Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4631

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2017
Datum publicatie
26-10-2017
Zaaknummer
20-000696-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:1610, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schietincident in café in Breda. Veroordeling tot 8 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging ter zake onder meer twee maal poging tot moord. Overwegingen m.b.t. opzet en voorbedachten rade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-000696-15

Uitspraak: 26 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-

West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 februari 2015 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-800974-13 en 02-665673-14, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

thans verblijvende in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
- de verdachte zal vrijspreken van het in de zaak met parketnummer 02-800974-13 onder 1 primair (poging tot moord) ten laste gelegde,
- bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte in de zaak met parketnummer 02-800974-13 onder 1 primair (impliciet subsidiair poging tot doodslag) en 2 primair (poging tot moord) en in de zaak met parketnummer 02-665673-14 onder 1 en 2 ten laste is gelegd en
- verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest.
Daarnaast heeft de advocaat-generaal de terbeschikkingstelling van verdachte met verpleging van overheidswege gevorderd en onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen voorwerpen.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] geheel zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.776,44, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep:
- vrijspraak bepleit van de in de zaak met parketnummer 02-800974-13 onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde poging tot moord dan wel poging tot doodslag en

- zich gerefereerd ten aanzien van de bewezenverklaring van hetgeen in de zaak met parketnummer 02-800974-13 onder 1 subsidiair en 2 subsidiair (met uitzondering van de voorbedachten rade) ten laste is gelegd en de in de zaak met parketnummer 02-665673-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.


Met betrekking tot de op te leggen straf en/of maatregel heeft de raadsman primair aangevoerd dat dient te worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf en subsidiair het verzoek gedaan om een gevangenisstraf in combinatie met de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het beslag en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 02-800974-13:

1.
hij op of omstreeks 19 oktober 2013 te Breda ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven, met dat opzet, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen in het been, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 19 oktober 2013 te Breda aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken bovenbeen) heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een vuurwapen in zijn been, althans zijn lichaam, te schieten;

2.
hij op of omstreeks 19 oktober 2013 te Breda ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

- in café [naam] onenigheid/ruzie met die [slachtoffer 1] heeft gehad en/of (vervolgens)

- café [naam] is uitgezet/heeft verlaten en/of (vervolgens)

- een vuurwapen heeft gehaald en/of (vervolgens)

- met een vuurwapen is teruggegaan naar café [naam] en/of (vervolgens)

- met dat vuurwapen naar binnen is gegaan bij café [naam] en/of (vervolgens)

- met dat vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 19 oktober 2013 te Breda ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

- in café [naam] onenigheid/ruzie met die [slachtoffer 1] heeft gehad en/of (vervolgens)

- café [naam] is uitgezet/heeft verlaten en/of (vervolgens)

- een vuurwapen heeft gehaald en/of (vervolgens)

- met een vuurwapen is teruggegaan naar café [naam] en/of (vervolgens)

- met dat vuurwapen naar binnen is gegaan bij café [naam] en/of (vervolgens)

- met dat vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak met parketnummer 02-665673-14:

1.
hij op of omstreeks 4 februari 2013 te Vianen een of meer wapen(s) van

categorie III als bedoeld in de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool (merk Umarex, model Walther P22), en/of munitie van categorie III, te weten 8, althans een of meer scherpe patro(o)n(en), voorhanden heeft gehad;


2.
hij op of omstreeks 19 januari 2013 te Nieuwegein een of meer perso(o)n(en) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, uit zijn kleding gepakt en/of vervolgens met dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gezwaaid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 02-800974-13 onder 1 primair en 2 primair en in de zaak met parketnummer 02-665673-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 02-800974-13:

1.

hij op 19 oktober 2013 te Breda ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk, met voorbedachten rade, van het leven te beroven, met dat opzet, na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen in het been van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 19 oktober 2013 te Breda ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- in café [naam] onenigheid met die [slachtoffer 1] heeft gehad en vervolgens

- café [naam] heeft verlaten en vervolgens

- een vuurwapen heeft gehaald en vervolgens

- met een vuurwapen is teruggegaan naar café [naam] en vervolgens

- met dat vuurwapen naar binnen is gegaan bij café [naam] en vervolgens

- met dat vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak met parketnummer 02-665673-14:

1.

hij op 4 februari 2013 te Vianen een wapen van categorie III als bedoeld in de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool (merk Umarex, model Walther P22), en munitie van categorie III, te weten 8 scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 19 januari 2013 te Nieuwegein personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, uit zijn kleding gepakt en vervolgens met dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp gezwaaid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

In de zaak met parketnummer 02-800974-13

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat integrale vrijspraak dient te volgen voor wat betreft het onder 1 primair (zowel poging tot moord als poging tot doodslag van [slachtoffer 2] ) en onder 2 primair (zowel poging moord als poging doodslag van [slachtoffer 1] ) ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman – als verwoord in de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitaantekeningen – het volgende verweer gevoerd.

Opzet op de levensberoving

Door de raadsman is in dit kader – kort gezegd – aangevoerd dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte met het wapen heeft gericht en geschoten op de benen van [slachtoffer 1] , en daarbij per abuis [slachtoffer 2] heeft geraakt, zodat geen sprake kan zijn geweest van opzet op de levensberoving van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , ook niet in voorwaardelijke zin.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Door verdachte wordt erkend dat hij op 19 oktober 2013 in café [naam] te Breda met een vuurwapen in de richting van het lichaam van aangever [slachtoffer 1] heeft geschoten, waarbij de naast hem staande [slachtoffer 2] is geraakt. Het hof ziet zich thans gesteld voor de vraag of verdachte met dit handelen het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat op 19 oktober 2013 omstreeks 01:16 uur een schietincident heeft plaatsgevonden in café [naam] te Breda. Bij een confrontatie tussen verdachte en aangever [slachtoffer 1] omstreeks 00.30 uur die avond in voornoemd café is door [slachtoffer 1] geweld gebruikt tegen verdachte en is, naar het hof wel wil aannemen, nadien op de binnenplaats van het café nogmaals geweld gebruikt in de richting van verdachte. Vervolgens is verdachte vertrokken en omstreeks 00.48 uur met de auto weggereden.

De verdachte is, naar eigen zeggen, hierop naar het huis van een vriend van hem gereden en heeft aldaar een vuurwapen opgehaald dat verstopt lag in de tuin. De verdachte is vervolgens, na ongeveer 25 minuten, teruggekomen bij café [naam] . Om 01:16:39 uur stond verdachte bij de ingang van het café met het vuurwapen in zijn broeksband. Het wapen was op dat moment doorgeladen. De verdachte is na kort contact met de beveiliger van het café naar binnen gelopen, heeft staande in het gangpad het wapen gepakt, zijn arm naar voren gestrekt in de richting van [slachtoffer 1] , die op circa zes meter van hem vandaan op een kleine verhoging naast het gangpad stond, terwijl zich op dat moment in het gangpad meerdere personen bevonden en direct daarna – om 01:16:51 uur – een schot gelost. Hierbij heeft verdachte aangever [slachtoffer 2] , die vlakbij [slachtoffer 1] in het gangpad stond met zijn rug naar verdachte toe, in het linker bovenbeen geraakt. Uit de medische verklaring betreffende het bij [slachtoffer 2] aangetroffen letsel blijkt dat sprake is van een schotwond met een in- en uitschotopening in het linker bovenbeen en een breuk in het linker bovenbeen.

Het hof oordeelt op basis van het vorenstaande dat het op betrekkelijk korte afstand met een vuurwapen schieten in de richting van een persoon in een vol café, terwijl andere personen zich in de directe nabijheid daarvan bevinden, naar uiterlijke verschijningsvorm zodanig is gericht op het doden van die perso(o)n(en) dat verdachte – minst genomen – de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van deze perso(o)n(en) bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties die aan dit oordeel in de weg zouden staan is het hof niet gebleken.

Bij dat oordeel neemt het hof in aanmerking dat verdachte, naar eigen zeggen, als ongetraind schutter moet worden aangemerkt en dat hij zonder gebruikmaking van enig richtmiddel met een doorgeladen vuurwapen (waarmee hij naar eigen zeggen niet eerder had geschoten) heeft geschoten in de richting van een persoon/personen in een café. Daarmee heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat de afgevuurde kogel iemand anders ( [slachtoffer 2] ) kan treffen, dan wel iemand op een andere plaats kan treffen. Dat de dood van een van deze personen niet is ingetreden, is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van de verdachte.

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat door verdachte bewust op de benen van [slachtoffer 1] is gericht en daarmee geen sprake is geweest van opzet op de levensberoving van [slachtoffer 1] .

Het hof stelt op grond van eigen waarneming (videobeelden) ter terechtzitting vast dat verdachte ten tijde van het lossen van het schot het wapen naar voren heeft gericht, ongeveer ter hoogte van het middel van de mensen rondom het latere slachtoffer en het beoogde slachtoffer en zijn arm waarmee het wapen werd vastgehouden, geheel gestrekt had.

Mogelijk kan vanuit de hoge camerapositie een iets vertekend beeld zijn ontstaan over de hoogte waarop het wapen werd vastgehouden, maar het hof stelt vast dat voldoende hoog werd gericht om vitale delen in het lichaam te raken, zoals een liesslagader of, in het geval mensen uit paniek zouden hebben gebukt, vitale slagaders in de (onder)buik.
Bovendien was bij het slachtoffer [slachtoffer 2] sprake van een doorschot, hetgeen betekent dat verdachte ook andere personen had kunnen raken.

Mede gezien de – hiervoor weergegeven – omstandigheid dat verdachte als ongetraind schutter moet worden aangemerkt en dat hij zonder gebruikmaking van enig richtmiddel met een doorgeladen vuurwapen (waarmee hij naar eigen zeggen niet eerder had geschoten) heeft geschoten in de richting van meerdere personen in een café, maakt dat het hof aan het aangevoerde verweer voorbij gaat.

Door onder de genoemde omstandigheden op de geschetste wijze te schieten heeft verdachte naar de mening van het hof immers bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij het latere slachtoffer en het beoogde slachtoffer aanvaard.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte – minst genomen – het voorwaardelijk opzet heeft gehad op zowel de dood van [slachtoffer 1] als van [slachtoffer 2] .

Voorbedachten rade

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat, indien het hof wettig en overtuigend bewezen verklaard dat verdachte het opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te doden, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, omdat hij heeft gehandeld vanuit een opkomende drift of ogenblikkelijke gemoedsopwelling. In dit kader heeft de raadsman een opsomming gegeven van contra-indicaties, waaruit zou blijken dat niet met voorbedachten rade is gehandeld, te weten:

a. a) de omstandigheid dat verdachte voorafgaand aan de schietpartij door [slachtoffer 1] en anderen is mishandeld en bedreigd;

b) de verklaring van verdachte dat hij het wapen heeft opgehaald met de intentie om [slachtoffer 1] te bedreigen. Dat verdachte uiteindelijk toch heeft geschoten, is het gevolg geweest van een opkomende gemoedsbeweging toen verdachte en [slachtoffer 1] opnieuw een aanvaring kregen, terwijl hij direct na het eerste schot bij zinnen kwam en daarna niet meer heeft geschoten;

c) de omstandigheid dat er een non-verbale confrontatie plaatsvond tussen verdachte en [slachtoffer 1] en er zodoende enige tijd zat tussen binnenkomst in het café en het schieten, hetgeen de verklaring van verdachte ondersteunt dat sprake was van een opkomende gemoedsbeweging;

d) de omstandigheid dat verdachte, gelet op zijn gemoedstoestand als gevolg van de eerdere mishandeling en bedreiging, geen effectieve gelegenheid heeft gehad om na te denken en zich rekenschap te geven van de gevolgen van zijn handelen.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachten rade moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Of voorbedachten rade bewezen kan worden verklaard, hangt sterk af van de vraag of de hiervoor bedoelde gelegenheid tot beraad heeft bestaan en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

Daarbij gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het hof het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van handelen met voorbedachten rade door de verdachte stelt het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat verdachte eerder die avond, na een gewelddadige confrontatie met [slachtoffer 1] , het café [naam] heeft verlaten. De verdachte is, naar eigen zeggen, vervolgens naar het huis van een vriend gegaan om een wapen te halen. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het wapen verstopt lag in de tuin van zijn vriend. Hij heeft op de middag van zijn verjaardag (het hof begrijpt de middag van 18 oktober 2013) in het bijzijn van die vriend naar het wapen gekeken en gezien dat het wapen een vol magazijn had. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij wist dat er een kogel in de kamer zat en dat het wapen doorgeladen was. Het hof leidt uit de verklaring van verdachte af dat hij dit gecontroleerd heeft toen hij het wapen ophaalde. Na ongeveer een half uur is verdachte met medeneming van het doorgeladen wapen teruggekomen bij café [naam] om [slachtoffer 1] aldaar te treffen. Bij de ingang is verdachte aangesproken door de beveiliger van het café, heeft verdachte desgevraagd geantwoord dat hij rustig was, waarna hij met het wapen in zijn broeksband naar binnen is gelopen. Bij het naar binnen gaan heeft verdachte een gebaar gemaakt richting [slachtoffer 1] dat hij naar buiten moet komen. Op het moment dat [slachtoffer 1] laat blijken dat hij niet naar buiten komt, heeft verdachte het doorgeladen wapen gepakt en het in een vloeiende beweging gericht in de richting [slachtoffer 1] en de directe omstanders rond [slachtoffer 1] ; vervolgens heeft verdachte de trekker overgehaald.

Tijdens zijn verhoor bij de politie op 20 oktober 2013 heeft verdachte op de vragen van de verbalisanten waarom hij het wapen is gaan halen en waarom hij naar het café is teruggegaan, geantwoord (dossierpagina 319):

Om het op te lossen met die man waar ik zo bang van was. (…)

Ik wilde hem dood knallen. (…) Ik haalde het wapen niet om in de lucht te schieten. Ik ging daar naar toe om hem dood te maken omdat hij mijn dochter en mijn moeder had bedreigd.”

Anders dan de verdediging en de verdachte, die hierover heeft verklaard dat dit een hele domme en emotionele verklaring is geweest, ziet het hof geen aanleiding om deze verklaring niet tot het bewijs te bezigen.

Uit voorgaande feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte niet alleen met een vooropgezet plan opnieuw de confrontatie met [slachtoffer 1] heeft opgezocht, maar dat hij tevens voldoende de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en dat hij zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven.

Mede gelet op het tijdsverloop dat is verstreken tussen het moment dat de verdachte het café is uitgegaan, en daar weer is teruggekomen en [slachtoffer 1] heeft aangetroffen, heeft hij voldoende tijd gehad om zich te beraden. Het hof gaat ervan uit dat dit nadenken en beraden ook daadwerkelijk is gebeurd, gelet op de handelingen die verdachte heeft verricht nadat hij café [naam] voor de eerste keer heeft verlaten. Aan het onderzoek ter terechtzitting kan het hof geen feiten of omstandigheden ontlenen die daarvoor een contra-indicatie zouden zijn. De door de raadsman aangevoerde omstandigheden, die hij als contra-indicaties aanmerkt, maken dat niet anders.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte – onder de gegeven omstandigheden – voorts niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of naar aanleiding van een plots opkomende drift nadat hij was teruggekeerd in café [naam] . Tekenend daarvoor acht het hof een passage uit de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, te weten: “Ik wist heel goed wat ik deed.”

Dat verdachte slechts één kogel heeft afgevuurd en daarna bij zinnen zou zijn gekomen, brengt het hof niet tot het oordeel dat hij niet met voorbedachten rade heeft gehandeld. Dat het bij één schot is gebleven is eerder te danken aan het feit dat verdachte direct door een beveiliger in de nek is gegrepen en overmeesterd.

Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte aldus met voorbedachten rade [slachtoffer 1] heeft getracht van het leven te beroven.

Ten aanzien van de vraag of verdachte tevens met voorbedachten rade heeft gehandeld in de richting van aangever [slachtoffer 2] overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt voorop dat voorbedachten rade, gezien de invulling die aan dit bestanddeel in de jurisprudentie wordt gegeven, in beginsel een objectieve strafverzwarende omstandigheid betreft welke naast het tevens vereiste opzettelijk handelen van de verdachte invulling geeft aan het in het onderhavige geval aan de orde zijnde delict (poging tot) moord.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het, zoals hiervoor al overwogen, om de afweging of de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dit betreft bij uitstek een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter.

Dat de verdachte niet de bedoeling had om het latere slachtoffer te raken, kan onder omstandigheden enkel het vereiste opzet beïnvloeden, maar niet de tevens vereiste voorbedachte raad. In het voorgaande is reeds vastgesteld dat de verdachte gezien de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder hij heeft gehandeld bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij het latere slachtoffer en het beoogde slachtoffer heeft aanvaard. Dat het schot niet bedoeld was voor het latere slachtoffer, dan wel verkeerd was gericht en ongelukkigerwijs een ander dan het beoogde slachtoffer heeft geraakt, heeft gezien de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder verdachte heeft gehandeld, niet tot het oordeel geleid dat in casu geen sprake was van opzettelijk handelen. Dit laat onverlet dat volgens het hof gezien de genoemde omstandigheden ook sprake is geweest van voorbedachten rade ten aanzien van het latere slachtoffer [slachtoffer 2] .

Het hof acht daarmee eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad heeft geprobeerd [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Het hof verwerpt de verweren van de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 02-800974-13 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord.

Het in de zaak met parketnummer 02-800974-13 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord.

Het in de zaak met parketnummer 02-665673-14 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 02-665673-14 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

Straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de omstandigheid dat het bij het in de zaak met parketnummer 02-800974-13 bewezen verklaarde gaat om twee maal een poging tot moord, waarbij verdachte met een vuurwapen een café vol publiek is binnengegaan, in de richting van het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft geschoten en daarbij het slachtoffer [slachtoffer 2] in zijn bovenbeen heeft geraakt;

- de mate waarin door het feit het leven en de lichamelijke gezondheid van de slachtoffers alsmede het overige in het café aanwezig publiek in gevaar is gebracht;

- de omstandigheid dat slachtoffers als gevolg van een feit als het bewezen verklaarde nog langdurig last kunnen hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid, waarvan in de onderhavige strafzaak ook is gebleken;

- de omstandigheid dat verdachte zich daarnaast in de zaak met parketnummer
02-665673-14 schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en scherpe patronen, alsmede aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

21 september 2017, waaruit blijkt dat hij eerder ter zake strafbare feiten is veroordeeld;

- een rapport van Reclassering Nederland d.d. 22 januari 2014 omtrent de persoon van verdachte;

- een rapport Pro Justitia, psychologisch onderzoek, opgemaakt door psycholoog

drs. I.J.G.P. Neissen d.d. 18 december 2013;

- een rapport Pro Justitia, psychiatrisch onderzoek, opgemaakt door psychiater

drs. E.D.M. Masthoff d.d. 28 november 2013;

- een rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Pieter Baan Centrum, opgemaakt door psychiater F.R. Kruisdijk en

GZ-psycholoog A. de Jong, d.d. 27 januari 2015;

- een rapport van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum, opgemaakt door psychiater in opleiding L.J.H. Kuipers, onder supervisie van F.R. Kruisdijk, psychiater, en GZ-psycholoog A. de Jong, in samenwerking met E.J. Muller, klinisch psycholoog, d.d. 4 januari 2017;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze door en namens verdachte ter terechtzitting naar voren zijn gebracht.

Alles overziende is het hof van oordeel dat een veroordeling tot een gevangenisstraf van acht jaren met aftrek van voorarrest, zoals door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden is.

Maatregel

Door de verdediging is voor wat betreft de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling primair aangevoerd dat op basis van de in het dossier aanwezige rapportages niet worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het begaan van de feiten leed aan een ziekelijke stoornis dan wel een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Subsidiair is verzocht om een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Ten aanzien van het subsidiair gevoerde verweer van de verdediging overweegt het hof het volgende.

Op grond van artikel 38, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zoals die bepaling thans luidt, kan de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden niet worden gecombineerd met een vrijheidsstraf waarvan de duur meer dan vijf jaren bedraagt.

Nu het hof een gevangenisstraf van langere duur passend en geboden acht, behoort oplegging van terbeschikkingstelling met voorwaarden in deze zaak niet tot de mogelijkheden.

Het hof zal, zoals hierna wordt gemotiveerd en in aanmerking genomen de duur van de op te leggen gevangenisstraf, na te melden maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging gelasten.

Met betrekking tot het opleggen van deze maatregel stelt het hof het volgende voorop.

Ingevolge artikel 37a Sr kan een verdachte, bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, en tegen wie zoals hier doodslag bewezen wordt verklaard, op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist.

Ingevolge artikel 37b Sr kan de rechter bevelen dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd, indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.

Bij het opleggen van na te melden maatregel heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het voormelde op 4 januari 2017 door deskundigen van het NIFP uitgebrachte rapport dat – onder meer, zakelijk weergegeven – inhoudt als bevindingen en conclusies van de rapporteurs:

“Bij betrokkene kan gesproken worden van meervoudige psychiatrische problematiek.

In diverse onderzoeken komt naar voren dat er sprake zou zijn van een beneden-gemiddelde intelligentie en wordt betrokkene op zwakbegaafd niveau getest met een opmerkelijk disharmonisch intelligentie-profiel.

Uit het cognitieve testonderzoek blijkt nu wederom dat er sprake is van een disharmonisch intelligentie-profiel ten gunste van de verbale vermogens. Betrokkene functioneert verbaal op de grens van een zwakbegaafd niveau terwijl hij performaal daar ver beneden scoort. De zwakke performale vermogens beperken betrokkene in het dagelijks functioneren. Zo zal hij veel moeite hebben met planning en organisatie, zich moeilijk kunnen focussen, moeite hebben met veranderingen en het reguleren en controleren van impulsen.

Concluderend wordt dan ook gesteld dat er bij betrokkene sprake is van een cognitieve stoornis NAO.

Al op jonge leeftijd is er bij betrokkene sprake van gedragsproblematiek en worden er psychopatische en antisociale trekken vastgesteld.

De voorgeschiedenis van betrokkene kenmerkt zich, als genoemd, door een criminele levensstijl. Er tekent zich al langer een patroon af van gebrek aan achting voor, en schending van de rechten van derden, waarbij egocentrisme, een opgeblazen zelfgevoel, gebrek aan empathie en impulsiviteit worden beschreven. Betrokkene is in staat zich sociaal wenselijk voor te doen en stelt zich niet open voor de gedrag-beïnvloedende behandeling. Er is bij betrokkene sprake van een externaliserende en bagatelliserende houding, hij is geneigd crimineel gedrag te normaliseren en schuld- en spijtgevoelens van betrokkene worden niet als doorleefd ervaren.

Betrokkene disfunctioneert op meerdere levensgebieden waaronder op het gebied van werk, opleiding en het onderhouden van relaties. Plannen voor de toekomst lijken niet consistent of onderbouwd. Betrokkene heeft zich al vanaf jonge leeftijd schuldig gemaakt aan pluriforme criminaliteit en is niet in staat geweest buiten de criminaliteit een stabiel, zelfvoorzienend leven te leiden.

Concluderend kan dan ook gesteld worden dat er bij betrokkene sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met psychopathiforme trekken welke ten tijde van een psychose versterkt aanwezig zijn.

Er was ten tijde van het ten laste gelegde (cursivering hof) sprake van cannabismisbruik. Ook was er sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en genoemde cognitieve beperkingen.

Vanuit gedragsdeskundig oogpunt kunnen algemene uitspraken worden gedaan ten aanzien van het risico op geweldsdelicten in de toekomst. Zo kan gesteld worden dat de bij betrokkene vastgestelde combinatie van persoonlijkheidsproblematiek, het middelengebruik en de psychotische kwetsbaarheid, een verhoogd risico geeft op agressie en geweld. Immers de vastgestelde antisociale persoonlijkheidsstoornis en ook psychopathiforme trekken die worden vastgesteld zijn geassocieerd met zowel impulsief als instrumenteel geweld. Daarbij worden beiden ook gekenmerkt door een zekere mate van gewetenloosheid en onverschilligheid ten aanzien van de veiligheid en het welbevinden van anderen. Middelengebruik kan op genoemde kenmerken een verdere ontremmende werking hebben.

Cannabisgebruik zou daarbij kunnen leiden tot nieuwe psychotische decompensaties.

Psychotische decompensatie heeft bij betrokkene in het verleden zelfs in een gestructureerde setting van detentie, geleid tot een pathologische coping met directe toename van verlies aan impulscontrole en agressief gedrag waarbij hij meermaals geweld heeft gebruikt naar anderen. Onderzoekers zijn dan ook van mening dat er vanuit de bij betrokkene vastgestelde stoornissen een evident risico bestaat op gewelddadig gedrag in de toekomst. Het feit dat betrokkene in het verleden gemakkelijk toegang tot vuurwapens had roept in combinatie met bovengenoemd risico zorgen op bij onderzoekers.”

Het hof volgt de conclusies van de deskundigen en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.

Gelet op de inhoud van voornoemde rapportage, waarin wordt geconcludeerd dat gebleken is dat bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis en er een verhoogd risico bestaat op agressie en geweld in de toekomst – hetgeen een behandeling van de verdachte noodzakelijk maakt – is het hof overtuigd geraakt van de noodzaak de verdachte te behandelen binnen het kader van een terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 37a Sr.

Anders dan door de verdediging aangevoerd stelt het hof vast dat aan de wettelijke criteria voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan. Bij de verdachte bestond ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens (in de vorm van cannabismisbruik, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en genoemde cognitieve beperkingen), de door de verdachte begane feiten, zoals bewezen verklaard onder parketnummer 02-800974-13, zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld. Voorts stelt het hof vast, mede gelet op de inhoud van de laatst vermelde NIFP rapportage die over de persoonlijkheid van de verdachte is uitgebracht, alsmede de bijzondere ernst van het bewezen verklaarde, dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen niet slechts de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte eist, maar tevens het bevel dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Met het oog op de mogelijkheden tot verlenging van de duur van de maatregel, als bedoeld in art. 38e lid 1 Sr, overweegt het hof dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met behulp waarvan het in de zaak met parketnummer 02-800974-13 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.776,44 (bestaande uit € 1.026,44 materiële schade en € 1.750,00 immateriële schade).

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen, inclusief de gevorderde wettelijke rente vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij

[slachtoffer 2] als gevolg van verdachtes in de zaak met parketnummer 02-800974-13 onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, inclusief de genoemde gevorderde wettelijke rente.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-800974-13 onder 1 primair en 2 primair en in de zaak met parketnummer 02-665673-14 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 02-800974-13 onder 1 primair en 2 primair en in de zaak met parketnummer 02-665673-14 onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

In de zaak met parketnummer 02-800974-13 onder 1 en 2 bewezen verklaarde:

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 pistool, zilverkleurig, Taurus Pt99afs, kaliber 9mm, goednr. 1035864

- 1 patroon, CBC MRP 9mm luger, goednr. 1039550

- 10 patronen, CBC MRP 9mm luger, goednr. 1039551.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-800974-13 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.776,44 (tweeduizend zevenhonderdzesenzeventig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 1.026,44 (duizend zesentwintig euro en vierenveertig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële- en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-800974-13 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.776,44 (tweeduizend zevenhonderdzesenzeventig euro en vierenveertig cent) bestaande uit € 1.026,44 (duizend zesentwintig euro en vierenveertig cent) materiële schade en € 1.750,00 (duizend zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële- en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. Verhoeven-van der Heijden, griffier,

en op 26 oktober 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.