Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4763

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
200.200.496_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:1097
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedrijfsongeval. Aansprakelijkheid werkgever. Materieel werkgeverschap? Eigen schuld. Wederzijdse draagplicht verzekeraars.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0330
PS-Updates.nl 2018-0233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.200.496/01

arrest van 7 november 2017

in de zaak van

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. H. Lebbing te Rotterdam,

tegen

[de vennootschap 2] , h.o.d.n. [handelsnaam] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 september 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 juni 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen [aansprakelijkheidsverzekeraar 1] , hierna aan te duiden als [aansprakelijkheidsverzekeraar 1] , als eiseres in de hoofdzaak en gedaagde in het incident en [geïntimeerde] als gedaagde in de hoofdzaak en eiseres in het incident.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4452928 CV EXPL 15-7150)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In rov. 2.1 van het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de kantonrechter vastgestelde feiten, die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Deze worden hierna, vernummerd tot 3.1.1 tot en met 3.1.5, weergegeven, met verbetering van een enkele verschrijving.

3.1.1.

De heer [betrokkene] (verder: [betrokkene] ) heeft in dienst van zijn werkgever [onderneming] (verder: [onderneming] ), werkzaamheden voor dat bedrijf verricht bij [geïntimeerde] .

3.1.2.

De werkzaamheden betroffen een reparatie aan een pomp en vonden plaats op vrijdag 12 oktober 2012. [betrokkene] is daarbij gewond geraakt. Hij is in aanraking gekomen met natronloog, een bijtende stof. Die stof heeft hij in beide ogen gekregen, als gevolg waarvan [betrokkene] aan zijn rechter oog volledig blind en aan zijn linker oog gedeeltelijk blind is geraakt. Deze gebeurtenis wordt hierna aangeduid met ‘het ongeval’.

3.1.3.

Van het ongeval is een zogenaamd Boeterapport opgemaakt door de Inspectie SZW van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit Boeterapport dateert van 2 november 2012. Onder de kop “Arbeidsmiddelen en arbeidsrelatie” staat het volgende vermeld:

“De genoemde werkzaamheden werden verricht door zogenaamd ingeleend personeel, voor werk dat de werkgever gewoonlijk doet verrichten, zodat er sprake was van werkgever en werknemers in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a, 2°, en van artikel 1, eerste lid, onder b van de Arbeidsomstandighedenwet, zoals blijkt uit de verklaring van het slachtoffer de heer [betrokkene] en uit verklaring van de vertegenwoordiger overtreder de heer [derde 1] .”.

Onder de kop “Bevindingen” staat het volgende vermeld in het Boeterapport:

“Uit onderzoek en uit verklaringen is mij het volgende gebleken.

Het bedrijf [geïntimeerde] is een bedrijf welke zich bezig houdt met onder andere het ontlakken en reinigen van diverse metalen producten. Bij die processen maakt het bedrijf gebruik van gevaarlijke stoffen zoals natronloog en zoutzuur.

Binnen deze locatie maakt men gebruik van diverse installaties zoals een gaswasser en een pompinstallatie.

De pompinstallatie in Hal 4 bestaat o. a. uit diverse transportleidingen/slangen van verschillende diameter, diverse elektrisch aangedreven pompen en diverse afsluiters (zie bijlage 5, foto 2, 3 en 6).

De installatie transporteert, via een leidingstelsel, natronloog 33%. De membraanpomp (zie bijlage 5, foto 5), welke het natronloog vanuit de voorraadtank gedoceerd in de leidingen

pompt, produceert hierbij een maximale druk van circa 6 bar. Hoeveel druk en of er nog druk op de leidingen en slangen staat is niet te zien gezien het ontbreken van drukmeters. De leidingen als wel de transportstangen (zie bijlage S, foto 3) beschikken tevens niet over aftappunten om gecontroleerd de vloeistof eruit te laten. De transportslangen, alwaar het natronloog door heen loopt, vanaf de membraanpomp zijn met slangklemmen vastgezet aan de vulpunten (zie bijlage 5, foto 4).

De heer [betrokkene] is die vrijdagmiddag, omstreeks 17.30 uur, aangekomen bij [geïntimeerde] . De heer [derde 2] heeft voor hem de poort geopend en is toen ook naar Hal 4 gelopen. Hierna is de heer [betrokkene] begonnen met de werkzaamheden aan de membraanpomp.

Op een gegeven moment was hij bezig met het los maken van een tyrap welke om/aan de afvoerslang bij het vulpunt zat en waarmee de slang aan een metalenstaander was gekoppeld (zie bijlage 5, foto 3).

De heer [derde 2] , welke er in het begin bij stond, is op een gegeven moment verder gegaan met zijn werkzaamheden op kantoor.

Om de natronloog uit de slang te kunnen verwijderen, gezien het ontbreken van aftappunten, diende men de slangklemmen los te draaien (zie bijlage 5, foto 4). De druk die op deze

transportslang stond kon hij, gezien ontbreken ontluchter, er niet aflaten.

Bij het los maken van de tyrap schoot de afvoerslang plotsklaps van het vulpunt (zie bijlage 5, foto 2 en 3) en werd de heer [betrokkene] in zijn gezicht getroffen door de natronloog (zie bijlage 5, foto 8). De heer [betrokkene] had voordien de slangklem van de bewuste stang nog niet losgedraaid.

Het slachtoffer droeg o.a. passende werkhandschoenen en werkkleding welke niet bestand was voor het werken met natronloog.

Het slachtoffer was nog, via zijn mobiele telefoon, in staat de heer [derde 2] te bellen. Deze heeft hem toen geassisteerd bij de eerste hulpverlening zijnde het spoelen van zijn gezicht en ogen hij een wasbak. Ook heeft de heer [derde 2] geholpen bij het slachtoffer ontdoen van diens werkkleding waarop ook natronloog was gekomen.

Een nood- en oogdouche was in betreffende ruimte, ten tijde van het ongeval, niet aanwezig. Aansluitend is het slachtoffer overgebracht naar een ander ruimte alwaar zich een douche bevond en is men verder gegaan met zijn gezicht en ogen te spoelen.

Het slachtoffer is in eerste instantie per ambulance vervoerd naar het St. Elisabeth

ziekenhuis te Tilburg , aansluitend is het slachtoffer naar Het oogziekenhuis te Rotterdam

vervoerd voor behandeling en observatie.

Ik stel vast dat in alle gevallen waarin arbeid wordt verricht er niet was voorkomen

dat een werknemer word of kan worden blootgesteld aan een gevaarlijke stof

Aldus is er sprake van overtreding artikel 16 lid 10 van de Arbeidsomstandighedenwet, juncto artikel 4.1c 1e lid van het

Arbeidsomstandighedenbesluit, aangewezen als beboetbaar feit in artikel 9. 9c 1e lid

onder D van datzelfde besluit.”

3.1.4.

In opdracht van [de vennootschap 3] Claims Organisatie is door de firma [firma] een toedrachtonderzoek naar het ongeval ingesteld.

3.1.5.

[aansprakelijkheidsverzekeraar 1] is als aansprakelijkheidsverzekeraar van [onderneming] door [betrokkene] aansprakelijk gesteld. [aansprakelijkheidsverzekeraar 2] heeft als aansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde] aansprakelijkheid van [geïntimeerde] bij brief van 31 januari 2013 erkent, maar stelt dat sprake is van eigen schuld bij [betrokkene] en waardeert dit op 50%. Vervolgens heeft [aansprakelijkheidsverzekeraar 1] besloten voor 50% te participeren in de schade van [betrokkene] .

3.2.

In eerste aanleg vorderde [aansprakelijkheidsverzekeraar 1] , voor zover de wet dat toelaat, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in de krachtens artikel 7:658 BW rustende zorgplicht en uit dien hoofde, dan wel op grond van artikel 6:162 BW en/of artikel 6:173 BW en/of artikel 6:175 BW aansprakelijk is jegens [betrokkene] voor het hem overkomen ongeval d.d. 12 oktober 2012, alsmede voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] aldus gehouden is aan [aansprakelijkheidsverzekeraar 1] (ex artikel 6:102 lid 1 BW juncto artikel 6:10 BW, gesubrogeerd in de rechten van diens verzekerde [onderneming] ), de door [aansprakelijkheidsverzekeraar 1] aan de heer [betrokkene] en/of [aansprakelijkheidsverzekeraar 2] ter afdoening van de schade van de heer [betrokkene] betaalde en te betalen bedragen, te vermeerderen met wettelijke rente, althans dat gedeelte waarvan de kantonrechter dat redelijk acht, terug te betalen.

3.3.

In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vorderingen van [aansprakelijkheidsverzekeraar 1]

afgewezen. De kantonrechter overwoog daartoe dat geen rechtsverhouding bestaat welke ten grondslag ligt aan de gevorderde betalingsverplichting van [geïntimeerde] jegens [onderneming] / [aansprakelijkheidsverzekeraar 1] , nadat in rechte is komen vast te staan dat [geïntimeerde] jegens [betrokkene] volledig aansprakelijk is. Voorts oordeelde de kantonrechter dat geen hoofdelijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde] en [onderneming] / [aansprakelijkheidsverzekeraar 1] jegens [betrokkene] was ontstaan, omdat de (mede)schuld en aldus aansprakelijkheid van [onderneming] / [aansprakelijkheidsverzekeraar 1] jegens [betrokkene] niet vast is komen te staan. [aansprakelijkheidsverzekeraar 1] kan aldus niet, gesubrogeerd in de rechten van [onderneming] , een beroep doen op (hoofdelijk) medeschuldenaarschap ex artikel 6:102 lid 1 BW juncto artikel 6:10 BW, aldus de kantonrechter.

3.4.

De (enige) grief van [appellante] (als rechtsopvolger van [aansprakelijkheidsverzekeraar 1] ) is gericht tegen voormelde oordelen van de kantonrechter. [geïntimeerde] heeft zich ten aanzien van de grief gerefereerd aan het oordeel van het hof.

3.5.

Alvorens de grief te beoordelen, ziet het hof aanleiding een comparitie van partijen te gelasten voor het verkrijgen van inlichtingen van partijen alsmede voor het beproeven van een schikking.

3.6.

Het hof wenst nader geïnformeerd te worden over het volgende.

a. a) De dagvaarding in hoger beroep strekt ertoe dat het hof voor recht verklaard dat [geïntimeerde] als materiële werkgever gehouden is de volledige schade van [betrokkene] te vergoeden. Dit lijkt een eiswijziging in te houden ten opzichte van de vorderingen van [aansprakelijkheidsverzekeraar 1] in eerste aanleg. De eis van [aansprakelijkheidsverzekeraar 1] was gebaseerd, naast op artikel 7:658 BW, op de artikelen 6:162 BW, 6:173 BW en 6:175 BW.

b) De toedracht van het ongeval. Met het oog hierop verzoekt het hof [appellante] te bevorderen dat [betrokkene] tijdens de comparitie aanwezig is. Voorts gaat het hof ervan uit dat zijdens [geïntimeerde] ook personen zullen verschijnen die de feiten kennen.

c) De vraag of [geïntimeerde] als materiële werkgever is aan te merken.

3.7.

Ter comparitie zal niet de gelegenheid worden geboden te pleiten. Hieronder wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak al dan niet aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.

3.8.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen – natuurlijke personen in persoon en rechtspersonen deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mr. J.P. de Haan als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder rov. 3.5 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 21 november 2017 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.P. de Haan en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 november 2017.

griffier rolraadsheer