Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4666

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
200.222.882_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Europees civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten jeugdhulp ex artikel 6.1.2 Jeugdwet ten behoeve van een zich in Nederland bevindende minderjarige die haar gewone verblijfplaats heeft in een ander EU-land.

De grieven van de minderjarige richten zich zowel tegen het oordeel omtrent de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, als tegen de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de raad tot verlening van een machtiging gesloten jeugdhulp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 26 oktober 2017

Zaaknummer : 200.222.882/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/324747 / JE RK 17-1222

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

thans opgenomen en verblijvende in een bij het hof bekende accommodatie voor gesloten jeugdhulp in Nederland,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. R.T.A. Slof,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [belanghebbende 1] , wonende te [woonplaats] , Hongarije (hierna te noemen: de vader);

- [belanghebbende 2] , wonende te [woonplaats] , Hongarije (hierna te noemen: de moeder);

- de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

vestiging [vestigingsplaats] (hierna te noemen: de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 september 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

[appellante] heeft op 12 september 2017 een beroepschrift ingediend naar aanleiding van de ter zitting van 4 september 2017 door de kinderrechter meegedeelde beslissing. Blijkens het slot van het proces-verbaal van die zitting heeft de kinderrechter ter zitting in het kort verteld wat de inhoud van de later, uiterlijk op 18 september 2017, te nemen beslissing zou zijn. Het hof beschouwt het beroepschrift als gericht tegen de beschikking van 15 september 2017.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellante] , bijgestaan door mr. Slof. Voor [appellante] is mevrouw M. Kardos (nummer tolkenregister: 2593) opgetreden als tolk in de Hongaarse taal;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

  • -

    de vader en de moeder. Voor hen is mevrouw A.M. de Bie-Kerékjártó (nummer tolkenregister: 1353) opgetreden als tolk in de Hongaarse taal.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het journaalbericht van mr. Slof van 11 oktober 2017 met één bijlage;

  • -

    het journaalbericht van mr. Slof van 17 oktober 2017 met bijlagen;

  • -

    de brief van mr. Slof van 18 oktober 2017;

  • -

    het ter zitting door de GI overgelegde Trajectplan JeugdzorgPlus van 17 oktober 2017.

3 De beoordeling

3.1.

[appellante] is geboren op [geboortedatum] 2000 te Hongarije. Zij heeft de Hongaarse nationaliteit. Het ouderlijk gezag over [appellante] berust bij de vader en de moeder.

3.2.

Op 21 augustus 2017 ontving de raad van Spoed Eisende Zorg Brabant Zuid Oost een spoedmelding over [appellante] . [appellante] is op die dag bij een politiecontrole aangetroffen in een pand waar illegale prostitutie plaatsvindt. Daarbij gaf [appellante] aan die middag twee klanten te hebben gehad.

3.3.

Bij beschikking van 22 augustus 2017 heeft de rechtbank op verzoek van de raad:

  • -

    [appellante] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 augustus 2017 tot 22 november 2017;

  • -

    ten aanzien van [appellante] een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend als bedoeld in artikel 6.1.3 Jeugdwet (Jw) met ingang van 22 augustus 2017 tot 19 september 2017.

Daarbij heeft de rechtbank de beslissing op het resterende deel van het verzoek van de raad, strekkende tot het verlenen van een machtiging voor de (overige) duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, aangehouden en een zitting bepaald op 4 september 2017 voor het horen van de raad, [appellante] , haar advocaat en de overige belanghebbenden.

3.4.

Bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 24 augustus 2017 heeft de rechtbank op verzoek van de raad:

  • -

    de ouders met ingang van die datum tot 24 november 2017 geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag over [appellante] ;

  • -

    bepaald dat de schorsing ook na 24 november 2017 doorloopt wanneer voordien bij de rechtbank een verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag is ingediend, in welk geval de schorsing doorloopt tot dat op dit verzoek tot gezagsbeëindiging is beslist;

  • -

    de GI belast met de voorlopige voogdij over [appellante] ;

  • -

    bepaald dat aan de GI alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van [appellante] worden toegekend die in haar belang noodzakelijk zijn.

3.5.

De raad heeft ter zitting bij de rechtbank op 4 september 2017 verklaard dat zijn verzoek tot schorsing van de ouders in het gezag in de plaats is gekomen van zijn verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling. De raad heeft daarbij tevens verklaard dat zijn (eerder gedane) verzoek om een machtiging gesloten jeugdhulp nog steeds is bedoeld voor een totale duur van drie maanden (inclusief de duur van de spoedmachtiging).

3.6.

Bij de bestreden beschikking van 15 september 2017 heeft de rechtbank:

  • -

    de beschikking van 22 augustus 2017 wat betreft de voorlopige ondertoezichtstelling bekrachtigd voor de periode van 22 augustus 2017 tot 24 augustus 2017, en het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling voor het overige alsnog afgewezen;

  • -

    de beschikking van 24 augustus 2017 inzake de schorsing van het ouderlijk gezag bekrachtigd;

  • -

    de beschikking van 22 augustus 2017 wat betreft de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp tot 19 september 2017 bekrachtigd;

  • -

    een machtiging gesloten jeugdhulp betreffende [appellante] verleend met ingang van 19 september 2017 tot uiterlijk 22 november 2017.

3.7.

Zoals nader ter zitting verklaard, komt [appellante] van deze beschikking van 15 september 2017 in hoger beroep voor zover het betreft de verlening van de machtiging gesloten jeugdhulp (met ingang van 19 september 2017 tot uiterlijk 22 november 2017). Zij verzoekt het hof de beschikking op dit punt te vernietigen en het daarop betrekking hebbende verzoek van de raad alsnog af te wijzen.

3.8.

De grieven richten zich zowel tegen het oordeel omtrent de rechtsmacht van de Nederlandse rechter, als tegen de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de raad. Het hof oordeelt daarover als volgt.

Rechtsmacht

3.9.

Op de vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse rechter zijn in dit geval van toepassing het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (Trb. 1997, 299) en de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II-bis). De gewone verblijfplaats van [appellante] ligt namelijk in Hongarije (een verdragsstaat/lidstaat) en de verzochte kinderbeschermingsmaatregel valt binnen het materiële toepassingsgebied van beide internationale rechtsinstrumenten. Ingevolge de samenloopregeling van artikel 61 Brussel II-bis heeft Brussel II-bis in deze zaak voorrang op het Haags Kinderbeschermingsverdrag.

3.10.

Omdat [appellante] haar gewone verblijfplaats in Hongarije heeft, komt ingevolge artikel 8 Brussel II-bis aan de Hongaarse rechter rechtsmacht toe om te beslissen over kwesties inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid ten aanzien van [appellante] . Artikel 20 Brussel II-bis bevat evenwel een bijzondere regel voor spoedeisende gevallen. Volgens het eerste lid van dit artikel vormt Brussel II-bis in spoedeisende gevallen voor de gerechten van een lidstaat geen beletsel om met betrekking tot personen of goederen die zich in die staat bevinden voorlopige en bewarende maatregelen te nemen waarin de wetgeving van die lidstaat voorziet, zelfs als krachtens Brussel II-bis een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen.

3.11.

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie komt aan artikel 20 lid 1 Brussel II-bis zelf geen rechtsmachtscheppende betekenis toe (HvJ EU 15 juli 2010, zaak C-256/09, NJ 2011/498, “Purrucker/Vallés Pérez I”). Deze bepaling verwijst naar de bevoegdheidsregels uit het nationale IPR van het land van het forum. Vanuit Nederlands perspectief betekent dit dat de rechtsmacht van de Nederlandse rechter in de gevallen als bedoeld in artikel 20 lid 1 Brussel II-bis moet worden getoetst aan de bevoegdheidsregels van de eerste afdeling van de eerste titel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), meer in het bijzonder artikel 5 Rv. Laatstgenoemd artikel bepaalt voor het geval dat het kind buiten Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft, dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt, “tenzij hij zich in een uitzonderlijk geval, wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen”. Van een uitzonderlijk geval kan worden gesproken indien het gaat om een spoedeisende situatie waarin het treffen van een beschermende maatregel ten aanzien van een zich in Nederland bevindend kind dringend geboden is. Door de aanwezigheid van het kind op Nederlands grondgebied is de verbondenheid van de zaak met de Nederlandse rechtssfeer dan gegeven.

3.12.

Artikel 20 lid 1 Brussel II-bis vormt een uitzondering op de bevoegdheidsregels van afdeling 2 van hoofdstuk II van Brussel II-bis en moet daarom strikt worden uitgelegd. Blijkens de bewoordingen van deze bepaling, en nader gepreciseerd door het Hof van Justitie (HvJ EG 2 april 2009, C-523/07, NJ 2009, 457, “tweede Finse zaak”), mag de rechter die niet bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen slechts maatregelen ter zake van ouderlijke verantwoordelijkheid treffen, als aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: (1) de betrokken maatregelen moeten spoedeisend zijn, (2) zij moeten worden genomen jegens personen of goederen die zich bevinden in de lidstaat van het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, en (3) zij moeten voorlopig zijn.

(1) De maatregel moet spoedeisend zijn

3.13.

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie betreft het begrip “spoedeisendheid” zowel de situatie van het kind als de praktische onmogelijkheid om het verzoek over de ouderlijke verantwoordelijkheid in te dienen bij het gerecht dat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen (HvJ EU 23 december 2009, zaak C-403/09, NJ 2011, 348, “Detiček/Sguelgia”). Naar het oordeel van het hof is de ten aanzien van [appellante] verzochte machtiging tot gesloten jeugdhulp te beschouwen als een spoedeisende maatregel in de zin van artikel 20 lid 1 Brussel II-bis. Dit omdat ten tijde van de indiening van het inleidend verzoek van de raad sprake was van een spoedeisende situatie waarin een onmiddellijke voorziening met betrekking tot [appellante] geboden was. Het hof overweegt in dit kader als volgt.

3.14.

Het bij het inleidende verzoek van de raad gevoegde raadsrapport van 22 augustus 2017 vermeldt onder meer de volgende informatie vanuit Spoed Eisende Zorg Brabant Zuid Oost. [appellante] werd op 21 augustus 2017 door de politie aangetroffen in een illegaal prostitutiepand in [plaats] , waar zij zich die middag had laten prostitueren. Zij was op dat moment zestien jaar oud, bevond zich hier te lande zonder familieleden of bekenden en beschikte niet over een geldig identiteitsbewijs. Zij verklaarde dat zij thuis in Hongarije (bij haar zus) met een busje was opgehaald om naar Nederland te worden gebracht en dat zij die dag in Nederland was aangekomen. De vreemdelingenpolitie en Spoed Eisende Zorg hebben sterk de indruk dat [appellante] afkomstig is van een Roma familie die haar mogelijk heeft verkocht vanwege het verkrijgen van inkomsten. Er lijkt sprake van een netwerk dat als inkomstenbron zeer jonge meisjes als prostitué in Nederland aanbiedt. [appellante] gaf bij het verhoor weinig informatie over haar stamgezin. Het raadsrapport vermeldt dat hulpverlening in het vrijwillige kader niet mogelijk is, omdat [appellante] aangeeft direct naar haar zus in Hongarije te zullen vertrekken waardoor de kans groot is dat zij opnieuw in de prostitutie terechtkomt.

3.15.

In het licht van het voorgaande is de verleende machtiging gesloten jeugdhulp te kwalificeren als een spoedeisende maatregel in de zin van artikel 20 lid 1 Brussel II-bis. Vanwege de acuut onveilige situatie waarin [appellante] zich bevond, kon inschakeling van de Hongaarse rechter voor het nemen van een beschermende maatregel niet worden afgewacht. [appellante] ’s belang zou daarmee ernstig in het gedrang zijn gekomen.

(2) De maatregel moet worden genomen jegens personen of goederen die zich bevinden in de lidstaat van het forum

3.16.

In dit hoger beroep ligt ter beoordeling voor de door de rechtbank verleende machtiging tot plaatsing van [appellante] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp. Voldaan is aan de voorwaarde dat deze maatregel is genomen jegens personen of goederen die zich bevinden in de lidstaat van het forum. [appellante] verbleef namelijk sinds 21 augustus 2017 in Nederland. Naar het oordeel van het hof brengt een redelijke uitleg van artikel 20 lid 1 Brussel II-bis mee dat in dit geval waarin de minderjarige [appellante] onder zeer onveilige omstandigheden in Nederland is aangetroffen en gelet daarop een ingrijpen ter bescherming van [appellante] dringend geboden was, de Nederlandse rechter bevoegd is tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp ook al verbleven de ouders op dat moment niet in Nederland.

(3) De maatregel moet voorlopig zijn

3.17.

Ook is voldaan aan de voorwaarde dat de maatregel voorlopig moet zijn.

Zoals het Hof van Justitie in zijn uitspraak van 2 april 2009 (HvJ EG 2 april 2009, C-523/07, NJ 2009, 457, “tweede Finse zaak”) heeft overwogen, vloeit het voorlopige karakter van de in artikel 20 lid 1 Brussel II-bis bedoelde maatregelen voort uit de omstandigheid dat deze maatregelen krachtens lid 2 van dit artikel ophouden van toepassing te zijn, wanneer het gerecht van de lidstaat dat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen de maatregelen heeft genomen die het passend acht.

Namens [appellante] is in de toelichting op grief 1 betoogd dat, nu de Nederlandse wet onderscheid maakt tussen een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp (artikel 6.1.3 Jw) en een “gewone” machtiging gesloten jeugdhulp (artikel 6.1.2 Jw), laatstbedoelde machtiging geen voorlopige maatregel in de zin van artikel 20 Brussel II-bis is. Dit betoog faalt. Ook de bij de bestreden beschikking verleende machtiging gesloten jeugdhulp ex artikel 6.1.2 Jw houdt op van toepassing te zijn, zodra het ten gronde bevoegde Hongaarse gerecht de maatregelen heeft genomen die het passend acht. Overigens is in de bestreden beschikking, in aansluiting op de eerdere spoedmachtiging, een machtiging verleend voor slechts circa twee maanden. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat deze termijn niet onredelijk lang is, mede gelet op de met een verantwoorde overdracht aan de Hongaarse autoriteiten redelijkerwijs gemoeide tijd.

Conclusie omtrent de rechtsmacht

3.18.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt op basis van artikel 20 Brussel II-bis in verbinding met artikel 5 Rv. Grief 1 faalt.

3.19.

Namens [appellante] is nog betoogd dat de verlening van de machtiging gesloten jeugdhulp in strijd is met lid 2 van artikel 20 Brussel II-bis. In dit kader heeft haar advocaat in het beroepschrift melding gemaakt van een brief die de ouders bij de rechtbank hebben genoemd, welke brief afkomstig zou zijn van een Hongaarse instantie die vergelijkbaar zou zijn met de Nederlandse Raad voor de Kinderbescherming. In die brief zou zijn vermeld dat er geen problemen rond het gezin bekend zijn en dat men wekelijks contact met het gezin gaat onderhouden. Namens [appellante] is aangevoerd dat aldus in Hongarije maatregelen zijn genomen die de desbetreffende Hongaarse instanties passend vinden en dat daarmee ingevolge voormelde bepaling de in Nederland genomen maatregelen niet meer toepasselijk zijn. Dit betoog wordt verworpen. Blijkens artikel 20 lid 2 Brussel II-bis moet het gaan om maatregelen genomen door een “gerecht”. Namens [appellante] is slechts overgelegd een brief van een Hongaars centrum voor maatschappelijke dienstverlening (waarover hierna meer). Ook grief 2 faalt daarmee.

3.20.

Namens [appellante] is voorts betoogd dat de verlening van de machtiging gesloten jeugdhulp in strijd is met artikel 56 Brussel II-bis omdat geen overleg zou hebben plaatsgevonden met de Hongaarse Centrale Autoriteit of een andere bevoegde instantie in Hongarije. Dit betoog gaat evenmin op. Genoemd artikel ziet op een andere situatie dan de onderhavige situatie. Artikel 56 betreft, kort gezegd, het geval waarin de rechter van een lidstaat overweegt het kind te plaatsen in een instelling of een pleeggezin in een andere lidstaat. De rechtbank heeft evenwel niet beslist tot plaatsing van [appellante] in een instelling of pleeggezin in een andere lidstaat. [appellante] is geplaatst in een instelling die in Nederland is gevestigd. Daarmee faalt ook grief 3.

Inhoudelijke beoordeling verlening machtiging gesloten jeugdhulp

3.21.

Ingevolge artikel 20 lid 1 Brussel II-bis kan de rechter in de daar bedoelde gevallen de voorlopige en bewarende maatregelen nemen waarin de wetgeving van zijn land voorziet. De vraag of er voor een machtiging gesloten jeugdhulp voldoende grond was, en nog steeds is, dient derhalve te worden getoetst aan de ter zake geldende bepalingen uit de Nederlandse Jeugdwet (Jw).

3.22.

Op grond van artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:

  • -

    voor [appellante] jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en

  • -

    de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [appellante] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

3.23.

Een machtiging gesloten jeugdhulp kan, gelet op artikel 6.1.2 lid 3 Jw, bovendien slechts worden verleend, indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.

3.24.

Voorts behoeft op grond van artikel 6.1.2 lid 6 Jw het verzoek om een machtiging gesloten jeugdhulp de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

3.25.

In het onderhavige geval is voldaan aan het formele vereiste van artikel 6.1.2 lid 3 aanhef en sub b Jw. De GI is namelijk sinds 24 augustus 2017 belast met de voorlopige voogdij over [appellante] omdat de ouders toen zijn geschorst in de uitoefening van het ouderlijk gezag over haar.

3.26.

Ook het formele vereiste van artikel 6.1.2 lid 6 Jw is vervuld. Grief 4 waarmee wordt betoogd dat aan de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper een gebrek kleeft omdat de gedragswetenschapper uitsluitend zou hebben verwezen naar het inleidend verzoekschrift van de raad en niet zijn eigen visie zou hebben gegeven, faalt. Blijkens de bewuste verklaring heeft de gedragswetenschapper zich door Spoed Eisende Zorg Brabant Zuid Oost en de recherche mensenhandel mondeling laten informeren en heeft hij [appellante] geobserveerd en kort gesproken. Uit zijn verklaring blijkt dat hij mede op basis van de informatie van Spoed Eisende Zorg en de politie en zijn observatie van [appellante] , zijn eigen visie heeft gegeven op de vraag of was voldaan aan de criteria voor een machtiging gesloten jeugdhulp.

3.27.

Met betrekking tot de vraag of is voldaan aan de hiervoor vermelde vereisten van artikel 6.1.2 lid 2 Jw overweegt het hof als volgt.

3.28.

[appellante] is op 21 augustus 2017 bij een politiecontrole aangetroffen in een pand waar illegale prostitutie plaatsvindt. Zij gaf daarbij aan die middag twee klanten te hebben gehad. Zij was op dat moment zestien jaar oud, bevond zich hier te lande zonder familieleden of bekenden en beschikte niet over een geldig identiteitsbewijs. Naar zij verklaarde, is zij thuis in Hongarije (bij haar zus) met een busje opgehaald om naar Nederland te worden gebracht. Vanuit Spoed Eisende Zorg Brabant Zuid Oost is aan de raad gemeld dat volgens de vreemdelingendienst en ook volgens Spoed Eisende Zorg zelf sprake lijkt van een netwerk dat als inkomstenbron bewust zeer jonge meisjes als prostitué in Nederland aanbiedt. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellante] verklaard dat zij zich reeds eerder in de zomer van 2017 gedurende twee weken in Hongarije heeft laten prostitueren. Zij heeft voorts verklaard dat zij via twee mannen in Nederland is terechtgekomen en dat haar oudere zus thans niet meer, maar in het verleden ook contact met die mannen heeft gehad. De raad en de GI hebben ter zitting in hoger beroep verklaard dat volgens recente informatie van de politie het onderzoek rond [appellante] inmiddels is verbreed. Volgens de raad is vanuit de politie meegedeeld dat het netwerk veel omvangrijker is dan aanvankelijk werd gedacht en is daarbij nadrukkelijk gezegd dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de ouders hierbij zijn betrokken. De GI heeft ter zitting in hoger beroep ook verklaard dat volgens zeer recente informatie van de politie in de thuissituatie van [appellante] sprake is geweest van behoorlijk huiselijk geweld en dat ook dit momenteel door de politie wordt onderzocht.

3.29.

[appellante] en de ouders hebben ter zitting bij het hof een en ander betwist en verklaard dat de zaken thuis op orde waren. De ouders hebben verklaard dat zij de door [appellante] genoemde twee mannen niet kennen, dat [appellante] buiten hun medeweten naar Nederland was gegaan en dat zij dachten dat [appellante] met vriendinnen in Hongarije op vakantie was. Volgens de door het Centrum Maatschappelijke Dienstverlening te [plaats] (Hongarije) uitgevoerde omgevingsstudie, welke studie op verzoek van de vader is uitgevoerd en waarvan verslag wordt gedaan in de namens [appellante] overgelegde brief van deze instantie van 1 september 2017, is er vanuit de organisaties die zijn aangesloten bij het waarschuwingssysteem nooit een melding gekomen over het gezin of de kinderen en wordt in de thuissituatie voldaan aan alle voorwaarden die nodig zijn voor de persoonlijke, lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van [appellante] . Zijdens de ouders is verder nog verklaard dat de moeder geen Roma achtergrond heeft, dat de vader half Roma is en dat zij beiden inkomsten uit loondienst hebben en op een vast adres wonen.

3.30.

Het hof is van oordeel dat, niettegenstaande de verklaringen van de ouders en [appellante] en voormelde brief van het Centrum Maatschappelijke Dienstverlening, een overdracht van [appellante] aan de ouders thans onvoldoende verantwoord is. De situatie waarin [appellante] in Nederland is aangetroffen is uitermate zorgwekkend. Tegen die achtergrond en gelet op de door de raad en de GI genoemde informatie vanuit de politie over de vermoede mensenhandel, bestaat er naar het oordeel van het hof op dit moment nog onvoldoende duidelijkheid over de veiligheid van [appellante] bij terugkeer naar haar ouders in Hongarije. Ten aanzien van de brief van het Centrum Maatschappelijke Dienstverlening merkt het hof op dat onvoldoende duidelijk is wat over de situatie van [appellante] en de thuissituatie aan de rapporteur is meegedeeld, zodat het hof daaraan niet de betekenis toekent die de ouders daaraan geven.

3.31.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat een machtiging gesloten jeugdhulp dringend noodzakelijk was, en nog steeds is. Er is sprake van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die [appellante] ’s groei naar volwassenheid ernstig belemmeren. Voorts is het noodzakelijk [appellante] in een gesloten setting te laten verblijven, omdat [appellante] heeft aangegeven direct naar Hongarije te zullen terugkeren terwijl het risico bestaat dat zij dan weer in de prostitutie terechtkomt. Het namens [appellante] geschetste belang bij een onmiddellijk vervolg van haar schoolgang in Hongarije dient thans ondergeschikt te zijn aan het waarborgen van haar veiligheid.

Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat ook grief 5, met welke grief wordt betoogd dat de rechtbank bij het verlenen van de machtiging gesloten jeugdhulp een verkeerde belangenafweging heeft gemaakt, faalt.

3.32.

Wel wijst het hof met grote nadruk op het volgende. In het belang van [appellante] dient vanuit de raad / de GI met de grootst mogelijke spoed te worden aangestuurd op een verantwoorde overname van de zaak door de Hongaarse kinderbeschermingsinstantie (met de hulp van / door tussenkomst van de Centrale Autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het Ministerie van Veiligheid en Justitie te Den Haag). Dit om een veilige terugkeer van [appellante] naar Hongarije op zo kort mogelijke termijn te kunnen realiseren. Uit het Trajectplan JeugdzorgPlus van de jeugdzorginstelling waar [appellante] nu verblijft, blijkt dat het isolement waarin [appellante] thans verkeert haar ontwikkeling dusdanig schaadt dat het behandelteam zich ernstig zorgen maakt om haar. Het behandelteam van de jeugdzorginstelling adviseert om, naast het onderzoek naar de situatie van [appellante] en haar ouders, een onderzoek naar een residentiële woonplek voor [appellante] in Hongarije prioriteit te geven (en de gesloten plaatsing van [appellante] in haar bronland Hongarije voort te zetten).

Slotsom

3.33.

De conclusie is dat alle grieven falen. De bestreden beschikking zal, voor zover deze aan het oordeel van het hof is onderworpen, worden bekrachtigd.

3.34.

Zoals voorgeschreven in de rechtspraak van het Hof van Justitie zal de Hongaarse rechter in kennis worden gesteld van de onderhavige beschikking, nu het belang van [appellante] dit vereist (zie HvJ EG 2 april 2009, C-523/07, NJ 2009, 457, “tweede Finse zaak”). Het hof zal daartoe heden de griffier opdracht geven deze beschikking toe te zenden aan de Nederlandse Centrale Autoriteit met het verzoek deze beschikking, door tussenkomst van de Hongaarse Centrale Autoriteit, onverwijld ter kennis te brengen van de ten gronde bevoegde Hongaarse rechter.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 september 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en P. Vlaardingerbroek en is op 26 oktober 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. Brouwer-van de Put, griffier.