Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4694

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
200.174.974_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:2512, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid boven water halen van een vistuig dat naar de zeebodem is verdwenen in de Belgische Exclusieve Economische Zone van de Noordzee

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5639
M en R 2018/13 met annotatie van F.C.S. Warendorf
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.174.974/01

arrest van 31 oktober 2017

in de zaak van

de publieke rechtspersoon naar Belgisch recht Het Vlaamse Gewest,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als HVG,

advocaat: mr. M. van der Bent te Middelburg,

tegen

1. de vennootschap onder firma Firma [de vennootschap onder firma] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente]

en haar beide vennoten:

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente]

3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente]

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.A. Hoekstra te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 juli 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 april 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen HVG als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3190503/14-4114)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij brief van 12 juli 2017 door mr. Van der Bent toegezonden producties, die HVG bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. Het vissersvaartuig [vissersvaartuig] behoort in eigendom toe aan de vennootschap onder firma [de vennootschap onder firma] . [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] zijn de vennoten van de vof.

b. Op 8 november 2011 wilden inspecteurs van het Europese visserij controle agentschap de [vissersvaartuig] (varend onder de naam " [naam] ) controleren op de toepassing van verantwoorde vismethodes conform het Europees visserijbeleid. Het visserschip [vissersvaartuig] bevond zich ten tijde van deze inspectie voor de Belgische kust in de Belgische Exclusieve Economische Zone van de Noordzee.

c. Voordat de vistuigen van de [vissersvaartuig] door de betreffende inspecteurs konden worden gecontroleerd, waren deze vistuigen naar de zeebodem verdwenen. De [vissersvaartuig] had niet (meer) de middelen aan boord om deze vistuigen op dat moment zelf weer terug te halen.

d. Nadat het vistuig van de [vissersvaartuig] door de Nederlandse en Belgische autoriteiten was opgehaald, bleek dat in het vistuig verboden binnenkuilen waren aangebracht.

e. HVG heeft bij brief van 23 november 2011 [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de kosten in verband met het boven water halen van voormelde vistuigen van het aan [geïntimeerde] toebehorende visserschip [vissersvaartuig] en haar tevergeefs tot betaling daarvan aangesproken. Deze kosten zijn in de bij deze brief gevoegde factuur afzonderlijk aan [geïntimeerde] in rekening gebracht (€ 14.257,62).

3.2.1.

Bij inleidende dagvaarding van 18 juni 2014 heeft HVG, kort samengevat, gevorderd [geïntimeerde] hoofdelijk te veroordelen aan HVG te betalen een bedrag van € 14.257,62 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 december 2011, althans vanaf 18 juni 2014, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding, waaronder begrepen de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten.

3.2.2.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

In het eindvonnis van 22 april 2015 heeft de kantonrechter de vordering van HVG afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.

3.4.

HVG heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. HVG heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vordering.

Bevoegdheid en toepasselijk recht

3.5.

Het hof stelt voorop dat het een zaak betreft met internationale aspecten: HVG heeft haar zetel in België en [geïntimeerde] is gevestigd in Nederland. Het geschil betreft een burgerlijke zaak als bedoeld in art. 1 van de EEX-Verordening (Brussel I-Vo). Het hof stelt op de voet van art. 2 EEX-Verordening vast dat de kantonrechter van de rechtbank Zeeland, West-Brabant, locatie Middelburg, bevoegd was om kennis te nemen van de onderhavige vordering van HVG, omdat de gedaagde partij [geïntimeerde] is gevestigd in [vestigingsplaats] , Nederland. Aangezien de rechtbank Zeeland-West-Brabant is gelegen in het ressort van dit hof, is het hof in hoger beroep bevoegd kennis te nemen van de onderhavige vordering.

Het hof begrijpt dat partijen, voor zover het recht van de Europese Unie (hierna: Unierecht) niet van toepassing is, voor de toepasselijkheid van Belgisch recht hebben gekozen (HVG, cvr punt 8 en [geïntimeerde] mva punt 35), hetgeen in dit geval is toegestaan. Partijen hebben dit bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep desgevraagd ook expliciet bevestigd. Dit betekent dat op de vordering, voor zover het Unierecht niet van toepassing is, Belgisch recht van toepassing is.

Eiswijziging

3.6.

HVG heeft voor het eerst in hoger beroep subsidiair aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij de door haar gemaakte kosten op grond van art. 4 § 5 en art. 38 van de Belgische Wet ter bescherming van het mariene milieu op de eigenaar van de [vissersvaartuig] kan verhalen. Meer subsidiair baseert HVG haar schadevergoedingsvordering op een door de kapitein en/of door de bemanning en/of door een bemanningslid van de [vissersvaartuig] gepleegde onrechtmatige daad ex art. 1382 of art. 1383 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek voor wiens onrechtmatige schadeveroorzakende gedraging(en) [geïntimeerde] kan worden aangesproken.

Het aldus aanvullen van de grondslagen van de vordering in hoger beroep is een wijziging van eis. Nu deze eiswijziging in de memorie van grieven is opgenomen, is zij tijdig gedaan. [geïntimeerde] heeft zich tegen deze eiswijziging niet verzet en heeft er in de memorie van antwoord op gereageerd. Het hof acht [geïntimeerde] door de eiswijziging niet in haar belangen geschaad en zal, voor zover nodig, de (meer) subsidiaire grondslag(en) in de beoordeling betrekken.

3.7.

De eerste twee grieven van HVG komen erop neer dat de kantonrechter haar vordering ten onrechte niet heeft toegewezen op de primaire grondslag, die is gebaseerd op art. 48 van de Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het Gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (hierna: controleverordening) en art. 1384 Belgisch Burgerlijk Wetboek en/of art. 46 § 2 van het Belgisch Wetboek van Koophandel.

Indien en voor het geval het hof met [geïntimeerde] veronderstellenderwijs aanneemt dat de vordering niet op de primaire grondslag toewijsbaar is, klaagt HVG er met de derde grief over dat de kantonrechter haar vordering op [geïntimeerde] ten onrechte heeft afgewezen en HVG als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten heeft veroordeeld. In die situatie dient, gelet op de hiervoor vermelde eiswijziging, te worden bezien of de vordering op de subsidiaire grondslag, die is gebaseerd op de Wet ter bescherming van het mariene milieu, kan worden toegewezen. Het hof zal thans de subsidiaire grondslag beoordelen.

3.8.

De Wet ter bescherming van het mariene milieu houdt onder meer het volgende in.

Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

1° «zeegebieden» : de territoriale zee, de exclusieve economische zone en het continentaal plat, bedoeld in de wet van 13 juni 1969 inzake het continentaal plat van België;

(…)

5° «verontreiniging» : de rechtstreekse of onrechtstreekse inbrenging door de mens van stoffen en energie in de zeegebieden, die schadelijke gevolgen heeft of naar alle waarschijnlijkheid kan hebben, zoals schade aan de levende rijkdommen van de zee en de mariene ecosystemen, gevaar voor de gezondheid van de mens, belemmering van activiteiten op zee, met inbegrip van het vissen en andere rechtmatige gebruiken van de zee, aantasting van de kwaliteit van het zeewater of vermindering van de recreatieve waarde;

(…)

8° «schip» : elk vaartuig, van welk type of omvang ook, dat in het mariene milieu opereert, waaronder onder meer draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, afzinkbare vaartuigen, drijvende tuigen, alsmede vaste of drijvende platforms;

(…)

11° «scheepseigenaar»: de eigenaar de bevrachter, de beheerder of de exploitant van het schip:

(…)

Art. 4

§ 1. De gebruikers van de zeegebieden en de overheid zullen bij het uitvoeren van hun activiteiten in de zeegebieden rekening houden met het beginsel van het preventief handelen, het voorzorgsbeginsel, het beginsel van het duurzaam beheer het beginsel dat de vervuiler betaalt en het herstelbeginsel.

(…)

§ 5. Het beginsel de vervuiler betaalt betekent dat de kosten voor maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging en voor het herstellen van schade voor rekening van de vervuiler zijn.

§ 6. Het herstelbeginsel impliceert bij schade of milieuverstoring in de zeegebieden het mariene milieu in de mate van het mogelijke wordt hersteld in de oorspronkelijke toestand.

Art. 5. Elke persoon die in de zeegebieden een activiteit uitoefent, heeft de verplichting de nodige voorzorgen te nemen ter voorkoming van schade en milieuverstoring. In het bijzonder heeft de scheepseigenaar de verplichting alle nodige voorzorgsmaatregelen te nemen om verontreiniging te voorkomen en te beperken.

(…)

Art 34. De overheid met bevoegdheid op zee kan het voorstel aanvaarden van de veroorzaker van een verontreiniging om zijn eigen interventiemiddelen te ontplooien teneinde het hoofd te bieden aan de verontreiniging of de effecten ervan te verminderen of te voorkomen. In dit geval, geeft zij geval per geval de toestemming voor het gebruik van de voorgestelde interventiemethodes. De overheid met bevoegdheid op zee blijft belast met de coördinatie van de interventie ter plaatse en houdt toezicht op de operaties. Haar beslissing ontslaat de veroorzaker van een verontreiniging niet van zijn aansprakelijkheid inzake de vergoeding van de kosten van de veroorzaakte schade.

(…)

Art. 37. § 1. Elke schade en elke milieusverstoring die de zeegebieden aantast ten gevolge van een ongeval of een inbreuk op de van kracht zijnde wetgeving, brengt voor diegene die de schade of milieuverstoring heeft veroorzaakt, de verplichting mee deze te herstellen, zelfs al heeft hij geen fout begaan.

Art. 38. De kosten van de te herstellen schade bij verontreiniging omvat ook de kosten gedragen door de overheid en de personen die op haar verzoek tussenkwamen, voor het nemen van maatregelen ter voorkoming, beperking, vrijwaring, bescherming en bestrijding van verontreiniging of een dreigende verontreiniging van het mariene milieu.

(…)

Art. 56. (…)

§ 2. De rechtspersonen, en in het bijzonder de scheepseigenaar, zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de verplichtingen van hun organen, die voortvloeien uit de toepassing van artikel 37.

3.9.

HVG legt subsidiair, kort samengevat, naast de vaststaande feiten onder meer het volgende aan haar vordering ten grondslag.

De [vissersvaartuig] is een "schip" in de zin van art. 2 sub 8° van de Wet ter bescherming van het mariene milieu. Er is in dit geval sprake van een door de [vissersvaartuig] veroorzaakte "verontreiniging" in de zin van art. 2. sub 5° van voormelde wet, waar in zee gedumpte vistuigen van dit schip (in de Belgische exclusieve economische zone) schadelijke gevolgen hebben of naar alle waarschijnlijkheid kunnen hebben voor (onder meer) "activiteiten op zee, met inbegrip van het vissen en andere rechtmatige gebruiken van de zee." Vistuigen, in dit geval die van de [vissersvaartuig] , horen niet thuis op de bodem van de zee en kunnen onder meer tot schade aan schepen of aan vistuigen van andere schepen leiden en dienen mitsdien te worden verwijderd. Daarmee wordt ook de doelstelling van de Wet ter bescherming van het mariene milieu gediend. Gelet op het bepaalde in art. 4 § 5 (zie in dit geval ook art. 5) en art. 38 van deze wet kan HVG de door haar gemaakte kosten, welke zij in de inleidende dagvaarding heeft gevorderd, verhalen op [geïntimeerde] , de eigenaar van de [vissersvaartuig] .

3.10.

[geïntimeerde] weerspreekt niet dat de [vissersvaartuig] een schip is in de zin van art. 2 sub 8° van de Wet ter bescherming van het mariene milieu en dat op 8 november 2011 de vistuigen van de [vissersvaartuig] naar de zeebodem zijn gezonken in de Belgische exclusieve economische zone, zoals bedoeld in art. 2 sub 1° van voornoemde wet, zodat het hof dit als vaststaand aanneemt. Evenmin bestrijdt [geïntimeerde] dat de rechtstreekse inbrenging door de bemanning van de [vissersvaartuig] van de vistuigen in het zeegebied schadelijke gevolgen heeft of naar alle waarschijnlijkheid kan hebben, zoals belemmering van activiteiten op zee, met inbegrip van het vissen en andere rechtmatige gebruiken van de zee. HVG heeft in dit verband onweersproken gesteld dat de vistuigen van [vissersvaartuig] op de bodem van de zee schade aan schepen of aan vistuigen van andere schepen kunnen leiden, zodat deze verwijderd dienen te worden. Uit het door HVG in het geding gebrachte proces-verbaal van de Vlaamse overheid blijkt in dit verband ook dat het gebied waar de vistuigen naar de zeebodem zijn gezonken door onder andere HVG is bewaakt, zodat in het gebied niet kan worden gevist, gedregd en worden geankerd (pagina 4 van het als bijlage bij prod. 6 inleidende dagvaarding in het geding gebrachte proces-verbaal van vaststellingen nummer [nummer] van de Dienst Zeevisserij van de Vlaamse Overheid). Uit het voorgaande volgt dat niet in geschil is dat de naar de zeebodem gezonken vistuigen van de [vissersvaartuig] kunnen worden gekwalificeerd als verontreiniging in de zin van art. 2 sub 5° van de Wet ter bescherming van het mariene milieu.

3.11.

Ingevolge art. 4 § 5 van de Wet ter bescherming van het mariene milieu betaalt, zoals HVG terecht stelt, de vervuiler de kosten van de maatregelen ter bestrijding van de verontreiniging en voor het herstellen van de schade. HVG stelt in dat verband dat [geïntimeerde] , als eigenaar van de [vissersvaartuig] , mede gelet op art. 5 en art. 38 van de Wet ter bescherming van het mariene milieu de door haar gemaakte kosten van de te herstellen schade bij de verontreiniging dient te vergoeden.

3.12.

[geïntimeerde] voert ter afwering van de vordering terzake van het kostenverhaal aan dat zij doende was met (de voorbereiding van) het herstel van de door haar veroorzaakte schade, althans milieuverstoring, maar dat aan haar geen redelijke termijn werd geboden om de vistuigen zelf op te dreggen, zodat geen invulling is gegeven aan het gestelde in art. 48 van de controleverordening en art. 37 § 1 van de Wet ter bescherming van het mariene milieu. Reeds op 8 november 2011 om 17:07 uur werd van hogerhand het Nederlandse kustvaartuig de [kustvaartuig] ingeschakeld om de vistuigen op te dreggen, terwijl om 16:45 uur daaraan voorafgaande het verzoek door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit tot het opdreggen werd gedaan. Ook voor overheidsdiensten geldt het adagium "haastige spoed is zelden goed". Daaraan is de consequentie verbonden dat de overheid de plicht heeft de schade voor een ander zoveel mogelijk te beperken. Indien zij wel in de gelegenheid zou zijn gesteld om de complete vistuigen te bergen, dan was dat voor een schijntje van het bedrag dat thans van haar als kosten wordt gevorderd mogelijk geweest, aldus [geïntimeerde] .

3.13.

Het hof constateert dat [geïntimeerde] op zichzelf niet bestrijdt dat op haar ingevolge

art. 37 van de Wet ter bescherming van het mariene milieu de verplichting rust om de door haar veroorzaakte schade en/of milieuverstoring te herstellen. Het herstelbeginsel impliceert dat bij schade of milieuverstoring in de zeegebieden het mariene milieu in de mate van het mogelijke wordt hersteld in zijn oorspronkelijke toestand (art. 4 § 6 van voornoemde wet).

Op grond van art. 56 § 2 juncto art. 37 en 38 van de Wet ter bescherming van het mariene milieu is [geïntimeerde] als scheepseigenaar aansprakelijk voor de kosten van het herstel van de door de kapitein van de [vissersvaartuig] veroorzaakte schade.

3.14.

Voor zover [geïntimeerde] aanvoert dat zij doende was met (de uitvoering van) het herstel van de door haar veroorzaakte schade, althans milieuverstoring, maar dat aan haar geen redelijke termijn werd geboden de vistuigen zelf op te dreggen, overweegt het hof als volgt.

Ingevolge art. 34 van de Wet ter bescherming van het mariene milieu, kan (cursivering, hof) de overheid met bevoegdheid op zee het voorstel aanvaarden van de veroorzaker van een verontreiniging om zijn eigen interventiemiddelen te ontplooien teneinde het hoofd te bieden aan de verontreiniging of de effecten ervan te verminderen of te voorkomen. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de bevoegde overheid om in te gaan op een voorstel van de veroorzaker van de verontreiniging ( [geïntimeerde] ) en niet om een verplichting; laat staan om een schadebeperkingsverplichting.

In het licht van art. 34 voornoemd, had het op de weg van [geïntimeerde] gelegen om aan de bevoegde overheid een concreet en gelet op het mogelijke gevaar voor overige schepen op korte termijn uitvoerbaar voorstel te doen om de vistuigen zelf op te dreggen. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat zij dit heeft gedaan noch is dit gebleken uit de stukken. Nu niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] een voorstel heeft gedaan aan de bevoegde overheid om de vistuigen zelf boven water te halen, is evenmin komen vast te staan dat dit voorstel door de bevoegde overheid is aanvaard.

In het verlengde van het voorgaande komt het hof niet toe aan de vraag of [geïntimeerde] , zoals zij aanvoert, een redelijke termijn zou moeten worden gegund bij het zelf boven water halen van de vistuigen.

3.15.

HVG heeft de kosten, die zij heeft gemaakt in verband met het boven water halen van de vistuigen van de [vissersvaartuig] aan [geïntimeerde] in rekening gebracht bij factuur van

23 november 2011. Op deze factuur staat als omschrijving vermeld: "inzet [schip] op 8 en 9 november 2011 (19 uur 30 aan € 731,16 euro/uur)", hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 14.257,62.

3.16.

[geïntimeerde] heeft bij gebrek aan wetenschap betwist dat de [schip] van HVG heeft geassisteerd bij de bergingsoperatie van de vistuigen van [vissersvaartuig] .

3.17.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Uit het door HVG overgelegde proces-verbaal [nummer] van de Vlaamse overheid blijkt, zoals HVG terecht stelt, dat haar schip de [schip] op 8 november 2011 en

9 november 2011 is ingezet bij het aan de oppervlakte krijgen van de vistuigen van de [vissersvaartuig] . Dat de [schip] werkzaamheden heeft verricht bij het boven water halen van de vistuigen van de [vissersvaartuig] wordt daarnaast bevestigd en vindt steun in het proces-verbaal van de Algemene Inspectiedienst van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit, waarin is opgenomen dat het Nederlandse kustvaartuig de [kustvaartuig] de opgedregde lijn van de [schip] overneemt (prod. 6 inleidende dagvaarding). Gelet op de inhoud van voormelde processen-verbaal, in onderling verband en samenhang bezien, neemt het hof als vaststaand aan dat de [schip] van HVG is ingezet op 8 en 9 november 2011 bij de bergingsoperatie van de vistuigen van de [vissersvaartuig] .

3.18.

Nadat [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat de gevorderde vergoeding van de kosten van de [schip] /HVG ad € 14.257,62 niet zijn gespecificeerd, heeft HVG de specificatie van deze kosten alsnog in het geding gebracht (prod. 16 cvr). Uit deze specificatie van de verrichte werkzaamheden van de [schip] blijkt dat werkzaamheden op 8 november 2011 om 16.15 uur zijn aangevangen en op 9 november 2011 om 11.45 uur zijn beëindigd, hetgeen neerkomt op de in rekening gebrachte 19 uur en 30 minuten. Daarnaast heeft HVG gespecificeerd wanneer en welke werkzaamheden in genoemde periode door de (bemanning van de) [schip] zijn verricht. Het hof is van oordeel dat HVG de kosten op voormelde wijze genoegzaam heeft gespecificeerd. Het enkele feit dat HVG, zoals [geïntimeerde] aanvoert, het logboek van de [schip] niet in het geding heeft gebracht, doet daaraan niets af.

3.19.

HVG heeft gesteld dat het door haar in rekening gebrachte uurtarief van de [schip] van € 731,16 is gebaseerd op de daadwerkelijke exploitatiekosten van het schip (inclusief afschrijvingskosten, maar exclusief gederfde winst). De kostprijs per ingezet uur wordt in essentie bepaald door de volgende factoren, welke periodiek worden geactualiseerd:

- brandstofkosten

- personeelskosten om het vaartuig te bemannen: op grond van de regelgeving inzake "safe manning" zijn achtbemanningsleden voor de [schip] vereist;

- onderhoudskosten, waaronder bijvoorbeeld ook die voor het periodiek keuken van reddingsmiddelen en hef- en hijtoestellen aan boord van het schip;

- afschrijvingskosten.

HVG benadrukt in dat verband dat de Nautische Commissie bij de Handelsrechtbank van Antwerpen in andere schadedossiers van HVG heeft vastgesteld dat de door HVG gehanteerde prijzen marktconform zijn.

Tegenover deze gemotiveerde stelling van HVG dat het in rekening gebrachte uurtarief marktconform is, staat de blote betwisting daarvan door [geïntimeerde] . Het had op de weg van [geïntimeerde] gelegen om aan te geven waarom dit uurtarief dat is gebaseerd op de daadwerkelijke exploitatiekosten van het schip niet marktconform zou zijn en waarom sprake van marktconformiteit van het tarief zou moeten zijn. Nu [geïntimeerde] dit niet heeft gedaan, gaat het hof hieraan voorbij en neemt als vaststaand aan dat het door HVG in rekening gebrachte uurtarief van € 731,17 marktconform is. Overigens is gesteld noch gebleken dat het gehanteerde uurtarief anderszins onredelijk hoog zou zijn. Gelet op de hiervoor reeds vastgestelde 19,5 uren tegen vermeld uurtarief bedragen de kosten van de [schip] /HVG dan € 14.257,62. Dit bedrag is bij factuur van 23 november 2011 aan [geïntimeerde] in rekening gebracht.

3.20.

Nog afgezien van hetgeen hiervoor in r.o. 3.14. is overwogen, heeft [geïntimeerde] , tegen de achtergrond van voormelde specificatie, in het geheel niet onderbouwd dat zij het boven water halen van de vistuigen voor een schijntje van het in rekening gebrachte bedrag zelf had kunnen doen. Het hof passeert dit verweer, voor zover nodig, daarom ook omdat het onvoldoende feitelijk is onderbouwd.

3.21.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door HVG gevorderde vergoeding van de kosten ad € 14.257,62 op grond van de subsidiaire grondslag conform de vordering hoofdelijk kan worden toegewezen. Dit brengt mee dat de eerste twee grieven, die zien op de primaire grondslag, geen bespreking meer behoeven.

De gevorderde wettelijke rente zal, mede gelet op de brief van 23 november 2011 en de vervaldatum van de factuur, conform de vordering worden toegewezen vanaf 24 december 2011.

3.22.

Voor het overige heeft [geïntimeerde] geen feiten en omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat haar bewijsaanbod als niet terzake dienend wordt gepasseerd.

3.23.

De slotsom is dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering alsnog zal toewijzen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep. De gevorderde rente over de proceskosten zal conform de vordering worden toegewezen.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover het aan het oordeel van het hof is onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan HVG een bedrag van € 14.257,62 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

24 december 2011 tot en met de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van HVG op € 105,80 aan dagvaardingskosten, op € 923,- aan griffierecht en op € 1.130,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op

€ 102,92 aan dagvaardingskosten, op € 1.937,- aan griffierecht en op € 2.682,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.W.M. Bartelds, E.A.M. van Oorschot en G. van der Wal en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 oktober 2017.

griffier rolraadsheer