Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4832

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
200.213.676_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:2068, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

de positie van een zieke werknemer bij overgang van een deel van de onderneming, alwaar de werknemer voorafgaande aan de ziekmelding werkzaam was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1362
AR 2017/5954
NJF 2018/74
RAR 2018/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.213.676/01

arrest van 7 november 2017

in de zaak van

[appellant] , echtgenote van [naam],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A. Șimșek te Utrecht,

tegen

[de vennootschap] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E.P.W.A. Bink te Zwolle,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 april 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 6 maart 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5679970 CV EXPL 17-878)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis in kort geding.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij H12-formulier van 8 september 2017 door [geïntimeerde] toegezonden productie, die zij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht;

  • -

    de bij H12-formulier van 13 september 2017 door [appellant] toegezonden producties 26 tot en met 30, die zij bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In rechtsoverweging twee van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de kantonrechter vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het betreft dan de volgende feiten.

  1. [appellant] is met ingang van 4 november 2013 op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst getreden van [geïntimeerde] in de functie van schoonmaakster. Op de arbeidsovereenkomst is de Collectieve arbeidsovereenkomst in het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf (hierna: de cao) van toepassing verklaard.

  2. De arbeidsovereenkomst is vanaf een onbekend gebleven moment voor onbepaalde tijd voortgezet. De overeengekomen urenomvang bedraagt 12,75 uur per week (exclusief overuren). Tot 1 juli 2016 bedroeg het loon € 11,13 bruto. Met ingang van 1 juli 2016 is het loon krachtens de cao met 2% verhoogd. Het loon wordt per vier weken uitbetaald.

  3. Ingevolge artikel 30 van de cao heeft de arbeidsongeschikte werknemer met een dienstverband van meer dan twee jaren gedurende 104 weken recht op 100% van het dagloon.

  4. Bijlage 1 van de cao schrijft voor hoe voornoemd dagloon berekend dient te worden.

  5. [appellant] is sinds 30 november 2015 arbeidsongeschikt. Zij is tot op heden arbeidsongeschikt. Voordat zij arbeidsongeschikt werd, werkte zij uitsluitend op het project [project] ( [bedrijf] ) te [plaats] . Op enig moment na haar ziekmelding heeft [appellant] in het kader van haar re-integratie lichte kantoorwerkzaamheden verricht bij [project] .

  6. Met ingang van 1 januari 2017 is na een aanbestedingstraject het project [project] overgenomen door [C.V.] C.V. (hierna te noemen: [C.V.] ). De arbeidsovereenkomsten met vrijwel alle werknemers die voorheen in dienst van [geïntimeerde] op het project werkzaam waren, zijn voortgezet door [C.V.] .

  7. [appellant] ontvangt per 1 januari 2017 geen salaris meer. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat [appellant] vanaf 1 januari 2017 in dienst is van [C.V.] terwijl [C.V.] stelt dat [appellant] in dienst is gebleven bij [geïntimeerde] .

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in eerste aanleg (en na intrekking van een gedeelte van haar vordering) een veroordeling van [geïntimeerde] om haar toe te laten tot het verrichten van aangepast werk, een veroordeling tot loondoorbetaling met wettelijke verhoging en rente alsmede een correctie van de verlofuren.

3.2.2.

Aan deze vorderingen heeft zij, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat haar arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] , ook na 1 januari 2017, is blijven bestaan.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, stellende dat [appellant] als gevolg van de overname van het project [project] met ingang van 1 januari 2017 in dienst is gekomen van [C.V.] .

3.2.4.

In het vonnis van 6 maart 2017 heeft de kantonrechter de vordering tot bijschrijving van verlofuren toegewezen, de overige vorderingen afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. Naar het oordeel van de kantonrechter zal in een bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid worden geoordeeld dat er sprake is van een overgang van onderneming in de zin van artikel 7:663 BW. [appellant] had, zo oordeelde de kantonrechter, ten tijde van de overgang nog een band met het project [project] . Direct voorafgaande aan haar arbeidsongeschiktheid werkte zij voor dit project en vervolgens heeft zij uitsluitend op dit project re-integratiewerkzaamheden verricht. De rechten en plichten uit de arbeidsovereenkomst zijn met ingang van 1 januari 2017 van [geïntimeerde] overgegaan op [C.V.] .

3.3.

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen, zijnde in hoger beroep, kort samengevat, de veroordeling van [geïntimeerde] om:

- [appellant] weer toe te laten tot haar re-integratieactiviteiten, alles conform de adviezen en/of het overleg met de bedrijfsarts en/of de arbeidsdeskundige, op straffe van een dwangsom;

- de verlofuren met ingang van 1 januari 2017 bij te schrijven op straffe van een dwangsom;

- met ingang van 1 januari 2017 het loon aan haar te voldoen, zijnde een bedrag van € 787,40 bruto per vier weken, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en eventuele CAO-verhogingen, een en ander verhoogd met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente;

- de proceskosten in beide instanties te voldoen.

3.4.

Door middel van de eerste grief betoogt [appellant] dat er ten tijde van de overgang geen band meer bestond met het project; er waren toen voor haar geen reële mogelijkheden meer tot hervatting van haar werk bij het project [project] .

3.5.

In een geval als het onderhavige, waarin niet een gehele onderneming wordt overgedragen maar slechts een deel daarvan - in deze zaak gaat het om schoonmaakwerkzaamheden die [geïntimeerde] verrichtte ten behoeve van het project [project] -, rijst de vraag, welke werknemers bij het betrokken deel van de onderneming werkzaam zijn in de zin van art. 7:663 BW. Beslissend daarvoor is of de werknemer een band heeft met het over te dragen onderdeel van de onderneming (ECLI:NL:HR:2005:AR4466).

Het hof betrekt in zijn voorlopig oordeel de volgende omstandigheden. De op 1 januari 2017 overgegane activiteit van [geïntimeerde] betrof het ter beschikking stellen van een deel van haar werknemers aan het project [project] teneinde op locatie schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. Het ging hier, aldus [geïntimeerde] om in totaal 31 werknemers die allen de functie van schoonmaker hadden.

Voorafgaande aan de ziekmelding van [appellant] , dus vóór 30 november 2015, maakte zij deel uit van deze groep schoonmakers. De vereiste band met het over te dragen onderdeel van de onderneming was toen in ieder geval aanwezig.

Op 30 november 2015 heeft [appellant] zich wegens een rugaandoening ziek gemeld. Zowel in de probleemanalyse als in het plan van aanpak, beide daterend van maart 2016, heeft de bedrijfsarts aangegeven dat het einddoel op de lange termijn nog onduidelijk is. In het plan van aanpak wordt als visie van de werkgever weergegeven dat er vooralsnog geen arbeidsmogelijkheden zijn en dat er zodra die er zijn, in overleg met de bedrijfsarts, moet worden gestart met aangepaste (lichtere) werkzaamheden.

De bedrijfsarts [bedrijfsarts] (hierna: de bedrijfsarts) heeft in een rapport van 28 juli 2016 (onder meer) het volgende aan [geïntimeerde] medegedeeld:

“Uw werknemer heeft toenemende beperkingen door een aantal medische aandoening, ondanks adequate en intensieve behandelingen. Ze heeft nieuwe afspraken staan bij behandelaars om andere behandelingen te krijgen. Ik raad dat ook aan, maar ik verwacht blijvende beperkingen, waardoor eigen werk moeilijk haalbaar zal zijn. Daarom raad ik een arbeidsdeskundig onderzoek aan om geschiktheid eigen/passend werk te onderzoeken.”

De bedrijfsarts heeft ten behoeve van een arbeidsdeskundig onderzoek de beperkingen van [appellant] beschreven in een Functionele Mogelijkhedenlijst, gedateerd op 28 juli 2016. In een extra toelichting daarop schrijft de bedrijfsarts: “Ik verwacht blijvende beperkingen.”.

In een rapportage arbeidsdeskundig onderzoek van 29 augustus 2016 heeft arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 1] mede op basis van de door de bedrijfsarts vastgestelde functionele beperkingen geconcludeerd dat op dat moment het eigen werk niet als passend wordt aangemerkt, en dat het eigen werk ook niet door middel van aanpassingen en/of voorzieningen passend gemaakt kan worden. Voorts heeft hij aangegeven dat [appellant] ook ongeschikt is voor andersoortig werk bij de eigen werkgever in de regio en dat daarom direct een spoor 2 (buiten werkgever) traject gestart dient te worden. Tevens geeft de arbeidsdeskundige aan dat, ondanks dat spoor 2 wordt geadviseerd cq ingezet, de opdrachtgever/werkgever verantwoordelijk blijft tot einde wachttijd (november 2017) voor het onderzoeken van spoor 1/interne plaatsingsmogelijkheden.

De bedrijfsarts heeft vervolgens in een rapport naar aanleiding van een afspraak van 8 september 2016 voor zover hier van belang het volgende aan [geïntimeerde] medegedeeld:

“Uw werknemer heeft beperkingen door een medische aandoening. Deze beperkingen zijn blijvend ondanks adequate behandelingen. Het arbeidsdeskundig onderzoek is afgerond en het advies is om spoor 2 traject in te zetten. Ik raad ook aan om spoor 2 traject in gang te zetten.”

Op 14 oktober 2016 heeft [geïntimeerde] [appellant] bericht dat er voor haar werk beschikbaar zou zijn als receptioniste op een project op de locatie Maastricht Airport. Partijen hebben gediscussieerd over de vraag of de reisafstand voor [appellant] met haar klachten problemen zou opleveren. Na overleg met de arbeidsdeskundige zou [appellant] aldaar met het werk gaan starten. Dit is evenwel niet doorgegaan en, op verzoek van [geïntimeerde] , is [appellant] met ingang van 19 oktober 2016 op arbeidstherapeutische basis werkzaamheden gaan verrichten bij [project] . [appellant] heeft aangegeven dat het hier ging om onbenullige klusjes terwijl [geïntimeerde] spreekt over een combinatie van lichte werkzaamheden bestaande uit receptiewerkzaamheden en dergelijke (administratieve werkzaamheden). Begin december is de re-integratie gestaakt.

In het rapport van de bedrijfsarts van 1 december 2016 geeft hij aan dat hij van [appellant] heeft begrepen dat zij wel elke dag naar het werk komt maar dat er niet dagelijks genoeg passend werk is om de uren te vullen. Hij raadt [geïntimeerde] aan om in een gesprek met [appellant] te bezien of er daadwerkelijk een nieuwe passende functie is ontstaan en of [appellant] dit structureel kan blijven doen. Zo niet, dan dient [geïntimeerde] op korte termijn een spoor 2 traject in te schakelen om geen loondoorbetalingssanctie te krijgen van het UWV.

3.6.

Aan het hof ligt de vraag voor of [appellant] valt onder het begrip ‘een daar werkzame werknemer’ in de zin van artikel 7:663 BW, dus met andere woorden of de band die [appellant] had met het onderdeel van de onderneming, zijnde het werk voor het project [project] , ten tijde van de overgang van onderneming, dus op 1 januari 2017, zodanig verbroken was dat er geen uitzicht meer was op terugkeer in haar oude functie van schoonmaakster bij [project] . Naar het voorlopig oordeel van het hof is dit het geval geweest. Op het moment van overgang was [appellant] al ruim een jaar niet meer in staat geweest om haar werk als schoonmaakster te verrichten, terwijl uit de hiervoor aangehaalde bescheiden van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige blijkt dat [appellant] blijvende beperkingen had met als gevolg dat zij haar eigen werk niet kon verrichten en ook niet meer zou kunnen verrichten. De arbeidsdeskundige oordeelde dat het (schoonmaak-)werk niet passend te maken was. Hij kwam uiteindelijk tot het advies aan [geïntimeerde] om spoor 2 te gaan volgen.

3.6.1.

[geïntimeerde] betoogt dat de band met het project [project] nooit verbroken is geweest nu [appellant] in het kader van de re-integratie alleen maar op dit project heeft gewerkt, en zelfs nog gedurende een langere periode, in ieder geval vanaf 19 oktober 2016 tot en met 9 december 2016. Het hof verwerpt dit betoog. Tijdens het pleidooi hebben beide partijen een verklaring van de toenmalige leidinggevende, mevrouw [toenmalige leidinggevende] , aangehaald. Mevrouw [toenmalige leidinggevende] heeft bevestigd dat [appellant] het aanvankelijk aan haar opgedragen werk niet kon uitvoeren en dat het feitelijke werk bestond uit het af en toe doen van kopieerwerk, het afwassen van lege kopjes, het maken van puzzels en het kijken op haar mobiel en Facebook. Naar het voorlopig oordeel van het hof kan dit werk niet de conclusie rechtvaardigen dat er nog steeds een band bestond met het project die zodanig was dat [appellant] nog behoorde tot de groep van werknemers die onderdeel uitmaakten van de economische eenheid die aan [C.V.] werd overgedragen. Dit werk was immers van administratieve aard, terwijl het overgedragen project schoonmaakwerk betrof. Naar het voorlopig oordeel van het hof waren dit dus geen werkzaamheden die deel uitmaakten van de overgedragen economische eenheid. Daarbij komt dat het ging om arbeidstherapeutisch werk, dus om tijdelijk werk zonder loonwaarde gebruikt om te beoordelen welke arbeidsmogelijkheden er nog resteerden.

3.6.2.

[geïntimeerde] betoogt voorts dat de oordelen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige zijn gebaseerd op momentopnames en dat deze dus geen basis kunnen vormen voor het oordeel of er, ten tijde van de overgang, sprake was van een duurzaam verbroken band met het project. Het hof verwerpt dit betoog. De beide deskundigen kunnen hun oordeel alleen maar geven op basis van de gezondheid van de werknemer op dat moment. Nu de bedrijfsarts in september 2016 (dus bijna één jaar na de ziekmelding) heeft aangegeven dat de beperkingen blijvend waren, is het reëel om daarvan ook ten tijde van de overgang van onderneming uit te gaan. Het is de arbeidsdeskundige die vervolgens op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst beoordeelt welke mogelijkheden er voor [appellant] nog resteerden. De gegeven oordelen en adviezen geven vervolgens een andere invulling aan de rechten en plichten van partijen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst. [geïntimeerde] voerde haar gewijzigde verplichtingen jegens [appellant] aanvankelijk ook uit, getuige het feit dat [geïntimeerde] op zoek is gegaan naar een aangepaste functie voor [appellant] en deze ook heeft gevonden op een ander project, gelegen op Maastricht Airport. De gewijzigde rechten en plichten bestonden op het moment van overgang van onderneming, naar het voorlopig oordeel van het hof, nog steeds.

3.6.3.

[geïntimeerde] heeft bij pleidooi een beroep gedaan op een, voorafgaande aan het pleidooi overgelegde arbeidsdeskundige expertise van [onderneming] BV van 4 september 2017. Arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 2] komt in deze expertise tot de conclusie dat het eigen werk van [appellant] met kleine aanpassingen in haar manier van werken als passend te betitelen was. De belasting was wel op de grens van haar kunnen gelegen, aldus [arbeidsdeskundige 2] . [appellant] heeft deze expertise voorgelegd aan de arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige 1] en zijn reactie daarop bij pleidooi in het geding gebracht. [arbeidsdeskundige 1] is het niet eens met hetgeen [arbeidsdeskundige 2] stelt en merkt op dat, in strijd met de geldende gedragscode, [arbeidsdeskundige 2] niet met [appellant] heeft gesproken. [appellant] heeft voorts een email van 29 augustus 2016 van [geïntimeerde] aan [arbeidsdeskundige 1] in het geding gebracht waarin, zo heeft [appellant] onbetwist aangegeven, [geïntimeerde] zonder enig voorbehoud aangeeft het helemaal eens te zijn met de rapportage van [arbeidsdeskundige 1] .

Naar het oordeel van het hof geeft het rapport van [arbeidsdeskundige 2] onvoldoende reden om het rapport van [arbeidsdeskundige 1] buiten beschouwing te laten of daaruit te concluderen dat de hiervoor genoemde ‘band’ niet was verbroken. Bovendien staat in de beoordeling van het geschil tussen partijen de situatie zoals die voor partijen bestond op het moment van de overgang van onderneming, zijnde 1 januari 2017, centraal. Op dat moment lagen de rapporten van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige voor. Partijen waren het destijds ook eens met de adviezen van deze deskundigen. Dit leidde ertoe, zoals het hof hiervoor heeft overwogen, dat de re-integratieverplichtingen van de werkgever [geïntimeerde] jegens [appellant] anders werden ingevuld. [geïntimeerde] was verplicht om op zoek te gaan naar passend werk voor [appellant] , in de eerste plaats binnen haar eigen onderneming, spoor 1, (alwaar volgens de arbeidsdeskundige ten tijde van zijn onderzoek geen mogelijkheden lagen), maar feitelijk bij een andere werkgever, spoor 2. Dat [geïntimeerde] gedurende 104 weken een re-integratieverplichting heeft jegens [appellant] , wil niet zeggen dat de re-integratie gedurende die tijd gericht moest zijn op eigen werk. Die re-integratieverplichting liet onverlet dat er, naar het voorlopig oordeel van het hof, geen reëel vooruitzicht meer was op een terugkeer naar het schoonmaakwerk bij [project] , ook niet in aangepast vorm. Of er sprake was van een medische eindtoestand acht het hof bij deze stand van zaken van onvoldoende belang. Het hof passeert het door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord gedane bewijsaanbod aangaande de interpretatie van de voorliggende rapporten. De vraag is overigens of dit aanbod nog actueel is, nu later in de procedure [arbeidsdeskundige 1] nog een schriftelijke verklaring heeft afgelegd. Voorts leent zich deze procedure gelet op de aard ervan, een kort geding, niet voor verdere bewijsvoering.

3.7.

Nu dus naar het voorlopig oordeel van het hof de band van [appellant] met het overgedragen onderdeel van de onderneming ten tijde van de overgang duurzaam was verbroken, heeft zij niet te gelden als een “daar werkzame werknemer” in de zin van artikel 7:663 BW en is zij dus in dienst gebleven bij [geïntimeerde] . De eerste grief van [appellant] slaagt. Dit geldt evenzeer voor de drie andere grieven die, gegeven voormeld oordeel, geen nadere bespreking behoeven.

3.8.

Het slagen van het hoger beroep brengt mee dat het hof de in eerste aanleg niet behandelde verweren die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven, opnieuw dient te beoordelen. Voorafgaande aan de procedure in eerste aanleg is er tussen partijen gediscussieerd over de vraag of het loon tijdens ziekte moet worden gebaseerd op de inhoud van het arbeidscontract waarin een urenomvang is overeengekomen van 12,75 uur per week (exclusief overuren) of moet worden gebaseerd op bijlage 1 van de toepasselijke cao, waarin wordt aangegeven hoe het dagloon tijdens ziekte moet worden berekend met als referteperiode de drie maanden voorafgaande aan de ziekmelding (met het in deze periode gewerkte aantal uren).

Het hof stelt vast dat [appellant] onbetwist bij dagvaarding in eerste aanleg heeft gesteld dat zij hierover een procedure bij de kantonrechter aanhangig had gemaakt. Partijen hebben de zaak vervolgens geschikt in die zin dat [geïntimeerde] (onder andere) het pro resto verschuldigde loon aan [appellant] zou voldoen. Voorts blijkt uit het vonnis van de kantonrechter dat [geïntimeerde] , voorafgaande aan de comparitie in eerste aanleg, het tekort over de periode tot 1 januari 2017 aan [appellant] heeft voldaan. In de pleitnota in eerste aanleg stelt [geïntimeerde] dat dit is gedaan om hiermede een einde te maken aan de discussie. Hoewel zij haar pleidooi in eerste aanleg vervolgde met de stelling dat zij bij haar standpunt blijft, ziet het hof dit als een onvoldoende gemotiveerd verweer tegen de hoogte van de loonvordering.

3.9.

De vorderingen van [appellant] liggen in beginsel voor toewijzing gereed, nu hiertegen geen gericht verweer is gevoerd. Inmiddels is er veel tijd verstreken sedert de laatste adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige. Het hof ziet daarin reden om de vordering tot toelating tot de re-integratieactiviteiten conform de adviezen en wel binnen vijf dagen zoals primair door [appellant] geformuleerd, af te wijzen. Dit neemt niet weg dat [geïntimeerde] haar verplichtingen tot re-integratie dient na te komen. Het hof zal om deze reden de maatregel opleggen zoals subsidiair gevorderd en in het dictum geformuleerd. Het hof zal geen dwangsommen verbinden aan de veroordeling. Dat [geïntimeerde] vanaf 1 januari 2017 geen re-integratieverplichting meer jegens [appellant] is nagekomen, is gelegen in het feit dat zij meende geen werkgever meer van [appellant] te zijn. Nu dit, naar het voorlopig oordeel van het hof, wel het geval is, is er geen reden om aan te nemen dat [geïntimeerde] geen uitvoering zal geven aan de veroordelingen. Mocht dat wel het geval zijn, dan kan alsnog in rechte een dwangsomveroordeling worden gevorderd.

Tegen de formulering van de loonvordering is evenmin gericht verweer gevoerd. Het hof zal met gebruikmaking van zijn matigingsbevoegdheid de wettelijke verhoging matigen tot 40% en de wettelijke rente toewijzen over alle gevorderde posten (zie HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:304).

3.10

Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen. [appellant] heeft aan het hof geen kopie overgelegd van de in eerste aanleg uitgebrachte dagvaarding, hoewel zij daar in een begeleidende brief wel melding van maakt. Slechts de aan de deurwaarder toegezonden dagvaarding is overgelegd. De explootkosten die gemaakt zijn voor het uitbrengen van deze dagvaarding kunnen dan ook niet door het hof worden begroot en zijn in de proceskostenveroordeling dan ook niet meegenomen.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende in kort geding:

veroordeelt [geïntimeerde] tot het hervatten van haar verplichtingen voortvloeiende uit artikel 7:658a BW jegens [appellant] ;

veroordeelt [geïntimeerde] om de verlofuren vanaf 1 januari 2017 correct bij te schrijven, hetgeen neerkomt op 6,37 uur over elke periode van vier weken zolang [appellant] arbeidsongeschikt is;

veroordeelt [geïntimeerde] om het loon zijnde een bedrag van € 787,40 bruto per periode van vier weken, aan haar te voldoen, vermeerderd met 8% vakantiebijslag, eventuele CAO-verhogingen (en overige emolumenten) en onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie, vanaf 1 januari 2017;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ter hoogte van 40 % over het te laat betaalde loon, inclusief de te laat betaalde vakantiebijslag, eventuele CAO-verhogingen en overige emolumenten;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de wettelijke rente over het loon, de vakantiebijslag, eventuele CAO-verhogingen en overige emolumenten en de wettelijke verhoging vanaf de dag dat zij verschuldigd waren tot de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 78,00 aan griffierecht en op € 816,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 97,31 aan dagvaardingskosten, op € 313,00 aan griffierecht en op € 2.682,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

en voor wat betreft de nakosten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op

€ 199,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de hiervoor uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, J.M.H. Schoenmakers en A.W. Rutten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 november 2017.

griffier rolraadsheer