Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:4628

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
20-002589-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:4727, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het oprijden van een gevaarlijke kruising met een voor een veilig verkeer ter plaatse te hoge snelheid en het verzuim voorrang te verlenen aan van rechts komend verkeer met een ernstig ongeval tot gevolg.

Vrijspraak van - kort gezegd - schuld in het verkeer, artikel 6 WVW 1994.

Bewezenverklaring overtreding artikel 5 WVW 1994.

Beroep op AVAS (betrachten van de maximale / in redelijkheid te vergen zorg) verworpen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2018/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002589-15

Uitspraak : 31 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 7 augustus 2015 in de strafzaak met parketnummer 01-860220-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1984,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde, bewezen zal verklaren hetgeen subsidiair aan de verdachte is ten laste gelegd en hem zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 500,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van één jaar.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens de afwezigheid van alle schuld.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 maart 2014 te Sint-Oedenrode en/of Schijndel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, merk Citroën), daarmee rijdende over de openbare weg (de kruising van de wegen Koeveringsedijk met de Damianenweg en/of Vlagheide), (en naderend een (van rechts komende) bestuurder van een personenauto (type Honda)) zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend, met genoemde Citroën

- met een (te) hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse over voornoemde weg(en) te rijden en/of voornoemde kruising te naderen, en/of;

- zijn aandacht niet, althans niet voldoende en/of bij voortduring, te richten en/of gericht te hebben gehouden op de zich voor hem, verdachte, liggende weg en het zich daarop bevindende verkeer, en/of;

- een personenauto (type Honda, komende van rechts op het betreffende gelijkwaardig kruispunt) geen voorrang te verlenen;

(mede) ten gevolge waarvan die Honda werd geraakt door de Citroën (bestuurd door verdachte) en/of (aldus) een botsing en/of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen de door hem, verdachte, bestuurde Citroën en (de bestuurder van) de Honda, waardoor aan een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel (te weten een breuk in het borstbeen en/of een breuk in de bekken en/of een breuk in het heiligbeen), althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 7 maart 2014 te Sint-Oedenrode en/of Schijndel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, merk Citroën), daarmee rijdende over de openbare weg (de kruising van de wegen Koeveringsedijk met de Damianenweg en/of Vlagheide) (en naderend een (van rechts komende) bestuurder van een personenauto (type Honda))

- met een (te) hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse over voornoemde weg(en) heeft gereden en/of;

- zijn aandacht niet, althans niet voldoende en/of bij voortduring, gericht had en/of gericht heeft gehouden op de zich voor hem, verdachte, liggende weg en/of;

- een personenauto (type Honda) geen voorrang heeft verleend;

waardoor die personenauto (Honda) werd geraakt door voormelde Citroën en/of (aldus) een botsing en/of aanrijding is ontstaan tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en de (bestuurder van) de andere personenauto (type Honda), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Op 7 maart 2014 omstreeks 16.13 uur vond op de gelijkwaardige kruising Damianenweg / Koeveringsedijk in de gemeente Sint-Oedenrode een verkeersongeval plaats. De verdachte botste met zijn personenauto, type Citroën, frontaal tegen de linkerflank van de voor hem van rechts komende personenauto, type Honda, van het slachtoffer [slachtoffer] . Ten gevolge van dit ongeval heeft het slachtoffer ernstig letsel opgelopen.

Het hof overweegt dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ‘schuld’ aan een verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals met betrekking tot voornoemd verkeersongeval primair aan de verdachte is ten laste gelegd, aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Uit het onderzoek ter terechtzitting, alsmede uit de gebezigde bewijsmiddelen, is het hof gebleken dat de verdachte op de ten laste gelegde datum een tweetal verkeersfouten heeft gemaakt. Allereerst is de verdachte de betreffende kruising genaderd en de kruising opgereden met een voor een veilig verkeer ter plaatse te hoge snelheid en vervolgens heeft hij verzuimd voorrang te verlenen aan de van rechts komende Honda. Op zichzelf leveren deze overtredingen, bezien in samenhang met de omstandigheid dat de verdachte, naar hij verklaart, heeft getracht de kruising veilig over te steken, nog geen aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid op. Van andere gedragingen van de zijde van de verdachte die, in combinatie met de genoemde overtredingen en bezien in de gegeven omstandigheden ter plaatse, zijn aan te merken als roekeloos, dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend, is het hof niet gebleken.

Aldus heeft het hof met de advocaat-generaal en de verdediging uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat het ongeluk dat plaatsvond op 7 maart 2014 en het als gevolg daarvan ontstane zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] aan de schuld van de verdachte is te wijten als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof spreekt de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 maart 2014 te Sint-Oedenrode als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto, merk Citroën), daarmee rijdende over de openbare weg (de kruising van de wegen Koeveringsedijk met de Damianenweg en Vlagheide) en naderend een van rechts komende bestuurder van een personenauto (type Honda)

- met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse over voornoemde wegen heeft gereden en;

- een personenauto (type Honda) geen voorrang heeft verleend;

waardoor die personenauto (Honda) werd geraakt door voormelde Citroën en aldus een botsing is ontstaan tussen de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en de (bestuurder van) de andere personenauto (type Honda), door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van het bewezen verklaarde is door de verdediging aangevoerd dat de verdachte weliswaar heeft verzuimd voorrang te verlenen aan van rechts komend verkeer, doch dat hij heeft gedaan wat in zijn macht lag om een ongeval te voorkomen. Immers heeft de verdachte bij het naderen van de kruising de zijwegen voortdurend gecontroleerd op naderend verkeer, heeft hij zijn snelheid geminderd door het gas los te laten en heeft hij vlak voordat hij de kruising opreed nog gecontroleerd of er verkeer van rechts kwam en teruggeschakeld naar de derde versnelling. Op grond van deze omstandigheden stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verdachte alles heeft gedaan wat van een correct handelend verkeersdeelnemer mag worden verwacht en dat hij aldus dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens de afwezigheid van alle schuld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte inderdaad de maximale of in redelijkheid te vergen zorg ter vermijding van het hem verweten strafbare feit heeft betracht, is allereerst vereist dat alle strafrechtelijk relevante schuld aan de zijde van de verdachte ontbreekt. Meer bepaald is beslissend of door de verdachte alle maatregelen zijn genomen die redelijkerwijze van hem konden worden gevergd teneinde te voorkomen dat in strijd met het recht – in casu in strijd met artikel 5 van de Wegenverkeersweg 1994 – zou worden gehandeld.

Het hof stelt vast dat de verdachte, zo volgt uit zijn verklaringen, de kruising van de wegen Koeveringsedijk met de Damianenweg en Vlagheide zonder te remmen heeft genaderd en de kruising is opgereden in de derde versnelling met een snelheid van 40 tot 45 kilometer per uur. Voorts stelt het hof vast dat de verdachte vlak voor de kruising van de genoemde wegen aan de rechterzijde het een verkeersbord met de betekenis ‘gevaarlijk kruispunt’ (bord J08 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990) heeft gepasseerd. De verdachte was bovendien bekend met het gevaarlijke karakter van de kruising, alsmede met het feit dat aldaar geregeld ongevallen gebeuren. Desalniettemin is het hof niet gebleken dat de verdachte het bedoelde kruispunt op de ten laste gelegde datum anders heeft genaderd dan ieder ander kruispunt dat niet als ‘gevaarlijk’ wordt aangeduid, dan wel als zodanig bekend staat. Dat had naar het oordeel van het hof wel gemoeten.

Het hof is van oordeel dat de verdachte, door te handelen als bovenomschreven, onvoldoende rekening heeft gehouden met het gevaarlijke karakter van de kruising alwaar de verdachte en het slachtoffer op 7 maart 2014 in botsing kwamen. Hoewel dit geen ‘schuld’ in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeersweg 1994 oplevert, heeft de verdachte niet alle in redelijkheid van hem te vergen zorg betracht ter vermijding van het ongeval. Nu het ongeval vermijdbaar was, komt de verdachte geen beroep op aanwezigheid van alle schuld toe.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft gevaar op de openbare weg veroorzaakt. Immers heeft hij gereden met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en heeft hij geen voorrang verleend aan van rechts komend verkeer.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof gelet op de omstandigheid dat de verdachte door te handelen als bewezen verklaard de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht en dat hij zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. Tevens neemt het hof in aanmerking dat ten gevolge van het bewezen verklaarde een ernstig verkeersongeluk heeft plaatsgevonden, met aanzienlijk letsel bij [slachtoffer] als gevolg.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 augustus 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit. Voorts heeft het hof meegewogen dat de verdachte werkt als rijinstructeur en zijn rijbewijs nodig heeft om zijn beroep uit te oefenen. Tot slot heeft het hof acht geslagen op de financiële draagkracht van de verdachte, alsmede op diens overige persoonlijke omstandigheden zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van
€ 500,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van één jaar passend en geboden is. Met oplegging van deze geheel voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door:

mr. S. Riemens, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.E.J. Hendricksen, griffier,

en op 31 oktober 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.