van de verslaglegging (ongenummerd) is de geheimhoudingskamer van oordeel dat deze geopenbaard moet(en) worden.

Slotsom

3.28.

Nu de onderhavige beslissing voor de Inspecteur de verplichting meebrengt, de onder 3.25 tot en met 3.27 genoemde gegevens op de pagina’s waarop deze gegevens geschoond zijn, alsnog te verstrekken, wordt de Inspecteur in de gelegenheid gesteld schriftelijk mede te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de geheimhoudingskamer verbindt. De geheimhoudingskamer wijst hierbij op het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb, dat, voor zover te dezen van belang, als volgt luidt:

‘Indien een partij niet voldoet aan de verplichting (…) stukken over te leggen (…) kan de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.’.

3.29.

Het voorgaande leidt tot de hierna volgende beslissing.

4 Beslissing

De geheimhoudingskamer:

- bepaalt dat het aan de geheimhoudingskamer overgelegde stuk (de verslaglegging) een op de zaak betrekking hebbend stuk is;

- verstaat dat de door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van (delen van) dit stuk (de verslaglegging) deels gerechtvaardigd zijn;

- bepaalt dat het schonen van de onder 3.13, onder a tot en met e, vermelde gegevens gerechtvaardigd is;

- verzoekt de Inspecteur binnen twee weken na verzending van deze uitspraak aan de geheimhoudingskamer te berichten of hij bereid is een geschoonde versie, waarin de onder 3.13, onder f tot en met h vermelde gegevens alsnog op de pagina’s van het stuk (de verslaglegging) waarop deze gegevens nu ontbreken, in het geding te brengen en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van twee weken; en

- verwijst de zaak naar de meervoudige Kamer die de hoofdzaak behandelt nadat de Inspecteur de geheimhoudingskamer in vorenbedoelde zin heeft geïnformeerd en stelt het procesdossier, met uitzondering van de aan de geheimhoudingskamer overgelegde ongeschoonde stukken, daarna ter beschikking van die Kamer.

Aldus gedaan op: 10 november 2017

door P. Fortuin, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Rechtsmiddel

Tegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open. Tegen dergelijke beslissingen van de Rechtbank of het Hof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2007, nr. 43 294, ECLI:NL:HR:2007:BB3489).