Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4825

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
200.223.356_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef sub c nu onvoldoende aannemelijk is dat de schuldenares de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven met aanvulling van de gronden ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b nu schuldenares ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek niet te goeder trouw is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 9 november 2017

Zaaknummer : 200.223.356/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/237560/ FT RK 17/756

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. R.G.P. Voragen te Heerlen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 5 september 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met productie (het vonnis waarvan beroep) en met als bijlage het procesdossier in eerste aanleg (bestaande uit de stukken als genummerd 1 tot en met 5), ingekomen ter griffie op 12 september 2017, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alsnog toe te wijzen dan wel de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 november 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellante] , bijgestaan door mr. Voragen,

  • -

    mevrouw [beschermingsbewindvoerder 1] in haar hoedanigheid van informante, hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 23 augustus 2017;

- het indieningsformulier met bijlage van de advocaat van [appellante] d.d. 26 oktober 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit de uitlatingen van de beschermingsbewindvoerder zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat zij bekend is met het hoger beroep dat [appellante] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 24.726,33. Daaronder bevinden zich een schuld aan [schuldeiser] van € 3.093,92 en een schuld aan [de vennootschap] van € 2.099,93.

Uit genoemde verklaring blijkt van het doorlopen van een minnelijk traject, maar niet van het in het kader van het minnelijk traject aan de schuldeisers van [appellante] aangeboden percentage (zie nader art. 285 lid 1 aanhef en sub h Fw).

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.3. (…) Tijdens de zitting heeft verzoekster aangegeven dat ze binnenkort gaat beginnen met een behandeling voor traumaverwerking. Deze behandeling zal 1 jaar in beslag nemen. In de tussentijd zal verzoekster, naar eigen zeggen, niet in staat zijn om betaalde arbeid te verrichten.

2.4.

De rechtbank overweegt dat, een te premature toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling het voor verzoekster ingrijpende gevolg kan hebben dat, indien zij niet aan alle in dat kader geldende verplichtingen kan voldoen, de schuldsaneringsregeling voortijdig wordt beëindigd met het nog ingrijpender gevolg dat zij in beginsel de komende tien jaar niet kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Indien verzoekster de psychosociale problemen tenminste voor de duur van één jaar onder controle heeft en een verklaring kan overleggen waaruit dit blijkt, kan zij wederom een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling indienen.”

3.5.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Het vonnis waarvan beroep vermeldt de aanwezigheid van de heer [beschermingsbewindvoerder 2] als beschermingsbewindvoerder van [appellante] bij de toelatingszitting. De heer [beschermingsbewindvoerder 2] is niet de beschermingsbewindvoerder van [appellante] . Bij navraag blijkt dat dat de heer [beschermingsbewindvoerder 2] die dag wel op de rechtbank is geweest. Het vermoeden rijst dan ook dat er zaken door elkaar zijn gehaald. Dit betekent naar de mening van [appellante] dat het vonnis a quo vernietigd dient te worden en het beroep gegrond dient te worden verklaard dan wel dient er een terugverwijzing te volgen naar de rechtbank. Verder is [appellante] van mening dat zij zich staande weet te houden en dat er voldoende hulp aanwezig is. Daarnaast heeft [appellante] een hulpverlener en een bewindvoerder. [appellante] vindt het vonnis waarvan beroep onbegrijpelijk, nu in het kader van de wettelijke schuldsanering er geen absolute verplichting is om te werken. In ieder geval niet als men echt niet kán werken. [appellante] is namens het UWV toegezegd dat zij (momenteel) vrijgesteld is van het solliciteren naar betaalde arbeid. Zij ontvangt een Wajong-uitkering. [appellante] is dus inderdaad momenteel niet in staat om te werken, maar dit staat los van de te volgen therapie en zou ook niet in de weg mogen staan aan de schuldsaneringsregeling. [appellante] en haar hulpverlener geven beiden aan dat de financiële situatie alsmede de psychosociale situatie in het laatste jaar stabiel is geweest. Daarvoor was er ook al sprake van een stabiele situatie. [appellante] gaat in de nabije toekomst een EMDR-therapie volgen. Voorwaarde van deze therapeutische methode is dat degene die deze therapie volgt stabiel is, [appellante] draagt zelf de zorg voor haar twee jonge kinderen en er is geen sprake van een OTS of andere maatregel. Ook die situatie is derhalve stabiel. Het weigeren van de toegang tot de schuldsaneringsregeling werpt momenteel een blokkade op vanuit de woningcorporatie om een nieuwe woning te huren. [appellante] kent inderdaad enige psychosociale problematiek. Dit is echter niet dermate ernstig dat dit een belemmering voor de schuldsaneringsregeling vormt. In ieder geval is deze problematiek dus zeer goed beheersbaar en dit dus al zeker een jaar. Overigens is de eis van een jaar niet gebaseerd op de regelgeving. [appellante] meent dat de psychosociale problematiek van ondergeschikt belang is en in ieder geval beheersbaar en wel voldoende lang.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] geeft aan te begrijpen dat de vermelding van de aanwezigheid van de heer [beschermingsbewindvoerder 2] in het vonnis waarvan beroep klaarblijkelijk op een omissie van de rechtbank berust die, op grond van artikel 31 Rv, zich als kennelijke fout leent voor eenvoudig herstel door de rechtbank. Voorts benadrukt [appellante] dat het feit dat zij op het punt staat om een langdurig en intensief behandeltraject voor haar psychosociale problematiek op te starten niet wil zeggen dat de situatie thans niet beheersbaar zou zijn. Zij heeft de laatste tijd een aanzienlijke persoonlijke groei doorgemaakt, er is zowel een sociaal als een professioneel vangnet aanwezig en zij heeft een stabiel inkomen. De nog te volgen therapie heeft dan ook uitsluitend tot doel te bewerkstelligen dat het op termijn met [appellante] nog beter gaat dan dat het nu al gaat. Het is juist dat [appellante] vanwege het aanstonds te volgen traject niet in staat zal zijn om daarnaast nog een (fulltime) betaalde arbeidsbetrekking te vervullen, maar de vraag is of dit de schuldeisers ook daadwerkelijk zal benadelen. Vanwege de zorg voor haar twee kinderen, haar lage opleiding en als gevolg daarvan ook lage arbeidscapaciteit zal een eventueel loon uit arbeid de hoogte van de Wajong-uitkering die zij thans geniet naar alle waarschijnlijkheid niet gaan overstijgen. Verder stelt [appellante] dat haar schulden, ook al blijkt dat niet direct uit de door de GKB opgestelde schuldenlijst, allen zijn ontstaan voor de invoering van het huidige beschermingsbewind. Daar voegt zij aan toe dat er geen schuld aan het CJIB is, wat eventueel wel uit de schuldhulprapportage zou kunnen worden herleid, en dat er inderdaad sprake is van overbestedingsschulden bij diverse postorderbedrijven. [appellante] geeft aan thans ook veel spijt te hebben van deze aankopen. Tot slot geeft [appellante] aan dat zij in het verleden is gediagnostiseerd met een ADD stoornis (en niet met ADHD) en dat zij vrijwilligerswerk verricht, eenmaal per week tussen de twee en vier uren.

3.7.

De huidige beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - desgevraagd nog het volgende aangevoerd. Nu de ex-partner van [appellante] geheel uit beeld is, gaat het een stuk beter met [appellante] . Er is ook sprake van een goed contact, [appellante] toont initiatief, zij is betrokken bij haar financiën en zij maakt geen nieuwe schulden. Volgens de bewindvoerder zou er thans ook geen sprake meer zijn van enige belastingschuld omdat deze schuld, die nog wel op de door [appellante] overgelegde schuldenlijst staat, zou zijn verrekend dan wel kwijtgescholden. Stukken waaruit dit blijkt heeft de beschermingsbewindvoerder evenwel niet voorhanden. Tot slot merkt de beschermingsbewindvoerder op dat de bescheiden waaruit van het in het kader van het minnelijk traject aan de schuldeisers aangeboden percentage blijkt, wel bij het toelatingsverzoek in eerste aanleg zaten en dat zij derhalve niet begrijpt waarom deze bescheiden thans, in hoger beroep, ontbreken.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.8.2.

Ingevolge punt 5.4.3. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en welke bepaling uiting geeft aan jurisprudentie op dit punt, wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een dergelijke verklaring is door [appellante] evenwel niet overgelegd. Daarbij komt dat er door [appellante] evenmin stukken zijn overgelegd waaruit de exacte aard van haar actuele psychosociale problematiek en de aard en inhoud van de aanstonds door haar in dit kader te volgen therapie kan worden opgemaakt. Zoals ook ter zitting in hoger beroep is gedaan hecht het hof, ook in meer algemene zin, er overigens aan te benadrukken dat het - blijven - hebben van psychosociale problemen als zodanig niet aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg behoeft te staan. Het gaat er echter wel om dat, in het licht van de kernverplichtingen waaraan een saniet in het kader van de wettelijke schuldsanering in beginsel moet voldoen wil betrokkene uiteindelijk de zogeheten schone lei verwerven - deze psychosociale problematiek ten tijde van de toelating beheersbaar is blijkens een (relevante en actuele) verklaring van een ter zake deskundige hulpverlener zoals de behandelend psychiater of psycholoog. Dit namelijk draagt wezenlijk bij tot het uiteindelijke oordeel dat voldoende aannemelijk is dat een schuldenaar, in dit geval [appellante] , de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende (kern-)verplichtingen zal nakomen. Als [appellante] van oordeel was en is dat haar psychosociale problematiek niet dermate ernstig is dat dit een belemmering is voor toelating tot de wettelijke schuldsanering, althans dat haar psychosociale problematiek van ondergeschikt belang is, had zij in elk geval in hoger beroep stukken kunnen overleggen waarmee dit oordeel en daarmee tevens grief 4 (en eigenlijk indirect ook grief 3) in het beroepschrift had kunnen worden onderbouwd. [appellante] heeft dit echter nagelaten; zelfs stukken in het kader van de (her-)keuring Wajong ontbreken. Dit klemt temeer nu in de processtukken onder meer wordt gesproken van RIMO, PsyQ, psychiatrisch consult, psychische problematiek, 1 x per 2 weken een psychologe, een eerdere psychologische behandeling die inmiddels is gestopt en, getuige het proces-verbaal van eerste aanleg d.d. 23 augustus 2017, een doorverwijzing naar Leonardus voor traumaverwerking (ten aanzien waarvan [appellante] een week later zou horen wat die gaan doen). Voor de goede orde merkt het hof nog op dat de rapportage althans de brief van mevrouw [gespecialiseerd thuisbegeleider] , gespecialiseerd thuisbegeleider van Meander Groep Zuid-Limburg, met name ziet op de wijze waarop, mede in verband met de opvoeding van de kinderen van [appellante] ten aanzien welke opvoeding [appellante] zich op een bepaald moment overbelast voelde, de thuiszorg is verlopen en nog loopt. De rapportage c.q. de brief verschaft echter geen inzicht over de aard van de psychische problematiek noch over de gevolgde en thans te volgen psychosociale behandeling, daargelaten nog dat [gespecialiseerd thuisbegeleider] noch de beschermingsbewindvoerder op psychosociaal gebied de (ter zake deskundige) behandelaar van [appellante] is. Dat zou bijvoorbeeld wel Leonardus kunnen zijn, maar daarvan zijn geen stukken overgelegd. Overigens maakte, afgezien van al het voorgaande dat naar het oordeel van dit hof de onderstaande beslissing reeds kan dragen, [appellante] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep op het hof geestelijk een nog enigszins instabiele indruk.

3.8.3.

Daarbij komt dat de door [appellante] overgelegde schuldenlijst een tweetal belastingschulden vermeld voor een totaalbedrag van circa € 1.100,00. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient ingevolge punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Temeer nu [appellante] verzuimt haar stelling met betrekking tot de belastingschuld, meer in het bijzonder haar stelling dat deze schulden thans niet meer zouden bestaan, ex artikel 3.1.2.6. sub g van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken middels verificatoire bescheiden dan wel anderszins te onderbouwen, acht het hof het onvoldoende aannemelijk dat zij ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst te goeder trouw is geweest.

3.8.4.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert, daargelaten de kwestie wat nu precies namens [appellante] aan haar schuldeisers is aangeboden in het kader van het minnelijk traject, het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellante] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal - onder aanvulling van de gronden - worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, A.P. Zweers-van Vollenhoven en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2017.