Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:476

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
200.204.042_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b nu schuldenaren ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek niet te goeder trouw zijn geweest alsmede ex artikel 288 lid 1 aanhef sub c nu onvoldoende aannemelijk is dat de schuldenares de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 9 februari 2017

Zaaknummer : 200.204.042/01

Zaaknummers eerste aanleg : C/02/321259 FT RK 16/1363 en C/02/321260 FT RK 16/364

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant 1]

en

[appellante 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant 1] respectievelijk [appellante 2] ,

advocaat: mr. P.J. van der Meulen te Tilburg.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 17 november 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 november 2016, hebben [appellant 1] en [appellante 2] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog de schuldsaneringsregeling op hen van toepassing te verklaren.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 februari 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellant 1] en [appellante 2] , bijgestaan door mr. Meulen,

  • -

    de heer [informant] , verbonden aan Schuldhulpverlening Tilburg in zijn hoedanigheid van informant, hierna te noemen: [informant] .

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 3 november 2016;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] d.d. 12 december 2016;

- de brief van de advocaat van [appellant 1] en [appellante 2] van 11 januari 2017.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant 1] en [appellante 2] , die in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, hebben, ieder voor zich, de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant 1] en [appellante 2] blijkt een totale schuldenlast van € 148.809,63. Daaronder bevinden zich een schuld aan BLG Hypotheken van € 114.755,24, een schuld aan Hypocasso BV van € 29.629.23 alsmede een tweetal belastingschulden van in totaal € 1.768,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat een schuldeiser niet met het aangeboden percentage heeft ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank de verzoeken van [appellant 1] en [appellante 2] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant 1] en [appellante 2] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“3.4. De rechtbank, overweegt dat verzoekers ter zitting onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt, dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar

behoren kunnen nakomen en zich dus doende zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank overweegt dat verzoekers ogenschijnlijk wel willen voldoen aan de verplichtingen, maar door hun gebrekkige vaardigheden op het gebied van de Nederlandse taal niet in de gelegenheid zullen zijn om de daaruit voortvloeiende verplichtingen naar behoren te kunnen nakomen. Verder is in dit kader onduidelijk gebleven of verzoekers bijstand zullen kunnen verkrijgen van een derde die hen zou kunnen bijstaan bij de vervulling van de verplichtingen uit hoofde van de WSNP.”

3.4.

[appellant 1] en [appellante 2] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan beiden in hoger beroep gekomen. Zij hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Volgens [appellant 1] en [appellante 2] is het niet juist dat hun gebrekkige vaardigheden op het gebied van het Nederlands van dien aard zijn dat de verzoeken tot toelating van de schuldsaneringsregeling moeten worden afgewezen. [appellant 1] woont sinds 1995 in Nederland en hij kan zich mondeling goed uitdrukken in het Nederlands. Hij kan ook Nederlands lezen. Het schrijven gaat hem wat moeilijker af. [appellante 2] verblijft sinds 2006 in Nederland en is sinds 9 december 2015 bezig met een opleiding "Sociale redzaamheid niveau T aan het ROC [vestigingsplaats] . Deze opleiding heeft o.a. als doel de Nederlandse taal (beter) machtig te worden. Ook vinden zij de beslissing niet, althans onvoldoende, gemotiveerd. De rechtbank heeft in het vonnis uiteengezet dat zij onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij het Nederlands niet goed machtig zouden zijn. De enkele omstandigheid dat zij het Nederlands niet goed machtig zouden zijn is op zich geen beletsel om toegelaten te kunnen worden tot de schuldsanering (HR 14 februari 2014, NJ 2014/117). Daarnaast hebben zij hulp gezocht bij instituut voor maatschappelijk werk (IMW) en worden zij sinds december 2015 begeleid bij hun (financiële) administratie door stichting BLUT. Het is dan ook onjuist dat zij geen bijstand zullen verkrijgen van een derde die hen zou kunnen bijstaan bij de vervulling van de verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant 1] en [appellante 2] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd, waarbij [appellant 1] als tolk voor [appellante 2] is opgetreden. [appellante 2] geeft aan dat zij niet heeft gesolliciteerd, omdat zij kampt met zowel fysieke als psychische problemen. [appellant 1] stelt dat het feit dat hij en zijn voormalige echtgenote twee huizen hadden voortkomt uit de Turkse traditie om voor de (eigen) kinderen, zelfs als zij nog zeer jong zijn, voor de verre toekomst al diverse zaken, waaronder woonruimte, te regelen. Omdat zij twee kinderen hebben, hadden zij dus ook twee huizen. Achteraf bezien erkent [appellant 1] dat deze handelwijze “niet slim” is geweest. Met betrekking tot de schuld aan de Belastingdienst moeten [appellant 1] en [appellante 2] het antwoord op de vraag van het hof waar deze schuld betrekking op heeft, schuldig blijven. Zij vermoeden dat een en ander te maken zou kunnen hebben met een onterecht genoten huurtoeslag, maar zij weten dit niet zeker. Ook de schuld aan het Stadskantoor weten zij desgevraagd niet nader toe te lichten. Tot slot erkennen [appellant 1] en [appellante 2] dat zij een groot aantal stukken, waaronder de sociale rapportage van de intake bij de GKB, correspondentie met betrekking tot de door de gemeente in het kader van hun uitkeringen verleende vrijstelling van de arbeidsverplichting, een eigen verklaring ten aanzien van de aard en ontstaansgeschiedenis van hun schuldenlast, gegevens met betrekking tot hun WIA uitkeringen en nadere stukken met betrekking tot de fysieke en psychische problematiek van [appellante 2] niet hebben overgelegd.

3.6.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [informant] desgevraagd aangegeven dat de grootste schuldeiser, BLG Hypotheken, niet met het minnelijk aanbod heeft ingestemd omdat zij van mening was dat, nu de arbeidsongeschiktheid van [appellante 2] wellicht van tijdelijk aard is, er binnen afzienbare tijd meer financiële middelen beschikbaar zouden kunnen komen.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.7.2.

Vast staat allereerst dat er sprake is van een tweetal schulden aan de Belastingdienst. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Temeer nu [appellant 1] en [appellante 2] verzuimen de aard en ontstaansgeschiedenis van deze belastingschuld ex artikel 3.1.2.6. sub g van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken door middel van schriftelijke bewijsstukken dan wel anderszins te onderbouwen en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep bovendien is gebleken dat [appellant 1] en [appellante 2] niet weten waar deze schuld betrekking op heeft, acht het hof het onvoldoende aannemelijk dat zij ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst te goeder trouw zijn geweest.

3.7.3.

Voorts staat vast dat de grootste schuld voorkomt uit het feit dat [appellant 1] ten tijde van zijn vorige huwelijk twee huizen bezat waarvan hij op enig moment de hypothecaire verplichtingen niet meer kon voldoen. Het hof is van oordeel dat [appellant 1] had dienen te beseffen dat het bezitten van twee huizen, om welke reden dan ook, een dermate financiële verplichting met zich zou brengen dat hij redelijkerwijs had kunnen, feitelijk dienen te, voorzien dat hij deze verplichtingen, ook gelet op de hoogte van zijn inkomen, op enig moment niet meer zou kunnen voldoen en dat de daaruit voortvloeiende noodgedwongen (al dan niet executoriale) verkoop van (een van) deze huizen voor hem, gelet op de toenmalige en feitelijk nog immer voortdurende situatie op de huizenmarkt, zou resulteren in een aanzienlijke restschuld. Het hof is dan ook van oordeel dat deze schuld verwijtbaar en daarmee ook niet te goeder trouw is ontstaan.

3.7.4.

Daarbij komt dat [appellante 2] kampt met een aanzienlijke psychosociale problematiek waarvoor zij naar eigen zeggen reeds drie jaar onder behandeling van een psycholoog staat. Ingevolge artikel 5.4.3. van het toepasselijke procesreglement wordt een verzoeker met psychosociale problemen in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. Dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn, dient te worden bevestigd door een hulpverlener of door een hulpverlenende instantie. Een dergelijke verklaring, noch enig ander stuk waaruit de aard van de problematiek, de behandelwijze dan wel enige prognose zou kunnen worden herleid, is door [appellante 2] evenwel niet overgelegd.

3.7.5.

Het hof heeft voorts vastgesteld dat de onderbouwing, al dan niet door middel van onderliggende (bewijs-)stukken ten aanzien van een groot aantal schulden zoals vermeld op de verklaring ex art. 285 Fw ontbreek.t zodat ook van deze schulden niet kan worden vastgesteld of deze schulden te goeder trouw zijn ontstaan. Een en ander klemt des temeer nu het merendeel van de schulden op voornoemde verklaring een, naar het hof aanneemt, fictieve ontstaansdatum heeft van 1 januari 2015 dan wel 2016, en omdat [appellant 1] en [appellante 2] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep niet in staat bleken om desgevraagd de aard en ontstaansgeschiedenis van een aantal schulden nader te duiden, Voor het overige hebben zij eveneens nagelaten om onder meer stukken over te leggen waaruit de mate van arbeidsongeschiktheid, zoals deze door hen is aangedragen, ook daadwerkelijk valt te herleiden alsmede stukken met betrekking tot de aan hen beiden in dat kader toegekende WIA uitkering.

3.7.6.

Tot slot is het hof van oordeel dat [appellante 2] , gelet op de problematische schuldenpositie van haar en haar echtgenoot en het feit dat zij al meer dan tien jaar in Nederland verblijft, zich in een eerder stadium dan thans het geval is gebleken had dienen in te spannen om zich de Nederlandse taal (beter) machtig te maken teneinde zo haar bemiddelbaarheid op de arbeidsmarkt te verbeteren. Het hof rekent het [appellante 2] daarbij bovendien aan dat zij, ondanks het feit dat zij naar eigen zeggen, althans naar zeggen van [appellant 1] , slechts gedeeltelijk is afgekeurd, zich geen enkele moeite heeft getroost om, reeds in het belang van de schuldeisers, een betaalde (parttime) arbeidsbetrekking te verwerven.

3.7.7.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellant 1] en [appellante 2] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.8.

Het vonnis waarvan beroep zal - onder verbetering en aanvulling van de gronden - worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, S.M.A.M. Venhuizen en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2017.