Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4745

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
200.200.432_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:3025
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

40,2 kg vuurwerk in woning. Overtreding Vuurwerkbesluit. Tekortkoming huurder, 7:213 BW? Gevaarzetting?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 213
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-Hertogenbosch

Afdeling civiel recht

Zaaknummer: 200.200.432/01

arrest van 31 oktober 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. A.P.M.A. Laeyendecker te Oss ,

tegen:

Stichting [Stichting] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E. Fotowatkasb te ’s-Hertogenbosch,

als vervolg op het tussenarrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 maart 2017 in het hoger beroep van [appellant] van het door de rechtbank Oost-Brant, zittingslocatie ‘s- Hertogenbosch onder nummer 4879930 \ CV EXPL 16-2206 tussen partijen gewezen vonnis van 1 september 2016 (hierna: het vonnis).

5 Het tussenarrest van 7 maart 2017

Bij genoemd arrest is het verzoek van [appellant] tot het houden van een comparitie van partijen gehonoreerd, bepaald dat de comparitie gehouden zou worden op 29 mei 2017 en iedere verdere beslissing aangehouden.

6 Het verdere verloop van de procedure

6.1

De comparitie van partijen is gehouden op 29 mei 2017. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. Ter zitting werd de zaak verwezen naar de rol van 27 juni 2017 voor akten uitlating voortprocederen en overlegging van stukken aan de zijde van [appellant] . Aan [geïntimeerde] werd akte verleend van de door haar voorafgaand aan de comparitie van partijen overgelegde twee producties.

6.2

Op 27 juni 2017 hebben beide partijen van akte gediend, [appellant] onder overlegging van stukken. [geïntimeerde] heeft verzocht op de door [appellant] in het geding gebrachte stukken bij akte te mogen reageren, welk verzoek door de rolrechter is gehonoreerd.

6.3

[geïntimeerde] heeft vervolgens van antwoordakte gediend.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

7 De beoordeling

7.1

Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rov. 2 van het vonnis zijn geen grieven gericht. Ook het hof gaat derhalve uit van die feiten. Daarnaast stelt het hof een aantal andere feiten vast.

7.2

[appellant] huurt van [geïntimeerde] de woning aan de [adres] te [plaats] . De huur bedraagt € 597,00 per maand.

7.3

Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene voorwaarden Zelfstandige woonruimte. De algemene voorwaarden houden onder meer het volgende in

Artikel 6

a. Huurder zal het gehuurde als een goed huurder en overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming van woonruimte gebruiken en deze bestemming niet wijzigen;

(…)

d. Het is de huurder niet toegestaan om in het gehuurde hard- of softdrugs of andere genotsmiddelen te verhandelen of te produceren, waaronder het telen van hennepplanten (…)”

7.4

Op 6 december 2015 heeft de politie een inval gedaan in de woning van [appellant] . Zij trof daarbij 134 hennepstekken aan, alsmede benodigdheden om een professionele hennepkwekerij in te richten. Daarnaast heeft de politie 40,2 kilo vuurwerk aangetroffen achter een gordijn in een “soort van kledingkast” in een slaapkamer van de woning.

7.5

De Kennisgeving van inbeslagneming Politie Eenheid Oost-Brabant, Districht ’s-Hertogenbosch houdt met betrekking tot het inbeslaggenomen vuurwerk o.m. het volgende in:

Volgnummer 1

Categorie omschrijving : Wapens/munitie/springstof

Object : Vuurwerk (1.lg Explosief)

Aantal/eenheid : 4 Stuks

Merk/type : Vuurpijl

Land : Nederland

Bijzonderheden : Assorted rocket

Volgnummer 2

Categorie omschrijving : Wapens/munitie/springstof

Object : Vuurwerk (1.lg Explosief)

Aantal/eenheid : 5 Stuks

Merk/type : Vuurpijlen

Land : Nederland

Bijzonderheden : Supel ball rocket 3 grote en 2 kleine pijlen

Volgnummer 3

Categorie omschrijving : Wapens/munitie/springstof

Object : Vuurwerk (1.lg Explosief)

Aantal/eenheid : 4 Stuks

Merk/type : Fantastic Four

Land : Nederland

Bijzonderheden : 25 schoten

Volgnummer 4

Categorie omschrijving : Wapens/munitie/springstof

Object : Vuurwerk (1.lg Explosief)

Land : Nederland

Bijzonderheden : Kleine rol

Volgnummer 5

Categorie omschrijving : Wapens/munitie/springstof

Object : Vuurwerk (1.4g Cons Vuurw)

Merk/type : Hexagon

Land : Nederland

Bijzonderheden : 10 kg artikel nummer 2534

Volgnummer 6

Categorie omschrijving : Wapens/munitie/springstof

Object : Vuurwerk (1.4g Cons Vuurw)

Aantal/eenheid : 1 St

Land : Nederland

Bijzonderheden : Doos 5 kg

Volgnummer 7

Categorie omschrijving : Wapens/munitie/springstof

Object : Vuurwerk (1.lg Explosief)

Merk/type : Celebration Cra

Land : Nederland

Bijzonderheden : Celebration cracker 15 kg

Volgnummer 8

Categorie omschrijving : Wapens/munitie/springstof

Object : Vuurwerk (1.lg Explosief)

Aantal/eenheid : 1 Stuks

Land : Nederland

Bijzonderheden : Celebration cracker 9 kg

7.6

Het proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk van 4 januari 2016 houdt onder meer het volgende in:

“Op 15 december 2015 is door mij, [senior inspecteur tevens algemeen opsporingsambtenaar] , werkzaam als senior inspecteur bij de Inlichtingen en Opsporingsdienst van Inspectie Leefomgeving en Transport, tevens algemeen opsporingsambtenaar, behorende tot het Team Centraal Onderzoek Vuurwerk (COV), het in beslag genomen vuurwerk als materie deskundige op uiterlijke kenmerken onderzocht.

(…)

In dit proces-verbaal gebruikte begrippen zijn gelijk aan de begrippen zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit en/of regelingen bij of krachtens het Vuurwerkbesluit (hof: hierna Vwb).

Het onderzochte vuurwerk is door mij ingedeeld in de lijsten I t/m IV conform de Richtlijn Voor Strafvordering Vuurwerkdelicten.

De resultaten daarvan vermeldde ik, in onderstaande tabel.

(…)

Ik zag dat de partij bestond uit verschillende artikelen, namelijk verschillende Chinese rollen,

vuurpijlen en cakes (flowerbed).

Ik verbalisant zag dat de drie verschillende types Chinese rollen nadat ik deze uit de verpakking had gehaald in enige mate grijs poeder lekten. Ik herkende dit poeder als zijnde flitspoeder, zijnde een krachtiger knallading dan zwart buskruit. In Nederland zijn Chinese rollen met uitsluitende zwart buskruit voor de consument toegestaan (Knalstrengen volgens bijlage 1 van de Regeling aanwijzing consumenten en theatervuurwerk).

Ik verbalisant zag dat de vuurpijlen waren voorzien van een opgave van de hoeveelheid lading. Ik zag dat de lading varieerde van 40,18 gram (2 stuks), 60,18 gram (3 stuks) en 75 gram (4 stuks).

In Nederland zijn vuurpijlen voor de consument toegestaan met maximaal 40 gram aan lading (Vuurpijlen volgens bijlage 1 van de Regeling aanwijzing consumenten en theatervuurwerk).

De Chinese rollen en vuurpijlen zijn door mij ingedeeld in lijst II omdat deze in Nederland niet zijn toegestaan voor de consument.”

7.6

Op 2 juli 2014 had de politie ook benodigdheden voor een hennepkwekerij in de woning aangetroffen. Toen had [geïntimeerde] aangegeven dat zij het niet accepteert als de woning wordt gebruikt voor het telen van hennep.

7.7

Op 3 februari 2016 heeft [geïntimeerde] [appellant] in de gelegenheid gesteld de huurovereenkomst tussen partijen zelf te beëindigen. [appellant] heeft dat niet gedaan.

7.8

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch, van 15 november 2016 is [appellant] veroordeeld ter zake van op 6 december 2015

1. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C Opiumwet gegeven verbod;

2. overtreding van het bepaalde in artikel 1.2.4. lid 1 Vwb.

8.1

[geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg, na vermindering van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen, met veroordeling van [appellant] om het gehuurde te ontruimen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis. Voorts vorderde [geïntimeerde] het bedrag van € 597,00 per maand vanaf 1 maart 2016 totdat [appellant] het gehuurde heeft ontruimd en verlaten, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

8.2

[geïntimeerde] legde (samengevat) aan die vorderingen ten grondslag dat de politie in 2014 de restanten van een hennepkwekerij heeft aangetroffen en op 6 december 2015 alle benodigdheden voor een hennepkwekerij en 134 hennepstekken. [appellant] was dus van plan om in de woning hennep te gaan kweken. [geïntimeerde] voert een strikt beleid waarin het kweken van hennep in de woning niet is toegestaan, omdat dat brandgevaar, gevaar voor waterschade en gevaar van overlast oplevert.

Naast de benodigdheden voor een hennepkwekerij trof de politie 50 kilo vuurwerk aan, dat zonder enige bescherming in een slaapkamer stond. Daarvan was 40 kilo vuurwerk dat in Nederland illegaal is. Door dat vuurwerk in de slaapkamer te plaatsen heeft [appellant] een gevaarlijke situatie gecreëerd. [geïntimeerde] is van mening dat [appellant] zich niet als goed huurder heeft gedragen en dat dat zo ernstig is dat de huurovereenkomst moet worden ontbonden.

8.3

Na daartoe door [appellant] gevoerd verweer heeft de kantonrechter, ten aanzien van “de aan hennep gerelateerde zaken” vergelijkend met het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 25 augustus 2015 (ECLI:NL:GHSHE:2015:3314), geoordeeld dat het door [geïntimeerde] gestelde niet de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Er was, aldus de kantonrechter geen extra brandgevaar en geen risico voor wateroverlast of stankoverlast. Het is juist die gevaarzetting bij een hennepkwekerij die reden geeft voor het ontbinden van een huurovereenkomst.

Overwegend dat vast staat dat in totaal 40,3 kilo vuurwerk is aangetroffen op een slaapkamer, waarvan 27,8 kilo niet legaal is in Nederland en de overige 12,5 kilo op dat moment ook niet in een woning aanwezig mocht zijn, ontbond de kantonrechter vervolgens deswege de huurovereenkomst. Het aanwezig zijn van een grote hoeveelheid deels illegaal vuurwerk in de woning brengt een groot risico met zich voor brand- of explosiegevaar. Dat er geen kachel in de buurt van het vuurwerk stond, maakt dat gevaar niet minder. Vuurwerk kan niet alleen worden geactiveerd door het aan te steken, maar ook door andere oorzaken zoals het (om een andere reden) uitbreken van brand. Daarom levert het hebben van die grote hoeveelheid deels illegaal vuurwerk in de woning een zodanig ernstige tekortkoming op in de nakoming van de verplichting zich als een goed huurder te gedragen, dat die tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, aldus de kantonrechter.

9.1

[appellant] keert zich met twee grieven tegen het vonnis in eerste aanleg.

Met de eerste grief betoogt hij dat de kantonrechter uitgaat van de onjuiste aanname dat het in bezit hebben van vuurwerk buiten de verkoopperiode niet toegestaan zou zijn. Op basis van artikel 1.2.4. lid 2 Vwb is het gedurende het hele jaar toegestaan 25 kg. consumentenvuurwerk voorhanden te hebben op een plaats die niet voor publiek toegankelijk is. Waar de kwalificatie legaal – niet-legaal vuurwerk en de toegestane hoeveelheid zien op het gevaarselement, dient een nadere nuancering plaats te vinden.

Met de tweede grief keert [appellant] zich tegen de hiervoor weergegeven motivering van de kantonrechter. [appellant] kan zich in dat oordeel niet vinden.

10.1

Gelet op het door partijen in hoger beroep gevoerde debat stelt het hof voorop dat artikel 1.2.4. Vwb het voorhanden hebben van vuurwerk regelt. Voor zover hier van belang luidt die bepaling als volgt:

1. Het is verboden vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik voorhanden te hebben buiten een inrichting als bedoeld in:

(…)

2. Het eerste lid is niet van toepassing:

a. tijdens de perioden dat consumentenvuurwerk ingevolge artikel 2.3.2 ter beschikking mag worden gesteld of ingevolge artikel 2.3.6 tot ontbranding mag worden gebracht, indien niet meer dan 25 kilogram consumentenvuurwerk voorhanden is;

b. buiten de perioden, bedoeld onder a, indien niet meer dan 25 kilogram consumentenvuurwerk voorhanden is op een plaats die niet voor het publiek toegankelijk is;

(…).”

10.2

Hieruit volgt dat, ongeacht de periode in het jaar, het voor [appellant] verboden was méér dan 25 kg. vuurwerk thuis voorhanden te hebben, nu een woonhuis niet is aan te merken als een inrichting in de zin van lid 1. Geheel overeenkomstig is [appellant] door de Politierechter (onherroepelijk) veroordeeld terzake van overtreding van het bepaalde in artikel 1.2.4. lid 1 Vwb (rov. 7.8). Dat het, naar tussen partijen niet langer in geschil is, daarbij ging om 40,2 kg. waarvan 12,4 kg. consumentenvuurwerk en 27,8 kg. ander vuurwerk (genoemd in het proces-verbaal geciteerd rov. 7.6) doet in zoverre niet ter zake: het was > 25 kg.

De door partijen gevoerde discussie over legaal (consumentenvuurwerk) of illegaal (professioneel) is in zoverre eveneens zonder belang.

De uitleg van [geïntimeerde] van artikel 1.2.4. lid 2 Vwb dat een woning niet “een plaats die niet voor het publiek toegankelijk is” is kennelijk onjuist. Juist een woning is - en meer in het bijzonder de slaapkamer waar het vuurwerk is aangetroffen - geen voor het publiek toegankelijke plaats.

10.3

Uit het enkele feit dat sprake is van handelen ín het gehuurde dóór een huurder, [appellant] , dat een strafrechtelijke veroordeling oplevert, volgt niet zonder meer tekortkoming van de huurder met betrekking tot zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst, handelen in strijd met artikel 7:213 BW daaronder begrepen. Waar [geïntimeerde] anders lijkt te verdedigen gaat zij van een onjuiste rechtsopvatting uit. De aard van de gedraging kan echter als zodanig wél (niet alleen een strafbaar feit maar tevens) een toerekenbare tekortkoming jegens de verhuurder opleveren, het meest pregnante vb. is wellicht het met (voorwaardelijk) opzet veroorzaken van een explosie waarmee verhuurders tegenwoordig soms geconfronteerd worden.

10.4

[geïntimeerde] heeft onder verwijzing naar de bestuurlijke rapportage (prod. 3 bij MvG), door [geïntimeerde] kennelijk per abuis ook wel als proces-verbaal aangeduid (MvA 33) van [wijkagent] , Politie Oost-Brabant, gesteld: “De aanwezigheid van 40,3 (hof: 40,2) kilo vuurwerk in het gehuurde (…) brengt volgens [geïntimeerde] wel degelijk een groot risico met zich mee op brand- en/of explosiegevaar.” Reeds ter zitting van het hof is [geïntimeerde] erop geattendeerd dat dit niet zó staat in die bestuurlijke rapportage. Feiten van algemene bekendheid behoeven geen bewijs, maar de verwijzing door [geïntimeerde] naar de passage in het arrest van het Hof Amsterdam, 20 september 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BD1152 “Het is een feit van algemene bekendheid dat de opslag van een grote hoeveelheid vuurwerk risico’s met zich meebrengt. Dat is niet anders indien aan de vereisten van het Vuurwerkbesluit is voldaan.” gaat eraan voorbij dat het in die zaak om circa 900 kg. vuurwerk ging, opgeslagen voor bedrijfsmatige handel. Dat het op de vaststaande wijze (rov. 7.3) voorhanden hebben van 40,2 kilo vuurwerk (incl. verpakking), waarvan 12,4 kg. consumentenvuurwerk, een groot risico met zich brengt op brand- en/of explosiegevaar is, zonder nadere informatie - die ontbreekt -, geen feit van algemene bekendheid.

De verwijzing door [geïntimeerde] naar het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:7406 gaat eraan voorbij dat het daarbij ging om 50 kilogram professioneel vuurwerk en het in casu slechts gaat om iets meer dan de helft daarvan.

10.5

[geïntimeerde] citeert uit de Nota van Toelichting op het Vwb, p. 55, ter onderstreping van de risico’s verbonden aan illegaal op de markt gebracht vuurwerk. Evenwel blijft [geïntimeerde] in zoverre in algemeenheden steken dat het enkele feit dat [appellant] in het bezit was van 27,8 kilo vuurwerk volgens “Lijst II (lichter) professioneel en/of niet ingedeeld vuurwerk dat niet is genoemd in lijst III” (proces-verbaal rov 7.6) niet met zich brengt dat dát het illegaal op de markt gebrachte vuurwerk is waarop wordt gedoeld in de Nota van Toelichting, nog daargelaten dat de betreffende passage kennelijk doelt op met name ongevallen tijdens de jaarwisseling en geen betrekking heeft op de opslag van vuurwerk. De stelling van [geïntimeerde] dat de “effectgerichte benadering” in (de NvT bij) het Vwb meebrengt dat het er niet om gaat of er daadwerkelijk een brand- of ontploffingsgevaar aanwezig is geweest in het gehuurde, volgt het hof in zoverre niet dat zonder (enig) gevaar of risico een tekortkoming van [appellant] niet aanwezig geoordeeld kan worden.

10.6

De bewijslast van een tekortkoming van [appellant] in de nakoming van een verbintenis uit de huurovereenkomst ligt gelet op artikel 6:265 BW in verbinding met artikel 150 Rv op [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod in hoger beroep gedaan. Uit het feit evenwel dat zij aanbiedt [wijkagent] , wijkagent in [plaats] , als getuige te doen horen, leidt het hof af dat [geïntimeerde] in de gelegenheid wenst te worden gesteld bewijs bij te brengen met betrekking tot haar stelling (rov. 10.4): “De aanwezigheid van 40,3 (hof: 40,2) kilo vuurwerk in het gehuurde (...) brengt volgens [geïntimeerde] wel degelijk een groot risico met zich mee op brand- en/of explosiegevaar.” Het hof zal haar terzake tot bewijslevering toelaten.

10.7

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

11 De beslissing

Het hof:

laat [geïntimeerde] toe te bewijzen dat de aanwezigheid van 40,2 kilo vuurwerk als bedoeld in rov. 7.5 en 7.6 in de “soort van kledingkast” in de slaapkamer van de woning (rov. 7.4) een groot risico op brand- en/of explosiegevaar met zich brengt;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. J.W. van Rijkom als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 14 november 2017 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk - van der Weijden, J.W. van Rijkom en E.A.M. van Oorschot en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 oktober 2017.

griffier rolraadsheer