Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4803

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
200.207.354_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.207.354/01

zaaknummer rechtbank : C/03/219865 FA RK 16-1350

beschikking van de meervoudige kamer van 9 november 2017

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.R.T.A. Luijten te Heerlen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E. Meuwissen te Maastricht.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 12 oktober 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 11 januari 2017 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 12 oktober 2016.

2.2.

De man heeft op 24 februari 2017 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De vrouw heeft op 6 april 2017 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 28 juni 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 29 juni 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 3 juli 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 4 juli 2017;

  • -

    het V8-formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 5 juli 2017.

2.5.1.

De mondelinge behandeling heeft op 12 juli 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.5.2.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft zowel de advocaat van de vrouw als de advocaat van de man een pleitnotitie overgelegd.

2.5.3.

De advocaat van de vrouw heeft bij de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen het als bijlage 23 van het verweerschrift van de man deel uitmakende ‘commentaar van de man op het beroepschrift van de vrouw’. Volgens de advocaat van de vrouw is de status van bijlage 23 onbekend, nu de advocaat van de man deze bijlage in het geding heeft gebracht, zonder in zijn verweerschrift te verwijzen naar bepaalde onderdelen uit dat commentaar.

Het hof is van oordeel dat bijlage 23 bij het verweerschrift het karakter draagt van een volledig tweede verweerschrift (nu geschreven door de man) hetgeen in strijd is te achten met de goede procesorde. Het hof heeft daarom beslist dat alleen voor zover er in het verweerschrift bij de behandeling van de opgeworpen grieven expliciet wordt verwezen naar bijlage 23, deze verwijzingen zullen worden meegenomen.

2.5.4.

De advocaat van de vrouw heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling voorts bezwaar gemaakt tegen overlegging van de brief van de advocaat van de man van 4 juli 2017 met als bijlagen de producties 54 en 55. Het bezwaar houdt in dat de stukken zijn ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn.

Gelet op het feit dat deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn, heeft het hof beslist dat deze stukken worden toegelaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

Tussen partijen staat onder meer het volgende vast.

3.2.

Het huwelijk van partijen is op 7 augustus 2015 ontbonden door echtscheiding.

3.3.

Bij beschikking van 31 maart 2015 heeft de rechtbank Limburg (Maastricht) de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) vastgesteld op:

  • -

    € 3.885,-- per maand, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand;

  • -

    € 5.000,-- per maand met ingang van 15 augustus 2015;

  • -

    nihil met ingang van 1 januari 2016.

In hoger beroep heeft het hof bij beschikking van 17 september 2015, onder vernietiging van genoemde beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 31 maart 2015, de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen partneralimentatie nader vastgesteld op € 3.150,-- per maand tot 1 januari 2016. De beslissing ten aanzien van de vanaf 1 januari 2016 te betalen partneralimentatie is bij die beschikking aangehouden.

Bij beschikking van het hof van 24 december 2015, heeft het hof de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 31 maart 2015 bekrachtigd voor zover de rechtbank daarbij de partneralimentatie vanaf 1 januari 2016 op nihil heeft gesteld.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 1 maart 2015, zoals bekrachtigd in hoger beroep bij beschikking van het hof van 24 december 2015, voor zover bij die beschikking de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2016 is bepaald op nihil, de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van:

  • -

    1 oktober 2016 bepaald op een bedrag van € 1.320,-- per maand;

  • -

    1 juli 2017 bepaald op een bedrag van € 1.985,-- per maand.

4.2.

De grieven van de vrouw zien op de behoefte/behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man.

4.2.1.

De vrouw heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de man te bevelen ex art. 843a Rv inzage te verstrekken betreffende zijn reële woonlasten en betreffende zijn ABP Extra Pensioen middels de officiële pensioenoverzichten van APG van 2014 tot en met 2016 wat betreft de opbouw van dat pensioen en de uitkering daarvan, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag dat de man geen gehoor geeft aan dat bevel, met een maximum van € 50.000,--, dan wel de vrouw te machtigen alle gegevens van de hypotheeklasten en woonlasten, als hiervoor vermeld, zelf op te vragen;

- de bijdrage van de man aan de vrouw vast te stellen op € 2.000,-- per maand per 1 oktober 2016 en op € 2.700,-- per maand per 1 juli 2017 c.q. op een bedrag dat het hof juist acht op basis van de nader vast te stellen inkomsten van partijen en per 1 juli 2017 te verhogen op basis van de bijkomende AOW-uitkering van de man.

4.3.

De grieven van de man zien op de behoefte/behoeftigheid van de vrouw en op zijn draagkracht.

4.3.1.

De man heeft in principaal hoger beroep verzocht de grieven van de vrouw ongegrond te verklaren en haar in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans die verzoeken af te wijzen.

4.3.2.

In incidenteel hoger beroep heeft de man verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar levensonderhoud wordt afgewezen, althans deze bijdrage met terugwerkende kracht ingaande 1 oktober 2016 vast te stellen op een bedrag dat het hof redelijk acht.

4.4.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die er toe leidt dat de door de man te betalen partneralimentatie opnieuw beoordeeld dient te worden.

Ingangsdatum

5.2.

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum van 1 oktober 2016 is niet in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.

Behoefte van de vrouw

5.3.1.

De hoogte van de (huwelijksgerelateerde) behoefte van de vrouw is tussen partijen in geschil.

5.3.2.

Uitgaande van de door de vrouw als productie 15 bij F-9 formulier van 18 augustus 2016 overgelegde behoefteopstelling, is de rechtbank aan de zijde van de vrouw uitgegaan van een (huwelijksgerelateerde) behoefte van € 3.204,-- netto per maand.

5.3.3.

De vrouw voert – kort samengevat – aan dat de rechtbank ten onrechte de door de vrouw in eerste aanleg gestelde (huwelijksgerelateerde) behoefte van € 5.000,-- netto per maand, heeft verminderd naar € 3.204,-- netto per maand. Het kostenplaatje waarop de rechtbank zich heeft gebaseerd is verre van compleet en niet ingebracht om het volledig behoeftebeeld te schetsen. De vrouw handhaaft haar stelling dat haar huwelijksgerelateerde behoefte € 5.000,-- bedraagt.

5.3.4.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij stelt zich op het standpunt dat de vrouw de door haar gestelde behoefte van € 5.000,-- netto per maand nimmer heeft onderbouwd. In zijn incidenteel hoger beroep voert ook de man aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de huwelijks gerelateerde behoefte van de vrouw € 3.204,-- netto per maand bedraagt. Uitgaande van het door de vrouw in hoger beroep aangevulde behoeftelijstje, komt de man, na toepassing van enkele correcties (zie hieronder), tot een huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van € 2.210,-- netto per maand (grief I van de man in het incidenteel appel).

De vrouw heeft in reactie op deze incidentele grief (onder meer) aangevoerd dat de man deze tardief heeft aangevoerd nu de rechtbank in de beschikking van 21 maart 2015 de behoefte heeft vastgesteld op € 5.000,-- en de man deze behoefte nimmer heeft betwist.

5.3.5.

Het hof overweegt als volgt. Anders dan de vrouw stelt, stond het de man vrij met een grief op te komen tegen de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde behoefte van € 3.204,--. Van een tardieve grief is geen sprake.

Het hof overweegt voorts het volgende.

De rechter moet bij het bepalen van de mede aan de welstand tijdens het huwelijk gerelateerde behoefte rekening houden met alle relevante omstandigheden. Dat betekent dat de rechter in aanmerking zal moeten nemen zowel wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en aard van zowel de inkomsten als uitgaven geven een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming zal in beginsel – afhankelijk van de omstandigheden – bijdragen tot het oordeel dat echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald (HR 19 december 2003 LJN: AM2379). In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor de te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

De vrouw heeft in eerste aanleg als productie 15 bij F-9 formulier van 18 augustus 2016 een behoeftelijst overgelegd, welke lijst zij in hoger beroep met een aantal posten heeft aangevuld (zie toelichting grief 8 van het beroepschrift). Deze behoeftelijst is door de man op een aantal onderdelen betwist omdat deze niet onderbouwd zijn en/of in geen verhouding staan tot de kosten die tijdens het huwelijk werden gemaakt. Het hof is van oordeel dat de man enerzijds onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw in het onderhavige geval moet worden vastgesteld op een bedrag van

€ 2.210,-- netto, mede gelet op de welstand van partijen tijdens het huwelijk en de duur van het huwelijk. De man heeft tegenover de betwisting van de vrouw de behoefte als door hem begroot onvoldoende onderbouwd. Anderzijds komt de door de vrouw geproduceerde behoeftelijst het hof bovenmatig voor en heeft ook zij de door haar gestelde behoefte onvoldoende onderbouwd tegenover de betwisting door de man. In aanmerking nemende de stellingen van partijen terzake, acht het hof het, alles overziende, redelijk en billijk om de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw als volgt te begroten waarbij het hof de hiervoor genoemde door de vrouw in het geding gebrachte lijst en de standpunten van de man terzake tot uitgangspunt neemt voor het bepalen van de behoefte van de vrouw.

Tijdelijke huur incl. gas/water/licht

De vrouw heeft in haar behoeftelijst een bedrag van in totaal € 875,-- per maand aan woonlasten opgenomen. Zij gaat daarbij uit van de lasten verbonden aan het wonen in haar huidige woning. Nu de man ter zitting in hoger beroep niet heeft weersproken dat de meerderjarige zoon van partijen niet langer bij de vrouw woonachtig is, ziet het hof geen aanleiding om de woonlasten te matigen. Derhalve gaat het hof uit van het door de vrouw gestelde en door de man verder niet weersproken bedrag aan woonlasten van € 875,-- per maand.

Opslag UTS

De vrouw heeft in haar behoeftelijst een bedrag van € 150,-- per maand aan opslagkosten bij UTS opgenomen, zonder evenwel toe te lichten om welke kosten het gaat, hetgeen in het licht van de betwisting door de man, wel op haar weg had gelegen. Derhalve houdt het hof hier geen rekening mee.

Telefoon, internet, gsm

De vrouw heeft voor telefoon-, internet- en gsm kosten een bedrag van € 75,-- per maand opgevoerd. Het hof zal deze post, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, in redelijkheid vaststellen op € 50,-- per maand.

Huishouden

Het hof zal in redelijkheid deze post vaststellen op een bedrag van 275,-- per maand, nu de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting van de man niet nader heeft onderbouwd, dat zij een bedrag van € 400,-- per maand nodig heeft voor het huishouden.

Vakanties

Het hof zal in redelijkheid deze post vaststellen op een bedrag van € 275,-- per maand,

nu de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting van de man niet nader heeft onderbouwd, noch aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor vakanties een bedrag van € 400,-- per maand nodig heeft.

Sparen

De vrouw heeft een bedrag van € 250,-- per maand opgevoerd om te sparen. Het enkele feit dat de vrouw over vermogen beschikt en zij in het kader van de afwikkeling van hun huwelijk mogelijk een aanzienlijke vordering zal hebben op de man, laat onverlet dat de vrouw niet de mogelijkheid mag worden onthouden om te sparen voor onvoorziene uitgaven. Het hof zal deze post in redelijkheid vaststellen op een bedrag van € 125,-- per maand.

Uit eten, terras, film

De vrouw heeft een bedrag van € 300,-- per maand opgevoerd aan “uit eten, terras en film”. Het hof zal deze post, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, in redelijkheid vaststellen op € 150,-- per maand.

Kosten hond belasting/dierenbelasting/voer en pension

Het hof zal in redelijkheid deze post vaststellen op een bedrag van € 75,-- per maand, nu de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting van de man niet nader heeft onderbouwd, noch aannemelijk gemaakt dat zij een bedrag van € 150,-- per maand nodig heeft voor aan de hond verbonden lasten.

Kapper, huidtherapeute en pedicure

Het hof zal in redelijkheid deze post vaststellen op een bedrag van € 125,-- per maand, nu de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting van de man niet nader heeft onderbouwd, noch aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor de kapper, huidtherapeute en pedicure een bedrag van € 150,-- per maand nodig heeft.

Kosten wijn

De vrouw heeft in haar behoeftelijst een bedrag van € 60,-- per maand opgenomen aan kosten wijn. Het hof volgt de man in zijn betoog dat deze kosten geschaard kunnen worden onder de kosten voor het huishouden. Derhalve houdt het hof geen rekening met deze post.

Kleding

De vrouw heeft een bedrag van € 400,-- per maand opgevoerd aan kleding. Het hof zal deze post, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, vaststellen op een bedrag van € 300,-- per maand.

Schoenen, laarzen en sportschoenen

Het hof zal in redelijkheid deze post vaststellen op het door de man gestelde bedrag van € 100,-- per maand, nu de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet nader heeft onderbouwd, noch aannemelijk heeft gemaakt dat zij een bedrag van € 200,-- per maand nodig heeft voor schoenen

Toiletartikelen

De vrouw heeft een bedrag van € 150,-- per maand opgevoerd aan toiletartikelen. Het hof zal deze post, gelet op gemotiveerde betwisting van de man, in redelijkheid vaststellen op een bedrag van € 100,-- per maand.

Ziektekostenpremie incl. eigen risico

De vrouw heeft in haar behoeftelijst een bedrag van € 180,-- per maand opgenomen aan premie ziektekostenverzekering. Nu de man zich met dit bedrag akkoord heeft verklaard en niet gebleken is dat de vrouw zorgtoeslag ontvangt, zal het hof met dit bedrag rekening houden.

Verblijf kinderen

De vrouw heeft een bedrag van € 200,-- per maand opgevoerd aan kosten verbonden aan het verblijf van de kinderen van partijen. Het hof zal deze post in redelijkheid vaststellen op een bedrag van € 100,-- per maand, nu de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet nader heeft onderbouwd, noch aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor het verblijf van de kinderen een bedrag van € 200,-- per maand nodig heeft.

Cadeaus

De vrouw heeft een bedrag van € 150,-- per maand opgevoerd aan kosten voor cadeaus.

Het hof zal deze post, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, in redelijkheid vaststellen op een bedrag van € 100,--.

Opslag goederen

De vrouw heeft in haar behoeftelijst een bedrag van € 150,-- per maand aan opslagkosten voor inboedelgoederen opgenomen, zonder evenwel toe te lichten om welke kosten het gaat, hetgeen in het licht van de betwisting door de man, wel op haar weg had gelegen. Derhalve houdt het hof hier geen rekening mee.

Voorziening vervanging inventaris

De vrouw heeft in haar behoeftelijst een bedrag van € 250,-- per maand opgevoerd als voorziening voor het vervangen van inventaris. Het hof zal deze post, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, in redelijkheid vaststellen op een bedrag van € 100,-- per maand.

Afschrijving auto

Het hof zal in redelijkheid deze post vaststellen op een bedrag van € 200,-- per maand, nu de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting van de man niet nader heeft onderbouwd, noch aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor de aanschaf van een andere auto € 600,-- per maand moet reserveren.

Verzekeringen

De vrouw heeft een bedrag van € 75,-- per maand opgevoerd aan verzekeringen. Het hof zal deze post, gelet op de gemotiveerde betwisting van de man, in redelijkheid vaststellen op een bedrag van € 50,-- per maand.

Conclusie

De (huwelijksgerelateerde) behoefte van de vrouw dient, met inachtneming van bovengenoemde correcties in het door de vrouw overgelegde behoefteoverzicht, te worden gesteld op een bedrag van € 3.180,-- netto per maand.

Behoeftigheid van de vrouw

A. Inkomen (grieven 1 tot en met 6 van de vrouw)

5.4.1.

De rechtbank heeft het inkomen van de vrouw becijferd op een bedrag van € 1.985,-- netto per maand. Dit inkomen is als volgt becijferd:

  • -

    € 18.038,-- bruto per jaar aan ABP Keuzepensioen;

  • -

    € 630,-- per jaar aan 1% rente over haar liquide vermogen van € 63.000,--;

  • -

    € 4.800,-- per jaar aan rente over de door de moeder van de vrouw aan haar ten titel van schenking schuldig erkende bedragen van in totaal € 80.000,--;

  • -

    € 593,01 netto per maand als reële inkomstencomponent voortvloeiende uit de door de vrouw van haar gewezen werkgever ontvangen compensatievergoeding van in totaal € 66.000,-- bruto (€ 36.747,908 netto).

- Inkomen uit de ontslagvergoeding

5.4.2.

De grieven 1 tot en met 3 van de vrouw houden in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat:

  1. van het door haar aan ontslagvergoeding verkregen bedrag van € 66.000,-- bruto, een deel bestemd was om het door haar per [geboortedag van de vrouw] 2015 te ontvangen keuzepensioen aan te vullen (grief 1 en 2);

  2. de door de vrouw aan de ontslagvergoeding van € 66.000,-- bruto gegeven bestemming niet kan afdoen aan het geoormerkte karakter van die uitkering en dat de vrouw voldoende andere liquiditeiten heeft waarmee zij noodzakelijke uitgaven had kunnen financieren, zonder daarvoor het geoormerkte kapitaal aan te spreken (grief 3).

Ter toelichting op haar grieven voert de vrouw het volgende aan:

De ontslagvergoeding is nooit bedoeld geweest om het keuzepensioen aan te vullen. De vrouw verwijst daarbij naar de vaststellingsovereenkomst van 3 juli 2013, gesloten ter beëindiging van een geschil tussen de vrouw met haar (voormalige) werkgever. De uitkering was bedoeld om het verlies aan pensioenopbouw te compenseren. Dat verlies bedroeg 29,1% en dat wilde de werkgever van de vrouw volledig (100%) compenseren (zie art. 12d van de vaststellingsovereenkomst). Met dat verlies werd bedoeld, hetgeen de vrouw minder aan pensioen zou gaan ontvangen vanaf haar 65e levensjaar; dat zou worden gecompenseerd. Niet werd gedoeld op het daaraan voorafgaand te ontvangen keuzepensioen.

5.4.3.

De man heeft hiertegen het volgende verweer gevoerd.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de ontslagvergoeding bestemd was om het keuzepensioen van de vrouw aan te vullen. De werkgever van de vrouw heeft beoogd de vrouw te compenseren in haar terugval in inkomen vanaf leeftijd 60 tot leeftijd 65. De vrouw had tot [geboortedag van de vrouw] 2015, de datum van uitdiensttreding, een inkomen uit loondienst van circa € 1.550,-- netto per maand bij een parttime dienstverband van 50% en zou door haar ontslag terugvallen op een inkomen uit keuzepensioen van € 1.063,-- netto per maand. De vrouw wenste enkel vrijwillig met keuzepensioen te gaan, indien dit inkomensverlies volledig door de werkgever zou worden gecompenseerd. Voorts betwist de man dat de vrouw de gehele ontslagvergoeding van € 36.747,-- netto heeft aangewend om advocaatkosten te betalen en om vanaf 1 januari 2016 in eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft geen enkel bewijsmiddel overgelegd waaruit dat blijkt.

5.4.4.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof volgt de vrouw in haar stelling dat de door haar ontvangen ontslagvergoeding van € 66.000,-- bruto was bedoeld om het vanaf haar 65-jarige leeftijd te ontvangen pensioen te compenseren.

Uit de door de vrouw als productie 40 en 42 in het geding gebrachte verklaringen van respectievelijk de heer [toenmalig advocaat van de vrouw] (toenmalig advocaat van de vrouw) en mevrouw [arbeidsjurist van de werkgever] (arbeidsjurist van de werkgever), die indertijd (naar hun beider zeggen ook in nauw contact met de man) betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van een minnelijke regeling tussen de vrouw en haar werkgever, die is neergelegd in een door de vrouw en de werkgever op 3 juli 2013 ondertekende vaststellingsovereenkomst, blijkt dat voormelde ontslagvergoeding van € 66.000,-- bruto bedoeld is geweest ter dekking van een hiaat in haar pensioenopbouw, alsmede ter dekking van een hiaat in de pensioenuitkering. Het dienstverband van de vrouw zou in stand blijven tot [geboortedag van de vrouw] 2015. Aan de vrouw werd tot [geboortedag van de vrouw] 2015 buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend. Per [geboortedag van de vrouw] 2015 zou de vrouw op 60-jarige leeftijd gebruik gaan maken van het Keuzepensioen. Het hiaat in de opbouwfase ontstaat doordat er geen pensioenopbouw voor de vrouw meer plaatsvindt gedurende de periode van [geboortedag van de vrouw] 2015 tot [geboortedag van de vrouw] 2020 (de dag waarop de vrouw 65 jaar wordt). Het hiaat in de uitkeringsfase ontstaat als gevolg van het feit dat de vrouw vijf jaar eerder met pensioen gaat en het pensioenfonds de vrouw daarom vijf jaar langer pensioen moet uitkeren, als gevolg waarvan haar pensioenuitkering afneemt.

Uit zowel de verklaring van de heer [toenmalig advocaat van de vrouw] , als uit de verklaring van mevrouw [arbeidsjurist van de werkgever] valt af te leiden dat de vrouw (en de man) beide hiaten gecompenseerd wilden hebben. Uiteindelijk heeft de werkgever ingestemd met een 100% compensatie van verlies aan pensioenopbouw en een 29,1% compensatie van de actuariële verlaging wegens vervroegde ingang van de pensioenuitkering.

Concluderend stelt het hof vast dat het aan de vrouw als ontslagvergoeding uitgekeerde bedrag van € 66.000,-- bruto nimmer bedoeld is geweest als compensatie van een verschil aan inkomen in de periode [geboortedag van de vrouw] 2015 tot [geboortedag van de vrouw] 2020 (hoogte keuzepensioen versus ten ontvangen bezoldiging indien de vrouw tot haar 65e levensjaar in dienst zou zijn gebleven), maar juist ter compensatie van te lijden pensioenschade naar de toekomst, nu de vrouw voortijdig heeft moeten stoppen met werken en het haar daardoor niet meer gegeven was om tot haar 65e pensioenopbouw te realiseren, met als gevolg dat haar pensioenuitkering lager is komen uit te vallen. Anders dan de rechtbank, houdt het hof bij de bepaling van de aanvullende behoefte van de vrouw dan ook geen rekening met het door haar verkregen bedrag van € 66.000,-- bruto aan ontslagvergoeding. Mitsdien slagen op dit punt de grieven van de vrouw.

- Inkomen uit papieren schenkingen

5.4.5.

De grieven 4 en 5 van de vrouw houden in dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met rente-inkomsten van de vrouw uit vier schenkingen op papier van haar moeder. Ter toelichting voert de vrouw aan dat zij geen rente-inkomsten ontvangt uit de papieren schenkingen, omdat haar moeder geen rente heeft betaald over de schenkingen. Daarnaast heeft zij niet vier, maar slechts drie papieren schenkingen van elk € 20.000,-- van haar moeder ontvangen, te weten in 2011, 2012 en 2013. Vanaf 2014 heeft de vrouw geen schenkingen op papier van haar moeder meer ontvangen.

5.4.6.

De man heeft hiertegen het volgende verweer gevoerd.

De rechtbank is voor de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw terecht uitgegaan van inkomsten uit schenkingen onder schuldigerkenning van € 4.800,-- per jaar. In de notariële akten is uitdrukkelijk opgenomen dat de moeder van de vrouw jaarlijks 6% rente over de schenkingen moet betalen.

5.4.7.

Het hof overweegt als volgt.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat rekening gehouden dient te worden met de renteaanspraken van de vrouw uit hoofde van de door haar moeder ten titel van schenking schuldig erkende bedragen. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de man, heeft de vrouw niet dan wel onvoldoende aangetoond dat zij in afwijking van de schenkingsakte geen rentebetaling ontvangt over de aan haar schuldig erkende bedragen. Nu de vrouw desgevraagd ter zitting in hoger beroep tegenstrijdig heeft verklaard over het aantal, alsmede over de hoogte van de geschonken bedragen, houdt het hof het ervoor dat – zoals de rechtbank heeft overwogen – de vrouw (ten minste) een bedrag van in totaal € 80.000,-- heeft ontvangen uit hoofde van de door haar moeder ten titel van schenking schuldig erkende bedragen. Mitsdien falen de grieven van de vrouw.

- Inkomen uit vermogen

5.4.8.

Grief 6 van de vrouw houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw per 1 oktober 2016 jaarlijks een inkomen geniet van 1% over € 63.000,--. Volgens de vrouw bedroeg haar vermogen per 1 oktober 2016 nog slechts € 27.500,07.

Van reële inkomsten uit vermogen kan bij de vrouw geen sprake zijn, veeleer van negatieve inkomsten gezien de 4% belastingdruk in Box 3.

5.4.9.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij betwist dat het vermogen van de vrouw nog slechts € 27.500,07 bedraagt. Onder verwijzing naar de beschikking van de rechtbank Limburg van 21 oktober 2016 betreffende de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, wijst de man erop dat de vrouw op 1 september 2013 nog over een vermogen beschikte van in totaal € 119.414,08.

5.4.10.

Het hof overweegt als volgt.

In het licht van de gemotiveerde betwisting van de man, heeft de vrouw niet dan wel onvoldoende aangetoond dat haar vermogen per 1 oktober 2016 nog slechts € 25.500,07 bedroeg. Het enkel overleggen van één bankafschrift waar op dat moment een bedrag van € 27.500,07 is vermeld is daartoe onvoldoende. Derhalve zal het hof evenals de rechtbank rekening houden met een redelijkerwijs te genereren rendement van 1% over € 63.000,--, zijnde een bedrag van € 630,-- op jaarbasis.

- Conclusie inkomen van de vrouw

5.4.11.

In aanmerking nemende dat tussen partijen niet in geschil is de hoogte van het bedrag dat de vrouw aan ABP Keuzepensioen ontvangt, brengt het voorgaande met zich mee dat het inkomen van de vrouw als volgt kan worden vastgesteld:

  • -

    € 18.038,-- bruto per jaar aan ABP Keuzepensioen;

  • -

    € 630,-- per jaar aan 1% rente over haar liquide vermogen van € 63.000,--;

  • -

    € 4.800,-- per jaar aan rente over de door de moeder van de vrouw aan haar ten titel van schenking schuldig erkende bedragen van in totaal € 80.000,--.

Rekening houdende met de door de vrouw geldende algemene heffingskorting, alsmede met de door de vrouw in box III verschuldigde rendementsheffing, becijfert het hof het inkomen van de vrouw op een bedrag van € 1.392,-- netto per maand.

B. Verdiencapaciteit van de vrouw (grief 2 en 3 van de man)

5.4.12.

De grieven 2 en 3 van de man houden in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat de vrouw in staat is om naast haar inkomen uit pensioen en vermogen, ook nog een substantieel inkomen uit arbeid te verwerven.

Ter toelichting op zijn grieven voert de man het volgende aan.

Gelet op de huidige pensioenleeftijd worden mensen in staat geacht tot hun 67e te werken. Dat moet ook voor de vrouw gelden. Na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst op [geboortedag van de vrouw] 2013 had de vrouw moeten gaan solliciteren om elders betaald werk te vinden. Dat de vrouw zulks heeft nagelaten en thans, bijna 4 jaar later nog steeds niet over een nieuwe baan beschikt moet naar mening van de man voor haar rekening en risico blijven.

5.4.13.

De vrouw heeft hiertegen het volgende verweer gevoerd.

De vrouw stelt dat zij meer dan voldoende heeft aangetoond dat zij niet meer aan de slag kan komen. De vrouw heeft vele sollicitatiebrieven geschreven, maar gezien haar leeftijd en matige gezondheid is zij absoluut kansloos op de arbeidsmarkt. De man zelf heeft al in januari 2013 in het kader van de onderhandelingen over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de vrouw met haar werkgever gesteld dat de vrouw geen andere arbeid meer zal kunnen vinden.

5.4.14.

Het hof overweegt als volgt.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof – na eigen beoordeling en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat niet gebleken is dat de vrouw naast het door het hof becijferde inkomen van de vrouw van € 1.392,-- netto per maand, nog in staat is om een substantieel inkomen uit arbeid te verwerven. Mitsdien falen de grieven van de man.

C. Conclusie aanvullende behoefte

5.4.15.

Uitgaande van voormeld netto besteedbaar inkomen van € 1.392,-- per maand, leidt dit – uitgaande van een totale behoefte van € 3.180,-- netto per maand – tot een aanvullende behoefte van € 1.788,-- netto per maand oftewel € 3.076,-- bruto per maand.

Draagkracht van de man

5.5.1.

De draagkracht van de man is tussen partijen in geschil.

5.5.2.

Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

Inkomen

5.5.3.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de vrouw zijn verzoek om de man op grond van art. 843a Rv te bevelen inzage te verstrekken betreffende zijn ABP Extra Pensioen ingetrokken. Het hof leidt hieruit af dat de vrouw haar stelling dat de man naast zijn ouderdomspensioen van € 84.699,-- bruto per jaar, nog een extra bedrag aan ABP Extra Pensioen ontvangt, niet langer handhaaft. Dit brengt met zich mee dat het hof, gelijk de rechtbank, aan de zijde van de man uit gaat van het door de man te ontvangen ouderdomspensioen van in totaal € 84.699,-- bruto per jaar, te vermeerderen met een netto component van € 278,-- per jaar. Naast dit inkomen uit pensioen, ontvangt de man sinds 1 juli 2017 ook een AOW-uitkering van € 14.839,-- bruto per jaar.

5.5.4.

Met de door de vrouw ter zitting in hoger beroep gestelde inkomsten van in totaal ca. € 1.612,-- per jaar uit meerdere pensioenvoorzieningen bij [verzekeringen] verzekeringen, houdt het hof geen rekening nu uit de door de man bij brief van 29 juni 2017 in het geding gebrachte stukken (bijlage 48 en 49), genoegzaam is gebleken dat de man daaruit geen inkomsten geniet nu de op die pensioenvoorzieningen betrekking hebbende polissen reeds voor de ingangsdatum van 1 oktober 2016 zijn geëxpireerd.

5.5.5.

Evenmin houdt het hof rekening met enig inkomen uit rente uit vermogen. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de vrouw het er met de man over eens is dat ten gevolge van het door haar gelegde conservatoir beslag op het vermogen van de man, de man niet enig rendement kan genereren op dat vermogen. Gelijk de rechtbank zal het hof, nu partijen daartegen geen grief hebben gericht, wel rekening houden met de door de man in box III te betalen rendementsheffing over een vermogen van ten minste € 825.000,-- in totaal.

Lasten

Normbedrag Participatiewet:

5.5.6.

Het hof houdt rekening met het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten:

5.5.7.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de vrouw zijn verzoek om de man op grond van art. 843a Rv te bevelen inzage te verstrekken betreffende zijn reële woonlasten ingetrokken. Het hof leidt hieruit af dat de vrouw haar stelling aangaande de woonlasten van de man niet langer handhaaft. Gelijk de rechtbank, gaat het hof daarom uit van de door de man opgevoerde woonlasten, bestaande uit een bedrag van € 1.174,-- per maand aan hypotheekrente en een bedrag van € 278,-- per maand aan overige eigenaarslasten.

Ziektekosten:

5.5.8.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de man zijn grief met betrekking tot de ziektekosten ingetrokken. Nu deze kosten niet langer in geschil zijn, houdt het hof evenals de rechtbank rekening met de premieziektekostenverzekering (nominaal en aanvullend) van € 130,-- per maand, alsook met het wettelijk eigen risico van € 385,-- per jaar.

Vaststelling alimentatie

5.6.

Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de door partijen opgeworpen grieven aangaande de draagkracht van de man, niet hebben geleid tot een andere uitkomst dan is neergelegd in de bestreden beschikking van de rechtbank. Derhalve gaat het hof tot 1 juli 2017 uit van de door de rechtbank becijferde draagkracht voor partneralimentatie van € 1.840,-- per maand en vanaf 1 juli 2017 van het door de rechtbank becijferde bedrag van € 2.678,-- per maand.

Jusvergelijking

5.7.1.

Ter voorkoming dat de vrouw na ontvangst van een alimentatie bijdrage van de zijde van de man over een hoger vrij te besteden bedrag zal kunnen beschikken dan de man zal het hof – evenals de rechtbank – een jusvergelijking maken.

5.7.2.

Daarbij houdt het hof aan de zijde van de vrouw rekening met de navolgende posten.

Voor zover die posten in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

5.7.3.

Het hof gaat ter zake van het inkomen van de vrouw uit van een bedrag van:

  • -

    € 18.038,-- bruto per jaar aan ABP Keuzepensioen;

  • -

    € 630,-- per jaar aan 1% rente over haar liquide vermogen van € 63.000,--;

  • -

    € 4.800,-- per jaar aan rente over de door de moeder van de vrouw aan haar ten titel van schenking schuldig erkende bedragen van in totaal € 80.000,--.

5.7.4.

Aan de lastenzijde van de vrouw, houdt het hof rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Door de man is voldoende gemotiveerd betwist dat de zoon van partijen nog bij de vrouw inwoont. Daarnaast houdt het hof rekening met de niet weersproken premie ziektekostenverzekering van € 139,-- per maand en realisering van het wettelijk eigen risico. Voorts houdt het hof rekening met een woonlast van de vrouw van € 875,-- per maand, nu de man ter zitting in hoger beroep heeft aangegeven dat uitgegaan moet worden van de huidige woonlasten van de vrouw en niet van een fictieve woonlast.

5.7.5.

Op grond van het vorenstaande moet geconcludeerd worden dat bij vergelijking van de door de man en de vrouw vrij te besteden bedragen de vrouw niet in een financieel betere positie komt dan de man bij een door de man te betalen alimentatie van € 1.840,-- per maand. Het hof zal de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage dan ook vaststellen op dat bedrag, ingaande per 1 oktober 2016.

5.7.6.

Per [geboortedag] 2017 ontvangt de man een AOW-uitkering. Daarmee stijgt zijn draagkracht. Vergelijking van ieders draagkracht brengt mee dat de vrouw met een partneralimentatie van € 2.595,-- per maand niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man. Het hof zal daarom de bijdrage van de man tot dit bedrag beperken.

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 12 oktober 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 1 maart 2015, zoals bekrachtigd in hoger beroep bij beschikking van dit hof van 24 december 2015, voor zover bij die beschikking de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 1 januari 2016 is bepaald op nihil en stelt die bijdrage vast op een bedrag van:

  • -

    € 1.840,-- per maand, met ingang van 1 oktober 2016, en op een bedrag van:

  • -

    € 2.595,-- per maand met ingang van [geboortedag] 2017,

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en T.J. Mellema-Kranenburg, bijgestaan door mr. A.C. Kaemingk als griffier, en is op 9 november 2017 in het openbaar uitgesproken.