Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4834

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
20-002358-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:4057, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Woningovervallen en bedrijfsinbraken in en nabij Oss. Naar het oordeel van het hof kan op basis van de onderzoeksresultaten niet buiten iedere twijfel worden vastgesteld dat de verdachte als mededader betrokken is geweest bij de onder 4 ten laste gelegd woningoverval (ripdeal). Wel acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als mededader betrokken is geweest bij twee bedrijfsinbraken en een zeer gewelddadige woningoverval te Oss, waarbij twee slachtoffers hard op het hoofd zijn geslagen met een koevoet. Gelet op het buitengewoon grove geweld dat verdachte en zijn mededaders bij de onder 5 bewezen verklaarde woningoverval hebben toegepast, de omvang van de onder 2 en 3 bewezen verklaarde bedrijfsinbraken en de ingrijpende gevolgen van die feiten voor de slachtoffers, acht het hof het passend en geboden aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 7 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002358-16

Uitspraak : 10 november 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 29 juli 2016 in de strafzaak met parketnummer 01-879320-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

wonende te [adres] ,

thans verblijvende in P.I. Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen. Ten aanzien van de benadeelde partij [slager] heeft de advocaat-generaal geëist dat het hof de vordering integraal zal toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 31.733,76 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, alsmede het toewijzen van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 1.252,50 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door de verdediging is primair bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, subsidiair dat de verdachte dient te worden vrijgesproken en meer subsidiair dat bewijsuitsluiting en/of strafvermindering moet volgen.

Uiterst subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de benadeelde partijen heeft de raadsman betoogd dat het hof hun vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren dan wel zal afwijzen.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich derhalve mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het onder 1 ten laste gelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open van een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

2.
hij op of omstreeks 21 februari 2015 te Helmond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een slagerij gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid vlees en/of een hoeveelheid garnalen en/of een hoeveelheid messen en/of een hoeveelheid (keuken- en/of snij)machines en/of een hoeveelheid weegschalen en/of een hoeveelheid snijplanken en/of een hoeveelheid barbecues en/of een hoeveelheid gasflessen en/of een hoeveelheid broodmanden en/of een hoeveelheid plastic lepels en/of een hoeveelheid afvalbakken en/of een hoeveelheid (ham)haken en/of een hoeveelheid beeldschermen en/of een hoeveelheid bewakingscamera's en/of een decoder en/of een koffiezetapparaat en/of een biertap en/of een messenslijper en/of een hogedrukreiniger en/of een bestelauto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slager] Slagerij en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

3.
hij op of omstreeks 12 maart 2015 te Oss tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een vriescel, behorende bij een bedrijfspand gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een hoeveelheid vlees, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slager] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

4.
hij op of omstreeks 19 maart 2015 te Heesch, gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een woning gelegen aan [adres] ) heeft weggenomen een hoeveelheid hennep(planten) en/of een telefoon en/of een babyfoon en/of een hoeveelheid sleutels en/of een personenauto en/of een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

B.

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid hennep(planten) en/of een telefoon en/of een babyfoon en/of een hoeveelheid sleutels en/of een personenauto en/of een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), als volgt heeft/hebben gehandeld,

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- die [slachtoffer 4] vastgegrepen en/of (terug) de woning (gelegen aan [adres] ) in geduwd en/of (daarbij) die [slachtoffer 4] de woorden toegevoegd: "naar binnen, naar binnen" en/of

- een vuurwapen op (het hoofd en/of in de nek van) die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gedrukt en/of gericht (gehouden);

5.
hij op of omstreeks 04 maart 2015 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning gelegen aan de [adres] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (30.000 euro) en/of een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij bezit van het gestolene te verzekeren,

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s):
- die [slachtoffer 2] met een koevoet, althans met een hard en/of scherp en/of zwaar voorwerp meermalen, althans eenmaal met (aanzienlijke) kracht op het hoofd en/of vervolgens op de ribben geslagen en/of
- die [slachtoffer 1] met een (hard en/of scherp en/of zwaar) voorwerp meermalen, althans eenmaal met (aanzienlijke) kracht in het gezicht geslagen en/of
- (met kracht) de ringen van de vingers van die [slachtoffer 1] losgetrokken en/of
- (met kracht) de armbanden en/of het horloge van de pols, althans de arm van die [slachtoffer 1] losgetrokken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (feit 4)

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in de strafvervolging ter zake van het onder 4 ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat de officier van justitie, door te beslissen dat het onder verdachte in beslag genomen vuurwapen kon worden vernietigd, vormen heeft verzuimd, de waarheidsvinding heeft belemmerd en dit tot gevolg heeft dat er sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft tijdens zijn verhoor d.d. 21 maart 2015 afstand gedaan van het vuurwapen en de onderzoekswensen van de verdediging met betrekking tot het wapen zijn pas in een laat stadium, in hoger beroep, naar voren gebracht. Het wapen was op dat moment al vernietigd. Het hof betreurt dat het door de raadsman verzochte onderzoek niet meer heeft kunnen plaatsvinden nu het wapen niet meer beschikbaar was. Ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof echter niet gebleken dat de officier van justitie, door te beslissen dat het onder verdachte inbeslaggenomen vuurwapen moest worden vernietigd, doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen tekort heeft gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak.

Het verweer wordt verworpen.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ook ontvankelijk in de strafvervolging van de verdachte ter zake van het onder 4 ten laste gelegde.

Vrijspraak van feit 4

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Weliswaar zijn in het dossier aanwijzingen te vinden dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de onder 4 ten laste gelegde woningoverval. Zo is hij in de nacht van de overval bij zijn woning gezien in het gezelschap van onder meer de medeverdachte [medeverdachte 1] , bij wie goederen afkomstig van de woningoverval zijn aangetroffen. Ook is in de woning van de verdachte een zwarte bivakmuts aangetroffen.

Evenwel kan naar het oordeel van het hof op basis van de onderzoeksresultaten niet buiten iedere twijfel worden vastgesteld dat de verdachte in de nacht van 19 maart 2015 in Heesch is geweest en als mededader betrokken is geweest bij de overval op de woning gelegen aan [adres] . Zo zijn er qua kleur en grootte verschillen tussen de beschrijving door de politie van het bij verdachte aangetroffen vuurwapen en het vuurwapen zoals dat is omschreven door aangever [slachtoffer 4] . Ook is op geen enkele wijze gebleken dat de geringe hoeveelheid hennep die in de woning van de verdachte is aangetroffen verband houdt met de ongeveer 120 hennepplanten die zijn weggenomen in de woning [adres] te Heesch. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder 4 ten laste gelegde woningoverval.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

2.
hij omstreeks 21 februari 2015 te Helmond tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een slagerij gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid vlees en een hoeveelheid garnalen en een hoeveelheid messen en een hoeveelheid (keuken- en/of snij)machines en een hoeveelheid weegschalen en een hoeveelheid snijplanken en een hoeveelheid barbecues en een hoeveelheid gasflessen en een hoeveelheid broodmanden en een hoeveelheid plastic lepels en een hoeveelheid afvalbakken en een hoeveelheid (ham)haken en een hoeveelheid beeldschermen en een hoeveelheid bewakingscamera's en een decoder en een koffiezetapparaat en een biertap en een messenslijper en een hogedrukreiniger en een bestelauto, toebehorende aan [slager] Slagerij en/of [slachtoffer 3] , waarbij verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

3.
hij op 12 maart 2015 te Oss tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een vriescel, behorende bij een bedrijfspand gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een hoeveelheid vlees, toebehorende aan [slager] , waarbij verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

5.
hij op 04 maart 2015 te Oss, tezamen en in vereniging met anderen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning gelegen aan de [adres] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (28.000 euro) en een hoeveelheid sieraden, toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s):
- die [slachtoffer 2] met een koevoet met kracht op het hoofd en vervolgens op de ribben geslagen en
- die [slachtoffer 1] met een koevoet met kracht in het gezicht geslagen en
- met kracht de ringen van de vingers van die [slachtoffer 1] losgetrokken en
- met kracht de armbanden en het horloge van de arm van die [slachtoffer 1] losgetrokken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn oordeel op onderstaande bewijsmiddelen en (bewijs)overwegingen, in onderling verband en samenhang bezien. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot het bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het bewijs 1

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 4 maart 2015 (pg. 631-646), met bijlagen, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 3] namens [slager] Slagerij:

Ik doe aangifte van inbraak in [slager] Slagerij gelegen aan de [adres] in Helmond. Op 20 februari 2015, omstreeks 19:00 uur, is de slagerij afgesloten. Hierbij is de dagopbrengst in een afsluitbaar kastje gedaan die zich achter de toonbank bevindt. Op 21 februari 2015, omstreeks 07:00 uur, vernam ik dat er was ingebroken in de slagerij. Ik hoorde dat bijna al mijn vlees uit de slagerij was weggenomen alsmede mijn bedrijfsbus, messen, diverse machines, barbecues, een biertap en tv-schermen. Op 21 februari 2015, omstreeks 13:30 uur, was ik ter plaatse in de slagerij. Ik zag dat de toegangsdeur aan de voorzijde van de slagerij braakschade had. De toegangsdeur was opengebroken. Op 22 februari 2015 zag ik dat twee bewakingscamera’s die voorin de winkel hingen waren weggenomen. Het vlees wat in de werkplaats hing om te drogen is weggenomen. Ik zag dat er vlees was weggenomen uit de vriezer. Mijn bedrijfsbus, een witte Mercedes Sprinter, kenteken [kenteken] , was weggenomen uit de berging die achter de werkplaats is gelegen. Uit de vleeswarencel waren barbecues, gasflessen, een hoge drukreiniger, een slijpmachine, een snijmachine, een weegschaal, een biertap en een gehaktmolen weggenomen. Op 23 februari 2015 is mijn bedrijfsbus uitgebrand in Volkel aangetroffen.

Bijlage goederen:

Vlees, messen, keuken- en snijmachines, weegschalen, snijplanken, barbecues, gasflessen, broodmanden, plastic lepels, afvalbakken, (ham)haken, beeldschermen, camera’s, decoder, koffiezetapparaat, biertap, messenslijper, hogedrukreiniger en een bestelauto.

2. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 10 maart 2015 (pg. 647-651), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slager] :

De recorder waarop de (weggenomen) camera’s waren aangesloten, is ook weggenomen. Op het overgrote deel van het vlees zaten stickers. Hierop stond onder andere waar het vlees geslacht is. Via de nummers moet het vlees naar mij te traceren zijn. Er zijn ook circa 22,5 dozen met scampi (het hof begrijpt: garnalen) spiezen weggenomen.

3. Het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 30 juli 2015 (pg. 625-630), historische verkeersgegevens en tapgesprekken (pg. 679-693):

Op 20 februari 2015 te 23:10 uur heeft het 06-nummer van [naam] contact met het 06-nummer van [verdachte] (pg. 628, 679).

Op 20 februari 2015 te 23:25 uur hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] telefonisch contact en zal [medeverdachte 1] naar het kamp komen. De Ford Focus in gebruik bij [medeverdachte 1] staat om 23:38 uur stil op [adres] (pg. 628, 679-681).

Op 21 februari 2015 te 00:34 uur hebben de 06-nummers van [medeverdachte 1] en [verdachte] telefonisch contact (pg. 628, 679, 682). Om 00:35 uur is er telefonisch contact tussen de 06-nummers van [verdachte] en [medeverdachte 2] (pg. 628, 679).

Op 21 februari 2015 te 06:36 uur raadpleegt het 06-nummer in gebruik bij [echtgenote medeverdachte 1] de website 112 meldingen Helmond (pg. 628, 683).

Op 21 februari 2015 te 13:08 uur zegt [medeverdachte 1] tegen een NN-man dat hij hem vanmorgen nodig had gehad en dat het nu te laat is. [medeverdachte 1] zegt dat het wel iets heel moois was geweest voor NN-man (pg. 628, 686).

Op 21 februari 2015 te 14:44 uur vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] of hij iets heeft. [medeverdachte 1] zegt dat hij wel een bakplaat heeft (pg. 628, 687).

Op 21 februari 2015 te 14:59 uur heeft [medeverdachte 1] een telefonisch gesprek met zijn vader ( [naam] ). Zijn vader vraagt of hij nog wat heeft meegemaakt, waarop [medeverdachte 1] zegt “zat”, maar dat kan hij nu niet vertellen. [medeverdachte 1] zegt dat hij ze weer heeft verdiend en dat het ook wel iets voor hem was geweest. Zijn vader vraagt of hij het heeft verdiend met die andere? [medeverdachte 1] zegt ja en dat hij nu iets fijns voor zichzelf heeft, zo’n recorder met twee van die dingetjes erbij (pg. 628-629, 688).

Op 22 februari 2015 te 16:30 uur heeft [medeverdachte 1] telefonisch contact met [naam] en vraagt aan hem of hij camera’s kan installeren. [medeverdachte 1] heeft zijn telefoonnummer van [verdachte] gekregen en zegt dat hij twee camera bolletjes en opname apparatuur heeft die aangesloten moeten worden (pg. 629, 689).

Op 22 februari 2015 te 16:33 uur vertelt [echtgenote medeverdachte 1] tegen een NN-man dat [medeverdachte 1] een doos garnalen voor haar heeft meegenomen (pg. 690).

Op 22 februari 2015 te 19:41 uur hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] telefonisch contact. [verdachte] ligt ziek op bed. [medeverdachte 1] zegt dat hij hem had geappt en voor de deur staat. [verdachte] vraagt of het belangrijk is. [medeverdachte 1] zegt: “ja, afmaken he!”. [verdachte] zegt dat het goed komt. (Opmerking hof: melding autobrand in Volkel van de bestelbus van aangever is om 20:54 uur).

4. Het relaas d.d. 30 juli 2015 (pg. 625-630), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op 22 februari 2015 te 20:54 uur stond op de [adres] te Volkel een bedrijfsbus met kenteken [kenteken] in brand.

5. Het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 30 juli 2015 (pg. 625-630) en de bakengegevens van de Ford Focus met kenteken [kenteken] (pg. 680):

De Ford Focus met kenteken [kenteken] stond op 22 februari 2015 tussen 20:29 uur en 20:47 uur stil op de locatie [adres] te Volkel.

6. Het relaas d.d. 30 juli 2015 (pg. 383-391), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Uit de gegevens van de RDW blijkt dat het kenteken [kenteken] is afgegeven voor een zwarte Ford Focus met als tenaamgestelde [echtgenote medeverdachte 1] wonende te [adres] . [echtgenote medeverdachte 1] is de echtgenote van [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] . Op 17 november 2014 en 15 januari 2015 werd door verbalisanten vastgesteld dat [medeverdachte 1] als bestuurder optrad van de onderhavige auto.

7. Het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 30 juli 2015 (pg. 625-630) en het gesprek met herkomst tap nummer 355172057794090 (pg. 693):

Op 23 februari 2015 te 02:55 uur bekijkt het 06-nummer van [medeverdachte 1] de internetpagina http://kliknieuws.nl/nieuws/191203/bestelbus-in-lichterlaaie-in-volkel geraadpleegd.

8. Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv) d.d. 19 maart 2015 (pg. 37-47) en het proces-verbaal binnentreden woning d.d. 20 maart 2015 (pg. 53-54):

Inbeslaggenomen tijdens doorzoeking perceel [adres] (hof: woning [medeverdachte 1] ) onder [echtgenote medeverdachte 1] :
1 pak garnalenspies (1 kg verpakking, merk Seacon)

2 witte bolcamera’s
Harddisc Quadplex H.264

9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 maart 2015 (pg. 1373-1374), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op 19 maart 2015 werd in de woning [adres] opnameapparatuur aangetroffen, merk Quadplek (het hof begrijpt: Quadplex) Dur H.264.

10. Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv) d.d. 20 maart 2015 (pg. 74-82) en het verslag van binnentreden woning ex art. 10 Awbi d.d. 20 maart 2015 (pg. 67):

Inbeslaggenomen tijdens doorzoeking perceel [adres] (hof: woning [verdachte]): in een vriezer: 4 zakken vlees en 3 dozen met garnalen (3 kilo in totaal).

11. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 23 maart 2015 (pg. 662-672), met bijlagen en het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 30 juli 2015 (pg. 625-630):

(pg. 627)

Op 23 maart 2015 werden aan aangever [slachtoffer 3] foto’s getoond van vlees en dozen garnalen die bij de doorzoeking van perceel [adres] (hof: woning [verdachte]) en de [adres] (hof: woning [medeverdachte 1] ) werden aangetroffen. Hierbij herkende aangever [slager] het overgrote deel van de aan hem getoonde goederen.

(pg. 662)

Op 23 maart 2015 stelde ik, verbalisant [verbalisant] , een onderzoek in terzake foto's van gestolen vlees. Ik ben met de foto's van het vlees naar aangever [slager] gegaan om te vragen of hij het vlees herkent als zijnde vlees wat hij verkoopt in zijn slagerij.

Ik, verbalisant [verbalisant] , liet de foto's aan aangever [slager] , zien en ik hoorde

dat hij gelijk zei "ja, dat herken ik dat komt uit mijn slagerij". Ik zag dat hij hierbij wees naar foto 1; op deze foto is het rundvlees te zien van vleeshandel [naam] . Ik verbalisant hoorde dat de aangever zei dat foto 2, de achterzijde van het vlees was op foto 1.

Ik verbalisant hoorde dat de aangever zei dat het batchnummer op de verpakking van foto 1 overeenkomt met de slachtdatum van het rund. De aangever heeft mij verbalisant, 2 kopieën van facturen overhandigd die overeenkomen met batchnummer/slachtdatum. Ik, verbalisant, hoorde dat de aangever zei dat op foto's 3, 4 en 5, varkenshaas te zien was die ook uit zijn slagerij komt. Ik hoorde dat de aangever zei "ik herken het handschrift op de verpakking, dat is van een van mijn medewerkers". Ik verbalisant hoorde dat de aangever zei dat foto 6, ook vlees is wat hij verkoopt en dat foto's 7 en 8, garnalen zijn die hij ook verkoopt in zijn slagerij.

12. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 7 mei 2015 (pg. 673-675), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 3] :

De weggenomen camera’s waren houders waarin witte bollen met een lens zaten. Rondom de lens zaten rode lampjes voor ’s avonds. De recorder was zwart van kleur met witte letters erop. U toont mij twee foto’s (pg. 676-677). Deze camera’s komen qua kleur en model overeen met de camera’s die bij mij zijn weggenomen. U toont mij een foto met nummer 3 (pg. 678, zwarte recorder Quadplex H.264). Dit is een soortgelijke recorder als de recorder die bij mij uit het bedrijf is weggenomen.

13. Het relaas d.d. 30 juli 2015 (pg. 627), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

De aan aangever [slager] getoonde twee bolcamera’s en recorder werden aangetroffen in de woning van verdachte [medeverdachte 1] gelegen aan de [adres] .

14. Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv) d.d. 24 maart 2015 (pg. 50-51) en het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 30 juli 2015 (pg. 625-630):

Op 19 maart 2015 werd de mobiele telefoon van verdachte [medeverdachte 1] , merk Samsung, type Galaxy S4 GT-19505, in beslag genomen. Deze telefoon bevatte onder meer een afbeelding van een foto kennelijk gemaakt in een slagerij met daarop een drietal gemaskerde personen.

15. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 mei 2015 (pg. 694), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Ik toonde aan de heer [slager] een foto waarop een slagerij te zien was. [slager] verklaarde dat hij de getoonde foto herkende als zijn slagerij.

16. Het proces-verbaal OVC bezoek 5 PI Dordrecht, [verdachte] d.d. 29 juni 2015 (pg. 616-623), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten

[verbalisant] en [verbalisant] :

Datum/tijd: 10 juni 2015 omstreeks 13:15 uur

Verdachte(n): [verdachte] (afkorting naam in PV: [naam] )

Betrokken sprekers: [naam] , moeder van [verdachte]
(afkorting naam in PV: [naam] )

(pg. 617-618)
[verdachte] : En [naam] (hof: [naam] ), wat vroegen ze daar?
[naam] : [naam] die had die hadden ze.. die moest om half 11 komen en hebben ze
tot 11 uur laten wachten. En ze vroegen ook hoe nerveus ze was. Snapte (..). Toen had ze. Ze hadden tegen haar gezegd.. ze had uuh.. ’s middags
schijnbaar worstenbroodjes moeten maken. Dat had haar baas dan gezegd
he die middag. Die worstenbroodje moeten afkoelen op een tafel. Dan laten
ze altijd die tafel staan, maar ze hebben speciaal die tafels weggezet hebben
dat een auto naar binnen kon rijden of iets. Maar dat heb ik helemaal niet
gedaan zei zij speciaal die tafels weggezet. Over camera’s. Ze bleven over
camera’s aan de gang. Dummies waren blijven hangen. Zij had gezegd waar
de echtere camera’s zouden hangen [dat leggen ze ten laste].
Zwijgrecht [..] van mijn advocaat [..].
Ik wens niks te verklaren en toen was ze om half 12 was ze alweer bij ons. (..)
En om half 12 kwam ze alweer aan geturft.
[verdachte] : Oh dus dat was het. Ja euh ze vissen maar een eind heen.

17. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 12 maart 2015 (pg. 804-806), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slager] namens [slager] :

Ik doe aangifte van een inbraak uit mijn bedrijf [slager] , gelegen aan de [adres] te Oss. De inbraak heeft plaatsgevonden op een tijdstip tussen 11 maart 2015 te 17:00 uur en 12 maart 2015 te 06:00 uur. Op laatstgenoemd tijdstip bemerkte ik dat er was ingebroken in de vriescel die los tegen het bedrijfspand aan staat. Ik zag dat een metalen plaat die de vriescel afschermt was gedemonteerd. Via dit gat heeft men diverse kratten met diepgevroren vlees weggenomen. Men heeft ook nog een gat geknipt in het hekwerk naast mijn bedrijf.

Opmerking verbalisant: ter plaatse zag ik dat het prikkeldraad tussen de gemeentewerf en het terrein aan de [adres] was doorgeknipt. Ook zag ik dat bij de vriescel een aluminium plaat was gedemonteerd en dat er een gat in het isolatiemateriaal was geslagen. Tot slot zag ik dat er een gat was geknipt in een hekwerk naast het bedrijfspand.

18. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 maart 2015 (pg. 814-815), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [slager] :

Er zijn worstenbroodjes weggenomen. Deze zaten in een witte doos. In deze doos zaten transparante verpakkingen van twintig stuks kleine worstenbroodjes. Verder zijn er snackballetjes weggenomen. Ook deze (een zeventigtal) zaten in een transparante verpakking in een witte doos. Verder mis ik een doos met (veertig) verpakte gehaktballen.

19. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 maart 2015 (pg. 867-869), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Ik heb camerabeelden bekeken afkomstig van een onder [verdachte] inbeslaggenomen opnameapparaat. Weergegeven worden de beelden van de voorzijde en achterzijde van de woning van [verdachte] gelegen aan de [adres] . Van de achterzijde van de woning zijn met name beelden van onder een zich aldaar bevindende overkapping en van de binnenplaats. Zowel aan de voorzijde van de woning als onder de verkapping zijn elk twee camera’s geplaatst.

Een aantal met name genoemde personen is mij ambtshalve bekend. Van een aantal met name genoemde personen werden de namen mij door collega’s aangegeven.

De mij bekende personen betreffen:
[verdachte] junior, wonende aan de [adres] ;
[naam] senior, zijnde de vader van [verdachte] junior;
[medeverdachte 2] .
De mij aangereikte namen van met name genoemde personen betreffen:
[medeverdachte 1] en [naam] .

Hieronder worden de gebeurtenissen beschreven die zichtbaar zijn op de beelden:
11 maart 2015:
22:39:17 uur: [verdachte] komt alleen thuis met zijn auto
23:13:10 uur: [medeverdachte 2] komt bij [verdachte] aan de voordeur en gaat de woning
binnen.

12 maart 2015:

00:13:11 uur: [verdachte] komt in de aanbouw.

00:13:26 uur: [medeverdachte 2] komt in de aanbouw.

00:23:50 uur: Ford Focus met [medeverdachte 1] arriveert aan de voorzijde van de

woning van [verdachte]

00:24:46 uur: [medeverdachte 1] staat voor de deur van de woning van [verdachte] Vanuit de woning wordt de auto van [verdachte] geopend. [medeverdachte 1] pakt iets uit de auto, mogelijk onder de bijrijderstoel vandaan en gaat naar binnen.

00:26:26 uur: De voordeur gaat open en [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] komen naar buiten. Zij

stappen in de auto van [medeverdachte 1] (Ford Focus), [medeverdachte 2] rechts achterin, [verdachte] rechts voorin en [medeverdachte 1] links voorin. Nadat zij zijn ingestapt rijden zij weg.

02:11:47 uur: Ford Focus komt aangereden bij de woning van [verdachte] met gedoofde

verlichting. [verdachte] en [medeverdachte 1] stappen uit en gaan de woning van [verdachte]
binnen.

02:13:02 uur: [verdachte] gaat de schuur aan de achterzijde van de woning binnen.

02:14:25 uur: [medeverdachte 2] stapt uit de auto van [medeverdachte 1] en loopt voor de woning van [verdachte]

voorbij om een eindje verderop in de straat rechts af te slaan en uit beeld te verdwijnen, ter hoogte van een bocht naar links.

02:15:35 uur: [medeverdachte 1] gaat naar de schuur waar [verdachte] nog steeds is.

02:16:05 uur: [medeverdachte 1] en [verdachte] komen uit de schuur.

02:16:50 uur: [verdachte] en [medeverdachte 1] stappen in de Ford Focus en rijden weg in de richting van

de bocht waar [medeverdachte 2] uit beeld verdween. De auto stopt ter hoogte van de plaats waar [medeverdachte 2] uit beeld verdween. [medeverdachte 2] stapt weer in de auto.

04:11:00 uur: [verdachte] komt de hoek om waar [medeverdachte 2] eerder uit beeld verdween. [verdachte] gaat

vervolgens zijn woning aan de voorzijde binnen. [verdachte] heeft een zakje in zijn hand.

04:12:06 uur: [verdachte] opent de poort aan de achterzijde van zijn woning.

04:12:21 uur: [verdachte] rijdt een wandelwagen de binnenplaats op.

04:12:37 uur: Vier personen komen via de poort de binnenplaats op en gaan de schuur in.

04:17:21 uur: Vijf personen komen uit de schuur en gaan onder de overkapping in de

achtertuin zitten. De personen betreffen [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [vader] en vermoedelijk [naam] .

04:58:40 uur: Iedereen staat op en gaat de woning van [verdachte] binnen.

05:00:00 uur: [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vertrekken met de auto van [verdachte]

05:08:34 uur: [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] komen met de auto van [verdachte] terug. Zij gaan de

woning van [verdachte] binnen.

05:10:10 uur: Vier personen stappen in de auto van [verdachte] Een persoon blijft in de woning

achter. De auto rijdt vervolgens weg.

05:16:09 uur: De auto komt terug gereden, de vijfde persoon komt uit de woning en stapt in de auto waarna de auto weg rijdt.

05:47:10 uur: [verdachte] komt alleen met de auto terug, stapt uit en maakt de voordeur van zijn woning open. Vervolgens loopt [verdachte] terug naar zijn auto en maakt de klep aan de achterzijde van de auto open.

05:47:45 uur: [verdachte] pakt twee dozen op elkaar gestapeld uit de achterzijde van zijn auto en loopt met de dozen naar binnen. De achterklep van de auto blijft open staan.

05:47:59 uur: [verdachte] komt uit zijn woning en loopt weer naar de achterzijde van zijn auto,

waarvan de achterklep nog open stond. [verdachte] haalt een kleinere doos uit de achterzijde van zijn auto, sluit de achterklep en loopt met het doosje naar binnen.

20. Het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 30 juli 2015 (pg. 798-803), een overzicht bakengegevens van 12 maart 2015, een plattegrond van Google en een luchtfoto van Google Maps (pg. 829-831):

De Ford Focus met kenteken [kenteken] rijdt op 12 maart 2015, omstreeks 02:13 uur, weg in de [adres] (woning [verdachte] ) en staat van 02:17 tot 03:59 uur stil op de [adres] . Deze locatie is gelegen ter hoogte van het bedrijfspand aan de [adres] te Oss.

21 Tapgesprekken (pg. 800, 832-848):

Op 11 maart 2015 te 19:37:36 uur wordt het nummer [telefoonnummer] i.g.b. verdachte [verdachte] gebeld door [medeverdachte 2] met [telefoonnummer] i.g.b. [naam] (pg. 832). [medeverdachte 2] vraagt of [verdachte] straks thuis is om een uur of 22. [verdachte] zegt doe maar 23.

Op 12 maart 2015 te 04:58:02 uur en 04:59:36 uur hebben [telefoonnummer] i.g.b. verdachte [verdachte] en [telefoonnummer] i.g.b. [naam] contact. De locatie van eerstgenoemd 06-nummer ( [verdachte] ) is op die tijdstippen telkens [adres] te Oss (pg. 834, 836). Om 10:31:07 uur hebben beide nummers wederom contact (pg. 837).

Op 12 maart 2015 te 15:31:45 belt [telefoonnummer] i.g.b. [naam] met [telefoonnummer] i.g.b. [verdachte] weer contact (pg. 844-845):

[naam] : Ik heb vanmorgen vroeg jou ook al gebeld maar je nam niet op (..). Ik heb ellende aan mijn hoofd.

[verdachte] : Ow niet goed maat

[naam] : Ja jonge, toen kwam jij vannacht… Ja ’s avonds moet je niet aan de deur, zij was helemaal over de zeik. Ja ik ga je niet alles vertellen maar vannacht, ’s avonds moet je niet aan de deur komen want zij schrikt haar eigen kapot (..). Wij hebben al ellende aan ons hoofd maat.

[verdachte] : Jaja

(..)

[naam] : Ow want ik dacht 10 uur dan bel ik jou. Ik had hun van de te voren al gebeld en ze zeiden, ja broeder ik heb het echt niet nodig. Wat heb je ermee gedaan?

[verdachte] : Uhhh is euh, heb het nog

[naam] : Wat?

[verdachte] : Ik heb die nog

[naam] : Heb je het al weggedaan?

[verdachte] : Nee nee nee ik heb het nog

[naam] : Ow je hebt het nog, wat zijn het allemaal?

[verdachte] : Ja ken zo niet maat, telefoon

Op 12 maart 2015 te 15:59:30 uur belt [telefoonnummer] i.g.b. verdachte [verdachte] uit naar [telefoonnummer]

i.g.b. NN-vrouw [naam] (pg. 847):

[verdachte] : Staat de vriezer achter aan bij jullie?
De koelkast

[naam] : Ja

Op 12 maart 2015 te 17:02:32 uur belt 06-46355163 i.g.b. [naam] (moeder van

[verdachte] ) naar [telefoonnummer] i.g.b. verdachte [verdachte] . Eerstgenoemd nummer wordt op

dat moment gebruikt door een NN-man, vermoedelijk de vader van [verdachte] (pg. 848):

[verdachte] : Hallo

NN: Ja met mij jongen

[verdachte] : Ja, hoor ik

NN: (..) Vind je het goed als ik die bolle ook wat geef want anders moet ik het weggooien ik kan het niet kwijt

[verdachte] : Ja moet zelf weten is van jou toch

NN: Ja maar ik vraag het aan je of dat je het goed vindt, niet dat ik dadelijk euh gemauw krijg snap te da?

22. Het relaas d.d. 30 juli 2015 (pg. 8-20), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op 26 maart 2015 werden aan aangever [slager] foto’s getoond afkomstig van de bij de doorzoeking van de woning van verdachte [medeverdachte 1] gemaakte foto’s.

23. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 maart 2015 (pg. 822-823), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [slager] :

U toont mij een aantal foto’s (foto’s, pg. 824-828). Ik zie Bouwmanballen en worstenbroodjes in de diepvriezer liggen. Ik herken de Bouwmanballen en worstenbroodjes als mijn eigendom. De witte doos die in de diepvriezer ligt, herken ik ook. Dergelijke dozen gebruik ik om mijn snackballen in te verpakken.

24. Het proces-verbaal OVC bezoek 1 PI Dordrecht, [verdachte] d.d. 29 juni 2015 (pg. 567-576), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Datum/tijd: 7 mei 2015 omstreeks 10:15 uur

Verdachte(n): [verdachte] (afkorting naam in PV: [verdachte] )

Betrokken sprekers: [vader] , vader van [verdachte]
(afkorting naam in PV: SR)

(pg. 570)
[verdachte] : Ok

SR: Nou was ik nog naar die afkoper geweest

[verdachte] : Ja
(..)

SR: Hij zegt maar als ze mij komen verhoren zeg ik [..] ik kijk hem aan en zeg
jongen jongen, moet je aan mijn vragen wat je moet zeggen. Ik zeg denk dat
dat heel makkelijk is of niet, beroep je eigen maar op je zwijgrecht.. Ja maar
dat weet ik. Ik zeg maar moet je dat aan mij vragen je bent zo’n grote
jongen.

25. Het proces-verbaal OVC bezoek 5 PI Dordrecht, [verdachte] d.d. 29 juni 2015 (pg. 616-623), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten

[verbalisant] en [verbalisant] :

Datum/tijd: 10 juni 2015 omstreeks 13:15 uur

Verdachte(n): [verdachte] (afkorting in PV: [verdachte] )

Betrokken sprekers: [naam] , moeder van [slachtoffer 1]
(afkorting in PV: [naam] )

(pg. 618-619)

[naam] : (..). Nu hebben ze van de week die [naam] , en nou vandaag [naam] (hof: [naam]) (..)

[verdachte] : Dus [naam] die is uuhh.. hoe laat moest hij

[naam] : 11 uur

[verdachte] : Wat zei hij was hij aan het schelden

(..)

[naam] : Hij liep zo langs de bioscoop […] langs het politiebureau… keek hij toen ik langs reed.. dus ik deed het raampje naar beneden. Toen gaf hij een hand. Ik zei houd je mond dicht he […] zwijgrecht he zwijgrecht he ja zwijgrecht he, alles zwijgrecht.

(pg. 622)

[naam] : en dat soort vlees hadden gewoon bij de [bouwmarkt] gekocht die gehaktballen en die worstenbroodjes

[verdachte] : Ja, we zien het vanzelf

[naam] : Roep je mij nog op als getuige dadelijk tegen die tijd (..)
Samen gekocht […] samen meegemaakt

26. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2015 (pg. 1272-1274), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op 4 maart 2015, omstreeks 02:18 uur, vernamen wij van een overval op adres [adres] te Oss. Wij waren om 02:29 uur ter plaatse in het betreffende appartement gelegen op de tweede verdieping van een flatgebouw en troffen daar de bewoners [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan. Wij zagen dat [slachtoffer 1] gewond was en hevig huilde. Wij zagen dat haar gezicht en lichaam vol bloed zaten. Wij zagen dat [slachtoffer 2] onder het bloed zat. Wij zagen bij hem een bloedende wond aan de rechterzijde van zijn hoofd en op zijn rug zaten rode strepen en vlekken. Wij hoorden [slachtoffer 2] zeggen dat ze door drie jonge mannen waren beroofd die geld wilden hebben.

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] moesten op hun buik op bed gaan liggen en toen [slachtoffer 2] dat weigerde werd hij met een koevoet geslagen. Hij dacht dat zijn schedel kapot geslagen was. Wij zagen dat de dagschoot van de houten voordeur van de woning afgebroken was en achter de deur op de grond lag. De deur vertoonde een verse scheur in het hout onder de slotplaat. Wij hoorden [slachtoffer 2] zeggen dat de bovenste draaigrendel van de deur op slot had gezeten. [slachtoffer 2] schatte de leeftijd van de drie daders rond de twintig. Een van hen was ongeveer 1.75 meter groot en een van de anderen was iets groter, ongeveer tussen 1.75 en 1.85 meter. De grootste had een licht Surinaams accent. Volgens [slachtoffer 2] droegen ze donkere kleding en gezichtsbedekking waardoor enkel hun ogen zichtbaar waren.

[slachtoffer 2] gaf aan dat het een oranje koevoet betrof. Wij zagen dat de gehele woning doorzocht was. Overal stonden kasten en laden open en de inhoud daarvan lag verspreid over de grond.

27. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 4 maart 2015 (pg. 1291-1294), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 1] over hetgeen plaatsvond op 4 maart 2015 aan de [adres] te Oss:

Ik doe aangifte van diefstal met geweld. Ik ben met een onbekend voorwerp op mijn rechteroog geslagen. Daardoor zijn mijn rechteroogkas en mijn kaak gebroken. Daarnaast heb ik een hersenschudding. Ik woon op adres [adres] te Oss. [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ) was vannacht bij mij. Om 02:00 uur stonden er drie mannen met zaklampen aan ons bed. Ze riepen: “Goud! Geld!”. Ik had vele dure gouden ringen om en deze hebben ze allemaal van mijn vingers afgetrokken. Ze kwamen met zijn drieën binnen en de ene ging daarop naar een andere ruimte. De andere twee zochten bij ons in de slaapkamer. Wij moesten op bed blijven liggen. Een van de daders had een grote, oranje koevoet in de hand. Ze vroegen waar het geld lag. Ik heb gezegd dat ik geen geld heb. We moesten op onze buik gaan liggen. Toen wij dit weigerden, sloegen ze [slachtoffer 2] met de koevoet op zijn hoofd. Het bloed liep eruit. Ik gilde. Toen werd ik met een lange staaf of een honkbalknuppel op mijn gezicht geslagen. Tegen [slachtoffer 2] zeiden ze ook nog dat ze zijn tanden eruit zouden slaan. Toen zag ik dat een van de daders plastic tassen in zijn hand had en de ander pakte iets uit de kast in de slaapkamer. De daders zijn circa 20 minuten binnen geweest. Ik had 30.000 euro in huis liggen. Daarvan zit een deel in een portemonnee met panterprint in een ronde tafel op de slaapkamer. Een ander deel zit in een envelop tussen twee planken in een dressoir in de huiskamer en een laatste deel zit in een heuptasje in een ander dressoir in de huiskamer. Ik weet niet of het er nog ligt. Er zijn in totaal 19 ringen van mijn vingers afgetrokken. Ook is een horloge ingelegd met diamanten afgetrokken. Daarnaast zijn van mijn armen acht armbanden, waarvan vijf gouden, afgetrokken. Tot slot is een gouden ketting van mijn nek afgetrokken.

28. Het aanvraagformulier medische informatie d.d. 5 maart 2015 (pg. 1295), betrekking hebbend op [slachtoffer 1] :

Breuk jukbeen rechts, breuk oogkas rechts; forse zwellingen en bloeduitstortingen rechts in het gelaat en lichte verwondingen aan armen en benen; hersenschudding.

29. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 maart 2015 (pg. 1296-1297), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Wij hebben op 4 maart 2015, omstreeks 18:30 uur, de woning van aangeefster [slachtoffer 1] onderzocht op de aanwezigheid van geld. In een lade van een tafel in de slaapkamer troffen wij een panterportemonnee aan met daarin een geldbedrag van 1.000 euro. In de beide dressoirs in de woonkamer troffen wij geen geld aan. Op 5 maart 2015 vernamen wij van aangeefster [slachtoffer 1] dat in de enveloppe en het heuptasje geldbedragen van respectievelijk 20.000 euro en 8.000 euro zaten.

30. Het proces-verbaal van verhoor van aangever d.d. 5 maart 2015 (pg. 1319-1322), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 2] :

Ik bevond mij in de nacht van 3 op 4 maart 2015 in de woning van [slachtoffer 1] . Ik ben in het bed van [slachtoffer 1] in slaap gevallen. Op enig moment werd ik wakker van [slachtoffer 1] die rechtop in haar bed zat. Ik zag drie jonge jongens de slaapkamer als commando’s binnenlopen. Ik schat dat ze tussen de 17 en 23 jaar oud waren. Ze kwamen naar binnen geslopen, voorover gebogen met hun lange zaklampen voor zich. Ik zag ook een oranje koevoet. Een van de daders vroeg: “Waar is het geld?”. Ik zag een ander de kast op de slaapkamer doorzoeken. We moesten op onze buik draaien. Wij deden dat niet. [slachtoffer 1] was compleet in paniek. Ik werd met een hard voorwerp op mijn schedel geslagen. Degene die mij sloeg had een licht Surinaams accent. Nadat ik op mijn hoofd was geslagen, werd ik hard op mijn ribben geslagen. Toen kon ik niets meer. Daarna werd er een ty-rap om mijn handen gedaan. Meteen daarna sloegen ze [slachtoffer 1] op haar oog. Die raakte nog meer in paniek en begon te schreeuwen. Ze schreeuwde “mijn oog ligt eruit”. Ik keek die man met het Surinaamse accent aan, waarop hij zei: “Ik sla direct alle tanden uit je bek”. Ze hebben nog een keer gevraagd waar het geld lag. Vrij snel daarna hoorde ik: “We hebben het!”. Toen gingen ze weg. Ik schat dat ze 10-15 minuten binnen zijn geweest. Er lag meer dan 10.000 euro in de woning.

Wat betreft het signalement van de daders kan ik zeggen dat degene die bij [slachtoffer 1]

stond kleiner was. Ik ben 1.77 meter en ik denk dat hij tussen de 1.68 en 1.77 meter was. Het was een Nederlands manneke en hij deed het woord terwijl de anderen gingen zoeken. Degene die mij heeft geslagen had een licht Surinaams accent. Hij was de grootste, ik schat dat hij tussen de 1.77 en 1.87 meter lang was. De derde man is in de huiskamer gaan zoeken toen het te lang duurde. Ik schat dat hij tussen de 1.75 en 1.85 meter lang was. Dit was ook een Nederlander.

Over het door mij opgelopen letsel verklaar ik als volgt. Ik heb twee gekneusde, bijna gebroken ribben. Ik heb zes hechtingen op mijn hoofd en mijn gezicht hangt nog een beetje. Ik heb een gescheurde schedel, hij staat een klein beetje naar binnen.

31. Het aanvraagformulier medische informatie d.d. 11 maart 2015 (pg. 1332), betrekking hebbend op [slachtoffer 2] :

Schedelbreuk na slag op het hoofd met zwaar voorwerp.

32. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 maart 2015 (pg. 1340-1341), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [naam] :

Ik woon op het adres [adres] te Oss. Vannacht, omstreeks 02:15 uur, werd ik wakker van de deurbel. Ik opende de voordeur en zag mijn buurvrouw [slachtoffer 1] staan. ik hoorde haar zeggen: “Ik ben overvallen”. Ik zag dat haar hoofd bebloed was.

33 Het tapgesprek (pg. 1398):

Op 4 maart 2015 te 00:22:31 uur belt [telefoonnummer] i.g.b. verdachte [verdachte] met [telefoonnummer] i.g.b. [medeverdachte 1] :

[medeverdachte 1] : Hallo
[verdachte] : (..) Is het af? (..) Is het gemaakt?
[medeverdachte 1] : Ja
[verdachte] : O. Dan kom ik efkes kijken. Dan kom ik er nou an

[medeverdachte 1] : Das goed

[verdachte] : Jo. Maak je open?

[medeverdachte 1] : Jo

34. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 maart 2015 (pg. 1373-1374), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :

In de woning aan de [adres] (opmerking hof: woning medeverdachte [medeverdachte 1] ) werd opnameapparatuur aangetroffen. Deze opnameapparatuur werd in beslag genomen en de beelden hierop werden uitgekeken. Uit de beelden blijkt dat er op het balkon van het appartement twee camera’s zijn bevestigd die nagenoeg het gehele balkon van het appartement en een gedeelte van de omgeving in beeld brengen. Ik heb de beelden van de nacht van 3 op 4 maart 2015 bekeken van(af) het balkon van de woning.

4 maart 2015
01:08:11 uur: [medeverdachte 1] loopt het balkon op.
01:08:25 uur: [echtgenote medeverdachte 1] loopt het balkon op.
01:10:59 uur: [medeverdachte 2] komt het balkon op.
01:13:05 uur: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [echtgenote medeverdachte 1] gaan de woning binnen.

35. Het relaas d.d. 30 juli 2015 (pg. 1259-1271), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Het adres de [adres] ligt in de directe nabijheid van de [adres] te Oss.

36. Het relaas d.d. 30 juli 2015 (pg. 8-20), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] op pg. 17:

Verdachte [verdachte] heeft een lengte van 1,78 meter, verdachte [medeverdachte 2] is ongeveer een kop groter dan de verdachte [verdachte] .

37. Het proces-verbaal van sporenonderzoek woning d.d. 10 maart 2015 (pg. 1399-1407), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Wij hebben op 4 maart 2015 te 03:57 uur een sporenonderzoek verricht in de woning [adres] te Oss. Op de voordeur van de woning werd door mij, verbalisant [verbalisant] , op de slotplaat een tegendrukspoor van een breekwerktuig aangetroffen en veiliggesteld: SIN AAHK7172NL.

Op de vloer in de gang werd door ons een schoenspoorfragment SIN AAHK8394NL aangetroffen en veiliggesteld. In de badkamer werd door ons naast de badkuip een schoenspoor SIN AAHK8395NL aangetroffen en veiliggesteld.

38. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 19 maart 2015 (pg. 96-97) en kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv) d.d. 24 maart 2015 (pg. 1474-1479), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] respectievelijk rapporteur [verbalisant] :

Op 19 maart 2015 werden in de woning van [medeverdachte 2] gelegen aan de [adres] blauwe Nike schoenen aangetroffen en in beslag genomen onder nummer 773416 (foto 1, pg. 1464).

39. Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 3 april 2015 (pg. 1462-1463), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

De in de woning van [medeverdachte 2] aangetroffen en inbeslaggenomen schoenen met nummer 773416 zijn voorzien van SIN AAHW1169NL.

40. Het proces-verbaal vergelijkend schoensporenonderzoek d.d. 16 april 2015 (pg. 1443-1450), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant] , deskundige schoen- en bandsporen:

Ik heb vergelijkend onderzoek verricht naar een afdrukspoor van een schoen op de badkamervloer met SIN AAHK8395NL (hierna spoor 2), een afdrukspoor van een schoen op de gangvloer met SIN AAHK8394NL (hierna spoor 3) en schoenen met SIN AAHW1169NL (hierna 1).

Op grond van dit onderzoek concludeer ik dat spoor 2 waarschijnlijk is veroorzaakt met linkerschoen 1 en dat spoor 3 mogelijk is veroorzaakt met linkerschoen 1.

41. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant d.d. 30 november 2015, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant] :

Mijn persoonlijke mening, gebaseerd op mijn ervaring, deskundigheid en de typerende beschadigingen, is dat beide sporen (2 en 3) zijn veroorzaakt door de schoen waarmee spoor 1 is gemaakt (van de linkerschoen).

42. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 maart 2015 (pg. 71-72), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op 19 maart 2015 troffen wij in de kelderkast van de woning op adres [adres] (opmerking hof: woning [verdachte] ) een tas aan met drie hoofdbedekkingen, waaronder een zwarte bivakmuts met enkel twee gaten voor de ogen.

43. Het relaas d.d. 30 juli 2015 (pg. 1259-1271), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte [verdachte] op 19 maart 2015 werden foto’s gemaakt van de ruimtes die doorzocht waren, zo ook van de schuur. Later werd op de foto’s gezien dat in deze schuur een oranje koevoet aan de wand hing (foto, pg. 1487).

44. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 maart 2015 (pg. 1485) en kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv) d.d. 23 maart 2015 (pg. 1488-1489), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op 23 maart 2015 troffen wij in de schuur behorende bij perceel [adres] (hof: woning [verdachte] ) een oranje koevoet (breekijzer) aan. Deze koevoet is door ons in beslag genomen onder nummer 775190.

45. Het proces-verbaal ontvangen DNA-kit d.d. 3 april 2015 (pg. 1490), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Het onder ons ontvangen oranje breekijzer (koevoet) met nummer 775190 is voorzien van SIN AAGT6089NL.

46. Het proces-verbaal vergelijkend werktuigsporenonderzoek d.d. 7 juli 2015 (pg. 1491-1495), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] , werktuigsporenonderzoeker:

Ik heb vergelijkend onderzoek verricht tussen een breekijzer met SIN AAGT6089NL (hierna A) en een afvorming van werktuigsporen met SIN AAHK7172NL (hierna 1) veiliggesteld in perceel [adres] te Oss. Op grond van het vergelijkend werktuigsporenonderzoek concludeer ik dat de afgevormde werktuigsporen (1) zijn veroorzaakt.

47. Het proces-verbaal waarnemer afname celmateriaal d.d. 9 april 2015 (pg. 1441), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Er is wangslijmvlies van [slachtoffer 1] afgenomen en inbeslaggenomen, RABB3158NL.

48. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 oktober 2015 (pg. 1-6), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

In de schuur van de [adres] werd een oranje breekijzer in beslag

genomen (nummer 775190). Het breekijzer werd op drie plaatsen bemonsterd:

bemonstering 1 monster beitel SIN AAGT6089NL#01

bemonstering 2 monster middenstuk tot beitel SIN AAGT6089NL#02

bemonstering 3 monster midden tot spijkerstuk SIN AAGT6089NL#03.

Deze monsters werden aangeboden aan het NFI.

49. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 21 augustus 2015, zaaknummer 2015.05.11.105, opgemaakt door NFI-deskundige dr. [deskundige] (pg. 1-4), voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:

Het onderzoeksmateriaal AAGT6089NL#01, -#02 en -#03 is onderworpen aan een DNA

onderzoek (LCN DNA-analyse). De DNA-profielen van onder meer [slachtoffer 1]

(RABB3158NL) en [verdachte] (RAAP0944NL) zijn betrokken bij het vergelijkend

DNA-onderzoek.

SIN AAGT6089NL#01 betreft een DNA mengprofiel van minimaal drie personen, met het

DNA-hoofdprofiel van een vrouw [slachtoffer 1] , matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard.

SIN AAGT6089NL#02 betreft een DNA mengprofiel van minimaal vier personen, met het

DNA-hoofdprofiel van een vrouw [slachtoffer 1] , matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard.

SIN AAGT6089NL#03 betreft een DNA mengprofiel van minimaal vier personen, waaronder [verdachte] .

50. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 maart 2016 (pg. 1-6), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Gedurende het onderzoek heeft een telefoontap gelopen op nummer 0629881629 in gebruik bij verdachte [medeverdachte 2] . Bij de start van de tapgesprekken op 7 mei 2015 te 16:55:55 uur en 13 mei 2015 te 16:36:05 uur telkens met zijn broer [naam] , spreken zowel verdachte [medeverdachte 2] als zijn broer met een buitenlands accent.

51. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 februari 2016, opgenomen als bijlage 2 bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 maart 2016, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] (proces-verbaalnummer 21DRA15008-345), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 2] :

Ik ben met twee jongens naar het appartementencomplex aan de [adres] te Oss gegaan. We zijn via een loopdeur, direct naast de roldeur het complex binnengegaan. We zijn via de trap naar het appartement gegaan. De voordeur werd opengebroken met een koevoet. De oranje koevoet is afkomstig uit de schuur van [verdachte] .

52 Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Oost-Brabant d.d.

8 juli 2016 (pg. 8), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte

[verdachte] :

De oranje koevoet die in mijn schuur is aangetroffen is van mij.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat hij zal worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat de rechtbank de bewijsmiddelen te kort door de bocht heeft beoordeeld en ten onrechte tot een bewezenverklaring is gekomen. De bewijsmiddelen bevatten volgens de raadsman geen enkele aanwijzing dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de inbraak in het bedrijfspand van [slager] Slagerij. Uit de tapgesprekken kan dit niet worden afgeleid. Zo duidt het tapgesprek tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte van 21 februari 2015 te 00.34.19 uur erop dat zij op dat moment niet bij elkaar waren. Ook heeft de rechtbank ten onrechte en zonder onderbouwing geconcludeerd dat het tapgesprek tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte van 22 februari 2015 te 19.41 uur gaat over het in brand steken van de bij [slager] weggenomen bestelbus. Verder kan uit de inbeslagneming van vlees en garnalen spiezen bij de verdachte op 19 maart 2015 geen betrokkenheid worden afgeleid. De raadsman stelt zich op het standpunt dat niet is vast te stellen waar de foto’s op dossierpagina 76 zijn gemaakt, noch welke foto’s aan aangever [slager] zijn getoond. Om die reden kan niet worden vastgesteld dat de herkenning door [slager] van goederen ziet op het vlees en de garnalen die een maand na de inbraak bij verdachte zijn aangetroffen, aldus de raadsman.

Tot slot wordt betwist dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking en voorts van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk bij de bedrijfsinbraak aan de [adres] te Oss aanwezig is geweest. Voorts is niet vast te stellen wie welke rol heeft gehad, wat de onderlinge taakverdeling was en of er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Mogelijk is de verdachte betrokken geweest als medeplichtige, hetgeen niet ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat de rechtbank ten onrechte gebruikt heeft gemaakt van een schakelbewijsconstructie (feit 4). Voorts heeft hij betoogd dat de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen de veroordeling niet kunnen dragen, dat de rechtbank selectief is geweest bij het beoordelen van de bewijsmiddelen en daaraan een niet dragende interpretatie heeft toegevoegd. Zo kan uit het tapgesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 4 maart 2015 omstreeks 00.20 uur niet worden afgeleid dat de verdachte is meegegaan naar het adres [adres] te Oss. Dat in de schuur bij de woning van verdachte een koevoet is aangetroffen die is gebruikt bij de woningoverval, zegt niets over de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict. Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] volgt immers dat de verdachte geen betrokkenheid heeft gehad bij het onder 5 ten laste gelegde. Ten onrechte heeft de rechtbank die verklaring als ongeloofwaardig aangemerkt. Dat er DNA van de verdachte op de koevoet is aangetroffen is verklaarbaar en duidt evenmin op de betrokkenheid van de verdachte. Volgens de raadsman zijn er ook ontlastende punten, zoals de omstandigheden dat er van de verdachte geen schoensporen zijn aangetroffen in de woning [adres] te Oss, dat op de camerabeelden van de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] niet te zien is dat de verdachte daar die nacht is geweest, dat er die nacht geen tapgesprekken zijn tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] en dat er bij de doorzoeking van de woning van verdachte geen buit afkomstig van de [adres] te Oss is aangetroffen. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat sprake is geweest van de voor medeplegen benodigde nauwe en bewuste samenwerking c.q. dat verdachte een wezenlijke bijdrage met een zekere intensiteit heeft geleverd.

Het hof overweegt als volgt.

Feit 2

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat op grond van de hierboven vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, vast staat dat de verdachte als dader betrokken is geweest bij de bedrijfsinbraak bij [slager] Slagerij. Het hof merkt de rol van de verdachte bij de inbraak aan als die van medepleger met medeverdachte [medeverdachte 1] en in ieder geval een derde persoon. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers van een gezamenlijke uitvoering en van telefonisch overleg over de afwikkeling. Evenals de rechtbank is voor het hof op grond van de diverse bewijsmiddelen afdoende duidelijk dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] met de woorden “ja, afmaken hè!” en “komt goed” hebben gesproken over het zich ontdoen van de bij de inbraak weggenomen bedrijfsbus. Voorts stelt het hof vast dat er sprake is van verdeling van de buit; bij verdachte zijn immers vlees en garnalen van [slager] aangetroffen en bij [medeverdachte 1] garnalen spiezen, bolcamera’s en opnameapparatuur van het merk Quadplex.

Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd omtrent de foto’s van het in beslag genomen vlees en tonen van foto’s aan aangever [slager] doet het hof niet twijfelen aan de juistheid van de herkenning van [slager] van de onder verdachte in beslag genomen goederen. Alleen bij verdachte is dergelijk vlees in beslag genomen. Weliswaar zijn ook bij medeverdachte [medeverdachte 1] vleesproducten in beslag genomen, maar dat gaat om andersoortige vleesproducten, te weten zogenaamde Bouwmanballen, snackballen en worstenbroodjes. Er kan om die reden naar het oordeel van het hof geen sprake zijn van verwisseling van de foto’s van het in beslag genomen vlees. Voorts is in het proces-verbaal van bevindingen op dossierpagina 662 te lezen dat aangever [slager] heeft gezegd dat het batchnummer op de verpakking van foto 1 overeenkomt met de gegevens op een factuur op naam van [slager] , welke stukken als bijlagen bij het proces-verbaal zijn gevoegd. Wat betreft het vlees op foto’s 3, 4 en 5 heeft [slager] op de verpakking het handschrift herkend van een van zijn medewerkers en wat betreft foto 6 heeft hij te kennen gegeven dat het vlees is dat hij verkoopt. Het hof heeft gelet op het bovenstaande geen reden om te twijfelen aan de herkenning door aangeven [slager] van het onder verdachte in beslag genomen vlees.

Dat er sprake is van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening is evident en behoeft naar het oordeel van het hof geen nadere bespreking.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Feit 3

Uit de inhoud van de hierboven vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt evident van het daderschap van verdachte bij de onder 3 ten laste gelegde bedrijfsinbraak. Het hof merkt de rol van de verdachte bij deze bedrijfsinbraak aan als die van medepleger, met in elk geval medeverdachte [medeverdachte 1] . Uit de bewijsmiddelen blijkt immers van een gezamenlijke uitvoering en van verdeling van de buit. Bij medeverdachte [medeverdachte 1] zijn Bouwmanballen, snackballen en worstenbroodjes van aangever [slager] in beslag genomen, terwijl op de camerabeelden van de woning van verdachte te zien is dat hij die nacht diverse dozen zijn woning binnen heeft gebracht. Bovendien heeft verdachte op 12 maart 2015, de pleegdatum, om 17:02:32 met een derde betrokkene, vermoedelijk zijn vader, telefonisch gesproken over diens deel van de buit. In dat gesprek heeft NN-man gezegd “Vind je het goed als ik die bolle ook wat geef want anders moet ik het weggooien ik kan het niet kwijt”, waarop verdachte heeft geantwoord “Ja moet zelf weten is van jou toch”.

Voor het hof is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat de verdachte slechts als medeplichtige betrokken zou zijn geweest bij de inbraak aan de [adres] te Oss. Deze mogelijkheid is door de verdediging slechts veronderstellenderwijs opgeworpen en vindt geen steun in het dossier.

Het verweer wordt verworpen.

Feit 5

Op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, stelt het hof vast dat de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 4 maart 2015, omstreeks 02:00 uur, in de slaapkamer van de woning gelegen aan de [adres] te Oss in hun slaap werden verrast door drie jonge mannen met gezichtsbedekking. De mannen eisten goud en geld. Slachtoffer [slachtoffer 2] werd met een koevoet tegen het hoofd en op de ribben geslagen. Slachtoffer [slachtoffer 1] werd ook met een hard voorwerp tegen het gezicht geslagen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de langste man met een licht Surinaams accent sprak en dat de twee andere daders Nederlanders waren. Voorts heeft [slachtoffer 2] verklaard dat een dader,

een Nederlands manneke, tussen de 1.68 en 1.77 meter lang was, de man met het licht Surinaams accent tussen de 1.77 en 1.87 meter lang en de derde man, een Nederlander, tussen de 1.75 en 1.85 meter lang.

De woning is door de mannen doorzocht en de uiteindelijke buit bestond uitgaande van de verklaring van [slachtoffer 1] uit een geldbedrag van € 28.000,00 en vele sieraden die van het lichaam van het slachtoffer [slachtoffer 1] zijn getrokken. De politie heeft vastgesteld dat de voordeur van de woning braaksporen vertoonde.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bekend dat hij betrokken is geweest bij de onderhavige woningoverval. Hij heeft evenwel verklaard dat hij daar was met twee Antillianen, niet met verdachte. Voorts heeft [medeverdachte 2] verklaard dat alleen de twee Antillianen verder in de woning zijn geweest. [medeverdachte 2] verklaart dat hij slechts bij de voordeur op de uitkijk stond en maar een paar stappen in de gang van de woning heeft gezet. Deze lezing van medeverdachte [medeverdachte 2] wordt weersproken door de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Zowel aangevers [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben immers verklaard dat er niet twee maar drie mannen aan hun bed stonden. Bovendien heeft [slachtoffer 2] verklaard dat het ging om twee Nederlanders en een man die sprak met een licht Surinaams accent. Dat twee van de daders personen van Antilliaanse afkomst zouden zijn komt niet overeen met beide aangiften. De geloofwaardigheid van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] wordt ook aangetast door het onderzoek naar de schoensporen in de woning [adres] te Oss. Niet alleen in de gang van de woning, maar ook in de badkamer is een schoenspoor aangetroffen dat volgens de bevindingen van de deskundige schoen- en bandsporen [verbalisant] is veroorzaakt door de linkerschoen van medeverdachte [medeverdachte 2] . Gelet op het hiervoor staande hecht het hof, evenals de rechtbank, geen geloof aan de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] , inhoudende dat de verdachte niet betrokken zou geweest bij de overval in de woning [adres] te Oss.

Dat verdachte als dader betrokken is geweest en op de plaats delict aanwezig is geweest, leidt het hof af uit de navolgende feiten en omstandigheden.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de daders gezichtsbedekking droegen, waardoor enkel hun ogen zichtbaar waren. In de woning van de verdachte is door de politie op 19 maart 2015 een bivakmuts aangetroffen, met enkel twee gaten voor de ogen. Voorts is op 23 maart 2015 in de schuur bij de woning van verdachte een oranje koevoet aangetroffen met daarop het DNA van het slachtoffer [slachtoffer 1] en het DNA van verdachte. In het politieonderzoek is verder vast komen te staan dat de braakschade aan de voordeur van de woning [adres] te Oss is veroorzaakt met deze koevoet. Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank erkend dat de desbetreffende oranje koevoet van hem is. Daarnaast past de lengte van de verdachte binnen het door aangever [slachtoffer 2] gegeven signalement, nu de verdachte 1,78 meter lang is. Uit het telefoongesprek met medeverdachte [medeverdachte 1] van 4 maart 2015 te 00:22:31 leidt het hof - evenals de rechtbank - af dat verdachte zich die nacht niet lang voor de overval in de directe nabijheid van de plaats delict bevond, terwijl uit de camerabeelden van het balkon van de woning van [medeverdachte 1] te zien is dat ook mededader [medeverdachte 2] daar aanwezig was.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen, in onderling verband en in samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de onderhavige woningoverval. Dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking c.q. een wezenlijke bijdrage met een zekere intensiteit blijkt afdoende uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en behoeft geen nadere bespreking.

De door de raadsman aangehaalde, door hem als ontlastend betitelde punten, brengen het hof niet tot een ander oordeel. Het gegeven dat er geen schoensporen van verdachte zijn aangetroffen in de woning [adres] te Oss betekent niet dat verdachte daar niet is geweest. Evident is dat er drie daders binnen in de woning zijn geweest, terwijl maar van één dader de schoensporen zijn onderzocht.

Dat er in de nacht van 4 maart 2015 geen tapgesprekken zijn tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] kan ook betekenen dat zij niet met elkaar hoefden te bellen, omdat zij in elkaar aanwezigheid verkeerden. De omstandigheid dat er bij de doorzoeking van de woning van verdachte geen buit afkomstig van de [adres] te Oss is aangetroffen ontlast de verdachte ook geenszins, nu de doorzoekingen pas later in maart 2015 hebben plaatsgevonden en de buit vermoedelijk al lang verkocht of verstopt was.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het hof, mede gelet op de inhoud van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, aan de verdachte een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van maximaal 8 jaren. Voorts heeft de raadsman het hof verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder de moeilijke situatie van zijn gezin.

Ten aanzien van de ernst van de feiten overweegt het hof dat de bewezenverklaring inhoudt dat de verdachte zich met een ander of anderen heeft schuldig gemaakt aan twee bedrijfsinbraken en een gewelddadige woningoverval.

Het onder 5 bewezen verklaarde houdt in dat de verdachte zich samen met zijn mededaders heeft schuldig gemaakt aan een brutale en zeer gewelddadige woningoverval die is gepleegd in het holst van de nacht. Slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden in hun slaapkamer, tijdens de slaap, verrast door drie mannen met gezichtsbedekking die hen in het gezicht schenen met zaklampen, de dekens van hen aftrokken en geld en goud eisten. Een van hen had een koevoet in zijn handen, waarmee beide slachtoffers hard zijn geslagen, onder meer tegen het hoofd. Slachtoffer [slachtoffer 1] heeft hierdoor haar rechter jukbeen en rechter oogkas gebroken en slachtoffer [slachtoffer 2] heeft een schedelbreuk opgelopen. De verdachte en zijn mededaders hebben een aanzienlijk geldbedrag en vele gouden sieraden buitgemaakt.

De verdachte en zijn mededaders hebben met hun handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit op grove wijze geschonden. Een woningoverval, zeker wanneer daarbij sprake is van het gebruik van buitensporig geweld, is voor slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang in het dagelijkse bestaan last van kunnen hebben. Immers, een woning is bij uitstek de plaats waar men zich veilig en geborgen moet kunnen voelen. Het spreekt voor zich dat deze overval grote gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers heeft

veroorzaakt. Verdachte heeft zich van die gevoelens geen althans onvoldoende rekenschap gegeven toen hij besloot samen met twee anderen de slachtoffers te beroven. Uit de slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt dat zij nog altijd kampen met de gevolgen van de gewelddadige woningoverval. Bij het slachtoffer [slachtoffer 1] zijn door de klap enkele zenuwen in het gezicht onherstelbaar beschadigd en het gevoel in dat gedeelte van haar gezicht zal niet terugkeren.

Het onder 5 bewezen verklaarde betreft voorts een feit waardoor de rechtsorde zeer ernstig is geschokt en dat in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg brengt.

De onder 2 en 3 bewezen verklaarde bedrijfsinbraken hebben aanzienlijke schade en veel overlast bij de benadeelden veroorzaakt. Met name de inbraak in slagerij [slager] is van een zelden vertoonde omvang, die de bedrijfsvoering heeft ontwricht. Dergelijke feiten brengen aanzienlijke financiële en materiële schade met zich voor de eigenaar van de onderneming en/of hun verzekeraars. Bovendien leiden dergelijke feiten tot grote overlast, ongemak en ergernis voor de benadeelden.

Bij het bepalen van de aard en omvang van de op te leggen straf heeft het hof acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf bij een woningoverval met ander geweld: een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. Het hof heeft hierop een verhoging toegepast vanwege het uitgeoefende buitensporige geweld dat is te vergelijken met een poging tot doodslag gepleegd ten opzichte van beide personen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie;

  • -

    de inhoud van het beknopte reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 11 juni 2015, waarin is te lezen dat de verdachte heeft besloten dat hij niet wil meewerken aan het opstellen van een rapport;

  • -

    de inhoud van de Pro Justitia rapportages van psychologisch onderzoek van respectievelijk 18 mei 2015, waaruit blijkt dat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor langere duur met zich brengt. Gelet op het buitengewoon grove geweld dat verdachte en zijn mededaders bij het onder 4 bewezen verklaarde hebben toegepast, de omvang van de bewezen verklaarde bedrijfsinbraken en de ingrijpende gevolgen van die feiten voor de slachtoffers, acht het hof het passend en geboden aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 7 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Beslag

Van het onder verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een personenauto Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] (goednummer 773360), zal de teruggave aan hem worden gelast.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 13.773,00, te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen en in hoger beroep onverminderd gehandhaafd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte en zijn mededader(s) rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte en zijn mededader(s) zijn tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering integraal toewijsbaar is, te weten tot een bedrag van € 13.773,00 en te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De verdachte en zijn mededader(s) zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van schade ter hoogte van € 38.752,50 (bestaande uit € 1.252,50 aan materiële schade en € 37.500,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.252,50 (bestaande uit € 1,252,50 aan materiële schade en € 5.000 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [slachtoffer 2] is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in het overige gedeelte van zijn vordering.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] voorts aangevoerd dat de daadwerkelijke omvang van de materiële schade hoger is en inmiddels dient te worden gesteld op een bedrag van

€ 2.291,04. Namens hem is het hof verzocht tevens voor het in eerste aanleg niet gevorderde gedeelte van de materiële schade de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte en zijn mededaders rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade en € 1.252,50 aan materiële schade. Dit gedeelte van de vordering acht het hof voldoende duidelijk onderbouwd en niet ingewikkeld van aard. De verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot een bedrag van € 6.252,50 toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien dit onderdeel van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit onderdeel (in zoverre) zou een uitgebreide behandeling vereisten. De benadeelde partij kan daarom thans voor het overige niet in zijn vordering worden ontvangen en kan dat gedeelte van zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Wat betreft het verzoek van de benadeelde partij [slachtoffer 2] om in hoger beroep de schadevergoedingsmaatregel niet alleen op te leggen voor het in eerste aanleg gevorderde bedrag aan materiële schade, maar voor een bedrag van € 2.291,04 overweegt het hof als volgt.

Als een civiele vordering niet-ontvankelijk of niet-toewijsbaar is, kan naar andere sanctiemodaliteiten of maatregelen worden gezocht om het slachtoffer van een strafbaar feit schadeloos te stellen. Ingevolge artikel 36f, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter bij een veroordeling wegens een strafbaar feit de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Uitgangspunt van het wettelijk systeem is echter dat de omvang van de civiele vordering in eerste aanleg wordt bepaald en in hoger beroep niet kan worden verhoogd. Naar het oordeel van het hof kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om dit uitgangspunt via het opleggen van een verhoogde maatregel te omzeilen. Het hof ziet dan ook geen reden om in het onderhavige geval ten aanzien van de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht een hoger bedrag op te leggen dan ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van schade ter hoogte van € 44.733,76 (bestaande uit € 36.733,76 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente, proceskosten van € 87,00, de kosten van tenuitvoerlegging en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 40.733,76 (bestaande uit € 35.733,76 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente, de proceskosten en de kosten van tenuitvoerlegging en voorts met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is door de rechtbank tot een bedrag van

€ 1.000,00 (inzake diefstal van geld) afgewezen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] te kennen gegeven dat de verzekeraar het bedrag aan weggenomen sieraden volledig heeft vergoed en dat de vordering ter zake van materiële schade wordt verminderd met € 5.000,00. In zoverre wordt de vordering niet gehandhaafd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte en zijn mededaders rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 34.733,76 (bestaande uit € 29.733,76 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade).

Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de schadeopgave van de benadeelde partij ter zake van het weggenomen geldbedrag en acht de vaststelling van de omvang van de materiële schade bovendien niet te ingewikkeld. Evenals de rechtbank zal het hof wel

€ 1.000,00 van de post “diefstal geld” afwijzen, nu dit geldbedrag in de woning is teruggevonden en aldus ten onrechte is gevorderd. Het hof begroot de omvang van deze schadepost overeenkomstig de verklaring van [slachtoffer 1] tegenover de politie op

€ 28.000,00.

De verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van de schade gehouden, zodat de vordering tot een bedrag van € 34.733,76 toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien dit onderdeel van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit onderdeel (in zoverre) zou een uitgebreide behandeling vereisen. De benadeelde partij kan daarom thans voor het overige in haar vordering niet worden ontvangen en dat gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

De verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 57, 63, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 3 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weteneen personenauto Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] (goednummer 773360).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 13.733,00 (dertienduizend zevenhonderddrieëndertig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader(s), hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 13.773,00 (dertienduizend zevenhonderddrieënzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 96 (zesennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover (een) mededader(s) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader(s) van de verdachte voormeld bedrag heeft/hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.252,00 (zesduizend tweehonderdtweeënvijftig euro) bestaande uit € 1.252,00 (duizend tweehonderdtweeënvijftig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.252,00 (zesduizend tweehonderdtweeënvijftig euro) bestaande uit

€ 1.252,00 (duizend tweehonderdtweeënvijftig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 61 (eenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-865080-15 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 34.733,76 (vierendertigduizend zevenhonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit € 29.733,76 (negenentwintigduizend zevenhonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van

€ 2.000,00 (tweeduizend euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-865080-15 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 34.733,76 (vierendertigduizend zevenhonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent) bestaande uit € 29.733,76 (negenentwintigduizend zevenhonderddrieëndertig euro en zesenzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 208 (tweehonderdacht) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos en mr. C. Karsdorp, griffiers,

en op 10 november 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G.P.M.F. Mols is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen zijn genoemd, verwijzen naar pagina’s van het dossier van de politie eenheid Oost-Brabant, districtsrecherche ’s-Hertogenbosch, nummer 21DRA15008 (onderzoek Baudour), gesloten d.d. 29 juli 2015 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 1591). Alle te noemen processen-verbaal zijn in wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.