Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4647

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
200.199.588_01 200.199.589_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3262
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:938
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3261
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling;

Kinderalimentatie;

Verrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 26 oktober 2017

Zaaknummers: 200.199.588/01 en 200.199.589/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/02/86012/FA RK 12-1426 en C/02/278075 FA RK 14-1422

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.W.A. Verhaard te Vlissingen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E. Sijnesael te Middelburg.

In zijn hoedanigheid als omschreven in art. 810 Rv is de Raad voor de Kinderbescherming in de procedure gekend.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 1 juni 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 september 2016, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de kinderalimentatie en, opnieuw rechtdoende, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te gelasten op de wijze als in het appelschrift genoemd, alsmede de kinderalimentatie vanaf datum indiening verzoekschrift vast te stellen op een bedrag dat het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 november 2016, heeft de vrouw verzocht het hoger beroep van de man af te wijzen.

Tevens heeft de vrouw hierbij incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de kinderalimentatie en de zorgregeling en opnieuw rechtdoende:

- een bijdrage van de man in de kosten van de opvoeding en verzorging van de kinderen vast te stellen die het hof juist acht;

- de zorgregeling vast te stellen zoals vermeld onder de punten 37 en 38 van het incidenteel beroepschrift.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 27 december 2016, heeft de man verzocht het incidenteel hoger beroep van de vrouw af te wijzen, althans haar in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 september 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Verhaard;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Sijnesael.

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 2] heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 2 juni 2017. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. [minderjarige 1] heeft zijn mening niet kenbaar gemaakt aan het hof.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 13 september 2017;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 15 september 2017.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 7 augustus 1998 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2008 [geboorteplaats] .

3.2.

De vrouw heeft op 8 november 2012 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Bij (tussen)beschikking van 22 oktober 2014 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 11 november 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, uitvoerbaar bij voorraad:

- bepaald dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben en dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf heeft bij de man;

- ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een zorgregeling vastgesteld waarbij de man de zorg heeft voor de minderjarigen eenmaal per veertien dagen een weekend, van vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd, alsmede voor wat betreft de herfstvakanties: van maandag tot en met vrijdag;

- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] voor de periode 1 juli 2012 tot 1 maart 2013 bepaald op € 119,-- per maand;

- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] als volgt bepaald:

voor de periode 1 juli 2012 tot 1 maart 2013 op € 119,-- per maand,

voor de periode van 1 maart 2013 tot 1 maart 2015 op € 136,-- per maand, en

vanaf 1 maart 2015 op € 122,50 per maand;

- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 3] als volgt bepaald:

voor de periode 1 juli 2012 tot 1 maart 2013 op € 170,-- per maand,

voor de periode van 1 maart 2013 tot 1 maart 2015 op € 136,-- per maand, en

vanaf 1 maart 2015 op € 136,-- per maand;

- de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen gelast op de wijze als weergegeven onder rechtsoverweging 2.7.8 tot en met 2.7.23 van de beschikking.

3.3.

Partijen kunnen zich (op onderdelen) met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De grieven van de man (die ongenummerd zijn) betreffen de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, de bankrekeningen van de kinderen en de kinderalimentatie. Het hof zal deze grieven respectievelijk benoemen als grief 1, grief 2 en de grieven 3 en 4).

De grieven van de vrouw betreffen de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (punt 14 verweerschrift tevens incidenteel appel), de zorgregeling (grief III) en de kinderalimentatie (grieven I en II). Het hof zal hierna de grieven van partijen per onderwerp bespreken.

Zorgregeling (grief III van de vrouw)

3.5.

De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling kennis te nemen, nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is (art. 8 lid 1 Brussel II bis). De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van de vaststelling van de zorgregeling Nederlands recht van toepassing is en heeft vervolgens ook Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat (zie de conclusie van AG Vlas voor HR 27 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV6684) ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

3.5.1.

De vrouw voert aan dat al sinds het uiteengaan van partijen er een groot probleem is met betrekking tot de uitvoering van de reguliere zorgregeling en de vakantieregeling. De reguliere zorgregeling zoals vastgesteld door de rechtbank heeft de instemming van de vouw.

Met betrekking tot de vakanties verzoekt de vrouw (zoals gecorrigeerd ter zitting van het hof) de volgende zorgregeling vast te leggen:

- de kinderen verblijven één week in het eerste kwartaal bij de man. Deze week wordt uiterlijk op 31 december van het voorgaande jaar overeengekomen;

- de kinderen verblijven in de krokusvakantie, meivakantie, drie weken in de zomervakantie en de eerste kerstweek bij de vrouw, waarbij de weekenden conform de reguliere zorgregeling worden aangehouden;

- de kinderen verblijven drie weken in de zomervakantie, één week in de herfstvakantie en de tweede week van de kerstvakantie bij de man, waarvan de weekenden conform de reguliere zorgregeling worden aangehouden;

- ten aanzien van de zomervakantie geldt een verdeling van 2-1-1-2 of 1-2-2-1, waarbij rekening wordt gehouden met de collectieve sluiting van het bedrijf waar de vrouw werkzaam is. De vrouw zal de man over de weken informeren;

- de kinderen verblijven bij de man op eerste kerstdag van 12:00 uur tot tweede kerstdag 12:00 uur en met ingang van 1 januari 12:00 uur tot zij weer naar school gaan, tenzij de kerst of oud en nieuw valt in de week dat één der partijen met de kinderen op vakantie is. Op dat moment komt deze regeling te vervallen en gaat de vakantieregeling voor.

De vrouw verzoekt voorts vast te leggen dat een vakantie start op de vrijdag na school (dus voor de vakantie) en eindigt op de maandag voor school.

3.5.2.

De man voert aan dat hij de door de vrouw voorgestelde vakantieregeling voor wat betreft de zomervakantie in verband met zijn baan als kok in de horeca in Zeeland niet kan nakomen.

3.5.3.

Het hof overweegt als volgt.

De reguliere zorgverdeling, inhoudende dat de man de zorg heeft voor de kinderen eenmaal per veertien dagen een weekend, van vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd, is tussen partijen niet in geschil. Evenmin in geschil is de verdeling van de vakanties, behalve voor zover het de zomervakantie betreft. De man is werkzaam als kok in de horeca in Zeeland. Het hof acht aannemelijk dat het in verband daarmee moeilijk is voor de man om in de zomerperiode vakantie te nemen. Het hof zal daarom bepalen dat de kinderen, naast de vakantieperiodes waarover tussen partijen geen discussie bestaat, (minimaal) één week in het derde kwartaal bij de man verblijven. Deze periode, die bij voorkeur doch niet noodzakelijk in de zomervakantie van de kinderen valt, wordt uiterlijk op 30 mei van het lopende jaar met de vrouw overeengekomen.

3.5.4.

Met betrekking tot de begin- en eindtijden van de vakanties overweegt het hof als volgt.

De vrouw heeft enerzijds verzocht te bepalen dat bij de vakanties de weekenden conform de reguliere zorgregeling worden aangehouden, anderzijds heeft zij verzocht vast te leggen dat een vakantie start op de vrijdag na school (dus voor de vakantie) en eindigt op de maandag voor school. Nu de uitwerking van deze verzoeken niet eenduidig is en mede in aanmerking genomen het belang van de kinderen (om na een vakantie rustig weer thuis te komen), zal het hof bepalen dat, ongeacht de stand van de reguliere zorgregeling, de vakantie start op vrijdag na school en eindigt op zondag om 12:00 uur, waarna de weekendregeling conform de reguliere zorgregeling wordt hervat.

3.5.5.

Uit het voorgaande volgt de volgende vakantieregeling:

De kinderen verblijven bij de man:

- één week in het eerste kwartaal; deze week wordt uiterlijk op 31 december van het voorgaande jaar met de vrouw overeengekomen;

- één week in het derde kwartaal; deze week wordt uiterlijk op 30 mei van het lopende jaar met de vrouw overeengekomen;

- één week in de herfstvakantie;

- op eerste kerstdag van 12:00 uur tot tweede kerstdag 12:00 uur en met ingang van 1 januari 12:00 uur tot het eind van de vakantie, tenzij de kerst of oud en nieuw valt in de week dat één der partijen met de kinderen op vakantie is. Alsdan komt deze regeling te vervallen en gaat de vakantieregeling voor.

De kinderen verblijven bij de vrouw:

- de krokusvakantie;

- de meivakantie;

- de gehele zomervakantie, tenzij partijen overeenkomen dat de week bij de man in het derde kwartaal in de zomervakantie valt.

Ongeacht de stand van de reguliere zorgregeling start de vakantie op vrijdag na school en eindigt deze op zondag om 12:00 uur, waarna de weekenden conform de reguliere zorgregeling worden hervat.

Voor de duidelijkheid zal het hof in het dictum de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling vernietigen en de zorg- en vakantieregeling opnieuw vaststellen.

Kinderalimentatie

3.6.

Krachtens art. 3, aanhef en sub c, van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 van 18 december 2008) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. Aangezien de rechtbank Nederlands recht toepasselijk heeft geoordeeld en daartegen geen grief is gericht, wordt ook in hoger beroep van de toepasselijkheid van Nederlands recht uitgegaan.

3.7.

De grieven van de man betreffen de ingangsdatum (die het hof zal benoemen als grief 3) en de behoefte van de kinderen (door het hof benoemd als grief 4).

De grieven van de vrouw betreffen de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie tot 1 maart 2015 (grief I) en de draagkracht van de man met ingang 1 maart 2015 (grief II).

Ingangsdatum (grief 3 van de man)

3.8.1.

Tussen partijen is in geschil op welke datum de onderhoudsbijdrage moet ingaan. De rechtbank heeft de onderhoudsbijdrage vastgesteld met ingang van 1 juli 2012.

De man stelt dat de kinderalimentatie pas in dient te gaan op de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek (8 november 2012). Hij voert daartoe aan dat hij na het feitelijk uiteengaan van partijen dubbele woonlasten had en zich (daardoor) niet op het betalen van kinderalimentatie heeft kunnen voorbereiden. De vrouw voert daartegen aan dat de man sinds het feitelijk uiteengaan van partijen (op 1 juli 2012) onderhoudsplichtig is voor de kinderen.

3.8.2.

Daaromtrent overweegt het hof als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad laat art. 1:402 BW de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) alimentatieverplichting. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het verzoekschrift en de datum van de beschikking.

Vaststaat dat partijen voorafgaand aan de echtscheiding een (vier)gesprek hebben gehad, waarbij ook de maatschappelijk werker van partijen aanwezig was. In dit gesprek is ook de kinderalimentatie aan de orde gesteld. Voorts heeft de vrouw onbetwist gesteld dat de man sedert het feitelijk uiteengaan van partijen op 1 juli 2012 iedere vorm van medewerking met betrekking tot de kosten van de kinderen heeft geweigerd. Onder die omstandigheden handhaaft het hof de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum, te weten de dag waarop partijen feitelijk uiteen zijn gegaan, zijnde 1 juli 2012. Grief 3 van de man faalt derhalve.

Behoefte kinderen (grief 4 van de man)

3.9.1.

De behoefte van de kinderen is in hoger beroep eveneens in geschil.

De rechtbank heeft de vrouw gevolgd in haar berekening van de behoefte van de kinderen van € 407,-- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en € 557,-- per maand voor [minderjarige 3] (in verband met kosten van kinderopvang ad € 150,--).

Fooien

3.9.2.

De man stelt dat de rechtbank de behoefte van de kinderen te hoog heeft vastgesteld. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte een bedrag van € 500,-- netto per maand aan fooien in aanmerking heeft genomen. De man ontving weliswaar fooien, maar niet structureel en niet in die orde van grootte. Een bedrag van € 100,-- à € 200,-- netto per maand aan fooien is al ruim ingeschat. Zes maanden van het jaar had de man alleen zijn basisinkomen. Anders dan de vrouw stelt, konden partijen van de fooien van de man niet (al) hun boodschappen contant betalen. Mogelijk zijn deze ook betaald met de (zwarte) inkomsten die de vrouw had uit haar muzieklessen of met het kasgeld uit haar onderneming.

De man heeft de behoefte van de kinderen becijferd op € 390,-- per maand.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

3.9.3.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Ofschoon het hof wil aannemen dat de man als kok in een strandpaviljoen in het hoogseizoen aanzienlijke fooien ontving en dat die wel tot een bedrag van wel € 500,-- netto per maand konden oplopen, heeft de man ter zitting van het hof onbetwist gesteld dat het strandpaviljoen in de maanden januari en februari gesloten was en daarnaast gedurende een aantal maanden alleen in de weekenden open. Het hof ziet daarin aanleiding bij het vaststellen van de behoefte van de kinderen in redelijkheid rekening te houden met een bedrag aan fooien van ongeveer € 250,-- netto per maand. De door de rechtbank gevolgde behoefteberekening wordt derhalve op dit punt gecorrigeerd, hetgeen ertoe leidt dat het hof de man volgt in zijn berekening van de behoefte van de kinderen van € 390,-- per maand. In zoverre grief slaagt grief 4 van de man.

Kinderopvang(toeslag)

3.9.4.

Ten aanzien van de behoefte van [minderjarige 3] voert de man aan dat de rechtbank deze ten onrechte heeft verhoogd met een bedrag van € 150,-- per maand voor kosten van kinderopvang. Door de kinderopvangtoeslag die de vrouw ontvangt, is de eigen bijdrage die zij voor de kinderopvang van [minderjarige 3] moet voldoen aanzienlijk lager.

3.9.5.

Het hof overweegt als volgt. Uit het jaaroverzicht kinderopvang 2014 en de definitieve berekening toeslagen over 2014 is gebleken dat de eigen bijdrage van de vrouw voor kinderopvang in dat jaar per saldo een bedrag van (afgerond) € 50,-- per maand bedroeg. Dit betrof de opvang van [minderjarige 2] gedurende de maanden januari tot en met augustus en de opvang van [minderjarige 3] gedurende het gehele jaar. Blijkens het jaaroverzicht kinderopvang 2015 en de definitieve berekening toeslagen over 2015 volgt een eigen bijdrage van de vrouw voor kinderopvang betreffende alleen [minderjarige 3] van (afgerond) € 43,--. Gelet hierop zal het hof de behoefte van [minderjarige 3] met dit bedrag verhogen, waardoor haar behoefte uitkomt op een bedrag van (390 + 43 =) € 433,--. Ook in zoverre slaagt grief 4 van de man.

Omdat een wijziging van de behoefte van de kinderen gevolgen heeft voor de kinderalimentatie, zal het hof, met inachtneming van het voorgaande, de kinderalimentatie opnieuw vaststellen aan de hand van de door de rechtbank gehanteerde draagkrachtberekeningen.

Periode vanaf 1 juli 2012 tot 1 maart 2013

3.10.

Gelet op het voorgaande behoeft de draagkrachtberekening van de rechtbank voor de periode vanaf 1 juli 2012 een correctie op het punt van de behoefte van de kinderen. Zoals hiervoor overwogen bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 390,-- per maand (rov. 3.9.3.) en de behoefte van [minderjarige 3] € 433,-- per maand (rov. 3.9.5.).

Omdat de rechtbank bij het inkomen van de man rekening heeft gehouden met door de man ontvangen fooien van € 500,-- netto per maand, dient, gelet op hetgeen hiervoor in rov. 3.9.3. is overwogen, de draagkrachtberekening ook op dit punt te worden gecorrigeerd. Het hof becijfert de draagkracht van de man op € 254,-- per maand.

De voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beschikbare draagkracht van de man bedraagt dan (390/1213) x 254 = € 82,-- per kind per maand; de voor [minderjarige 3] beschikbare draagkracht van de man bedraagt (433/1213) x 254 = € 91,-- per maand.

Het hof zal de door de man met ingang van 1 juli 2012 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op genoemde bedragen vaststellen.

Periode vanaf 1 maart 2013 tot 1 maart 2015

3.11.

Per 1 januari 2013 bedraagt de naar analogie van art. 1:402a lid 1 BW geïndexeerde behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (afgerond) € 397,-- per maand en van [minderjarige 3] (afgerond) € 440,-- per maand.

Het relevante NBI van de man becijfert het hof op basis van de door de rechtbank in aanmerking genomen gegevens op (2704 – 250 (fooien) =) € 2.454,-- per maand. De draagkracht van de man bedraagt dan (afgerond) € 607,-- per maand. Blijkens de (op dit punt niet betwiste) draagkrachtberekening van de rechtbank bedraagt de draagkracht van de vrouw € 730,-- per maand.

Met ingang van deze periode is voorts van belang dat [minderjarige 1] (in februari 2013) bij de man is gaan wonen. De man heeft (ook in hoger beroep) geen verzoek gedaan tot het vaststellen van een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Wel heeft de man ter zitting van het hof naar voren gebracht dat bij de vaststelling van de kinderalimentatie voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ten onrechte voorbij wordt gegaan aan (zijn aandeel in) de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] .

Het hof zal, evenals de rechtbank heeft gedaan, het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] in de (navolgende) draagkrachtberekeningen betrekken door de draagkracht van de man over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verdelen naar rato van hun behoefte. Daarentegen zal het hof de draagkracht van de vrouw naar rato van hun behoefte (alleen) verdelen over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , nu de man onbetwist heeft gesteld dat de vrouw financieel niet bijdraagt voor [minderjarige 1] , zodat het hof ervan uitgaat dat zij haar volledige draagkracht voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kan aanwenden.

De voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beschikbare draagkracht van de man bedraagt in deze periode (397/1234) x 607 = € 195,-- per kind per maand; de voor [minderjarige 3] beschikbare draagkracht bedraagt (440/1234) x 607 = € 216,-- per maand.

De voor [minderjarige 2] beschikbare draagkracht van de vrouw bedraagt (397/837) x 730 = € 346,-- per maand; de voor [minderjarige 3] beschikbare draagkracht bedraagt (440/837) x 730 = € 384,-- per maand.

Op basis van het vorenstaande komt het hof tot de volgende verdeling van de kosten voor [minderjarige 2] over beide ouders:

het eigen aandeel van de man bedraagt:

(draagkracht man) 195 / (totale draagkracht) 541 x (aandeel ouders kosten [minderjarige 2] ) 397 = € 143,--

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt:

(draagkracht vrouw) 346 / (totale draagkracht) 541 x (aandeel ouders kosten [minderjarige 2] ) 397 = € 254,--

samen € 397,--

Van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige 2] komt een gedeelte van € 143,-- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 254,-- per maand voor rekening van de vrouw.

Voor [minderjarige 3] becijfert het hof de verdeling van de kosten over beide ouders als volgt:

het eigen aandeel van de man bedraagt:

(draagkracht man) 216 / (totale draagkracht) 600 x (aandeel ouders kosten [minderjarige 3] ) 440 = € 158,--

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt:

(draagkracht vrouw 384 / (totale draagkracht) 600 x (aandeel ouders kosten [minderjarige 3] ) 440 = € 282,--

samen € 440,--

Van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige 3] komt een gedeelte van € 158,-- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 282,-- per maand voor rekening van de vrouw.

Het hof houdt net als de rechtbank rekening met een zorgkorting van 25%. Nu het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige 2] (397) en [minderjarige 3] (440) € 837,-- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van (99 + 110 =) € 209,-- per maand.

Het hiervóór berekende eigen aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag.

Het hof stelt de door de man per 1 maart 2013 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] derhalve vast op (143 – 99 =) € 44,-- per maand en de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 3] op (158 – 110 =) € 48,-- per maand.

3.12.

Uit het voorgaande vloeit voort dat grief I van de vrouw, voor zover zij daarmee bedoelt te stellen dat de door de man te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding dienen te worden vastgesteld overeenkomstig de (hogere) uitkomsten van de draagkrachtberekeningen van de rechtbank, niet slaagt.

Periode met ingang van 1 maart 2015 (grief II van de vrouw)

3.13.1.

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van het nieuwe, lagere, inkomen van de man sinds 1 maart 2015. De keuze van de man om naar een andere werkgever te gaan, dient voor zijn rekening en risico te blijven. Bovendien is er bij de nieuwe werkgever ook helemaal geen sprake van een lager inkomen omdat een deel van zijn salaris zwart wordt uitbetaald. Ook bij de nieuwe werkgever moet rekening gehouden worden met fooien ter hoogte van een bedrag van € 500,-- per maand. In de praktijk werkt de man namelijk niet slechts parttime maar (meer dan) fulltime.

De man betwist de stellingen van de vrouw.

3.13.2.

Het hof volgt de rechtbank in haar oordeel dat uitgegaan moet worden van het nieuwe inkomen van de man bij Stadscafé [stadscafé] en PostNL. De stelling van de man dat hij van baan is veranderd omdat de vrouw wilde dat hij in het weekend beschikbaar zou zijn voor de kinderen is door de vrouw ook in hoger beroep niet weersproken. Ook zal het hof evenals de rechtbank in redelijkheid uitgaan van een door de man te ontvangen bedrag aan fooien van € 250,-- netto per maand. Het hof verwerpt grief II van de vrouw.

3.13.3.

Gezien de hiervóór gewijzigde behoefte van de kinderen, zal het hof ook voor de periode met ingang van 1 maart 2015 de kinderalimentatie opnieuw vaststellen. Zijdens de vrouw is ter zitting van het hof verzocht daarbij de jaaropgaven van de vrouw, zoals overgelegd bij voormeld V6-formulier van 13 september 2017, tot uitgangspunt te nemen. Het hof volgt de vrouw daarin niet, nu blijkens de bij genoemd V6-formulier enige overgelegde jaaropgaaf over 2015 (van [uitzendbureau] ) haar jaarinkomen € 6.181,-- bedroeg, terwijl uit haar in eerste aanleg bij brief van 8 september 2015 overgelegde bijlagen blijkt dat zij bij [de vennootschap] gedurende (alleen al) de maanden juni tot en met augustus van 2015 een inkomen had van € 2.900,-- bruto per maand en de vrouw zelf in haar draagkrachtberekening 1e helft 2015 een bruto inkomen van € 37.584,-- tot uitgangspunt heeft genomen. Daarbij komt dat de vrouw tegen haar door rechtbank vastgestelde draagkracht geen grief heeft gericht. Het hof zal voor de vrouw daarom uitgaan van de door de rechtbank vastgestelde draagkracht van € 622,-- per maand.

Voor de man gaat het hof, nu de grief van de vrouw met betrekking tot de draagkracht van de man niet slaagt, uit van een draagkracht van € 518,-- per maand.

Per 1 januari 2015 bedraagt de geïndexeerde behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (afgerond) € 413,-- per maand en van [minderjarige 3] (afgerond) € 448,-- per maand.

De voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beschikbare draagkracht van de man bedraagt in deze periode (413/1274) x 518 = € 168,-- per kind per maand; de voor [minderjarige 3] beschikbare draagkracht bedraagt (448/1274) x 518 = € 182,-- per maand.

De voor [minderjarige 2] beschikbare draagkracht van de vrouw bedraagt (413/861) x 730 = € 350,-- per maand; de voor [minderjarige 3] beschikbare draagkracht bedraagt (448/861) x 730 = € 380,-- per maand.

Op basis van het vorenstaande komt het hof tot de volgende verdeling van de kosten voor [minderjarige 2] over beide ouders:

het eigen aandeel van de man bedraagt:

(draagkracht man) 168 / (totale draagkracht) 518 x (aandeel ouders kosten [minderjarige 2] ) 413 = € 134,--

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt:

(draagkracht vrouw) 350 / (totale draagkracht) 518 x (aandeel ouders kosten [minderjarige 2] ) 413 = € 279,--

samen € 413,--

Van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige 2] komt een gedeelte van € 134,-- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 279,-- per maand voor rekening van de vrouw.

Voor [minderjarige 3] becijfert het hof de verdeling van de kosten over beide ouders als volgt:

het eigen aandeel van de man bedraagt:

(draagkracht man) 182 / (totale draagkracht) 562 x (aandeel ouders kosten [minderjarige 3] ) 448 = € 145,--

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt:

(draagkracht vrouw 380 / (totale draagkracht) 562 x (aandeel ouders kosten [minderjarige 3] ) 448 = € 303,--

samen € 448,--

Van het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige 3] komt een gedeelte van € 145,-- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 303,-- per maand voor rekening van de vrouw.

Het hof houdt net als de rechtbank rekening met een zorgkorting van 15%. Nu het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige 2] (413) en [minderjarige 3] (448) € 861,-- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van (62 + 67 =) € 129,-- per maand.

Het hiervóór berekende eigen aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag.

Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] derhalve vast op (134 – 62 =) € 72,-- per maand en de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 3] op (145 – 67 =) € 78,-- per maand.

3.14.

Met ingang van 1 maart 2017 is de man bij een nieuwe werkgever begonnen. Bij voormeld V6-formulier van 15 september 2017 heeft de man salarisspecificaties van de maanden juni tot en met augustus 2017 overgelegd. Het hof ziet daarin geen aanleiding de kinderalimentatie opnieuw vast te stellen, nu extrapolatie van het maandinkomen naar een volledig jaar, daarbij opgeteld het kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop, een nagenoeg gelijk netto besteedbaar inkomen van de man laat zien.

3.15.

Nu het hof de onderhoudsverplichting met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum heeft verlaagd, dient het hof aan de hand van de ten processe gebleken feiten en omstandigheden te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Daarbij is het hof niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.

Bij de beoordeling in hoeverre van de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid terugbetaling van het teveel ontvangene kan worden verlangd, dient de rechter ook het belang van de onderhoudsplichtige om het teveel betaalde terug te krijgen in aanmerking te nemen.

Ter zitting is door de man gesteld dat hij tot op heden aan zijn bestaande alimentatieverplichtingen heeft voldaan, hetgeen door de vrouw is weersproken.

Indien en voor zover de man ten titel van kinderalimentatie teveel heeft betaald, overweegt het hof als volgt.

Gebleken is dat, behoudens in het jaar 2012, de draagkracht van de vrouw steeds hoger is geweest dan die van de man. Niet gesteld of, mede gelet op de door het hof becijferde draagkracht van de vrouw, gebleken is dat de in aanmerking te nemen belangen van de kinderen door een verplichting tot (gedeeltelijke) terugbetaling worden geschaad.

Daarentegen staat vast dat sedert 2013 de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] alleen voor rekening van de man komen en dat de draagkracht van de man niet toereikend is om daarin volledig te voorzien.

Genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, acht het hof het dan ook redelijk en billijk dat de vrouw, indien en voor zover de man over de periode vanaf 1 juli 2012 tot heden ten titel van kinderalimentatie te veel aan haar heeft betaald, zij dit aan de man zal terugbetalen dan wel zal verrekenen met de bedragen die de man uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan haar is verschuldigd.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden (grief 1 van de man)

3.16.

Krachtens art. 4 lid 3 Rv is de Nederlandse rechter bevoegd met betrekking tot het verzoek tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden Nederlands recht van toepassing is en heeft vervolgens ook Nederlands recht toegepast. Nu daartegen geen grieven zijn gericht, zal ook het hof Nederlands recht toepassen.

3.16.1.

De grief van de man keert zich tegen de door de vrouw gestelde en door de rechtbank toegewezen verrekenposten, zoals vermeld op de gezamenlijke bankrekening van partijen over de jaren 2012 tot en met 2015.

3.16.2.

De man stelt vooreerst dat de bankmutaties van voor de peildatum van 8 november 2012 niet voor verrekening in aanmerking komen.

3.16.3.

De vrouw betwist de stelling van de man. Zij voert daartoe het volgende aan.

Partijen waren het er over eens dat de man met ingang van de datum van feitelijk uiteengaan diende bij te dragen aan de helft van de woonlasten van de gemeenschappelijke woning. Dit impliceert dat de financiële huishouding gescheiden werd en ieder aldus in zijn eigen kosten zou voorzien.

Vergoeding van de door de vrouw voor de man betaalde kosten in de periode van 1 juni 2012 (zoals verzocht) tot en met 8 november 2012 is ook op grond van de redelijkheid en billijkheid aangewezen. De vrouw heeft immers meerder keren met de kinderen voor de man moeten vluchten, alvorens partijen in overleg zijn overeengekomen dat de man vervangende woonruimte zou betrekken. Overigens heeft de man ook in de periode tot 1 juni 2012 kosten gemaakt die redelijkerwijs niet voor rekening van de vrouw kunnen komen, zoals exorbitant hoge telefoonkosten als gevolg van het veelvuldig telefonisch contact met zijn toenmalige vriendin.

3.16.4.

Het hof overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat ter zake van het te verrekenen vermogen 8 november 2012 als peildatum geldt. Voor een verrekening van bankmutaties voorafgaand aan de peildatum, zoals door de vrouw verzocht, bestaat geen rechtsgrond. Van een daarop gerichte (impliciete) afspraak van partijen, zoals gesteld door de vrouw, is het hof niet gebleken. In zoverre slaagt de grief van de man.

3.16.5.

Voor zover de man zijn grief heeft gericht tegen de door de rechtbank toegewezen verrekenposten van na de peildatum (zoals opgenomen in de zijdens de vrouw als processtuk 25, bijlagen 2 tot en met 5, in het geding gebrachte overzichten), overweegt het hof als volgt.

3.16.5.1. Voor verrekening van bankmutaties die dateren van na de peildatum is plaats indien vaststaat dat het gaat om eigenaarslasten en onderhoudskosten van de (voormalige) echtelijke woning van partijen. De echtelijke woning is een eenvoudige gemeenschap. Op grond van het bepaalde in art. 3:172 BW is in beginsel ieder der partijen voor de helft draagplichtig voor de lasten met betrekking tot deze gemeenschappelijke woning. Omdat de vrouw sedert 1 juli 2012 met uitsluiting van de man de woning bewoont, komen de gebruikerslasten verbonden aan de (voormalige) echtelijke woning ten laste van de vrouw, deze komen derhalve niet voor verrekening in aanmerking.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de kosten van [installateur] , de makelaarskosten, de woonhuisverzekering en de kosten van [bedrijf] voor de helft door de man aan de vrouw dienen te worden vergoed.

Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de kosten van [bedrijf] (voor de vervanging van sloten) volledig door de man vergoed moeten worden, omdat de sloten door hem waren geforceerd, gaat het hof daaraan voorbij, nu de vrouw haar stelling tegenover de betwisting ervan door de man, onvoldoende heeft onderbouwd.

De overige kostenposten die naar de stelling van de vrouw zien op de gezamenlijke woning van partijen (waaronder de terugkerende kostenpost “ [kostenpost] ”) komen niet voor verrekening in aanmerking, nu de vrouw tegenover de betwisting van de man, onvoldoende heeft onderbouwd dat deze posten eigenaarslasten dan wel onderhoudskosten van de (voormalige) echtelijke woning betreffen.

3.16.5.2. Omdat de vrouw met ingang van 1 juli 2012 kinderalimentatie ontvangt, komen de in de overzichten opgenomen kosten ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet voor verrekening in aanmerking. De kosten van de kinderen zijn in de kinderalimentatie verdisconteerd, tenzij partijen hierover andersoortige afspraken hebben gemaakt. Weliswaar heeft de vrouw gesteld dat dergelijke afspraken zijn gemaakt maar de man heeft dat gemotiveerd betwist en de vrouw heeft terzake geen bewijsaanbod gedaan. Het hof passeert deze stellingen dan ook.

3.16.5.3. Ten aanzien van de kosten van de skivakantie van [minderjarige 1] is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat de man de helft van de kosten daarvan aan de vrouw dient te vergoeden, nu de stelling van de vrouw dat zij door de man genoodzaakt was [minderjarige 1] mee te nemen op vakantie ook in hoger beroep onvoldoende weersproken is gebleven.

3.16.5.4. Het vorenstaande leidt tot het volgende overzicht van verrekenposten:

in 2013:

- 12 april [bedrijf] , nieuwe sloten woning, (45,55:2) € 22,78

- 29 mei [installateur] , onderhoudsbeurt cv (80,09:2) € 40,05

- 4 juli en 21 november makelaardijkosten (52,88:2) € 26,44

en (99,5:2) € 49,75

- skivakantie [minderjarige 1] (488:2) € 244,--

in 2014:

- 31 jan [installateur] (40,28:2) € 20,14

- 29 mei [installateur] (80,09:2) € 40,05

- 11 augustus makelaardij [makelaar] (155:2) € 77,50

- 18 aug [verzekeringen] verzekeringen (114,2:2)

(woonhuisverzekering) € 57,10

in 2015:

- 14 feb [bedrijf] (36,78) € 18,39

- 20 juni [installateur] (40,28:2) € 20,14

totaal € 616,34

3.16.6.

In totaal dient de man aan de vrouw ter zake van “te verrekenen kosten” (rov. 2.7.16 tot en met 2.7.20 van de bestreden beschikking) een bedrag van € 616,34 te voldoen.

Grief 1 van de man slaagt gedeeltelijk.

Hypotheeklasten (incidenteel appel vrouw)

3.17.1.

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte het bedrag dat de man aan de vrouw verschuldigd is in verband met de hypotheeklasten op € 7.011,-- heeft vastgesteld. De hypotheeklasten betreffen een bedrag van (17 x 825,83 = 14.039,11:2 =) € 7.019,56.

3.17.2.

Het hof zal conform het verzoek van de vrouw het bedrag dat de man aan de vrouw verschuldigd is in verband met de hypotheeklasten vaststellen op € 7.019,56 bruto, nu de juistheid van deze door de vrouw gemaakte berekening door de man niet is betwist.

Bankrekeningen kinderen (grief 2 van de man)

3.18.1.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om de helft van het spaargeld van de kinderen te mogen beheren, heeft afgewezen. Ter toelichting voert de man het volgende aan.

De vrouw heeft bij aanvang van de echtscheiding het spaarbedrag van de kinderen overgemaakt naar nieuwe bankrekeningen, waardoor de man geen enkel zicht heeft op de spaargelden van de kinderen. De vrouw heeft wel gesteld dat zij de man zal informeren over het verloop daarvan, maar de man heeft daarover nog geen informatie ontvangen. De man wil de helft van het aanwezige spaargeld van de kinderen zelf gaan beheren.

3.18.2.

De vrouw voert hiertegen het volgende aan.

Het verdelen van de saldi van de bankrekeningen van de kinderen is niet in hun belang. De man kan niet met geld omgaan. De vrouw kan de financiën van de kinderen uitstekend beheren en de vrouw zal hem ieder jaar informeren over de stand van zaken met betrekking tot de bankrekeningen van de kinderen. Daarbij komt dat de bankrekeningen van de kinderen geen deel uitmaken van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

3.18.3.

Het hof overweegt als volgt.

De spaargelden van de kinderen behoren aan de kinderen toe en kunnen derhalve niet in de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden worden betrokken. Wel kunnen ingevolge art. 1:253a lid 1 BW geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, waaronder het beheer van de spaarrekeningen van de kinderen, aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Nu de vrouw sedert het uiteengaan van partijen het beheer heeft gehad over de spaargelden van de kinderen, zal het hof bepalen dat de vrouw jaarlijks en met terugwerkende kracht tot 2012 door middel van verificatoire bescheiden aan de man inzage geeft in het verloop van en het beheer over de spaartegoeden van de kinderen. Het hof acht het voorts het meest in het belang van de kinderen dat de vrouw het beheer voert over de spaarrekeningen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en dat de man het beheer voert over de spaarrekening van [minderjarige 1] . Het hof zal de vrouw gelasten het spaartegoed van [minderjarige 1] vóór 1 december 2017 aan de man ter beschikking te stellen, zodat de man het beheer daarover kan gaan voeren. Voorts zal het hof bepalen dat beide partijen elkaar jaarlijks inzicht geven over de door ieder van hen beheerde spaarrekeningen van de kinderen.

3.19.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 1 juni 2016, voor zover het betreft de zorgregeling, de kinderalimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen op de wijze als weergegeven onder rov. 2.7.10. en 2.7.16 tot en met 2.7.21 van die beschikking;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen met betrekking tot [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] en [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , de volgende regeling vast:

de kinderen verblijven bij de man:

- eenmaal per veertien dagen een weekend, van vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd;

- gedurende de vakanties volgens de regeling als weergegeven in rov. 3.5.3. tot en met 3.5.5.;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , voor de periode van 1 juli 2012 tot 1 maart 2013 op € 82,-- per maand;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] :

- voor de periode van 1 juli 2012 tot 1 maart 2013 op € 82,-- per maand;

- voor de periode van 1 maart 2013 tot 1 maart 2015 op € 44,- per maand;

- voor de periode met ingang van 1 maart 2015 op € 72,-- per maand,

voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 3] :

- voor de periode van 1 juli 2012 tot 1 maart 2013 op 91,-- per maand;

- voor de periode van 1 maart 2013 tot 1 maart 2015 op € 48,-- per maand;

- voor de periode met ingang van 1 maart 2015 op € 78,-- per maand,

voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

met dien verstande dat, indien en voor zover de man over de periode vanaf 1 juli 2012 tot heden ten titel van kinderalimentatie teveel aan de vrouw heeft betaald, zij dit aan de man zal terugbetalen dan wel zal verrekenen met de bedragen die de man uit hoofde van de

afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan haar is verschuldigd;

gelast de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen op de wijze als weergegeven onder rov. 3.16.3. tot en met 3.16.5. en 3.17.2.;

bepaalt dat de vrouw jaarlijks en met terugwerkende kracht tot 2012 door middel van verificatoire bescheiden aan de man inzage geeft over het verloop van en het beheer over de spaartegoeden van de kinderen;

gelast de vrouw het spaartegoed van [minderjarige 1] vóór 1 december 2017 aan de man ter beschikking te stellen, zodat de man het beheer daarover kan gaan voeren;

gelast dat partijen elkaar jaarlijks door middel van verificatoire bescheiden inzage geven in de door ieder van hen beheerde spaarrekeningen van de kinderen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, J.C.E. Ackermans-Wijn en H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2017.