Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4748

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
16/03722
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Heffingsambtenaar heeft het verweerschrift buiten de termijn als bedoeld in artikel 8:42, lid 1, van de Awb, doch binnen de termijn als bedoeld in artikel 8:58 van de Awb, ingediend. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende door de late indiening van het verweerschrift niet in zijn procespositie geschaad. Ter zake van de naheffingsaanslag parkeerbelasting oordeelt het Hof dat ingevolge de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelasting 2015 van de gemeente Eindhoven bij het voldoen van parkeerbelasting via telefonische aanmelding onverkort blijft gelden dat belanghebbende onverwijld na het parkeren uitvoeringshandelingen dient te verrichten om deze belasting te voldoen. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende niet onverwijld na het parkeren is begonnen met het uitvoeren van bedoelde handelingen. Voor zover belanghebbende stelt dat het hem onduidelijk was op welk moment hij de vorenbedoelde uitvoeringshandelingen moest verrichten, verwerpt het Hof dat betoog eveneens. Voorts acht het Hof geen termen aanwezig voor vermindering van de naheffingsaanslag. Gelet op het feit dat belanghebbende in beroep heeft geklaagd over het feit dat de Heffingsambtenaar de dwangsombeschikking niet tijdig heeft gegeven en de Heffingsambtenaar hangende het beroep de dwangsombeschikking heeft gegeven, oordeelt het Hof dat de Rechtbank gebruik had dienen te maken van haar bevoegdheid om de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken voor het beroep. Het hoger beroep is derhalve gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2727
V-N 2018/4.15.5
Viditax (FutD), 16-11-2017
FutD 2017-2919
FutD 2017-2920
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03722

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 2 augustus 2016, nummer SHE 16/310, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is ter zake van parkeren op 24 juni 2015 van het voertuig met het kenteken [kenteken] (hierna: het voertuig) op een parkeerplaats aan de Nachtegaallaan te Eindhoven een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd ten bedrage van € 60,20, bestaande uit € 1,20 aan parkeerbelasting en € 59 aan kosten ter zake van de naheffingsaanslag.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 21 juni 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, mevrouw [B] .

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat - gelijktijdig met deze uitspraak - in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt.

“2.1. Op 24 juni 2015 om 9.19 uur stond eisers voertuig met het kentekennummer [kenteken] geparkeerd op een parkeerplaats aan de Nachtegaallaan te Eindhoven. Deze parkeerplaats is op grond van het Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit Parkeren januari 2015 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven aangewezen als locatie waar tegen betaling mag worden geparkeerd. Een parkeercontroleur van de gemeente Eindhoven heeft op de genoemde datum en omstreeks het genoemde tijdstip geconstateerd dat in het voertuig van eiser geen zichtbaar/leesbaar parkeerbewijs aanwezig was en dat het voertuig niet was aangemeld bij een parkeerprovider. Hij heeft daarop de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.”.

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast (waarbij het Hof de door de Rechtbank gehanteerde nummering vervolgt).

2.2.

Belanghebbende was niet bij het voertuig aanwezig ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag. Belanghebbende heeft het parkeren van het voertuig op voornoemde parkeerplaats op 24 juni 2015 om 9.21 uur aangemeld door middel van de Parkmobile app op zijn telefoon.

2.3.

Belanghebbende heeft op 10 juli 2015 een pro forma bezwaarschrift ingediend tegen de naheffingsaanslag. In dit pro forma bezwaarschrift verzoekt belanghebbende om hem een nadere termijn van vier weken te verlenen voor het aanvullen van de gronden van het bezwaar. De Heffingsambtenaar heeft gereageerd op dit pro forma bezwaarschrift bij geschrift met dagtekening 9 oktober 2015. In die brief is opgenomen dat de Heffingsambtenaar belanghebbende een termijn van vier weken na dagtekening van deze brief verleent om de gronden waarop het bezwaar berust aan te vullen. Belanghebbende heeft de gronden waarop het bezwaar berust, aangevuld bij brief met dagtekening 5 november 2015. Op 31 december 2015 heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar schriftelijk in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. De Heffingsambtenaar heeft op 29 januari 2016 uitspraak op bezwaar gedaan en heeft, nadat belanghebbende op 31 januari 2016 beroep heeft ingesteld, op 14 april 2016 een dwangsombeschikking (hierna: de dwangsombeschikking) gegeven. In de dwangsombeschikking wordt de door de Heffingsambtenaar verschuldigde dwangsom vastgesteld op € 200.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft de Rechtbank het verweerschrift van de Heffingsambtenaar ten onrechte tot de stukken van het geding gerekend?

II. Heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

III. Heeft de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding in de kosten van het geding bij de Rechtbank aan belanghebbende toegekend?

Belanghebbende is van mening dat de eerste en de derde vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het verweerschrift buiten de termijn van artikel 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is ingediend. Belanghebbende verbindt hieraan de conclusie dat de Rechtbank het verweerschrift buiten de stukken van het geding had behoren te laten. De Heffingsambtenaar betoogt dat de Rechtbank, vanwege het betrekkelijk overzichtelijke karakter van het geschil en het feit dat belanghebbende wordt bijgestaan door een professionele gemachtigde, het verweerschrift ondanks de te late indiening terecht tot de stukken van het geding heeft gerekend.

4.2.

Het bedoelde verweerschrift is buiten de daarvoor geldende termijn ingediend. Ingevolge artikel 8:58 van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Het verweerschrift in beroep is op 14 juli 2016 ontvangen door de Rechtbank. De zitting bij de Rechtbank heeft plaatsgevonden op 26 juli 2016. Het verweerschrift in beroep is derhalve binnen deze termijn ingediend en de Rechtbank mocht dat stuk als nader stuk in beginsel tot de stukken van het geding rekenen, ondanks het feit dat het buiten de verweertermijn was ingediend. Dat zou anders zijn indien zulks zou leiden tot schending van de beginselen van een goede procesorde. Het Hof is van oordeel dat een zodanige schending zich in dit geval niet heeft voorgedaan. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende, die wordt bijgestaan door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener, door de late indiening van het verweerschrift niet in zijn procespositie is geschaad. Het gelijk ten aanzien van het onderhavige geschilpunt is aan de Heffingsambtenaar.

Vraag II

4.3.

De Rechtbank heeft de volgende overwegingen aan de ongegrondverklaring van het beroep ten grondslag gelegd:

“4. Volgens vaste rechtspraak moeten onverwijld de handelingen worden verricht die noodzakelijk zijn om de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. Ook bij het voldoen van de parkeerbelasting via (telefonische) aanmelding bij een parkeerprovider blijft onverkort gelden dat degene die parkeert onmiddellijk uitvoeringshandelingen moet verrichten om de belasting te voldoen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 7 december 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BU9232).

5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser zijn voertuig om 9.21 uur heeft aangemeld bij Parkmobile. De naheffingsaanslag is om 9.19 uur aan eiser opgelegd. Reeds gelet op deze tijdspanne van twee minuten is niet aannemelijk dat eiser onverwijld en ononderbroken handelingen heeft verricht die zijn gericht op het betalen van parkeerbelasting. Bovendien heeft verweerder met zijn toelichting in het verweerschrift voldoende aannemelijk gemaakt dat een parkeercontroleur ongeveer drie minuten nodig heeft om de benodigde handelingen voor het opleggen van een naheffingsaanslag conform de werkafspraken te verrichten. Zo heeft de parkeercontroleur foto’s gemaakt van het voertuig ten tijde van de controle en is het zogenoemde ‘lynxx-systeem’ geraadpleegd op aanmelding van het voertuig bij een parkeerprovider. Dat betekent in dit geval dat de parkeercontroleur reeds (drie minuten) vóór 9.19 uur aanwezig was bij het voertuig om de benodigde handelingen te verrichten. Met het aanmelden van het voertuig om 9.21 uur heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij onmiddellijk uitvoeringshandelingen heeft verricht om de belasting te voldoen.

6. Uit de door verweerder overgelegde afdruk van dit systeem blijkt dat ‘Eindhoven Handhaving’ om 9:18:42 heeft gecontroleerd of er een geldig parkeerrecht was, met andere woorden of eiser (telefonisch) was aangemeld bij een parkeerprovider. Uit dezelfde afdruk blijkt dat eiser zijn voertuig om 9:21:04 heeft aangemeld. Hieruit blijkt dat de afronding in minuten niet ten nadele van eiser is geweest. Daarnaast heeft verweerder in het verweerschrift voldoende gemotiveerd toegelicht dat de tijdsregistratie op de handhelds van de parkeercontroleurs dagelijks wordt gecontroleerd en indien nodig gecorrigeerd, evenals de tijd geregistreerd in het systeem en de computers waarop de parkeerrechten worden opgeslagen. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiser voert aan dat hij op de bewuste dag aan zijn verplichting tot het betalen van parkeerbelasting heeft voldaan. Hij heeft een bedrag van € 4,50 aan parkeerbelasting voldaan, wat het dagtarief is. De aanmelding bij Parkmobile is slechts enkele minuten na het parkeren geschied. Ter onderbouwing van zijn beroepsgrond verwijst eiser naar twee uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam (18 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2495 en 5 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4471). Uit deze uitspraken blijkt volgens eiser dat indien betaling van parkeerbelasting heeft plaatsgevonden, niet mag worden nageheven.

8. Op grond van artikel 6, eerste lid, van het bepaalde in de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2015 van de gemeente Eindhoven (Verordening) wordt de parkeerbelasting geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van het door het college gestelde voorschriften. Op grond van lid 3 van dit artikel moet de parkeerbelasting worden betaald bij de aanvang van het parkeren. Vaststaat dat eiser de parkeerbelasting niet bij de aanvang van het parkeren, nadat hem daartoe een redelijke tijd is gegund, heeft betaald. Het feit dat eiser nadien voor de hele dag het parkeergeld heeft betaald, betekent niet dat eiser heeft voldaan aan het betalen van parkeerbelasting zoals is voorgeschreven in de Verordening.

9. De uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam waarnaar eiser verwijst, zien op een andere situatie dan hier aan de orde. In die uitspraken is geoordeeld dat bij het invoeren van een ander kenteken dan dat van het geparkeerde voertuig, toch sprake is van het voldoen op aangifte van de belasting voor dit parkeren. Geen sprake was van een situatie dat de parkeerbelasting niet bij aanvang van het parkeren was voldaan.

10. De beroepsgrond slaagt dus niet.”.

4.4.

Voor zover het hoger beroep een herhaling betreft van de in beroep aangevoerde gronden, verwerpt het Hof het hoger beroep onder verwijzing naar de door de Rechtbank gebezigde gronden. Het Hof maakt voornoemde overweging van de Rechtbank tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het Hof als volgt.

4.5.

Belanghebbende heeft in hoger beroep betoogd dat de Rechtbank, ondanks het feit dat er geen sprake is van op ambtseed opgestelde verklaringen, ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd, geloof heeft gehecht aan de door de Heffingsambtenaar gegeven verklaring met betrekking tot de tijdsduur die gemoeid is met de controle door een parkeercontroleur van een voertuig. Anders dan belanghebbende betoogt, kon de Rechtbank, gelet op de in belastingzaken geldende vrije bewijsleer, geloof hechten aan de bedoelde verklaring, hoewel die niet op ambtseed was opgemaakt. Ook het Hof acht, mede gelet op de bedoelde, geloofwaardig geachte, verklaring van de Heffingsambtenaar, aannemelijk dat de parkeercontroleur voorafgaande aan het opleggen van de naheffingsaanslag op 24 juni 2015 om 9:19 uur al drie minuten ter plaatse was.

4.6.

Belanghebbende stelt voorts, onder verwijzing naar de uitspraak van Hof Den Haag van 9 september 2013, nr. 12/00753, ECLI:NL:GHDGA:2013:4636, dat de tijdsduur van enkele minuten die gemoeid is met aanmelding op de Parkmobile app niet in de weg staat aan de conclusie dat belanghebbende onverwijld en ononderbroken handelingen heeft verricht die zijn gericht op het betalen van parkeerbelasting. Belanghebbende moest onder meer verbinding verkrijgen, inloggen en aanmelden. Al deze handelingen nemen, met name op een tijdstip dat veel gebruik wordt gemaakt van de Parkmobile app, nu eenmaal enkele minuten tijd in beslag en zijn gericht op het betalen van parkeerbelasting, aldus belanghebbende. Het Hof verwerpt dat betoog. Niet in geschil is dat belanghebbende het voertuig geparkeerd heeft op een parkeerplaats aan de Nachtegaallaan te Eindhoven en vervolgens het parkeren van het voertuig door middel van de Parkmobile app heeft aangemeld, al lopende naar zijn plaats van bestemming. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende door deze handelwijze bewust het risico aanvaard dat bij controle van het voertuig zou worden vastgesteld dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan. Ook bij het voldoen van de parkeerbelasting via telefonische aanmelding blijft onverkort gelden dat belanghebbende onverwijld uitvoeringshandelingen dient te verrichten om de belasting te voldoen. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende niet onverwijld na het parkeren is begonnen met het uitvoeren van de bedoelde handelingen.

4.7.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat, bij betaling door middel van de Parkmobile app, ingevolge de Verordening niet vereist is dat onverwijld na het parkeren wordt begonnen met de vorenbedoelde uitvoeringshandelingen. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.8.

In de Verordening is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 1 Parkeerbelastingen.

Onder de naam “parkeerbelastingen” worden de volgende belastingen geheven:

a. een belasting terzake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

b. (…)

Artikel 2 Begripsomschrijvingen.

Voor de toepassing van deze verordening met bijbehorende tarieventabel wordt verstaan onder:

(…)

c. parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, voor het betalen van parkeerbelasting ingerichte mobiele telefoons, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvattingen overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;

(…)

Artikel 3 Belastingplicht.

1. De belasting bedoeld in artikel 1, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

(…)

(…)

Artikel 5 Ontstaan van de belastingschuld.

1. De belasting bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon, of ander communicatiemiddel, of RFID-kaart inloggen op de centrale computer.

2. (…)

Artikel 6 Wijze van heffing en termijn van betaling.

1. De belasting bedoeld in artikel 1, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften.

2. (…)

3. De belasting bedoeld in artikel 1, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.

4. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon of RFID-kaart inloggen op de centrale computer.”.

4.9.

In artikel 5, lid 1, van de Verordening is, voor zover in de onderhavige procedure relevant, opgenomen dat parkeerbelasting is verschuldigd bij aanvang van het parkeren, tenzij het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer. Belanghebbende stelt kennelijk dat hij, gelet op deze bepaling, niet gehouden was onverwijld zorg te dragen voor het bedoelde inloggen via de telefoon op de centrale computer (in casu betreft dat het aanmelden van het parkeren door middel van de Parkmobile app). Deze bepaling uit de Verordening stemt overeen met artikel 6, lid 1, van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgestelde Modelverordening parkeerbelastingen versie 111209 (hierna: de Modelverordening). In de Toelichting op de Modelverordening (Sdu Uitgevers Supplement 39 MGB versie mei 2009) (hierna: de Toelichting) is, voor zover in hoger beroep relevant, ter zake van artikel 6 van de Modelverordening het volgende opgenomen:

“Op het moment dat de parkeerder zijn voertuig parkeert, logt hij met behulp van zijn telefoon in op de centrale computer en geeft hij de code door van het gebied waar het voertuig staat. Op het moment dat hij wegrijdt, meldt hij zich telefonisch af. Omdat bij het betaald parkeren met gebruik van een mobiele telefoon wordt afgerekend over de werkelijk geparkeerde tijd, kan niet worden gesteld dat de belastingschuld ontstaat bij de aanvang van het parkeren. De belastingschuld groeit gedurende het parkeren voortdurend aan. De belasting wordt derhalve ‘in een tijdvak verschuldigd’ in de zin van artikel 19, eerste lid, AWR.”.

4.10.

Gezien de Toelichting, is met het bepaalde in artikel 5, lid 1, van de Verordening tot uitdrukking gebracht dat de parkeerbelasting bij betaling door middel van een telefoon het karakter heeft van een belasting welke ter zake van een tijdvak verschuldigd wordt in de zin van artikel 19, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dat laat echter, gezien diezelfde toelichting en de Verordening overigens, in het bijzonder het bepaalde in artikel 6, lid 1 en 4, van de Verordening, onverlet dat ook indien een belastingplichtige de parkeerbelasting door middel van een telefoon voldoet, onverwijld na het parkeren op een parkeerplaats ter zake waarvan parkeerbelasting dient te worden voldaan, uitvoeringshandelingen moeten worden verricht om de ter zake van het parkeren verschuldigde belasting te voldoen, waarbij deze uitvoeringshandelingen, bij betaling door middel van een telefoon, bestaan uit het, door middel van die telefoon, inloggen op de centrale computer.

4.11.

Gelet op het voorgaande faalt het betoog van belanghebbende dat de Verordening niet vereist dat bij betaling door middel van de Parkmobile app onverwijld na het parkeren wordt begonnen met de vorenbedoelde uitvoeringshandelingen. Voor zover belanghebbende betoogt dat hij precies overeenkomstig de tekst van de Verordening heeft gehandeld, verwerpt het Hof dat betoog onder verwijzing naar het voorgaande.

Voor zover belanghebbende stelt dat het hem onduidelijk was op welk moment hij de vorenbedoelde uitvoeringshandelingen moest verrichten, verwerpt het Hof dat betoog eveneens, aangezien het Hof ongeloofwaardig acht dat bij belanghebbende die onduidelijkheid bestond. Ter zitting van het Hof is immers namens belanghebbende te kennen gegeven dat hij “elke dag netjes de parkeerbelasting betaalt”. In het licht daarvan valt niet anders dan bezwaarlijk in te zien dat bij belanghebbende onduidelijkheid bestond omtrent de wijze waarop de parkeerbelasting moest worden voldaan.

4.12.

De gemachtigde van belanghebbende heeft voorts ter zitting betoogd dat het door belanghebbende, ter zake van het parkeren, op 24 juni 2015 om 9:21 uur voldane bedrag aan parkeerbelasting ten bedrage van € 4,50 in mindering dient te komen op de naheffingsaanslag, althans dat in ieder geval het nageheven bedrag aan parkeerbelasting van € 1,20 dient te vervallen. Naar het oordeel van het Hof faalt dit betoog omdat belanghebbende de parkeerbelasting niet reeds bij het opleggen van de naheffingsaanslag had betaald. Zijn latere betaling kan niet als een rechtsgeldige voldoening van parkeerbelasting worden aangemerkt. Gelet daarop, alsmede op de toepasselijke regelgeving, acht het Hof geen termen aanwezig voor enige vermindering van de naheffingsaanslag.

4.13.

Gezien het vorenoverwogene is de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd.

Vraag III

4.14.

Belanghebbende betoogt dat de Rechtbank het beroep gegrond had moeten verklaren en een kostenvergoeding voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank aan belanghebbende had moeten doen toekomen. Hiertoe stelt belanghebbende dat de Heffingsambtenaar gedeeltelijk aan belanghebbendes beroep is tegemoetgekomen door hangende het beroep, doch buiten de termijn van artikel 4:18 van de Awb, de dwangsombeschikking te geven.

4.15.

Het Hof stelt vast dat de Heffingsambtenaar de dwangsombeschikking niet tijdig heeft gegeven, dat belanghebbende daarover in beroep heeft geklaagd en dat de Heffingsambtenaar de dwangsombeschikking nadien alsnog heeft gegeven. Ook als een belanghebbende, zoals in het onderhavige geval, in het geheel niet klaagt over de inhoud van de dwangsombeschikking, maar wel over de ontijdigheid daarvan, behoort een rechtbank bij een hangende het beroep gegeven dwangsombeschikking in beginsel gebruik te maken van haar bevoegdheid om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende redelijkerwijs moest maken voor het beroep tegen - onder meer - het uitblijven van de dwangsombeschikking (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 6 januari 2017, nr. 16/02740, ECLI:NL:HR:2017:1). Belanghebbendes grief is derhalve terecht voorgesteld.

Slotsom

4.16.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Het Hof zal het beroep gegrond verklaren, gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht vergoedt en de Heffingsambtenaar veroordelen in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende. De uitspraak van de Heffingsambtenaar blijft evenwel in stand.

Ten aanzien van het griffierecht

4.17.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 respectievelijk € 124 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.18.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.19.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het beroep bij de Rechtbank op 1 (punt) x € 495 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 247,50. Voor het hoger beroep bij het Hof stelt het Hof deze tegemoetkoming op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 495.

4.20.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 170 vergoedt;

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 742,50.

Aldus gedaan op 3 november 2017 door P.C. van der Vegt, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.