Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4792

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
16/00302
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2522, Overig
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Art. 62b Wet op de rechterlijke organisatie.

Hof verwijst zaak ter vermijding van de schijn van partijdigheid naar een ander hof omdat de gemachtigde van belanghebbende rechter-plaatsvervanger is bij de rechtbank (in het ressort van het Hof), die de bestreden uitspraak heeft gedaan.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 62b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2715
Belastingblad 2018/15 met annotatie van C.M. Bergman
V-N 2018/7.6 met annotatie van Redactie
Prg. 2018/25
Viditax (FutD), 15-11-2017
FutD 2017-2903
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00302

Proces-verbaal van de mondelinge tussenuitspraak op het hoger beroep van:

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 5 april 2016, nummer BRE 15/2768, betreffende het geding tussen:

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de uitspraak van de Inspecteur van 3 april 2015 op het bezwaar van belanghebbende tegen de door haar over het tijdvak 1 augustus 2014 tot en met 31 augustus 2014 op aangifte voldane omzetbelasting.

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 oktober 2017 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, haar bestuurder de heer [A] en haar gemachtigde de heer [B] , verbonden aan [C] te [D] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [E] , mevrouw [F] en de heer [G] .

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 6 november 2017, de volgende mondelinge tussenuitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof:

- verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof te Den Haag; en

- gelast de griffier het gehele procesdossier met een afschrift van deze uitspraak te zenden aan het gerechtshof Den Haag.

De gronden

1. Na de indiening door de Inspecteur van de conclusie van dupliek in hoger beroep d.d. 12 augustus 2016 heeft (de toenmalige gemachtigde van belanghebbende) mevrouw [H] mede namens belanghebbende bij op 30 augustus 2016 bij het Hof binnengekomen brief van 29 augustus 2016 aan het Hof bericht dat de heer [B] van [C] te [D] ‘vanaf heden de zaak (zal) behartigen’

2. Bij de bestudering van de gedingstukken en tijdens het onderzoek ter zitting heeft het Hof vastgesteld dat de (nieuwe) gemachtigde [B] tevens de functie van rechter-plaatsvervanger in het team belastingrecht van de Rechtbank bekleedt. Dit is de Rechtbank die de bestreden uitspraak heeft gedaan. Het Hof is van oordeel, dat de beoordeling in hoger beroep van een uitspraak van een rechtbank, in het ressort van het Hof, in een zaak, waarin de gemachtigde (ook) rechter-plaatsvervanger is bij die rechtbank, het risico met zich brengt dat de objectief gerechtvaardigde vrees zou kunnen ontstaan dat het Hof niet onpartijdig is. Het Hof zal ambtshalve om die reden – mede gelet op artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie - de zaak niet verder behandelen, maar ter vermijding van de schijn van partijdigheid met toepassing van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie verwijzen naar een aangrenzend hof, in dit geval het hof te Den Haag.

3. Uit al het vorenoverwogene volgt dat beslist moet worden als eerder vermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door P. Fortuin, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en W.A. Sijberden, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 november 2017.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 8 november 2017

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open (artikel 28, lid 5 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Tegen dergelijke beslissingen van de rechtbank of het gerechtshof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2007, nr. 43 294, BNB 2008/51).