Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4705

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
200.220.719_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil. Vraag of vordering waarvoor beslag is gelegd inmiddels is verjaard. Stuiting door betekening van een exploot aan het adres van een daklozenopvang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.220.719/01

arrest van 31 oktober 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

appellant,

advocaat: mr. B.P.W. van Brink te Venlo,

tegen:

[de vennootschap] Groep B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A. Bijlevelt te Rosmalen,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 juli 2017 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis in kort geding van 5 juli 2017 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde – [geïntimeerde] - als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/236360/KG ZA 17-287)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 27 juli 2017 met grieven en een productie;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 5 september 2017.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. In het vonnis van 5 juli 2017 is bij de processtukken een pleitnota van [appellant] vermeld, maar een dergelijk stuk heeft het hof in geen van beide door partijen overgelegde procesdossiers aangetroffen. In hun overzichten van de stukken van de eerste aanleg in de dagvaarding in hoger beroep en de memorie van antwoord vermelden partijen het ook niet, zodat het hof ervan uitgaat dat het niet tot de gedingstukken behoort.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de dagvaarding in hoger beroep.

4 De beoordeling

4.1

De vaststelling van de feiten in het vonnis van 5 juli 2017 onder 2. is niet bestreden zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt, met een door het hof aangebrachte letteraanduiding en met correctie van de aanduiding van [bank] Bank NV:

  1. Bij notariële akte van 6 november 2006 hebben [appellant] en zijn toenmalige echtgenote mevrouw [derde] een hypothecaire geldleningsovereenkomst gesloten met [bank] Bank NV (hierna: [bank] ) voor een bedrag van € 364.232,=. Daarmee werd hypotheek verstrekt op de toenmalige woning van [appellant] en [derde] .

  2. [bank] heeft de woning op 4 november 2008 doen veilen op een executieveiling. De verkoopopbrengst, voldaan op 18 december 2008, was onvoldoende om de schuld van [appellant] en [derde] aan [bank] te voldoen. De restschuld bedroeg € 151.705,40.

  3. Bij notariële akte van 22 mei 2016 is [bank] gefuseerd met [geïntimeerde] , waarbij [bank] is opgehouden te bestaan en [geïntimeerde] het gehele vermogen van [bank] onder algemene titel heeft verkregen.

  4. Op 18 april 2017 heeft [geïntimeerde] executoriaal beslag laten leggen onder het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te [plaats] (hierna: het Uwv) ten laste van [appellant] op zijn uitkering op grond van de Ziektewet. De hierbij gehanteerde beslagvrije voet bedraagt thans € 130,42.

4.2

Bij dagvaarding van 6 juni 2017 heeft [appellant] het onderhavige kort geding tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelde [appellant] in eerste aanleg dat aan [geïntimeerde] geen executiebevoegdheid toekomt uit hoofde van de leningsovereenkomst die [appellant] met [bank] is aangegaan en dat een eventuele vordering van [geïntimeerde] in ieder geval verjaard is. Daarnaast stelde [appellant] dat van een te lage beslagvrije voet is uitgegaan; hij komt zelf uit op een bedrag van € 305,= per week. Op grond hiervan vorderde [appellant] , samengevat, primair opheffing van het op 18 april 2017 gelegde executoriaal beslag, subsidiair schorsing daarvan totdat de executiebevoegdheid van [geïntimeerde] vaststaat en meer subsidiair veroordeling van [geïntimeerde] om een beslagvrije voet van € 305,= per week te hanteren. [geïntimeerde] heeft deze vorderingen bestreden.

4.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juni 2017. Bij vonnis van 5 juli 2017 heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat de executiebevoegdheid van [geïntimeerde] niet langer wordt betwist. De verjaringstermijn is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ingegaan op 19 december 2008 toen de vordering waarvoor beslag is gelegd opeisbaar werd. De voorzieningenrechter is ervan uitgegaan dat [geïntimeerde] op 20 november 2012 een exploot heeft doen uitbrengen en op 23 en 30 augustus 2012 aanmaningen heeft doen uitgaan, waardoor de verjaring is gestuit. Voor de beoordeling van de hoogte van de beslagvrije voet beschikte de voorzieningenrechter over onvoldoende gegevens. Een en ander resulteerde in de afwijzing van alle vorderingen van [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.4

In hoger beroep betwist [appellant] niet langer de executiebevoegdheid van [geïntimeerde] en de hoogte van de beslagvrije voet, zodat deze onderwerpen verder niet meer aan de orde zijn. Dat geldt ook voor de daarmee samenhangende subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van [appellant] . Het gaat in dit hoger beroep alleen nog om de vraag of [appellant] terecht een beroep doet op verjaring van de vordering van [geïntimeerde] waarvoor executoriaal beslag is gelegd en zijn daarop gebaseerde primaire vordering. In zijn dagvaarding in hoger beroep vordert [appellant] alsnog (integrale) toewijzing van zijn vorderingen; dit betreft kennelijk alleen deze vordering en de proceskosten.

4.5

Grief 1 van [appellant] betreft de aanvang van de verjaringstermijn. Volgens [appellant] is de verjaringstermijn ingegaan op 10 juli 2007, de datum van de mededeling van [bank] dat vanwege een beslag op de woning de hypothecaire vordering opeisbaar is geworden, dan wel op 11 september 2008, de datum van de mededeling van de notaris dat tot openbare verkoop van de woning zal worden overgegaan. [geïntimeerde] betwist dit standpunt.

4.6

Het hof overweegt hierover het volgende. Artikel 3:273 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat door de levering ingevolge een executoriale verkoop en de voldoening van de koopprijs alle op het verkochte goed rustende hypotheken teniet gaan. Zoals hiervoor in 4.1 onder b) vermeld, was dat het geval op 18 december 2008. Dat betekent dat tot op dat moment de verjaringstermijn van artikel 3:323 lid 3 BW gold, dat wil zeggen een termijn van twintig jaar na het aangaan van de hypotheek (in 2006). Die termijn is niet geëindigd met het opeisbaar worden van de hypothecaire vordering dan wel de aanzegging van de executoriale verkoop, aangezien op die momenten nog geen sprake was van het tenietgaan van de hypotheek door levering en voldoening van de koopprijs. De verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 3:307 lid 1 BW heeft eerst daarna een aanvang genomen. Deze bepaling houdt in dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Eerst op het moment dat de executoriale verkoop was afgewikkeld, op 18 december 2008, is sprake van een opeisbare restvordering, zodat de verjaringstermijn van vijf jaar op 19 december 2008 aanving en niet op een van beide door [appellant] aangevoerde data. Grief 1 wordt daarom verworpen.

4.7

Grief 2 betreft de vraag of deze verjaringstermijn al was verstreken toen hij door de deurwaarder namens [bank] in april 2016 werd benaderd over de betaling van de restvordering. Dat is het geval indien de verjaring niet voor 19 december 2013 is gestuit. Volgens [geïntimeerde] is de verjaring door aanmaningen in augustus 2012 en een exploot in november 2012 gestuit. [appellant] betwist dat de aanmaningen van de advocaat van [geïntimeerde] van 23 en 30 augustus 2012 hem hebben bereikt en dat de schriftelijke reactie op zijn naam aan deze advocaat van 3 september 2012 niet van hem afkomstig is. Het exploot is achtergelaten op het adres van een daklozenopvang waar hij wel verbleven heeft maar inmiddels was vertrokken. Ook dit exploot heeft hem destijds niet bereikt, aldus [appellant] .

4.8

Het hof overweegt hierover het volgende. Naar vaste rechtspraak geldt voor een dergelijke situatie het volgende uitgangspunt. Artikel 3:37 lid 3 BW houdt, voor zover thans van belang, in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Het antwoord op de vraag wanneer kan worden gezegd dat een verklaring door de geadresseerde is ontvangen, wordt noch in de wettekst noch in de daarbij behorende toelichting gegeven. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen. Als adres in vorenbedoelde zin kan in beginsel - behoudens andersluidend beding - worden aangemerkt de woonplaats van de geadresseerde in de zin van artikel 1:10 BW.

4.9

Wat het exploot van 20 november 2012 betreft staat vast dat dit is betekend op het adres waar [appellant] op dat moment stond ingeschreven. Door [appellant] is niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat hij op 20 november 2012 op enig ander adres stond ingeschreven. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij toen al niet meer in de daklozenopvang verbleef heeft [appellant] alleen een stuk overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat hij op een gegeven moment intern is verhuisd, naar een andere kamer in dezelfde voorziening, en dat hij op 14 november 2012 zijn oude kamer heeft opgeleverd, maar niet dat hij toen de opvang heeft verlaten. Ook overigens heeft [appellant] geen stukken overgelegd waaruit blijkt op welk moment hij de opvang heeft verlaten, terwijl dat gezien de betwisting door [geïntimeerde] in eerste aanleg wel op zijn weg lag. Door [appellant] is evenmin toegelicht of hij in dit verband enig initiatief heeft ontplooid om de beschikking te krijgen over stukken die deze stelling zouden kunnen onderbouwen. Ook heeft [appellant] niet genoegzaam toegelicht op welk adres hij op 20 november 2012 wel zou hebben gewoond of verbleven en waarom hij zijn inschrijving op het adres van de daklozenopvang heeft gehandhaafd als hij daar niet langer verbleef. Het dient er daarom voor gehouden te worden dat op 20 november 2012 het adres van de daklozenopvang had te gelden als zijn woonplaats. De omstandigheden die [appellant] verder aanvoert over de wijze waarop in een dergelijke voorziening mogelijkerwijze met post voor bewoners wordt omgegaan, kunnen hem niet baten aangezien dergelijke omstandigheden niet voor risico van de afzender van poststukken en exploten behoeven te komen.

4.10

Een en ander brengt het hof tot de conclusie dat de verjaring door het exploot van 20 november 2012 is gestuit zodat het beroep op verjaring door [appellant] reeds om deze reden niet opgaat. Of de verjaring daarvoor reeds was gestuit door de aanmaningen van 23 en 30 augustus 2012 behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking, waarbij het hof aantekent dat door [appellant] voorshands niet aannemelijk is gemaakt dat de aan hem toegeschreven brief van 3 september 2012 waarmee op de aanmaningen wordt gereageerd als falsificatie moet worden bestempeld. Grief 2 wordt verworpen.

4.11

Grief 3 betreft de proceskostenveroordeling in eerste aanleg en heeft naast beide andere grieven geen zelfstandige betekening zodat ook deze grief wordt verworpen.

4.12

Nu alle grieven zijn verworpen, wordt het vonnis van 5 juli 2017 - voor zover in dit hoger beroep aan de orde - bekrachtigd met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, met nakosten en wettelijke rente als gevorderd.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 5 juli 2017, voor zover in dit hoger beroep aan de orde;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 716,= aan vast recht, op € 894,= aan salaris advocaat en wat betreft de nakosten op € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en

deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest tot aan de voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 oktober 2017.

griffier rolraadsheer