Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4806

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
200.219.847_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 9 november 2017

Zaaknummer : 200.219.847/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/317220 / FA RK 17-492

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende op een geheim adres,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.M.M. Mikkers,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI);

  • -

    mevrouw [pleegmoeder] en de heer [pleegvader] (hierna te noemen: de pleegmoeder respectievelijk de pleegvader, tezamen de pleegouders).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 april 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 juli 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en – zo begrijpt het hof – opnieuw rechtdoende het verzoek van de raad om het gezag van de moeder over de hierna nader te noemen [de minderjarige 1] te beëindigen, alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 augustus 2017, heeft de GI verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep dan wel dit verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Mikkers;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

De pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 4 april 2017;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 30 juli 2017;

  • -

    het V-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 26 september 2017, met bijgevoegd het rapport van de raad van 23 januari 2017 (hierna: het raadsrapport).

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is – voor zover hier van belang – geboren:

 [de minderjarige 1] op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [de minderjarige 1] ).

De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] . De vader van [de minderjarige 1] is onbekend.

3.2.

[de minderjarige 1] is in november 2014 in het vrijwillige kader in een crisispleeggezin geplaatst. Sinds 26 mei 2015 staat hij onder toezicht van de GI en is hij op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst. Sinds juni 2016 woont [de minderjarige 1] in het huidige, perspectief biedende pleeggezin.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige 1] beëindigd en de GI tot voogdes over [de minderjarige 1] benoemd.

Standpunt moeder

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Zij voert in haar beroepschrift het volgende aan.

Aan de vereisten van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is niet voldaan.

De moeder betwist dat bij haar sprake is van problematiek en/of van een instabiele en onveilige opvoedingsomgeving. Dit is al niet meer het geval sinds de geboorte van [de minderjarige 2] op [geboortedatum] 2016. Haar leven is op orde. De relatie met de vader van [de minderjarige 2] is definitief beëindigd. De moeder woont, nu er nog geen duidelijkheid is waar zij zich met [de minderjarige 2] veilig kan vestigen, met [de minderjarige 2] in een opvanghuis. Zij zorgt volledig zelf voor [de minderjarige 2] en biedt hem de nodige structuur en regelmaat. De moeder heeft na de geboorte van [de minderjarige 2] ook zelf hulp gezocht.

Er is niet middels gedegen onderzoek gebleken dat de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] niet zou kunnen dragen en dat zij niet aan de specifieke opvoedvragen van [de minderjarige 1] zou kunnen voldoen. Zij heeft [de minderjarige 1] vrijwillig uit huis geplaatst op het moment dat het thuis niet veilig (genoeg) was voor hem. Vervolgens was het de moeder lange tijd niet duidelijk wat er van haar werd verlangd. De gestelde doelen waren niet duidelijk en werden keer op keer gewijzigd. Eerst op het moment dat zij zelf aanvullende ondersteuning inschakelde, kon er op een voor haar begrijpelijke wijze aan de doelen worden gewerkt.

De raad heeft onvoldoende onderbouwd waarom de behoefte van [de minderjarige 1] aan duidelijkheid over zijn perspectief niet kan worden gegeven door een (jaarlijkse) verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing binnen de maatregel van de ondertoezichtstelling. De moeder, die heimelijk nog wel hoopt dat [de minderjarige 1] ooit weer bij haar komt wonen, is er desondanks van doordrongen dat (door tijdsverloop) de toekomst van [de minderjarige 1] in het pleeggezin ligt. De moeder is zich ervan bewust dat zij dit blijvend moet uitstralen naar [de minderjarige 1] . Zij zal nimmer aan hem gaan “trekken”. Bij [de minderjarige 1] bestaat ook geen twijfel over zijn woonplek.

De moeder, die het gevoel heeft dat alles haar wordt ontnomen, acht het van belang dat zij vanuit haar gezag op de hoogte blijft en betrokken blijft bij beslissingen die [de minderjarige 1] aangaan. Behoud van haar gezag geeft haar meer zekerheid dat er vooraf met haar wordt overlegd als er belangrijke beslissingen ten aanzien van [de minderjarige 1] moeten worden genomen. Het geeft haar ook de mogelijkheid om rechtstreeks informatie te vragen aan derden zoals artsen en hulpverleners.

Er is ook niet gebleken dat de GI in de uitvoering van de ondertoezichtstelling problemen ervaart met de moeder. De moeder is altijd goed bereikbaar voor de GI en de pleegouders, werkt te allen tijde op een constructieve manier met hen samen en misbruikt nimmer haar gezag.

De moeder heeft ter zitting bij het hof aanvullend het volgende naar voren gebracht.

Er wordt veel teruggegrepen op het verleden. De situatie is evenwel ten goede veranderd. Dat de moeder nog verblijft in een blijf van mijn lijf huis, vormt geen reden voor gezagsbeëindiging. Zij heeft inmiddels een woning aangeboden gekregen en geaccepteerd. [de minderjarige 2] staat nog onder toezicht, maar de moeder voedt hem zelf op. De moeder heeft geen contact meer met de vader van [de minderjarige 2] .

Hoewel het lastig blijft, accepteert de moeder dat [de minderjarige 1] in het pleeggezin blijft wonen. [de minderjarige 1] , die – zo ontkent de moeder niet – veel heeft meegemaakt in zijn leven, doet het goed in het pleeggezin. De moeder heeft een vrij goed contact met de pleegouders en is in staat op een constructieve wijze met hen te overleggen.

[de minderjarige 1] zal geen last hebben van een jaarlijkse verlenging van de machtiging uithuisplaatsing.

Nu de moeder een perspectief biedende plaatsing van [de minderjarige 1] in het pleeggezin niet in de weg staat en er bij [de minderjarige 1] dan ook geen onduidelijkheid bestaat over zijn perspectief, rechtvaardigt deze uitzonderingssituatie een afwijking van de gronden van de gezagsbeëindiging. Ook in “stress-situaties” in het verleden heeft de moeder altijd vrijwillig hulpverlening ingeschakeld. De moeder heeft er vertrouwen in dat zij dit ook in de toekomst zal doen als dat nodig is.

De moeder zou in elk geval graag meer omgang willen met [de minderjarige 1] . Zij ziet hem thans een uur in de maand bij de pleegouders. De omgang verloopt goed.

Standpunt GI

3.5.

De GI voert in haar verweerschrift het volgende aan.

Aan de vereisten voor gezagsbeëindiging is voldaan.

[de minderjarige 1] doet het erg goed in het pleeggezin. Hij is er tot rust gekomen. [de minderjarige 1] is op sociaal en emotioneel gebied onvoldoende ontwikkeld. Ook blijft men angsten waarnemen vanuit zijn verleden. Gelet hierop is [de minderjarige 1] voor onderzoek aangemeld bij Herlaarhof. Daarnaast is [de minderjarige 1] gezien door de kinderpsychiater. [de minderjarige 1] is bekend met ADHD met medicatie.

De moeder ziet [de minderjarige 1] eens per maand. Zij komt op bezoek bij het pleeggezin. Het contact verloopt positief.

De moeder verblijft voor haar veiligheid nog altijd in een opvanghuis, vanwege de vader van [de minderjarige 2] . De politie heeft te kennen gegeven dat de moeder haar hele leven alert zal moeten blijven.

De moeder heeft tot november 2016 de intentie gehad de relatie met de vader van [de minderjarige 2] in stand te houden. De moeder ontkende dat sprake was van dreigementen, geweld en intimidatie en de samenwerking met de GI verliep heel moeizaam. Sinds de moeder het besluit heeft genomen om de relatie met de vader van [de minderjarige 2] te verbreken, ziet zij in hoe onveilig het voor haar en [de minderjarige 1] is geweest. Daarmee kunnen nu ook de zorgen rondom [de minderjarige 1] worden besproken. De moeder ziet haar fouten in en de samenwerking met de GI verloopt positief. De moeder is erg gemotiveerd om het goed te doen voor haar zelf en voor haar kinderen. Ze accepteert hulpverlening voor haar zelf en in de opvoeding van de kinderen. Ze staat ook achter de plaatsing van [de minderjarige 1] in het pleeggezin en ze geeft aan ook zonder maatregel [de minderjarige 1] niet terug te willen halen. Ze ziet dat hij het erg goed doet in het pleeggezin. Ze wil wel graag betrokken blijven bij de keuzes die gemaakt worden ten aanzien van [de minderjarige 1] . De moeder verdient een compliment dat zij zich wil blijven inzetten om het beste voor [de minderjarige 1] gedaan te krijgen. Echter ook in geval van gezagsbeëindiging zal de moeder te allen tijde betrokken blijven bij de beslissingen ten aanzien van [de minderjarige 1] .

De GI heeft ter zitting bij het hof aanvullend het volgende naar voren gebracht.

Het gaat goed met [de minderjarige 1] in het pleeggezin. Zijn medicatie is bijgesteld, waar hij goed op reageert zowel thuis als op school. Er zijn nauwelijks nog conflicten. Herlaarhof, die onderzoek heeft gedaan om een beter beeld te krijgen van [de minderjarige 1] en om te bezien wat [de minderjarige 1] nodig heeft om zich zo optimaal mogelijk te ontwikkelen, heeft geadviseerd [de minderjarige 1] te behandelen (met een ondersteunende rol voor de moeder) en het pleeggezin te ondersteunen.

De GI is geen voorstander van een verblijf van [de minderjarige 1] in het pleeggezin op vrijwillige basis. Gezien de ervaringen uit het verleden, bestaat de zorg dat de moeder in een “stress-situatie” niet langer meewerkt aan de plaatsing.

[de minderjarige 1] heeft op zichzelf geen twijfel over zijn verblijf in het pleeggezin. Anderzijds houdt het hem wel bezig. Hij leeft met de herinnering, op welk moment het in een eerder pleeggezin “fout” is gegaan en denkt in dat opzicht in mijlpalen. Het zou [de minderjarige 1] steunen als hij – door bekrachtiging van de bestreden beschikking – nog meer duidelijkheid krijgt over zijn perspectief in het pleeggezin.

De huidige beperkte omgangsregeling van eens in de vier weken komt mede voort uit de reisafstand die de moeder moet afleggen voor een omgangsmoment. Eerder was er eens in de twee weken omgang tussen de moeder en [de minderjarige 1] . Als de moeder over eigen woonruimte beschikt, zullen de mogelijkheden van omgang opnieuw moeten worden bezien.

Standpunt raad

3.6.

De raad heeft ter zitting bij het hof het volgende naar voren gebracht.

Een ondertoezichtstelling heeft een tijdelijk karakter. De “aanvaardbare termijn” van artikel 1:266 BW is ruimschoots verstreken, zodat het gezag van de moeder dient te worden beëindigd.

[de minderjarige 1] is een heel kwetsbaar kind dat al veel heeft meegemaakt. Hij doet het goed in het pleeggezin en dient de duidelijkheid te krijgen dat hij daar mag blijven. Middels een verblijf op vrijwillige basis is niet gewaarborgd dat [de minderjarige 1] in het pleeggezin mag blijven. Dit gelet op de instabiliteit van de moeder in het verleden, waarin zij de zorgen omtrent [de minderjarige 1] dan weer niet en dan weer wel (h)erkende en de hele lange lijn van hulpverlening.

De moeder dient de mogelijkheid te krijgen om haar rol als ouder op afstand op een goede manier te kunnen invullen. Daarbij moet opnieuw worden gekeken naar de frequentie van de omgangscontacten tussen [de minderjarige 1] en de moeder.

Overwegingen hof

3.7.

Ingevolge artikel 1:266 BW kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.8.

Het hof is van oordeel dat aan de vereisten voor gezagsbeëindiging (onder a) is voldaan.

[de minderjarige 1] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Hij heeft veel meegemaakt toen hij nog thuis woonde. Hij is, zo meldt het raadsrapport, getuige en mogelijk slachtoffer geweest van fors huiselijk geweld, waardoor hij veel fysieke en emotionele onveiligheid heeft ervaren. Daarnaast heeft hij veel wisselingen in verblijfplaats gehad. Er zijn hechtingsproblemen geconstateerd. Verder laat hij onder meer angsten en emotieregulatieproblemen zien. [de minderjarige 1] vraagt om meer dan gemiddelde vaardigheden van zijn opvoeders.

Het hof is met de raad van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige 1] is dat hij opgroeit binnen een fysiek en emotioneel veilige en stabiele omgeving die wordt gekenmerkt door structuur, betrouwbaarheid, voorspelbaarheid en beschikbaarheid van hechtingspersonen.

Het hof acht de moeder niet in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige 1] aanvaardbaar te achten termijn. [de minderjarige 1] woont sinds november 2014 in een pleeggezin. De aanvaardbare termijn is inmiddels verstreken.

Voor zover de moeder aanvoert dat haar situatie het maken van een uitzondering op de regel rechtvaardigt en haar gezag – ondanks het verstrijken van de aanvaardbare termijn – niet dient te worden beëindigd, overweegt het hof als volgt. In het verleden was er bij de moeder sprake van een instabiele en onveilige opvoedingsomgeving. De moeder heeft [de minderjarige 1] onvoldoende kunnen beschermen richting haar ex-partner (de vader van [de minderjarige 2] ). Weliswaar lijkt het – sinds de moeder de relatie met haar ex-partner heeft beëindigd – beter te gaan met de moeder. Deze ontwikkeling is evenwel nog relatief recent. Onvoldoende duidelijk is of de moeder als zij een tegenslag / tegenslagen krijgt te verwerken, niet weer terugvalt in haar oude patroon, waarin zij de zorgen rondom [de minderjarige 1] niet (h)erkent. Naar het oordeel van het hof kan nog niet worden gesproken van een bestendige positieve lijn, temeer nu de moeder tot op heden niet zelfstandig woont en het omgaan met tegenslagen meer van haar zal vragen als zij eenmaal zelfstandig woont. Daarnaast blijkt uit het rapport van de raad dat de moeder tijdens de omgang met [de minderjarige 1] onvoldoende aansluit bij de behoeften van [de minderjarige 1] . Gelet op deze zorgen gedurende de omgangscontacten, waarin [de minderjarige 1] de moeder overstijgt, is de raad van mening dat de moeder onvoldoende kan voorzien in de basisbehoeften van [de minderjarige 1] en in de specifieke aanpak die [de minderjarige 1] , gezien zijn problematiek, nodig heeft. Het is voor de ontwikkeling van [de minderjarige 1] van belang dat er duidelijkheid bestaat over zijn opvoedingssituatie. Het hof is – alles overziend – van oordeel dat een beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk is om deze duidelijkheid ook voor de toekomst te bieden.

Conclusie

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 april 2017;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, P.M.M. Mostermans en A.M.M. Hompus, bijgestaan door de griffier, en is op 9 november 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.