Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4786

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
08-11-2017
Zaaknummer
200.171.411_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:8600
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:4892
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:3187
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:4683
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vervolg op tussenarrest van 18 oktober 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:4683). Non-conformiteit woning. Veroordeling tot vergoeding van de schade. Beoordeling verklaring van ter zitting gehoorde deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.171.411/01

arrest van 7 november 2017

in de zaak van

[appellant] ,

en

[appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

advocaat: mr. A.L. Stegeman te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M. van Sintmaartensdijk te Maastricht,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 oktober 2016 in het hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 8 april 2015, gewezen tussen appellanten - [appellanten c.s.] - als eisers en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde. Het hof zal de nummering van voormeld tussenarrest voortzetten. Uit het proces-verbaal van comparitie van partijen en verhoor van deskundigen van 23 januari 2017 blijkt dat [geïntimeerde] inmiddels is overleden. Het hof begrijpt uit het verder in dat proces-verbaal gerelateerde dat deze procedure wordt voortgezet op naam van [geïntimeerde] .

6 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- voornoemd tussenarrest van 18 oktober 2016;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen en verhoor van deskundigen van 23 januari 2017;

- de beslissing van dit hof van 10 februari 2017, waarbij de schadeloosstelling en het loon van de deskundigen zijn begroot op € 1.436,87 inclusief btw;

- de zijdens [geïntimeerde] genomen memorie na comparitie, waarbij producties zijn overgelegd;

- de zijdens [appellanten c.s.] genomen antwoordmemorie na comparitie.

De zaak is vervolgens naar de rol van 4 april 2017 verwezen voor fourneren stukken. Voor zover [geïntimeerde] op die rol een akte heeft willen nemen, was dat in strijd met deze instructie, en wordt die akte, voor zover al niet eerder geweigerd, door het hof bij deze als niet genomen beschouwd. Partijen hebben de stukken gefourneerd. Vervolgens is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

7 De beoordeling

7.1

Het hof heeft in voornoemd tussenarrest een comparitie van partijen en verhoor van twee in dat arrest benoemde deskundigen, Beeren en Ory, gelast ter verkrijging van nadere inlichtingen en ten einde een minnelijke regeling te beproeven. In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat [appellanten c.s.] mede aan hun vordering ten grondslag hebben gelegd dat de vloer op zich zelf reeds constructief ondeugdelijk en daardoor inherent onveilig was. Het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige Beeren liet in elk geval voor de beoordeling van deze grondslag nog enige vragen open. Zo was het voor het hof niet duidelijk (a) wat het precies betekent indien sprake is van een overbelasting van ca. een factor 2,4, mede omdat de deskundige niet heeft vermeld met welke tolerantiegraad rekening mag worden gehouden. Bezien in dat verband was voor het hof ook onvoldoende duidelijk (b) wat is bedoeld met de opmerking in het rapport dat trillingen uit verbouwingswerkzaamheden bij een overbelaste vloer de druppel kunnen zijn die de emmer doet overlopen. Verder was het voor het hof niet voldoende duidelijk (c) hoe de deskundige denkt over de opbouw van de vloer (zie rov. 4.7.2 tussenarrest) en of zijn gedachten hieromtrent anders zijn afhankelijk van het antwoord op de vraag of de vloer rond 1900 is aangebracht, dan wel omstreeks 1961 dan wel heden ten dage.

7.2.1

Het komt het hof geraden voor om eerst te vermelden hetgeen de deskundigen hebben verklaard over de hiervoor in rov. 7.1 vermelde onduidelijkheden.

7.2.2

Ter zake de onder (a) vermelde overbelasting heeft de deskundige Ory de melding in het rapport van een overbelasting van een factor 2,4 als volgt toegelicht:

in het jaar 1900 is de basisvloer gelegd. We hebben gezegd dat de vloer inclusief variabele belasting 475 kg/m² weegt. Als ik daar een extra gewicht van 660 kg/m² bij optel en dat weer deel door het oorspronkelijke gewicht (475 kg/m²), kom ik op factor 2,4. We hebben gunstig ingestoken wat betreft het gewicht van het puinpakket. We zijn daar dus aan de lage kant gaan zitten. In de aanvulling zijn we uitgekomen op 1950 kg per kuub. Als je dat er bij optelt wordt de factor 2,4 nog hoger. Als je de dikte van de extra laag ophoogt, wordt het nog weer hoger. De oorspronkelijke vloer die in 1900 is aangebracht, is factor 1. Nu zou je wat betreft de belasting op een factor 2,4 of misschien 2,7/2,8 zitten. De 2,4 betekent dat een factor 2,4 extra op de vloer is bijgelegd op de oorspronkelijke vloer. Als constructeur moet je dan kunnen aanvoelen dat de vloer extra veel belasting voor zijn kiezen heeft gekregen. (…) bij weinig overbelasting zit je bijvoorbeeld op 1,1 of 1,2. Een factor 2,4 betekent dat de vloer zijn eigen gewicht plus 40% a 50% extra erbij moet dragen. Je kunt dan op je klompen aanvoelen dat zo’n vloer daar nooit op berekend is geweest. (…)

Op de vraag vanaf welke factor van overbelasting gesproken moet worden van een onveilige situatie heeft Ory geantwoord:

vroeger, ik heb het dan over 1972, praatte men over een grens van 1,7. Bij goede kwaliteit van de vloer zou vanaf dat moment door de te grote belasting sprake zijn van een onveilige situatie. In dit geval wordt ook aan die goede kwaliteit van de vloer getwijfeld.”

Beeren heeft hierover nog verklaard:

We hebben de volumegewichten uit tabellen gehaald. Het betreft tabel A.6 uit de Eurocode. Deze tabel bevat de huidige normen. Op 1600 kg was een zeer gunstig idee, we gingen uit van 0,3 meter dikte van de extra laag. Maar eigenlijk zit er 0,5 meter verhoging in. Als je de gewichten pakt van het toeslagmateriaal wat er op lag en je haalt de volumegewichten uit de tabellen kom je aan nog een veel hoger getal. Dan kom je op de 1975 kg. De overbelasting was waarschijnlijk nog hoger dan we nu hebben aangegeven met een factor 2,4.”

7.2.3

Op de vraag van het hof wat de deskundige bedoelt met zijn opmerking dat trillingen uit verbouwingswerkzaamheden bij een overbelaste vloer de druppel kunnen zijn die de emmer doet overlopen (b), is door Beeren het volgende antwoord gegeven.

“In 1900 is een vloer aangebracht volgens de wijze zoals beschreven is. Dat betekent dat stalen liggers zijn aangebracht waartussen een betonschijfje/vloertje zit van een bepaalde dikte. In de jaren ’60 is er iets gebeurd waardoor er herbouwd is. De vloer heeft een ophoging/extra belasting gekregen, dus er drukt meer gewicht op dan er voorheen op zat. (…) Er is toen geen rekening gehouden met een extra belasting. In de jaren ’60 is er een extra verhoging opgekomen. (…) Wij zijn op een maat gekomen dat we denken dat het rond de 35 cm geweest is. (…) Dat betekent dat er een onveilige situatie is opgetreden. Je hebt een verhoogde belasting. Er was sprake van een druppel die de emmer deed overlopen (…). Er was allereerst een bepaalde belastingtoename op de vloer. Daarnaast is er deformatie van de mortel van het tussenvloertje ontstaan. (…) We hebben een kwaliteitsafname moeten constateren bij de eindopsluiting. (...) In de driehoek waar het vloertje direct is gedeformeerd, zien we aan de buitenkant van de muur scheurtjes. Dat betekent dat er iets aan de hand moet zijn geweest met de vloer. Na enig onderzoek en na het bekijken van het rapport van [expert] , kwamen we erachter dat er een beperkte inkassing was. De vloer greep niet voldoende in de muur. Er zou ook een eindanker in de betonnen vloer moeten zitten in de muur. Deze hebben wij niet ontdekt. (…) Factoren zijn dus de overbelasting en de punten die ik net heb genoemd. Er zijn werkzaamheden verricht. Ik moet dan duidelijk onderscheid maken tussen bouwkundige en constructieve werkzaamheden. Er zijn bouwkundige werkzaamheden verricht en geen constructieve. De bouwkundige werkzaamheden in de vorm van het slopen van wandafwerkingen kort bij het ingestorte deel, geven een bepaalde trilling. Door de massa van de vloer kunnen die trillingen wat verzwakt worden. Die trilling moet het druppeltje die de emmer deed overlopen zijn geweest in onze ogen. Er is gesloopt en er is misschien iets gevallen en een bepaalde trilling geweest in de vloer of ondergrond, dat weten we allemaal niet, maar we blijven erbij dat dat trillinkje de druppel die de emmer deed overlopen moet zijn geweest bij de verhoogde belasting van de vloer. (…) De vloer uit 1900 zou tussen de 8 en 15 cm moeten zijn, en de vloer was maar 5 cm. (…) De vloer zou hier dus door ingestort kunnen zijn, maar dan is nog steeds sprake van een druppel die de emmer deed overlopen. Nog steeds geldt dat de vloer niet klopte. Je hebt dan een bijkomend probleem dat de vloer te dun was. (…)”

De deskundige Ory heeft daaraan toegevoegd:

we zijn niet ter plaatste geweest bij de werkzaamheden, dus we hebben het moeten doen met het verhaal en hetgeen wij hebben gezien toen we ter plaatse waren. Maar als je een vloerbelasting hebt, zit daar ook een vertaling van trillingen in. Als je het hebt over bouwkundige trillingen, kun je dat ook vertalen naar gebruikstrillingen. In die zin was het al een zwakke schakel en het was wachten op het moment dat het zich voor zou doen. (…) met deze vloeropbouw en belasting was het een kwestie van tijd voordat een deel zou instorten

7.2.4

Op de vragen hoe de deskundige denkt over de opbouw van de vloer en of zijn gedachten hieromtrent anders zijn afhankelijk van het antwoord op de vraag of de vloer rond 1900 is aangebracht, dan wel omstreeks 1961 dan wel heden ten dage (c), is als volgt door de deskundigen geantwoord.

Door Beeren:

(…) In 1900 is een vloer aangebracht volgens de wijze zoals beschreven is. Dat betekent dat stalen liggers zijn aangebracht waartussen een betonschijfje/vloertje zit van een bepaalde dikte. In de jaren ’60 (heeft de, toevoeging hof) vloer (…) een ophoging/extra belasting gekregen (…) In het rapport van [expert] staat dat dit 50 cm is. Wij zijn op een maat gekomen dat we denken dat het rond de 35 cm geweest is. (…) Als we teruggrijpen naar hoe de vloer is gemaakt, heeft daar ook een omissie plaatsgevonden. De vloer uit 1900 zou tussen de 8 en 15 cm moeten zijn, en de vloer was maar 5 cm.

Op de vraag of het beeld juist is dat de vloer zoals deze er in 2012 lag, eigenlijk uit 2 elementen bestaat: de vloer uit 1900 (de stalen liggers en de betonschil) en de puinlaag die later is aangebracht met daarop een tegelvloer heeft Beeren “ja” geantwoord. Op de vraag of de oorspronkelijke vloer uit 1900 geschikt was om de puinlaag te dragen heeft hij “nee’ geantwoord.

Ory heeft ter zake verklaard:

op blad 7 van het rapport van [expert] zie ik een puinhoop die naar beneden is gekomen. (…) Er moet meer gelegen hebben dan de vloer alleen. Dit volgt ook uit de beschrijving van [expert] . Er zijn onder andere een oude schoen en een fietsframe aangetroffen.(…)

7.3

Blijkens het proces-verbaal heeft de raadsheer-commissaris de deskundige de volgens de raadsheer-commissaris belangrijkste vraag gesteld of de vloer die is ingestort in de visie van de deskundige inherent onveilig was. De deskundige Beeren heeft, naar eigen zeggen via een omweg, die vraag als volgt beantwoord:

In 1900 is een vloer aangebracht volgens de wijze zoals beschreven is. Dat betekent dat stalen liggers zijn aangebracht waartussen een betonschijfje/vloertje zit van een bepaalde dikte. In de jaren ’60 is er iets gebeurd waardoor er herbouwd is. De vloer heeft een ophoging/extra belasting gekregen, dus er drukt meer gewicht op dan er voorheen op zat. We zijn ervan uitgegaan dat de vloer berekend is zoals het toen was. Er is toen geen rekening gehouden met een extra belasting. In de jaren ’60 is er een extra verhoging opgekomen. In het rapport van [expert] staat dat dit 50 cm is. Wij zijn op een maat gekomen dat we denken dat het rond de 35 cm geweest is. Maar het is duidelijk dat er een gewichtstoename is ontstaan. Dat betekent dat er een onveilige situatie is opgetreden. Je hebt een verhoogde belasting. Er was sprake van een druppel die de emmer deed overlopen (…). Er was allereerst een bepaalde belastingtoename op de vloer. Daarnaast is er deformatie van de mortel van het tussenvloertje ontstaan. Wij noemen dat materiaalmoeheid. Dat komt door krimp en kruip van de vloer. We hebben een kwaliteitsafname moeten constateren bij de eindopsluiting. Dat is wat daarnet aangetoond werd. In de driehoek waar het vloertje direct is gedeformeerd, zien we aan de buitenkant van de muur scheurtjes. Dat betekent dat er iets aan de hand moet zijn geweest met de vloer. Na enig onderzoek en na het bekijken van het rapport van [expert] , kwamen we erachter dat er een beperkte inkassing was. De vloer greep niet voldoende in de muur. Er zou ook een eindanker in de betonnen vloer moeten zitten in de muur. Deze hebben wij niet ontdekt. (…) Factoren zijn dus de overbelasting en de punten die ik net heb genoemd. Er zijn werkzaamheden verricht. Ik moet dan duidelijk onderscheid maken tussen bouwkundige en constructieve werkzaamheden. Er zijn bouwkundige werkzaamheden verricht en geen constructieve. De bouwkundige werkzaamheden in de vorm van het slopen van wandafwerkingen kort bij het ingestorte deel, geven een bepaalde trilling. Door de massa van de vloer kunnen die trillingen wat verzwakt worden. Die trilling moet het druppeltje die de emmer deed overlopen zijn geweest in onze ogen. Er is gesloopt en er is misschien iets gevallen en een bepaalde trilling geweest in de vloer of ondergrond, dat weten we allemaal niet, maar we blijven erbij dat dat trillinkje de druppel die de emmer deed overlopen moet zijn geweest bij de verhoogde belasting van de vloer.”

Volgens Beeren zit je, indien er tegels op de vloer worden gesloopt, dichter bij de vloer maar zal het verder hetzelfde blijven.

Ory heeft daar nog aan toegevoegd: “door vervormingen in het metselwerk en misschien in funderingen is de eindopsluiting niet gegarandeerd. Daardoor krijg je een verandering van belastingafdracht waardoor een deel van het vloerveld kan instorten. We hebben het alleen maar over het beton en niet over de stalen liggers, want deze zijn niet bezweken. Alleen het betonnen schilletje was de zwakste schakel in deze vloer. We hebben aangetoond dat de liggertjes het wel hielden. Dan heb je ook nog de kwaliteit van de mortel die erg laag is. Deze hebben we in de berekening wellicht iets te gunstig aangehouden ten opzichte van het rapport van [expert] . We hebben met deze kwaliteit gerekend, omdat dat ook een beetje de laagste betonkwaliteit is waar wij mee moeten rekenen. We zijn dus waarschijnlijk uitgegaan van een betere betonkwaliteit dan in het rapport van [expert] wordt aangegeven.”

Beide deskundigen verklaarden dat het evident is dat de vloer ook zou zijn ingestort zonder verbouwingswerkzaamheden.

Ory heeft dat nog als volgt toegelicht: “we zijn niet ter plaatste geweest bij de werkzaamheden, dus we hebben het moeten doen met het verhaal en hetgeen wij hebben gezien toen we ter plaatse waren. Maar als je een vloerbelasting hebt, zit daar ook een vertaling van trillingen in. Als je het hebt over bouwkundige trillingen, kun je dat ook vertalen naar gebruikstrillingen. In die zin was het al een zwakke schakel en het was wachten op het moment dat het zich voor zou doen. (…) met deze vloeropbouw en belasting was het een kwestie van tijd voordat een deel zou instorten.

7.4

[geïntimeerde] heeft over de hiervoor geciteerde opmerkingen van de deskundige opgemerkt dat de deskundige de dikte van de oude vloer niet heeft kunnen meten en de betonkwaliteit niet heeft kunnen vaststellen omdat die vloer reeds was vervangen (pag. 6-7 memorie na comparitie). Zij voert verder aan dat slechts een deel van de oorspronkelijke vloer was opgehoogd (deel B1 zoals weergegeven op de aan het proces-verbaal van de zitting van 23 januari 2017 gehechte schets, punt 2.4 memorie na comparitie). In punt 2.5 betwist zij dat in het rapport van [expert] is vermeld dat de vloer in de jaren zestig met 50 cm is opgehoogd. Zij stelt in dat punt 2.5 verder het volgende:

( i) krimp en kruip van een betonnen vloer treedt op kort na storting van het beton en materiaalmoeheid treedt niet op bij beton;

(ii) de woning is een tussenwoning zodat aan de buitenkant van de muur geen scheurtjes kunnen worden gezien in de driehoek waar het vloertje direct is gedeformeerd;

(iii) [expert] heeft in zijn rapport niets opgenomen over inkassing, terwijl de deskundige ter zitting heeft verklaard “na enige onderzoek en na het bekijken van het rapport van [expert] , kwamen we erachter dat er een beperkte inkassing was”;

(iv) de betonkwaliteit/mortel is niet gemeten door de deskundigen evenmin als de dikte van de vloer;

( v) er is sprake van een blote aanname waar de deskundigen verklaren dat het evident is dat de vloer anders ook zou zijn ingestort;

(vi) de deskundige is op grond van de blote stelling van [appellanten c.s.] dat er wandtegeltjes zijn verwijderd, welke stelling door [geïntimeerde] is betwist, van die verwijdering uitgegaan;

(vii) de vloer was volledig verwijderd toen de deskundige het onderzoek deed, zodat de vloeropbouw en belasting niet beoordeeld of vastgesteld kon worden;

(viii) het is opmerkelijk dat de deskundige de getallen inzake de variabele belasting van 475 kg/m² en het extra gewicht van 660 kg/m² noemt, nu hij de dikte van het puinpakket niet kent, en niet het volledige vloerdeel was voorzien van een puinpakket;

(ix) er waren in 1900 geen normen voor betonvloeren;

( x) de deskundige verklaart dat op het punt waar de instorting plaatsvond, er niet voldoende opsluiting is geweest, geen zuganker (trekanker) was geplaatst en aan de buitenkant scheuren in het muuroppervlak zijn geconstateerd. Dit alles, aldus [geïntimeerde] , terwijl de oude vloer al was vervangen toen de deskundige de woning bezocht, de deskundige geen scheuren aan de buitenzijde van het muurvlak heeft geconstateerd noch kon constateren en een eventueel zuganker reeds was vervangen;

(xi) de deskundige verklaart dat het feit dat er geen opsluiting was, geen trekanker en dat de afvoer van de druk onvoldoende was gewaarborgd zichtbaar resultaat had aan de buitenkant, terwijl, aldus [geïntimeerde] , de buitenkant van de gevel niet kon worden beoordeeld omdat sprake is van een tussenwoning en de binnenkant reeds was voorzien van een stuclaag;

(xii) de deskundige verklaart geen stukken van eerste aanleg te hebben gezien, waaruit volgens [geïntimeerde] blijkt dat hij is uitgegaan van de stukken van [appellant] ;

(xiii) het weghalen van de muur, het hof begrijpt dat is bedoeld de muur in de kelder onder de ingestorte vloer, is een constructief verhaal. De deskundige merkt verder op dat de vloer uit 1900 maar 5 cm dik was, waar deze tussen de 8 en 15 cm had moeten zijn, maar de oude vloer was al weg en dus heeft de deskundige deze niet kunnen meten;

(xiv) de deskundige is partijdig geweest omdat hij zonder verklaring is uitgegaan van de door [expert] gemeten dikte, welke uitslag door [geïntimeerde] is betwist. Onduidelijk is waarom de conclusies van het door [geïntimeerde] ingeschakelde ingenieursbureau [ingenieursbureau] onjuist zouden zijn;

(xv) de vloer had met wapening gerepareerd kunnen worden;

(xvi) Alleen [appellanten c.s.] hebben aangegeven dat het hele vloeroppervlak B was opgehoogd; [geïntimeerde] heeft expliciet verklaard dat alleen vloerdeel B1 was opgehoogd;

(xvii) de deskundige verklaart dat hij een inmeting heeft gedaan en getoetst aan het rapport van [expert] waarbij de bevindingen overeenkwamen: [expert] had 50 cm en de deskundige heeft het veiligheidshalve op 35 cm gehouden. [geïntimeerde] betwist dat de deskundige die meting heeft kunnen verrichten omdat de muren inmiddels van een stuclaag waren voorzien;

(xviii) er waren in 1900 geen normen. Er waren wel vuistregels in 1960, en die zijn door [geïntimeerde] in het geding gebracht via bureau [ingenieursbureau] .

7.5

Het hof stelt bij de beoordeling van de schriftelijke en mondelinge uitlatingen van de deskundigen (hierna in enkelvoud) voorop dat een eventuele beslissing om de zienswijze van de door het hof benoemde deskundige te volgen in het algemeen niet verder hoeft te worden gemotiveerd dan door te overwegen dat de door deze deskundige gebezigde motivering het hof overtuigend voorkomt. Wel zal het hof moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door het hof benoemde deskundige, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (vergelijk HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468).

7.6.1

Voor zover de hiervoor in r.o. 7.4 weergegeven door [geïntimeerde] gemaakte op- en aanmerkingen voldoende specifiek zijn voor de beantwoording van de vraag of de vloer op zich zelf reeds constructief ondeugdelijk en daardoor inherent onveilig was, zal het hof daarop in het hierna volgende ingaan.

7.6.2

De opmerkingen van [geïntimeerde] dat de deskundigen de dikte van de oude vloer niet hebben kunnen meten en de betonkwaliteit niet hebben kunnen vaststellen omdat die vloer reeds was vervangen en dat het rapport van [expert] niet vermeldt dat de vloer in de jaren zestig met 50 cm is opgehoogd, zijn allen juist. Het hof heeft echter in zijn tussenarrest in r.o. 4.7.2 reeds vastgesteld dat er van uit moet worden gegaan dat de keukenvloer waarvan een deel is ingestort bestond uit een onderste laag van ongewapend beton met stalen leggers. [expert] heeft hierbij, aldus het hof verder, vermeld dat die laag ongeveer 5 cm dik was en Beeren heeft deze dikte blijkens pag. 13 onder “Pt. 11” van zijn rapport niet kunnen verifiëren. Daarop waren, aldus het hof verder, tegels gemetseld en bij herbouwingswerkzaamheden omstreeks 1960-1962 is op die tegels een laag van ongeveer 50 cm dik puin gestort, bestaande uit onder meer bakstenen, waarop weer een cementvloer (cementgebonden ondergrond volgens Beeren op pag. 9 van zijn rapport) is aangebracht, waarin of waarop vloertegels zijn gelegd. Daarmee zijn de door [geïntimeerde] gemaakte opmerkingen in de aanvang van deze r.o. 7.6.2 niet meer relevant omdat is gesteld noch gebleken dat de deskundige van voor [geïntimeerde] wat deze punten betreft ongunstigere feiten is uitgegaan. Het hof begrijpt dat de deskundige Beeren ter zitting met zijn opmerking dat de vloer uit 1900 maar 5 cm dik was, [expert] volgt waar deze, blijkens bovenstaande, heeft vermeld dat de keukenvloer (…) bestond uit een onderste laag van ongewapend beton met stalen leggers van ongeveer 5 cm dik. Het hof merkt hierbij expliciet op dat de deskundige is uitgegaan van een ophoging van slechts 35 cm, waarmee hij, voordat het hof genoemd tussenarrest wees, dus aan de zeer voorzichtige kant is geweest. Voor zover de deskundige al van een andere vloeropbouw dan het hof heeft vastgesteld, is uitgegaan, heeft [geïntimeerde] dat niet voldoende concreet aangevoerd noch onderbouwd wat daarvan dan de gevolgen zouden kunnen zijn.

7.6.3

Nu de deskundige van de samenstelling van de vloer mocht uitgaan zoals in r.o. 4.7.2 van het tussenarrest is vastgesteld, is punt (vii) niet meer relevant en heeft de deskundige de berekening zoals vermeld in punt (viii) kunnen maken. Ook wat dit betreft is gesteld noch gebleken dat hij hierbij is uitgegaan van een voor [geïntimeerde] ongunstigere samenstelling van de ingestorte vloer dan het hof in r.o. 4.7.2 van het tussenarrest heeft vastgesteld. Aldus blijkt niet dat de deskundige een blote aanname heeft gemaakt, zoals [geïntimeerde] in (v) heeft aangevoerd.

7.6.4

Voor de vraag of de vloer op zich zelf reeds constructief ondeugdelijk en daardoor inherent onveilig was, is niet relevant dat er in het jaar 1900 geen normen zouden zijn geweest voor een dergelijke vloer. [geïntimeerde] heeft immers in de eerste zin van art. 5.3 van de koopovereenkomst gegarandeerd dat de woning de feitelijke eigenschappen bezit die nodig zijn voor een normaal gebruik als woonhuis. Het hof heeft al in r.o. 4.6 van het tussenarrest geoordeeld dat het woonhuis niet geschikt is voor normaal gebruik als de vloer van de keuken inherent onveilig is en het aanmerkelijke risico in zich draagt in te storten.

7.6.5

De deskundige heeft vanuit zijn deskundigheid verklaard “Daarnaast is er deformatie van de mortel van het tussenvloertje ontstaan. Wij noemen dat materiaalmoeheid. Dat komt door krimp en kruip van de vloer”. Dat “krimp en kruip van een betonnen vloer optreedt kort na storting van het beton en dat materiaalmoeheid niet optreedt bij beton” zoals [geïntimeerde] onder (i) heeft vermeld, heeft zij verder niet met een deskundigenverklaring onderbouwd, zodat het hof alleen al daarom aan die opmerking voorbij gaat.

7.6.6

Het hof legt het rapport van de deskundige, mede gelet op zijn antwoord ter zitting op 23 januari 2017 op de volgens de raadsheer-commissaris belangrijkste vraag of de vloer die is ingestort in zijn visie inherent onveilig was, verder aldus uit dat de antwoorden op de overige punten niet meer konden afdoen aan de conclusie dat de vloer, gelet op de reeds geconstateerde overbelasting, op zich zelf reeds constructief ondeugdelijk en daardoor inherent onveilig was. Met die “overige punten” doelt het hof onder meer op de punten zoals de vraag of er al dan niet voldoende opsluiting is geweest, er al dan niet een trekanker was geplaatst, of aan de buitenkant scheuren in het muuroppervlak zijn geconstateerd en dat de afvoer van de druk onvoldoende was gewaarborgd. Het hof merkt hierbij nog wel op dat waar de deskundige in zijn rapport op pag. 7 opmerkt dat in de buitengevels ook lichte scheuren zijn waargenomen, de deskundige achter het woord “buitengevels” heeft toegevoegd “(aan de achterzijde)”. Het hof leest in het rapport - anders dan [geïntimeerde] - niet dat de deskundige in de onzichtbare buitenkanten van de zijmuren van de ingesloten woning scheuren zegt te hebben gezien. Gelet op de overgelegde foto’s die zijn gemaakt tijdens de bezichtiging door de deskundigen houdt het hof het ervoor dat zij zich hebben vergist waar zij tijdens de zitting hebben verklaard dat de (nieuwe) vloer nog niet was gestort tijdens de bezichtiging door de deskundige op 21 mei 2014, dus bijna drie jaar vóór de zitting van 23 januari 2017. Die vergissing is in zoverre niet relevant omdat het voor de beantwoording van de onderhavige vragen rechtens niet relevant is of de vloer tijdens de inspectie al dan niet was gestort.

De door de deskundige gebezigde motivering zoals hiervoor is weergegeven komt het hof voldoende overtuigend voor om tot dit oordeel te komen. De conclusie is dan ook dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan haar garantieverplichting inhoudende dat de woning de feitelijke eigenschappen bezit die nodig zijn voor een normaal gebruik als woonhuis. Het hof acht gelet op al het vorenstaande geen termen aanwezig om andere deskundigen in te schakelen.

7.7.1

[geïntimeerde] voert in haar memorie na comparitie nog aan dat het hof in het tussenarrest art. 19 van de koopovereenkomst niet in de beoordeling heeft betrokken. Die stelling berust in die zin op een onjuiste lezing omdat het hof in het tussenarrest in r.o. 4.4 heeft geoordeeld dat met “verkoper” in art. 19.1 van de koopovereenkomst de dochter van [geïntimeerde] , [dochter van geintimeerde] , is bedoeld. Het hof zal thans oordelen over de vraag of, en zo ja welke gevolgen dit heeft.

7.7.2

Art. 19 lid 1 van de koopovereenkomst houdt in een exoneratie voor gebreken aan het verkochte waarvan [dochter van geintimeerde] op de hoogte zou zijn geweest als zij het verkochte zelf feitelijk had gebruikt. Het beding is voor meerdere uitleg vatbaar. De voor [geïntimeerde] meest gunstige uitleg houdt in dat voor de koper heeft te gelden dat de eigenaar van de woning geen informatie over de staat van de woning kan geven en dat degene die alle onderhandelingen heeft gedaan, [dochter van geintimeerde] , evenmin nadere informatie over de woning kan geven omdat zij de woning alleen als kind heeft bewoond. Ook deze voor [geïntimeerde] meest gunstige uitleg van art. 19 lid 1 van de koopovereenkomst maakt niet dat zij voor het onderhavige gebrek niet aansprakelijk is, alleen al omdat de garantie in art. 5.3 van de koopovereenkomst dat het huis de feitelijke eigenschappen bezit die nodig zijn voor een normaal gebruik als woonhuis, niet opzij wordt gezet door een in algemene bewoordingen gestelde bepaling als art. 19 lid 1. Het hof wijst er verder op dat ook als [dochter van geintimeerde] wist op welke wijze er tussen 1960 en 1962 aan de vloer is gewerkt, daarmee niet vaststaat dat zij er dan ook van op de hoogte zou zijn geweest dat die werkzaamheden gebrekkig waren uitgevoerd. Al met al falen de verweren van [geïntimeerde] dat zij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade omdat de vloer zodanig ondeugdelijk was dat deze is ingestort.

7.8.1

Resteert het antwoord op de vraag welke schade moet worden vergoed. Voor de beantwoording van die vraag moet worden vastgesteld of vervanging van de volledige vloer (B1, B en B2 op de hierna te noemen plattegrond), zoals is geschied, noodzakelijk was.

Het hof stelt voorop dat de woning is gebouwd op hellend terrein en dat wat op de voorzijde onder het grondniveau ligt, aan de achterzijde, waar de garage is, boven het grondniveau ligt (pag. 3-4 memorie van grieven en de daarbij overgelegde productie 2). De bestaande kelder heeft aan de voorzijde een gewelfd gemetseld plafond dat niet is ingestort. Tussen het keldervertrek (of kelderdeel) met het gewelfde gemetselde plafond en de garage aan de achterzijde is het keldervertrek (of kelderdeel) waarvan een deel van het plafond is ingestort. Het hof begrijpt uit het ter zitting van het hof van 23 januari 2017 overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte plattegrond (A) en de vragen en de gegeven antwoorden over waar de ophoging zat, dat [appellanten c.s.] stellen dat de vloer was opgehoogd in de gedeeltes die op die plattegrond zijn aangeduid met B1, B en B2. Een deel van B2 is ingestort. [appellanten c.s.] hebben vervangen de vloeren in de delen B1, B en B2. [geïntimeerde] heeft in haar productie 24 bij haar op 24 september 2014 genomen conclusie na deskundigenbericht (een plattegrond van de kelder) met de hand geschreven dat alle vloeren dezelfde hoogte hebben, behalve vloer C die ca 30 cm hoger is dan de rest. Aldus wordt ook verklaard door [getuige] in zijn brief van 22 december 2016 (overgelegd door [geïntimeerde] bij brief van 13 januari 2017 als productie 19). Gelet op al het vorenstaande gaat het hof voorbij aan het thans in hoger beroep door [geïntimeerde] ingenomen standpunt alleen vloerdeel B1 is opgehoogd, alleen al omdat dit met niets is onderbouwd. Het hof neemt hierbij ook in ogenschouw dat B2 het ingestorte deel is waarop de bevindingen van [expert] zien en dat op de door [appellanten c.s.] als productie 16 in eerste aanleg overgelegde zes foto’s en op enkele van de door [expert] genomen foto’s (zoals opgenomen in zijn rapport van 3 april 2012 dat door [appellanten c.s.] bij akte overlegging producties d.d. 6 maart 2013 is overgelegd) een zodanige hoeveelheid puin is te zien dat op grond daarvan en op grond van de door [expert] beschreven samenstelling van het puin van de instorting met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat in elk geval ook vloerdeel B2 was opgehoogd. Wat betreft de samenstelling van het puin van de instorting noemt [expert] onder meer bakstenen, een oude schoen en een fietsframe (pagina 7 van het rapport van [expert] ). Deze samenstelling is niet gemotiveerd door [geïntimeerde] weersproken. Nu [geïntimeerde] zelf uiteindelijk stelt dat vloerdeel B1 was opgehoogd, is dit vloerdeel dus terecht vervangen. Nu ervan kan worden uitgegaan dat de vloerdelen B1, B en B2 dezelfde hoogte hebben, hebben [appellant] terecht beslist om al deze vloerdelen te vervangen, alleen al bij gebreke van voldoende concrete aanwijzingen om te menen dat de drie vloerdelen niet gelijk van samenstelling waren. [expert] schrijft in zijn rapport op pag. 9 over “de vloer boven de andere kelder die waarschijnlijk op andere wijze is opgebouwd”. Uit onder meer de hiervoor weergegeven omschrijving dat de bestaande kelder aan de voorzijde een gewelfd gemetseld plafond heeft dat niet is ingestort en dat zich tussen dit keldervertrek met het gewelfde gemetselde plafond en de garage het keldervertrek (of kelderdeel) bevindt waarvan een deel van het plafond is ingestort en de opmerking van [expert] op onder meer pag. 4 van zijn rapport dat een deel van de vloer in een hoek van de kelder is ingestort, blijkt dat [expert] met “de vloer boven de andere kelder” niet de vloer bedoelt die hiervoor is aangeduid met B1, B en B2, maar de vloer van het keldervertrek met het gewelfde gemetselde plafond. Het hof merkt daarbij ten overvloede op dat het door [geïntimeerde] nog overgelegde stuk, gedateerd 21 februari 2017, met daarop vermeld ‘antwoorden [expert] ’, waarbij de kennelijk gestelde vragen ontbreken en blijkens de nummering niet alle antwoorden zijn vermeld, van onvoldoende gewicht is en niet aan het vorenstaande zou hebben afgedaan als dit stuk tijdig door [geïntimeerde] in het geding zou zijn gebracht.

7.8.2

Wat de schade betreft heeft [expert] deze in zijn rapport van 3 april 2012 voorlopig begroot op circa € 4.500,- inclusief btw. Zijn gespecificeerde begroting van 11 mei 2012 sluit echter op € 21.831,39 incl. btw en de door de rechtbank benoemde deskundige Beeren komt tot een kostenraming van in totaal € 20.910,- exclusief btw. Deze kostenraming bestaat uit € 6.950,- voorbereiding stut- en sloopwerken incl. afvoer/storten puin, inkassingen combinatie vloer, € 4.220,- voor binnenwanden, kozijnen/deuren, afmonteren, plinten, aanhelen onderzijde muurwerken in kelder, herstel trap, € 3.020,- voor constructievloer en € 6.720,- voor vloer- en wandafwerkingen, schilderwerken.

Het hof houdt het ervoor, nu de gespecificeerde begroting van [expert] sluit op min of meer hetzelfde bedrag als de begroting van de door de rechtbank benoemde deskundige, dat de eerste begroting van [expert] niet juist is. De kosten herstel van [expert] en Beeren komen zozeer overeen dat het hof voorbij gaat aan de wat dit punt betreft algemene betwisting van de hoogte van de herstelkosten door [geïntimeerde] .

Het hof gaat, mede gelet op de kostenbegrotingen van [expert] van 11 mei 2012 en die van Beeren ook voorbij aan de algemene opmerking van [geïntimeerde] dat de kosten voor een exclusieve betonnen vloer € 82,46 per m2 bedragen. Uit niets blijkt dat deze prijs ook geldt voor herstel van een keldervloer van een oud huis als het onderhavige.

[geïntimeerde] heeft al in eerste aanleg aangevoerd dat de post vloer- en wandafwerkingen in elk geval niet zonder meer voor vergoeding in aanmerking komt omdat de tegels op de vloer en de wanden zijn gekapt of gekapt zouden worden in het kader van de verbouwing door [appellanten c.s.] In hun memorie van grieven hebben [appellanten c.s.] niet inhoudelijk gereageerd op het in eerste aanleg gevoerde verweer ter zake de post vloer- en wandafwerkingen. Zij hebben juist bevestigd dat zij al van plan waren de vloer- en wandtegels te verwijderen en - zo begrijpt het hof uit de term ‘weghakken’ - vervolgens te vervangen. Kosten die [appellanten c.s.] ook zouden hebben gemaakt als de vloer niet was ingestort, leveren geen schade op. Het hof zal deze post niet toewijzen.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet het hof niet dat bij de herstelkosten van een vloer zoals in dit geval, de factor nieuw voor oud een relevante factor zou zijn.

Voor het overige is het hof van oordeel dat de kostenbegroting van Beeren kan worden gevolgd.

7.8.3

[appellanten c.s.] hebben verder vergoeding gevorderd van de deskundigenkosten ad € 1.091,53 + € 210,55 (nrs. 14-15 conclusie na deskundigenbericht d.d. 27 augustus 2014) en € 4.460,- wegens dubbele woonlasten en extra reiskosten. Voor zover [geïntimeerde] deze kosten al heeft betwist, is dat in zulke algemene bewoordingen gedaan, dat het hof daaraan voorbij gaat, zodat deze kosten zullen worden toegewezen.

7.9

De conclusie van dit alles is dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en het gevorderde zal toewijzen tot een bedrag van € 19.952,08, te vermeerderen met btw over € 14.190,-. [geïntimeerde] heeft als in het ongelijk gestelde partij te gelden en zal worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en van dit hoger beroep. Zij zal tevens worden veroordeeld in de kosten van de door de rechtbank benoemde en door het hof gehoorde deskundige(n).

8 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het tussen partijen op 8 april 2015 gewezen vonnis en doet opnieuw recht als volgt:

verklaart voor recht dat [geïntimeerde] jegens [appellanten c.s.] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst ter zake het pand [adres] te [plaats] en aansprakelijk is voor de daaraan toe te rekenen schade aan de zijde van [appellanten c.s.] ;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellanten c.s.] van € 19.952,08, te vermeerderen met btw over € 14.190,-, zulks tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit arrest tot aan de dag van volledige voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure, voor zover gerezen aan de zijde van [appellanten c.s.] in eerste aanleg begroot op € 73,-aan griffierecht, € 99,17 kosten betekening dagvaarding en € 2.316,- aan salaris advocaat, en in dit hoger beroep begroot op € 311,- aan griffierecht, € 94,19 kosten betekening dagvaarding en € 3.474,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit arrest tot aan de dag van volledige voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan de griffier van dit hof van de voorlopig in debet gestelde som van de schadeloosstelling en het loon van de deskundige ten bedrage van € 1.436,87, welk bedrag dient te worden voldaan aan de hand van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) zal worden verzonden;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellanten c.s.] van de:

  • -

    deskundigenkosten in eerste aanleg ad € 3.776,65 voor zover deze al door [appellanten c.s.] op grond van het eindvonnis van 8 april 2015 zijn betaald aan het LDCR;

  • -

    proceskosten voor zover [appellanten c.s.] die op grond van het vernietigde vonnis van 8 april 2015 hebben voldaan,

telkens te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment dat [appellanten c.s.] deze bedragen betaald hebben, tot aan de dag van volledige terugbetaling;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van voornoemd bedrag van € 3.776,65 aan de LDCR binnen twee weken aan de hand van de nota met betaalinstructie die door het LDCR zal worden verzonden indien dit bedrag niet al door [appellanten c.s.] aan de LDCR is betaald;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.F.M. Pols en J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 november 2017.

griffier rolraadsheer