Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4752

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
07-11-2017
Zaaknummer
200.200.019_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geen recht van reprise bij verteerde consumptieve bestedingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2018/9
FJR 2018/20.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.200.019/01

arrest van 7 november 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: thans mr. J.A. Scanlan te Roosendaal,

voorheen mr. M.A. Remmen te Nijmegen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.A.M. Olde Loohuis te Boxmeer,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 september 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 3 augustus 2016, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
's-Hertogenbosch gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/306169 / HA ZA 16-226)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen zijn op 12 september 1985 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

3.1.2

Blijkens een drietal akten van constatering van een schenking d.d. 23 november 2002, 28 november 2004 en 26 januari 2006 is aan [geïntimeerde] , onder uitsluitingsclausule, telkens een bedrag van € 10.000,-- geschonken. De geschonken bedragen zijn overgeboekt naar de gemeenschappelijke bankrekening van partijen.

3.1.3.

Op 1 september 2012 zijn partijen feitelijk uit elkaar gegaan. Het verzoekschrift tot echtscheiding is op 22 maart 2013 ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant.

De echtscheiding van partijen is op 14 februari 2014 door de rechtbank uitgesproken en op 2 mei 2014 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3.1.4.

Bij dagvaarding van 31 maart 2014 heeft [geïntimeerde] [appellant] in rechte betrokken ter zake de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Die procedure heeft geleid tot een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 13 mei 2015. Tegen dit vonnis is door partijen geen hoger beroep ingesteld.

3.1.5.

Na verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning is de overwaarde, een bedrag van € 96.951,19, tussen partijen bij helfte verdeeld, met dien verstande dat een gedeelte daarvan, een bedrag van € 30.000,--, op de derdengeldrekening van de advocaat van [geïntimeerde] in depot is gehouden vanwege een geschil tussen partijen over de vraag wie gerechtigd is tot dit bedrag.

3.2.1.

Bij dagvaarding van 9 maart 2016 heeft [geïntimeerde] [appellant] in rechte betrokken. Zij heeft in eerste aanleg – voor zover thans in hoger beroep relevant – in conventie, kort weergegeven, gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. een verklaring voor recht dat zij aanspraak heeft op de gemeenschap ter hoogte van de nominale waarde van de drie schenkingen tezamen (€ 30.000,--), dan wel [appellant] te veroordelen tot betaling aan haar van € 15.000,--, dan wel een ander door de rechtbank te bepalen bedrag;

  2. veroordeling van [appellant] tot betaling van € 950,-- betreffende het aan haar toekomende deel van de belastingteruggave over het jaar 2012, dan wel een ander door de rechtbank te bepalen bedrag;

en veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de nakosten.

3.2.2.

[appellant] heeft de vorderingen weersproken. Voorts heeft hij een vordering in reconventie ingediend, inhoudende – voor zover in hoger beroep van belang – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. een verklaring voor recht dat het in depot staande bedrag van € 30.000,-- aan partijen, ieder voor de helft, toekomt;

  2. veroordeling van [geïntimeerde] om haar advocaat opdracht te geven uit het depot aan [appellant] € 15.000,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente;

kosten rechtens.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

3.3.

De rechtbank heeft de vordering in conventie onder a ter grootte van het bedrag van € 30.000,-- toegewezen. De vordering onder b is afgewezen. De vorderingen in reconventie zijn alle afgewezen. De proceskosten in conventie en reconventie zijn gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

De advocaat van [geïntimeerde] heeft vervolgens het onder haar in depot staande bedrag van € 30.000,-- aan [geïntimeerde] voldaan.

3.4.1.

[appellant] heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende:

  1. de door [geïntimeerde] gevorderde verklaring van recht dat zij aanspraak heeft op de gemeenschap voor een bedrag van € 30.000,-- alsnog af te wijzen;

  2. de vordering om voor recht te verklaren dat het bedrag van € 30.000,-- aan ieder van partijen voor de helft toekomt toe te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] € 15.000,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het bedrag in depot is gestort tot aan de dag van voldoening.

[appellant] heeft hiertoe twee grieven aangevoerd.

3.4.2.

[geïntimeerde] heeft de grieven weersproken en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [appellant] in zijn hoger beroep, althans tot afwijzing van zijn vorderingen.

Bovendien heeft zij incidenteel appel ingesteld en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarin is bepaald dat haar vordering ter zake de belastingteruggave 2012 is afgewezen en opnieuw rechtdoende:

- veroordeling van [appellant] tot betaling van € 535,--, althans een door het hof vast te stellen bedrag, uit hoofde van het haar toekomende deel van de belastingteruggave over het jaar 2012.

[geïntimeerde] heeft hiertoe één grief aangevoerd.

3.4.3.

[appellant] heeft verweer gevoerd in het incidenteel appel.

3.5.

Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vorderingen van partijen toewijsbaar zijn. Het hof zal de twee grieven in het principale appel, gelet op hun onderlinge samenhang, gelijktijdig behandelen.

De schenkingen

3.6.1.

Door middel van zijn twee grieven betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte voor recht heeft verklaard dat [geïntimeerde] een aanspraak heeft op de gemeenschap ter hoogte van de nominale waarde van de drie schenkingen. Hij stelt, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, dat niet van belang is of partijen een repriserecht zijn overeengekomen. Relevant is daarentegen of door de ontvangen schenkingen gemeenschapsschulden zijn voldaan.

[appellant] betwist dat de schenkingen zijn besteed aan verbouwingen van de echtelijke woning; primair omdat de verbouwingen zijn gefinancierd met een extra hypotheek (prod. 7 en 8 bij conclusie van antwoord), subsidiair omdat het financieren van een verbouwing niet kan worden aangemerkt als het voldoen van een gemeenschapsschuld. [appellant] verwijst ter onderbouwing van zijn subsidiaire standpunt naar de uitspraak van dit hof van 6 maart 2012 (ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9349).

Nu, ten slotte, de rechtbank in rov. 4.3. overweegt dat de schenkingen niet zijn aangewend voor uitgaven die de normale bestedingsmogelijkheden van partijen overtreffen, zijn de schenkingen consumptief besteed en bestaat dus geen grond voor een vergoedingsrecht van [geïntimeerde] .

3.6.2.

[geïntimeerde] stelt dat de hoofdregel is dat de begunstigde van de schenkingen een vergoedingsrecht op de gemeenschap heeft. Hierbij geldt dat de wet niet de voorwaarde stelt dat partijen uitdrukkelijk het recht van reprise zijn overeengekomen. Er is in beginsel sprake van een vergoedingsrecht ongeacht of partijen dit uitdrukkelijk zijn overeenkomen en ongeacht wat er nog over is van de ontvangen gelden.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat de schenkingen zijn besteed aan uitgaven die de normale bestedingsmogelijkheden van partijen overtreffen. [geïntimeerde] heeft daarom krachtens de hoofdregel een vordering op de gemeenschap. [appellant] heeft geen bijzondere feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou moeten volgen dat de gedane uitgaven, afgezet tegen de gebruikelijke kosten van de huishouding, een dermate uitzonderlijk karakter hebben gehad dat af moet worden geweken van de hoofdregel.

Voor de gevorderde wettelijke rente bestaat geen aanleiding. Partijen hebben, toen zij besloten het bedrag van € 30.000,-- op de derdengeldrekening van de advocaat van

[geïntimeerde] te storten, geen afspraken gemaakt over een eventueel verschuldigde wettelijke rente. Bovendien is de derdengeldrekening geen rentedragende rekening.

3.6.3.

De rechtbank overwoog als volgt.

“4.2. (…) Ook is niet in geschil dat de geschonken bedragen op de gezamenlijke bankrekening van partijen zijn gestort. Door deze overboeking is het volledige bedrag van deze schenkingen in de gemeenschap gevallen en is de gemeenschap met deze gelden gebaat. Voorts staat vast dat het geschonken geld niet nadien op naam van de vrouw is afgezonderd of is aangewend voor privéschulden van de vrouw.

Er is dan ook, ingevolge het bepaald in het tweede lid van artikel 1:95 BW jo het tweede lid van artikel 1:94 onder a BW een repriserecht ontstaan.

De vrouw heeft dan ook in beginsel recht op een nominale vergoeding uit de gemeenschap te bedrage van de aan haar geschonken bedragen in totaal € 30.000,--.

4.3.

Partijen zijn het er niet over eens op welke wijze dit geld is uitgegeven. De vrouw stelt dat het geld is aangewend om de voormalige echtelijke woning te verbouwen, terwijl de man heeft aangevoerd dat de geschonken bedragen in de huishouding zijn opgegaan en aan vakanties en dergelijke. De man stelt voorts dat de schenkingen vrijwillig zijn besteed zodat de vrouw geen aanspraak kan maken op een vergoedingsrecht.

Dit standpunt van de man wordt door de rechtbank niet gevolgd. In de wet wordt niet de voorwaarde gesteld dat partijen uitdrukkelijk dienen overeen te komen dat een repriserecht ontstaat ten tijde van de besteding van het geld. Dat partijen uitdrukkelijk overeengekomen zijn dat geen repriserecht zou ontstaan, volgt niet uit de stellingen van de man. Voorts is gesteld noch gebleken dat de schenkingen zijn besteed aan uitgaven die de normale bestedingsmogelijkheden van de huishouding van partijen overtreffen.”

3.6.4.

Het hof overweegt als volgt.

3.6.4.1. Tussen partijen staat vast dat aan [geïntimeerde] een bedrag van € 30.000,-- onder uitsluitingsclausule is geschonken.

Art. 1:94 lid 2 onder a bepaalt dat de huwelijksgemeenschap, wat haar baten betreft, alle goederen van de echtgenoten bij aanvang van de gemeenschap of nadien verkregen, omvat met uitzondering van “goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen”.

3.6.4.2. Art. 1:94 lid 2 BW, voor zover voorschrijvende dat buiten de gemeenschap vallen die goederen ten aanzien waarvan zulks bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald, strekt er volgens de Hoge Raad (HR 21 november 1980 NJ 1981, 193) toe te bewerkstelligen dat de door zodanige bepaling tot uitdrukking gebrachte wil van de erflater of schenker om de betrokken goederen aan een van de echtgenoten, met uitsluiting van de andere echtgenoot, ten goede te doen komen, niet wordt doorkruist door het huwelijksgoederenregime dat tussen de echtgenoten geldt of zal gelden. De Hoge Raad overweegt verder over deze strekking:

“Deze strekking dwingt ertoe aan te nemen dat indien de echtgenoten bij hun huwelijkse voorwaarden gemeenschap van goederen hebben uitgesloten onder beding dat bij ontbinding van het huwelijk zal worden afgerekend alsof zodanige gemeenschap had bestaan, bij deze afrekening buiten beschouwing moeten blijven die goederen ten aanzien waarvan de erflater of schenker heeft bepaald dat zij niet in enige huwelijksgemeenschap zullen vallen. Zouden deze goederen immers wel in de afrekening worden betrokken, dan zou ook de echtgenoot van de verkrijger der goederen, of de erven van die echtgenoot, in de waarde der goederen delen, hetgeen zou betekenen dat, in strijd met vorenbedoelde strekking van het voorschrift, de wil van de erflater of schenker niet zou worden geëerbiedigd.

Hieraan kan niet afdoen het bepaalde in de door onderdeel A sub 6 van het middel aangehaalde wetsartikelen, aangezien in deze artikelen geen onderscheid wordt gemaakt naar gelang tussen de echtgenoten al dan niet gemeenschap van goederen bestaat.”

en voorts:

“Het onder 1 overwogene omtrent de strekking van het onderhavige voorschrift sluit in dat deze strekking zich ertegen verzet om aan te nemen dat bij huwelijkse voorwaarden een regeling als de onderhavige zou kunnen worden getroffen.”

3.6.4.3. Voornoemd uitgangspunt betekent dat het partijen niet is toegestaan de wil van de erflater of schenker reeds op voorhand bij de vaststelling of wijziging van huwelijkse voorwaarden te doorkruisen.

De strekking van art. 1:94 lid 2 onder a BW gaat echter niet zo ver dat het de beschikkingsbevoegdheid van de ontvanger van de erfenis of de schenking raakt, in die zin dat deze beschikkingsbevoegdheid wordt beperkt tot het doen van uitgaven waarmee louter de ontvanger van de met uitsluiting verkregen gelden wordt gebaat. Gelet hierop bestaat bij de ontvanger van de met uitsluiting ontvangen gelden beschikkingsvrijheid voor zijn (volledige) privévermogen.

3.6.4.4. Niet in geschil is dat de met uitsluiting ontvangen gelden zijn overgeboekt naar de gemeenschappelijke bankrekening van partijen. Die bankrekening behoort – zo is ook niet in geschil – tot de huwelijksgemeenschap. Door vermenging is het bedrag van € 30.000,-- tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren (het hof verwijst hiervoor naar zijn rov. 3.6.4.7., hierna). De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is of aan [geïntimeerde] een – door de Hoge Raad in zijn arrest van 15 september 2017 ECLI:NL:HR:2017:2385 aangeduid – recht van terugneming (“recht van reprise”) toekomt op grond van het bepaalde in art. 1:95 lid 2 BW (oud en 1:96 lid 3 BW nieuw) ten laste van de gemeenschap en zo ja ter grootte van welk bedrag.

3.6.4.5. In deze zaak zijn de met uitsluiting ontvangen gelden door [geïntimeerde] besteed, waarbij overigens in geschil is waaraan de gelden zijn besteed.

Het hof is van oordeel dat aan [geïntimeerde] geen recht van terugneming toekomt en overweegt daartoe het volgende.

3.6.4.6. [geïntimeerde] heeft gesteld dat de met uitsluiting verkregen gelden zijn geïnvesteerd in de echtelijke woning, maar naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de verbouwingen voor een bedrag van € 30.000,-- (nog daargelaten dat niet vaststaat in hoeverre sprake is geweest van onderhoudswerkzaamheden dan wel investeringen ter verbetering van de woning) ná het ontvangen van de schenkingen hebben plaatsgevonden. [geïntimeerde] verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de verkoopbrochure van de woning. Hierin is vermeld “De afgelopen jaren is deze stapsgewijs verbouwd tot de huidige boerderij. Het achterhuis is hiervoor volledig vernieuwd” en “Na vervangend nieuwbouw van het achterhuis vanaf 2007 is (…)”. Deze brochure kan niet dienen ten bewijze van de stelling van [geïntimeerde] . Tegenover die stelling heeft [appellant] , onderbouwd en voldoende gemotiveerd gesteld dat de grootschalige verbouwing reeds eerder was aangevangen. Het hof wijst hiervoor allereerst naar het expertiserapport van Interpolis d.d. 7 mei 2002, opgemaakt vanwege een gemelde stormschade, waarin is opgenomen “Verzekerde is volop bezig met het opknappen van de boerderij. Het woongedeelte is al verbouwd. Het achterhuis waar vroeger de stallen gesitueerd waren verkeert in een slechte staat van onderhoud” (prod. 9 bij conclusie van antwoord). Bovendien blijkt uit prod. 10 bij conclusie van antwoord dat [appellant] in juli 2003 een bouwaanvraag heeft ingediend voor het herstel van de stormschade aan de bij de woning behorende schuur. Daar komt nog bij tenslotte dat partijen op 27 september 2002 een (tweede) recht van hypotheek aan de Rabobank hebben verleend ter grootte van € 30.000,-- hetgeen, zoals door [appellant] is gesteld, in verband kan worden gebracht met de verbouwing van de woning. Ten slotte verwijst het hof naar het taxatierapport van de woning (prod. 5 bij memorie van antwoord) d.d. 25 september 2014 waarin, in lijn met de eerder door het hof genoemde stukken, is vermeld dat de verbouwing vanaf 1997 is uitgevoerd.

Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft [geïntimeerde] niets aangevoerd dat haar stelling nader kan onderbouwen. Het vorenstaande leidt daarom tot het oordeel dat de schenkingen, waarvan de eerste heeft plaatsgevonden op 23 november 2002, niet geacht worden te zijn besteed aan de verbouwing van de woning.

Derhalve is niet komen vast te staan dat sprake is geweest van investeringen in een goed die aanleiding geven tot een vergoedingsrecht.

3.6.4.7. Nu het geschonken geld op de gemeenschappelijke rekening van partijen is terechtgekomen, op de peildatum niet meer traceerbaar aanwezig was en evenmin is komen vast te staan aan welke specifieke uitgaven het is besteed dan wel dat partijen over de besteding van dit geld met elkaar afspraken hebben gemaakt, moet het ervoor worden gehouden dat de met uitsluiting ontvangen gelden zijn geconsumeerd, opgemaakt aan bestedingen die geen aanleiding geven tot een vergoedingsrecht. Dat dit anders zou zijn is gesteld noch gebleken.

Aangenomen moet worden dat de bedragen van de schenkingen door [geïntimeerde] zijn besteed om te voldoen aan de verplichting om bij te dragen in de kosten van de huishouding (art. 1:84 BW), een verplichting die mede zijn grondslag vindt in de relationele solidariteit die de verhouding tussen echtgenoten beheerst en die tot uitdrukking komt in art. 1:81 BW (dat bepaalt dat echtgenoten verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen). Niet gesteld of gebleken is echter dat [geïntimeerde] daarbij méér heeft bijgedragen aan de huishouding dan waartoe zij op grond van de wet gehouden is. Daartoe is immers vereist dat [geïntimeerde] een onderbouwd financieel overzicht geeft dat inzicht geeft wie van partijen welke kosten van de huishouding voor zijn rekening heeft genomen en zulk een overzicht ontbreekt. Derhalve is gelet op het hiervóór overwogene er geen plaats voor een nominaal vergoedingsrecht voor [geïntimeerde] . De grief slaagt derhalve.

Wettelijke rente

3.7.

Nu de gemeenschap door uitkering van het in depot gehouden bedrag van € 30.000,-- aan [geïntimeerde] inmiddels is verdeeld, leidt het voorgaande tot toewijzing van de vordering van [appellant] tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 15.000,-- aan hem

(HR 4 mei 2007 ECLI:NL:HR:2007:AZ7904).

De vordering van [appellant] is eerst ontstaan door het in dezen te wijzen arrest. Voor vergoeding van de wettelijke rente zoals door hem gevorderd, reeds vanaf het moment waarop het bedrag van € 30.000,-- in depot is gestort, is derhalve geen plaats. Daarbij is niet van belang of de advocaat van de vrouw, houder van het depot, een rentevergoeding aan (een van) partijen verschuldigd was.

De belastingteruggave

3.8.1.

[geïntimeerde] stelt dat de belastingdienst de belastingteruggave over het jaar 2012 geheel heeft uitgekeerd aan [appellant] . Zij beschikt inmiddels over bewijsstukken (prod. 1 in hoger beroep, de belastingaanslag 2012) waaruit dit blijkt. [appellant] weigert echter de helft van dit bedrag, € 535,-- (€ 1071:2), aan haar uit te keren.

3.8.2.

[appellant] stelt primair dat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk is in haar incidenteel appel althans dat haar vordering moet worden afgewezen. De belastingaanslag 2012, gedagtekend op 9 augustus 2013, was reeds geruime tijd in bezit van [geïntimeerde] . Zij heeft nagelaten dit stuk over te leggen in de procedure in eerste aanleg en heeft hiervoor geen goede verklaring.

Subsidair vormt de belastingaanslag geen bewijs van de stelling dat [geïntimeerde] geen belastingteruggave heeft ontvangen. Overigens heeft [geïntimeerde] een voorlopige teruggave van € 469,-- ontvangen. De helft hiervan komt aan [appellant] toe zodat de vordering van [geïntimeerde] het bedrag van € 310,-- (vordering [geïntimeerde] op [appellant] € 535,50 -/- vordering [appellant] op [geïntimeerde] € 234,50 = € 310,--) niet kan overschrijden.

3.8.3.

Gelet op de herstelfunctie van het appel treft het primaire verweer in het incidenteel appel geen doel. Het hof passeert daarom dit verweer.

3.8.4.

De rechtbank heeft – kort weergegeven – de vordering van [geïntimeerde] afgewezen omdat zij zonder goede verklaring geen bewijsstukken heeft overgelegd van haar vordering tot betaling van de helft van de belastingteruggave aan [appellant] .

3.8.5.

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] ter onderbouwing van haar incidenteel appel haar aanslag inkomstenbelasting 2012 heeft overgelegd. Deze (definitieve) aanslag d.d. 9 augustus 2013 is vastgesteld overeenkomstig de aangifte van [geïntimeerde] over het jaar 2012. Uit deze aanslag blijkt dat aan [geïntimeerde] eerder een voorlopige teruggave van € 1.346,00 is verleend. Uit deze aanslag blijkt niet dat dit bedrag geheel aan [appellant] is uitgekeerd. Zulks is evenwel gelet op de peildatum voor de samenstelling van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap welke is gelegen op 22 maart 2013 (datum indiening echtscheidingsverzoek) ook niet relevant. De voorlopige teruggave wordt, nu niet anderszins is gesteld of gebleken, geacht te zijn gestort op een (gemeenschappelijke) bankrekening van partijen waarvan het saldo op die peildatum van 22 maart 2013 tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Voor zover de voorlopige teruggave op dat moment niet is verteerd, wordt het saldo van de bankrekening waarop die teruggave is gestort geacht te zijn verdeeld – nu partijen niet hebben gesteld dat de verdeling niet is geëffectueerd en dit ook niet anderszins is gebleken – in de verdelingsprocedure tussen partijen. De grief in het incidenteel appel faalt.

De proceskosten

3.9

Het hof zal met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

4 De uitspraak

Het hof:

in het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover voor recht is verklaard dat [geïntimeerde] een aanspraak heeft op de gemeenschap ter hoogte van de nominale waarde van alle schenkingen bij elkaar opgeteld, zijnde een bedrag van € 30.000,--;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de door [geïntimeerde] gevorderde verklaring voor recht dat zij aanspraak heeft op de gemeenschap van € 30.000,-- alsnog af;

wijst toe de vordering van [appellant] om voor recht te verklaren dat het bedrag van € 30.000,-- aan ieder der partijen voor de helft toekomt, met veroordeling van [geïntimeerde] om aan [appellant] een bedrag van € 15.000,-- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit arrest;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 november 2017.

griffier rolraadsheer