Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4747

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
16-00388 en 16-00389
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2446, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:852, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vereiste aangiften niet gedaan. Bewijslast wordt verzwaard. Inkoopkosten ossenhaas zijn terecht gecorrigeerd en de vergrijpboetes zijn terecht opgelegd. Het Hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoogte van de boetes zoals die door de Rechtbank zijn vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2689
Viditax (FutD), 15-11-2017
FutD 2017-2905
Viditax (FutD), 08-06-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00388 en 16/00389

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidenteel hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 22 april 2016, nummers BRE 15/246 en 15/247, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde navorderingsaanslagen, bestuurlijke boeten en heffingsrentebeschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] H.77 over het jaar 2007 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 176.697. Gelijktijdig is bij beschikking een boete van € 33.874 opgelegd en een bedrag van € 14.707 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 110.766, de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de boetebeschikking verminderd tot een bedrag van € 16.732.

1.1.2.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] H.87 over het jaar 2008 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.218. Gelijktijdig is bij beschikking een boete van € 7.434 opgelegd en een bedrag van € 2.458 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.628, de heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en de boetebeschikking verminderd tot een bedrag van € 3.381.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van twee maal € 45, is, in totaal, € 90. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd voor zover die betrekking hebben op de boetebeschikkingen, de boetebeschikking met betrekking tot het jaar 2007 verminderd tot een bedrag van € 13.511, de boetebeschikking met betrekking tot het jaar 2008 verminderd tot een bedrag van € 2.730, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de geleden immateriële schade ten bedrage van € 500, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.240 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 juni 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbendes partner de heer [A] en belanghebbendes gemachtigde de heer [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C] en mevrouw [D] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft in 2007 en 2008 – in de vorm van een eenmanszaak – een groothandel in vers en diepgevroren vlees geëxploiteerd. De handelsnaam van de onderneming is [E] .

2.2.

Belanghebbende heeft volgens haar administratie in 2007 10.748,20 kilo en in 2008 2126,40 kilo ossenhaas ingekocht bij [F] Vleeshandel ( [F] ). Tot de administratie behoren facturen die hierop betrekking hebben (hierna: de [F] -facturen). Volgens de [F] -facturen heeft belanghebbende in 2007 een prijs variërend tussen € 11,25 en € 12,50 per kilo voor de ossenhaas betaald.

2.3.

Belanghebbende heeft bij het doen van de aangiften IB/PVV 2007 en 2008 de op de [F] -facturen vermelde inkoopkosten ossenhaas in aanmerking genomen. Voor het jaar 2007 gaat het om een bedrag van € 124.398 exclusief btw (€ 131.862 inclusief btw) en voor 2008 om een bedrag van € 34.645 exclusief btw (€ 36.724 inclusief btw).

2.4.

De Inspecteur heeft met dagtekening 18 december 2009 (2007) respectievelijk 5 juni 2010 (2008) aanslagen IB/PVV opgelegd conform de aangiften.

2.5.

Bij brief van 31 mei 2012 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd dat op 4 juni 2012 is aangevangen. Het boekenonderzoek richt zich onder andere op de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV over de jaren 2007 tot en met 2010.

2.6.

De Inspecteur heeft tijdens het boekenonderzoek de [F] -facturen in de administratie van belanghebbende aangetroffen. De Inspecteur heeft op 20 november 2012 een gesprek gehad met belanghebbende, de partner van belanghebbende en de toenmalig gemachtigde van belanghebbende inzake die [F] -facturen. De ambtsedige verklaring van 21 november 2012 vermeldt het volgende over dat gesprek:

“Men weet slechts de voornaam (“ [voornaam] ”) van de eigenaar is van “ [F] Vleeshandel”. Het betreft een man met hartproblemen van ongeveer 80 á 85 jaar oud. Men weet niet waar deze man woont, men is nooit bij hem langs geweest. De heer [A] komt deze man “onderweg” tegen. Dat kan zijn bij een klant, maar ook zag hij [voornaam] wel eens als een aantal vleeshandelaren samen ergens gingen eten. De laatste maanden is er geen contact meer geweest tussen de heer [A] en [voornaam] .

[voornaam] verkoopt altijd restpartijen vlees. De overdracht gebeurt onderweg, ergens op een parkeerplaats worden de dozen van de ene auto in de andere overgeladen. Ook kwam het wel voor dat [voornaam] de partij vlees thuis bij de heer [A] kwam afleveren. Dat gebeurde in een busje zonder reclame-opschriften. De afspraak voor de aflevering wordt steeds tijdens een ontmoeting gemaakt, de heer [A] heeft geen telefoonnummer van [voornaam] . De heer [A] heeft deze partijen vlees altijd te goeder trouw gekocht. De inkoopprijs is lager dan elders, hierdoor maakt hij meer winst en is hij meer belasting verschuldigd. De Belastingdienst kan hiermee toch alleen maar blij zijn?

De heer [A] en [belanghebbende] hebben zich niet afgevraagd of de gegevens zoals die op de factuur vermeld staan wel juist zijn. Dat hebben ze nog nooit gedaan, ook niet bij andere leveranciers. Men is van mening dat zij die onderzoeksplicht niet hebben. Ze werken beiden 7 dagen per week, hun werk bestaat uit “inkopen leveren, inkopen leveren”, en niet uit het controleren of de gegevens van de leveranciers op diens facturen juist zijn.

De gelijkenis van de lay out van de facturen van “ [F] Vleeshandel” met die van “ [E] ” is opvallend te noemen. Dit hebben de heer [A] en [belanghebbende] echter nooit eerder gezien. Een afbeelding van een stierenkop als achtergrond op de factuur van “ [F] Vleeshandel” toont veel gelijkenis met facturen van weer een andere vleeshandelaar. Hiervan weet de heer [A] desgevraagd niets.

Ondanks de hoge factuurbedragen worden alle facturen van “ [F] Vleeshandel” altijd contant betaald. Dat vindt de heer [A] wel zo prettig, hij heeft altijd veel contant geld op zak. Hij heeft daarom ook nooit aan [voornaam] gevraagd om per bank te mogen betalen.

Na telefonisch overleg met collega [G] hebben we de heer [A] en [belanghebbende] in de gelegenheid gesteld om binnen 2 weken, derhalve uiterlijk 4 december, alsnog de volledige naam-, adres- en woonplaatsgegevens van “ [voornaam] ” te overleggen. Indien men hiervan geen gebruik maakt, zullen alle facturen van “ [F] Vleeshandel” worden geweigerd als inkoop en zal de omzetbelasting die als voorbelasting in mindering werd gebracht, worden nageheven.”.

2.7.

De Inspecteur heeft ter zake van de [F] -facturen bij brief van 27 maart 2013 aan belanghebbende onder andere het volgende opgemerkt:

“- Het op de factuur vermelde KvK nr. (…) komt niet voor in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Ook de naam [F] Vleeshandel komt niet voor in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

- Het op de factuur vermelde bankrekeningnummer RABO: (…) bestaat niet.

- De Rabobank zegt (telefonische informatie: (…)) het bankrekeningnummer niet te kennen en het nummer ook in het verleden niet te hebben gebruikt.

- Het op de factuur vermelde telefoonnummer (…) is niet in gebruik.

- Op de facturen komt geen BTW-nummer van [F] Vleeshandel voor.

- [F] Vleeshandel komt in de gemeentelijke administratie niet voor op het adres [adres] 38 te [postcode 1] [plaats] ; ook niet in het verleden. Bovendien is de postcode van dit adres [postcode 2] i.p.v. [postcode 1] .

- Op het adres [adres] 38 te [postcode 2] [plaats] is een geheel andere onderneming gevestigd die geen levering aan [E] heeft gedaan.

- De op de factuur van [F] voorkomende blauwe/rode rand komt tevens voor op de verkoopfacturen van [E] in de kleur zwart/bruin.

- In het jaar 2011 is de kasboeking op 18 augustus ten bedrage van € 10.646,74 niet in overeenstemming met het factuurbedrag ad € 10.707,59. Het op 14 juli 2011 in het kasboek vermelde factuurbedrag is € 10.107,59.

- De op de factuur van [F] Vleeshandel voorkomende [afbeelding] (rechtsonder) komt voor op inkoopfacturen van [H] bv.; waar [E] ook vlees heeft ingekocht.

(…)”.

2.8.

De Inspecteur heeft bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen de inkoopkosten ossenhaas gecorrigeerd met € 131.862 (2007) respectievelijk € 34.645 (2008).

2.9.

In de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur alsnog 50% van de onder 2.8 vermelde inkoopkosten in aftrek toegestaan, omdat tussen partijen niet langer in geschil is dat de op de [F] -facturen vermelde hoeveelheden ossenhaas door belanghebbende zijn gekocht. De heffingsrentebeschikkingen en de boetebeschikkingen zijn dienovereenkomstig verminderd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I: Heeft belanghebbende de vereiste aangiften IB/PVV 2007 en 2008 gedaan en leidt zulks tot omkering en verzwaring van de bewijslast?

II: Tot welk bedrag heeft belanghebbende recht op aftrek ter zake van de door haar bij [F] ingekochte ossenhaas?

III: Zijn de bestuurlijke boeten terecht en – na matiging door de Rechtbank – tot de juiste bedragen opgelegd?

IV: Heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?

Ten aanzien van de eerste vraag is belanghebbende de opvatting toegedaan dat hij de vereiste aangifte heeft gedaan, zodat verzwaring van de bewijslast niet aan de orde is. Ten aanzien van de tweede vraag stelt belanghebbende dat de in de aangiften IB/PVV 2007 en 2008 genoemde bedragen aan inkoopkosten ossenhaas juist zijn. Belanghebbende is van mening dat de derde vraag ontkennend en de vierde vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is ten aanzien van de eerste en vierde vraag de tegenovergestelde opvatting toegedaan. De Inspecteur stelt ten aanzien van de tweede vraag dat voor het bedrag aan inkoopkosten ossenhaas moet worden uitgegaan van 50% van € 131.862 (2007) respectievelijk 50% van € 34.645 (2008). Ten aanzien van de derde vraag stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat de boetebeschikkingen terecht zijn afgegeven, maar dat deze door de Rechtbank te veel zijn gematigd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Partijen hebben hier ter zitting het volgende aan toegevoegd:

Belanghebbende

- Ik ben het niet eens met de stelling van de Inspecteur dat een groot deel van de termijnoverschrijding aan belanghebbende valt toe te rekenen.

- Er is meer correspondentie geweest dan door de Inspecteur is overgelegd. Er is in maart 2013 nog overleg geweest met de Inspecteur.

- Er zijn verschillende soorten vlees ingekocht. Het was een hele klus om alles uit te zoeken.

- Indien het Hof van oordeel is dat er sprake is van een niet-reguliere transactie stel ik mij op het standpunt dat voor wat betreft de inkoopkosten moet worden uitgegaan van een bedrag van 75% van de op de facturen vermelde inkoopkosten. Anders zou de handel voor de verkoper niet interessant zijn.

Inspecteur

- Ik kan instemmen met de matiging van de boete van 5% die door de Rechtbank is toegepast, omdat de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan met toepassing van verzwaring van de bewijslast.

- Ik stel mij primair op het standpunt dat de bewijslast moet worden verzwaard, omdat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan. Ik stel mij subsidiair op het standpunt dat belanghebbende de door haar in aanmerking genomen inkoopkosten ossenhaas niet aannemelijk heeft gemaakt.

3.3.

Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de navorderingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de heffingsrentebeschikkingen en subsidiair tot matiging van voornoemde aanslagen en beschikkingen. De Inspecteur concludeert tot matiging van de opgelegde boeten met, in totaal, 15% (10% wegens overschrijding van de redelijke termijn en 5% in verband met de verzwaring van de bewijslast) en voor het overige tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de op de [F] -facturen vermelde hoeveelheden ossenhaas heeft gekocht. De door de Rechtbank toegepaste matiging van de boetebeschikkingen met 5%, omdat de belastinggrondslag met toepassing van verzwaring van de bewijslast is berekend, is evenmin in geschil.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1.

Op grond van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) wordt – indien de vereiste aangifte niet is gedaan – het beroep ongegrond verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Dit betekent dat op belanghebbende de verzwaarde bewijslast rust (overtuigend aantonen) dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.2.

Zowel voor 2007 als voor 2008 geldt dat van het niet doen van de vereiste aangifte alleen sprake kan zijn indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel verhoudingsgewijs als op zichzelf beschouwd aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden in dit verband slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De stelplicht en de bewijslast hiervan rust op de Inspecteur. Ook het opvoeren van een aftrekpost waarop geen of slechts gedeeltelijk recht bestaat, kan meebrengen dat – dan wel kan bijdragen tot het oordeel dat – de vereiste aangifte niet is gedaan. Bij deze beoordeling dient de aangifte als geheel in aanmerking te worden genomen. Daarbij past het niet om onderscheid te maken tussen positieve en negatieve bestanddelen van de belastinggrondslag (zie Hoge Raad 30 oktober 2009, nr. 07/10514, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

4.3.

Gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval is het Hof van oordeel dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van facturen die niet met de werkelijkheid overeenstemmen, in die zin dat de bedragen die aan [voornaam] zouden zijn betaald niet geheel als inkoopkosten zijn te beschouwen, waarbij het aannemelijk is dat belanghebbende zich daar ook van bewust is geweest. Voor dit oordeel acht het Hof het navolgende van belang. Zoals beschreven in onderdeel 2.7 bevatten de in geschil zijnde facturen vele gebreken die door belanghebbende niet worden ontkend. Met de Rechtbank is het Hof voorts van oordeel dat de onder 2.6 vermelde verklaringen van belanghebbende en haar partner en de nadien door hen afgelegde verklaringen omtrent (i) de plaats van de transacties (onder andere langs de openbare weg), (ii) de wijze waarop afspraken werden gemaakt met “ [voornaam] ” en (iii) de contante betalingen, ongeloofwaardig zijn. Voornoemde verklaringen worden ook niet ondersteund door objectief verifieerbare gegevens. Het Hof is van oordeel dat voor een deel van de facturen – de Inspecteur meent voor 50% procent daarvan - er geen sprake is van inkoopkosten. Belanghebbende heeft zich in dat geval op het standpunt gesteld dat dient te worden uitgegaan van een bedrag aan inkoopkosten ossenhaas ter hoogte van 75% van de op de [F] -facturen vermelde inkoopkosten.

4.4.0.

Uitgaande van de hiervoor genoemde situatie waarbij 75% van de op de [F] -facturen vermelde inkoopkosten in aanmerking wordt genomen, overweegt het Hof het volgende.

4.4.1.

Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2007 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.835 (belastbare winst uit onderneming van € 47.321 verminderd met de negatieve inkomsten uit eigen woning van € 2.486). De op grond van deze aangifte verschuldigde belasting bedraagt € 13.711. Rekening houdende met een correctie van 25% van de inkoopkosten van € 131.862 bedraagt het belastbare inkomen uit werk en woning € 77.800 en het bedrag aan te betalen belasting € 30.034. Het volgens de aangifte te betalen bedrag aan belasting wijkt op zichzelf beschouwd (€ 16.323) en verhoudingsgewijs (46%) aanzienlijk af van de werkelijk verschuldigde belasting. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende zich hiervan bewust was ten tijde van het doen van aangifte. Belanghebbende heeft bij het doen van aangifte gebruik gemaakt van vervalste inkoopfacturen en is naar het oordeel van het Hof of betrokken geweest bij het opmaken daarvan of heeft daarvan gebruik gemaakt wetende dat deze door derden valselijk zijn opgemaakt.

4.4.2.

Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2008 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.661 (belastbare winst uit onderneming van € 46.629 verminderd met de negatieve inkomsten uit eigen woning van € 2.968). De op grond van deze aangifte verschuldigde belasting bedraagt € 13.209. Rekening houdende met een correctie van 25% van de inkoopkosten van € 34.645 bedraagt het belastbare inkomen uit werk en woning € 51.301 en het bedrag aan te betalen belasting € 16.419. Het volgens de aangifte te betalen bedrag aan belasting wijkt op zichzelf beschouwd (€ 3.210) en verhoudingsgewijs (19,55%) aanzienlijk af van de werkelijk verschuldigde belasting. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende zich hiervan bewust was ten tijde van het doen van aangifte. Belanghebbende heeft bij het doen van aangifte gebruik gemaakt van vervalste inkoopfacturen en is naar het oordeel van het Hof of betrokken geweest bij het opmaken daarvan of heeft daarvan gebruik gemaakt wetende dat deze door derden valselijk zijn opgemaakt.

4.5.

Gelet op het vorenoverwogene heeft belanghebbende voor de onderhavige jaren niet de vereiste aangifte gedaan.

Vraag II

4.6.

Aangezien belanghebbende voor de onderhavige jaren niet de vereiste aangifte heeft gedaan en het Hof, gelet op hetgeen in onderdeel 4.3 is overwogen, aannemelijk acht dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven, wordt de reeds op belanghebbende rustende bewijslast ten aanzien van de inkoopkosten ossenhaas verzwaard. Op belanghebbende rust de last overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Hier is belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet in geslaagd. De verklaringen van belanghebbende en haar partner en de verwijzing naar de [F] -facturen acht het Hof onvoldoende overtuigend, gelet op het onder 4.3 overwogene.

4.7.

Het onder 4.6 vermelde neemt niet weg dat de navorderingsaanslagen niet naar willekeur mogen zijn vastgesteld en dienen te berusten op een redelijke schatting. Rekening houdende met het aantal kilo’s ingekochte ossenhaas, wat tussen partijen niet in geschil is, acht het Hof de door de Inspecteur in aftrek toegestane inkoopkosten redelijk. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden dat de op de [F] -facturen vermelde inkoopkosten overeenkomen met de reguliere inkoopprijzen voor ossenhaas en dat het bij vleestransacties gaat om winstmarges van enkele procenten (dubbeltjes-en-kwartjes-werk) maken dit niet anders. In het onderhavige geval is er geen sprake van reguliere transacties, waardoor de marges veel hoger (kunnen) zijn dan enkele procenten. Aan de prijzen die op de [F] -facturen staan vermeld, kan geen waarde worden toegekend, omdat deze facturen zijn vervalst.

Vraag III

4.8.

Met toepassing van artikel 67e van de Awr heeft de Inspecteur vergrijpboeten opgelegd van 50%. De vergrijpboeten bedragen, na vermindering in de uitspraken op bezwaar, € 16.732 (2007) respectievelijk € 3.381 (2008). Artikel 67e, van de Awr luidt – voor zover van belang - als volgt.

“1. Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag, een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.

2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door:

a. het bedrag van de navorderingsaanslag, (…)”.

4.9.

Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Hiervan is sprake indien willens en wetens de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting is geheven of kan worden geheven dan wel dat belasting niet of niet binnen de termijn is betaald. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, door uit te gaan van de gegevens op de vervalste [F] -facturen, willens en wetens de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de primitieve aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld.

4.10.

De Rechtbank heeft de boetebeschikkingen gematigd met 5% in verband met de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan. Tussen partijen is deze matiging van 5% niet in geschil, zodat het Hof partijen op dit punt volgt. De opgelegde boeten zijn door de Rechtbank nog verder gematigd met 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Rechtbank heeft hierover het volgende overwogen:

“4.2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat 20 november 2012 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn voor de boete. De rechtbank doet uitspraak op 28 april 2016, derhalve drie jaar en 6 maanden later. Hiermee is de redelijke termijn van twee jaar overschreden met 18 maanden (undue delay; vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). De rechtbank ziet in hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd geen reden om een deel van de overschrijding aan belanghebbende toe te rekenen. Gelet hierop zullen de boetes verder worden gematigd met 15%.”.

4.11.

De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld, omdat, aldus de Inspecteur, een deel van de termijnoverschrijding aan belanghebbende moet worden toegerekend. De Inspecteur stelt zich derhalve op het standpunt dat de boetebeschikkingen met 10% gematigd moeten worden wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Inspecteur heeft hiertoe het volgende aangevoerd:

“De rechtbank heeft de boeten wegens undue delay gematigd met 15%. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar met achttien maanden is overschreden. Ik ben het echter niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de hele termijnoverschrijding aan de Inspecteur is toe te rekenen. Toetsend aan de richtlijnen die de Hoge Raad in het arrest van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, heeft gegeven ben ik van mening dat aan belanghebbende de onderstaande vertraging toegerekend moeten worden:

in de aanslagregelende fase: de vertraging tussen de brief van de gemachtigde van 30 november 2012 (…) en de brief van de gemachtigde van 22 oktober 2013 (…);

in de bezwaarfase: de vertraging tussen de brief van de Inspecteur van 20 februari 2014 (…) en 1 juni 2014 (…).

Aldus is in totaal één jaar vertraging (51 weken) aan belanghebbende toe te rekenen.”.

4.12.

Ten aanzien van de door de Rechtbank toegepaste matiging van 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn stelt het Hof het volgende voorop. Bij de matiging van een boete wegens overschrijding van de redelijke termijn gaat het Hof uit van de uitgangspunten als vermeld in de uitspraak van Hof Amsterdam van 2 juli 2009, nr. 04/03329, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298. De door de Rechtbank toegepaste matiging is in lijn met voornoemde uitgangspunten. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of er sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, waardoor een deel van de vertraging aan belanghebbende moet worden toegerekend.

4.13.

De Inspecteur heeft weliswaar aangevoerd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, maar heeft niet verduidelijkt van welke bijzondere omstandigheden sprake is. Naar het Hof begrijpt uit de brieven waarnaar de Inspecteur verwijst, heeft belanghebbende diverse keren om uitstel gevraagd (voor het aanleveren van benodigde gegevens). Evenmin is duidelijk welke termijn volgens de Inspecteur buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vaststelling van de termijnoverschrijding. De Inspecteur spreekt afwisselend over de periode van 30 november 2012 tot 22 oktober 2013 en de periode van 20 februari 2014 tot 1 juni 2014 respectievelijk een termijn van 51 weken. Wat daar ook van zij, het Hof ziet geen aanleiding om enig deel van de termijnoverschrijding aan belanghebbende toe te rekenen. Zo heeft belanghebbende onweersproken gesteld dat de Inspecteur niet alle correspondentie heeft overgelegd die inzicht geeft in het procesverloop en dat er in maart 2013 nog overleg, althans een gesprek met de Inspecteur, heeft plaatsgevonden. Dat belanghebbende meerdere malen heeft gevraagd om uitstel voor een reactie op een brief van de Inspecteur, brengt niet zonder meer met zich dat de vertraging die daardoor ontstaat aan belanghebbende moet worden toegerekend. Het Hof acht de hoogte van de boeten zoals die door de Rechtbank is vastgesteld, passend en geboden. Voor een verdere matiging, zoals belanghebbende bepleit, ziet het Hof geen aanleiding.

Vraag IV

4.14.

Op grond van vaste jurisprudentie heeft voor de berechting van de zaak in hoger beroep als uitgangspunt te gelden dat het Hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld (vergelijk Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252). Belanghebbende heeft bij schrijven van 18 mei 2016, bij de griffie van het Hof op dezelfde datum ingekomen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof heeft heden, 3 november 2017, uitspraak gedaan. Dit betekent dat de hiervoor - als uitgangspunt - genoemde redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep niet is overschreden. Voor de overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van het bezwaar en beroep is reeds door de Rechtbank een immateriële schadevergoeding toegekend. Vraag IV moet ontkennend worden beantwoord.

De heffingsrentebeschikkingen

4.15.

Belanghebbendes hoger beroep wordt geacht tevens te zijn gericht tegen de heffingsrentebeschikkingen. Aangezien belanghebbende geen concrete grieven tegen de heffingsrentebeschikkingen heeft ingebracht en het Hof ook niet is gebleken dat die beschikkingen onjuist zouden zijn vastgesteld, is het hoger beroep tegen de heffingsrentebeschikkingen ongegrond.

Slotsom

4.16.

De slotsom is dat de uitspraak van de Rechtbank bevestigd dient te worden. Zowel het hoger beroep als het incidentele hoger beroep is tevergeefs ingesteld.

Ten aanzien van het griffierecht

4.17.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.18.

Nu het door de Inspecteur ingestelde incidentele hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het incidentele hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken (vgl. Hoge Raad 13 augustus 2010, nr. 09/00019, ECLI:NL:HR:2010:BN3847 en Hoge Raad 2 maart 2012, nr. 11/03684, ECLI:NL:HR:2012:BV7395).

4.19.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 punten (verweerschrift in incidenteel hoger beroep en het verschijnen ter zitting) x € 495 x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 990.

4.20.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op, in totaal, € 990.

Aldus gedaan op 3 november 2017 door M. Harthoorn, voorzitter, A.J. Kromhout en M.B.A. van Hout, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.