Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:470

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2017
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
200.201.508_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing bij andere ouder met gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 9 februari 2017

Zaaknummer : 200.201.508/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/318065 / JE RK 16-1239

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.W.A. Verhaard,

tegen

Stichting Intervence,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [belanghebbende] (hierna te noemen: de vader).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 juli 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 oktober 2016, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI tot machtiging uithuisplaatsing van de hierna nader te noemen [minderjarige] bij de vader alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 november 2016, heeft de vader verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar grieven, dan wel het hoger beroep van de moeder ongegrond te verklaren.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 januari 2017.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Verhaard;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting] ;

- de vader, bijgestaan door mr. G.W.J. van Dijke.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 5 januari 2017 met bijlagen, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg;

  • -

    de brief met bijlagen van de GI d.d. 11 januari 2017;

  • -

    de brief met bijlage van de GI d.d. 12 januari 2017;

- het faxbericht met bijlagen van de GI, ingekomen ter griffie op 13 januari 2017

- de ter zitting door de advocaat van de moeder overgelegde pleitaantekeningen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [minderjarige] .

De moeder heeft de Kosovaarse/Joegoslavische nationaliteit, de vader heeft de Nederlandse nationaliteit.

3.2.

Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 3 mei 2016 is [minderjarige] met ingang van 3 mei 2016 tot 3 mei 2017 onder toezicht gesteld van de GI.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank machtiging verleend aan de GI om [minderjarige] met ingang van 11 juli 2016 tot uiterlijk 3 mei 2017 uit huis te plaatsen bij de vader met gezag.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

Het is onbegrijpelijk dat er voor wordt gekozen een kind te plaatsen bij een ouder, die in het verleden geweld jegens de andere ouder heeft gebruikt. De moeder betwist dat [minderjarige] niet veilig gehecht is aan haar. Wel erkent zij dat [minderjarige] in zijn leventje geconfronteerd is met een heleboel vervelende situaties, zoals huiselijk geweld en verblijf in de vrouwenopvang. De moeder heeft in het verleden altijd willen samenwerken met de hulpverlening. Zij zelf heeft [minderjarige] nooit iets aangedaan en zal hem ook nooit iets aandoen. De moeder is in staat is om de verzorging van [minderjarige] weer op zich te nemen. Zij is bereid zich opnieuw op te laten nemen in de opvang, zodat aldaar gekeken kan worden naar haar opvoedkwaliteiten. Ook is zij bereid om meer hulpverlening in haar huis toe te laten. De moeder betwijfelt of het nu wel zo goed gaat met [minderjarige] . De schoonzus van de vader zorgt nu voor [minderjarige] , terwijl zij zelf gewoon beschikbaar is.

3.6.

De vader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

De vader betwist uitdrukkelijk dat sprake is geweest van huiselijk geweld van zijn kant jegens de moeder. Tevens betwist de vader dat de moeder in het verleden altijd heeft willen samenwerken met de hulpverlening.

[minderjarige] heeft de laatste tijd onder zijn hoede grote stappen gezet in zijn ontwikkeling.

3.7.

De GI voert ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De moeder heeft geen inzicht in wat [minderjarige] nodig heeft, waardoor hij een achterstand heeft opgelopen, in ieder geval in taal. De moeder is onvoorspelbaar. Sinds de plaatsing bij de vader is [minderjarige] vooruit gegaan in zijn ontwikkeling. Hij laat steeds meer leeftijdsadequaat gedrag zien. De bezoeken van de moeder aan [minderjarige] vinden plaats eenmaal in de twee weken gedurende een uur onder begeleiding van Theraplay. Deze begeleiding heeft tot doel de veiligheid van [minderjarige] bij de moeder te waarborgen. Theraplay heeft aangegeven hiervoor minimaal een jaar nodig te hebben. De GI zou willen dat de moeder zich laat onderzoeken om haar problemen duidelijk te krijgen en aldus beter bij haar aan te kunnen sluiten.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

Bevoegdheid

3.9.

Op grond van artikel 8 lid 1 Verordening Brussel II-bis is de Nederlandse rechter bevoegd van de zaak kennis te nemen.

Inhoudelijke beoordeling

3.10.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.10.1.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof - na eigen afweging en beoordeling - overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW en dat het momenteel in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat hij bij de met gezag belaste vader wordt geplaatst en door deze wordt verzorgd. Hetgeen de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd kan, in het licht van de bestaande zorgen, de ernst van de problematiek bij de moeder en de problematiek bij [minderjarige] , niet tot een ander oordeel leiden.

3.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 juli 2016;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, H. van Winkel en

J.H.J.M. Mertens-Steeghs en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2017.